Tag: wachten

Almaar een beetje meer alleen

Almaar een beetje meer alleen

 

Ik heb me zelden zo ellendig gevoeld als gisteren. Zelfs het banale dagelijkse ritme leek tot stilstand gekomen. Ik had met moeë ogen wat krantenbijlagen gelezen, maar de paar boeken op ontdekking binnen handbereik bleven weer onaangeroerd. Ook “De Bekeerlinge” van Hertmans. Heerlijk boek, zei Maen net nog aan de telefoon. Het maakt me moedeloos dat het zorgvuldig en met mate aangevoerde boekenvoer me niet aanzet tot lezen. Vlucht ik dan weer naar het bureau om wat me dwars zit vorm te geven? Zelfs hiervoor ontbreken me moed en kracht. Mijn computer (een recent exemplaar), samen met de auto het enige technische ding waarop ik zorgeloos een beroep wens te doen, speelt me ook parten. De laatste dagen aanvaardt het ding zelfs lettergrootte “14” niet. Ik heb een relatief groot scherm en om zonder bril te werken gebruik ik dat cijfer al tijden! Kleiner gaat niet. Wanneer ik erin slaag de infobalk bovenaan toch voor even zichtbaar te maken, druk ik dan maar op zestien. En hier zit ik nu dus, joekels van letters te typen. Het stoort me, want zo belangrijk zijn de woorden niet.

Ik weet wel: ik hoor nu even niet te lezen, noch zelf dingen in taal om te zetten. Ondanks een meer dan tijdige vaccinatie tegen griep werden L. en ik geveld. Samen. Ik ben gedoemd tot dutten en slapen. Vanmorgen voerde Lotje een aantal broden aan – ik eet steevast speltbrood van een welbepaalde bakker – en een jonge oud-collega is in een warenhuis een winkelkar gaan vullen. Ik mag niet buiten. Het zou ook niet lukken. Ik heb alle afspraken afgemeld en hoop over een week weer wat aan de slag te kunnen. Ik heb wel leren nietsdoen, maar het mag niet te lang duren. Een stratenloper met huisarrest…

L. is ontieglijk harder geveld dan ik. Zij kan amper op haar benen staan, krijgt geen hap binnen, braakt meteen weer uit wat ze toch door haar keel probeert te krijgen en haar tanden klapperen als castagnetten. Van meters ver hoor ik haar nu naar me toe schuifelen. Haar hele lijf huivert in haar wollige kamerjas. Voor haar had ik de dokter gebeld. Correctie: dokteres. Wanneer het er op aankomt opteert L. toch nog altijd voor vrouwelijke kunde en kennis. Mij maakt dat niets uit. Het is zoals met beeldende kunst. Of het werk nu van een man of een vrouw is. Het speelt geen rol. Ik zie het doorgaans niet. Voel het niet.

Op een ochtend had ik met een paar jongere, sportieve en handige kerels nog een zwaar “familiestuk” vervoerd, maar ik voelde de bui al hangen. Ik had het zweten. Ook letterlijk. Ik heb dus goed naar de dokteres geluisterd. Zes weken zal het duren, zei ze. Bijna wanhopig keek ik de andere kant uit.

Voor L. zit er niets anders op dan het bed. Platte rust, wat medicijnen, een fles water op het nachtkastje, uitzieken zoals dat heet, en tegelijk zorgen voor voldoende vocht en suiker. Mijn bed en ik? Geen beste maatjes. Ik zal het bij de zetel houden. De kat op schoot.

Een paar weken geleden hebben we onze oudste kater laten inslapen. Poesjkin was deels zijn zicht kwijt en lang niet meer de jager die hij altijd was geweest. Omdat zijn eveneens geadopteerde broer de eerste weken zijn draai niet vond en leek te treuren en te zoeken, hadden we zowat overal kartonnen dozen en mandjes gezet. Overal handdoeken in. Het was wennen voor Wieb. Hij was dan wel fysiek veruit de sterkste, maar Poesjkin was sluwer. Onze zorg zou niet worden beloond. Niet dat Wieb nu niet relatief snel en met onloochenbare fierheid wél op tafel zat – wat voorheen Poesjkins (licht, vinnig en razendsnel) domein was -, maar omdat L. echt het bed nauwelijks uit raakte, nam ik het huishouden helemaal over, het ophalen van de rolluiken aan de straatkant incluis. Het feit dat een van de slaapplekjes net onder een rol was geplaatst waarmee je een luik op- en neerlaat, leidde tot een valpartij die ik zelfs niet meer kan navertellen. Al wat ik nog weet is dat ik tollend enkele keramieken sculpturen heb vermeden, dat ik uit mijn wenkbrauw bloedde als een rund en dat doodzieke L. plots naast me stond. Even werd overwogen om een zogenaamde wachtdokter op te bellen, maar daar heb ik niet zulke goeie herinneringen aan, en de moed om op een of andere manier op de spoedgevallen te geraken was er ook niet. Gelukkig duurde het felle bloeden niet zo erg lang.

Ondertussen zijn we enkele dagen verder en is mijn lijf her en der verkleurd. Mijn oog spant de kroon. Het is herfst op mijn lijf: de kleuren veranderen elke dag.

Gebroken en nog steeds slapjes lig ik in mijn zetel. Telefoonnummers die ik niet ken beantwoord ik niet. Nooit. Na de zoveelste slaapsessie zie ik dat mijn zus heeft gebeld. Mijn enige zus nog. Ik had er ooit drie die er altijd voor het kakkersnest waren. Meestal belt Roos wanneer ze iets kunstigs in de zin heeft of ergens wil geraken (ze rijdt geen auto) waar haar man absoluut geen zin in heeft. Ze heeft ze het over de familie. Onlangs was er in het ouderlijk huis, nu een restaurant, een reünie. Amper een jaar geleden ben ik een zus aan kanker verloren. Een diep gemis. We zagen mekaar geregeld en hadden veel gemeen. Het overvalt me de laatste tijd vaker, niet een vorm van eenzaamheid, maar een gevoel van tergend sluimerend alleen-zijn. Ooit waren we met zeven. Een warm nest. Vandaag nog met vier. De gedachte om er ooit helemaal in mijn eentje voor te staan, schrikt me wel eens af. Maakt me al eens neerslachtig.

Er zijn ook de werken aan het huis. Het is een al oude, gezellige stek, maar ze heeft klappen (lees: schokken) gekregen toen in de buurt grote infrastructuurwerken hun beloop kenden. Nogal wat zelfstandigen in de buurt werden wanhopig en hielden de zaken voor bekeken.

Ondertussen heeft vocht de rolluikkast van mijn werkkamer bereikt. De gordijnen zijn node weggenomen, mijn werktafel staat nu verder van het raam, het afdakje voor de katten werd uitgebroken en de foto’s van mijn vader en die van mijn twee neefjes staan tegen de muur. Te wachten. Net zoals wij op het nieuwe dak en de schilderwerken. De twee lege plekken doen pijn. Ik wacht ook op tekeningen van Sara. Ze tekent heel bijzonder. Ik wil er graag een paar voor bij mijn verhalen van dagelijks zeer. Ik denk dat ze voor een glimlach kunnen zorgen.

 

Johan DEBRUYNE, februari 2017

 

Tussen stad en buiten

Tussen stad en buiten

Ik wacht in de auto en kijk naar een laan (Ik weet niet waarom, maar deze weg wordt nu eenmaal zo genoemd. Van haar voornaam heet ze Astrid.) die de stad Brugge met een randgemeente en de buiten verbindt. Een paar honderd meter verder wordt het groener. Hoewel Astrid aan klassieke muziek en traagheid appelleert, is ook haar laan mondjesmaat drukker geworden. Haar beton krijgt het hard te verduren en het duurt almaar langer eer je de huizen in meer verspreide slagorde waarneemt.

Zij, (onze tandarts), een statige dame, resideert in een wat bevreemdende, ogenschijnlijk kleine villa, zo’n anderhalve kilometer van de drukte in de stad en de ring er omheen verwijderd. Even voor je ter plekke bent, heb je nog een laatste keer verkeerslichten. Eenmaal die voorbij wenkt een zekere ongebreidelde ordeloosheid.

Ik hoef er niet meer bij na te denken en rij langs de ene opening (de verste) in de haag binnen (de kasseien op) en parkeer naar gewoonte in de schaduw van een uit de kluiten gewassen tak. Deze koestert onmiskenbaar de intentie een grote struik te worden. Haar stam heeft nu al iets van die van een boom.

Ik breng er mijn vrouw heen. Routinebezoekje. Onderhoudsbeurt. Ze, mijn vrouw, kan momenteel met moeite stappen. Vandaar. Zo’n halfuur zit ik in de auto te wachten. Ik noteer een en ander en stuur berichtjes, maar – hoewel er haast niets is te zien – is het toch vooral de laan die mijn aandacht opeist. Wat voorbijtrekt, -stapt, -raast… Leesvoer heb ik met opzet thuis gelaten.

Aan mijn rechterzijde: bakstenen, soms bizar tegen elkaar leunend, opvallend veel bogen en kleine ramen met erachter niets dan wit. Bij nader inzien is alles er wit. Alles glimt. Ook in de behandelingskamer. Zacht wit. Dat wel. Het enige wat kleur geeft zijn de tijdschriften en de strips. Die liggen er gedwee op een wit kastje. Netjes op en naast elkaar getast. Je durft ze amper aan te raken. Voorts is ook het lange zwarte haar van de arts opvallend in deze oase van wittigheid en gedempte geluiden. Ik heb zelfs de indruk dat ook haar kleine viriele machientjes zich uit respect stil houden.

Na een behandeling rij ik gewoon verder naar links. Ik verstop me dan niet langer achter de struik en probeer de laan op te geraken. Ritsen is hier nog geen gemeengoed. Via de andere kant van de keurig geknipte haag rij ik naar de stad terug. Af en toe (ook als ik er niet op iemand heb moeten wachten) blijf ik nog een poos zitten. Ik kijk dan in de achteruitkijkspiegel naar mijn opgeknapte gebit en naar de overkant van de laan waar een klein, smal bouwsel staat. Zo’n vierkante meter, drie meter hoog, schat ik. Een kapelletje. Een merkwaardig ding. Daar, tussen stad en buiten. Vooral het dakje trekt mijn aandacht. Het kreeg vorm door heel gewone, voor dit kleine heiligdom, overmaats grote dakpannen.

Op ooghoogte een glas-in-loodraam. Daarachter een heiligenbeeld. Het bouwsel heeft de evolutie getrotseerd, want er net achter prijkt een nieuw gebouwd huis. Misschien betreft het een beschermd monumentje. We zitten dicht  tegen Ver-Assebroek aan. Ik herinner me dat – heel lang geleden – mijn moeder de bus naam naar dat oord. Daar werd verwoed gebeden en gepreveld. Voor een Maria. Haar  achternaam was die van het gehucht. Een klein bedevaartsoord. Een “afspanning” kon dus niet ontbreken.

Ik denk met heimwee aan een sinds lang overleden tante die in een andere deelgemeente huisde. Naar de ham en de droge worstjes die nog de tijd kregen om te drogen. Onvergetelijk heerlijk. Het gedroogde lekkers hoorde bij de woensdag. Bij Johan en zijn Alverman.

Mocht ik naar links rijden, dan passeer ik een tweetal plantenkwekerijen, grote, protserige villa’s, een compleet nieuwe wijk, een land -en tuinbouwschool. Pas dan volgen dorpen.

Ik heb in dit gebied bezijden onze toeristenstad nogal wat familie wonen. Ik weet niet of dit toeval is. Ik vind er ook een van de eerste scholen terug waar ik niet langer belhamel mocht zijn, maar studiemeester speelde en op een gemoedelijke manier respect probeerde af te dwingen. Ik leerde er de enige directeur kennen, voor wie ik altijd respect zal hebben.

Ik word een eenzaat. Of kan ik het tempo en de mensen niet meer aan? Vroeger dacht ik al eens om met mijn pas verzorgde bekje ergens in de buurt aan te bellen. Bij een van mijn verwanten. De laatste jaren heb ik daar de moed niet voor. Ik zoek een rustig terras op, bestel een koffie en lees. Iedereen heeft het razend druk en geen kat is geïnteresseerd in mijn gezeik over taal en beeldende kunst.

Maar nu staar ik vanuit de auto naar het kapelletje. Naar wat passeert.  Voorbij zoeft. Ik stel vast dat niemand aandacht heeft voor het witte optrekje. Noch de vrachtwagenchauffeurs, noch de bestuurder van een grote, lege lijnbus, want “geen dienst” (staat er duidelijk op te lezen), noch de chauffeurs in terreinwagens (die horen ongetwijfeld bij de verderop gelegen villa’s). Ook niet de fietsers (de wind zit behoorlijk op kop) en evenmin de zeldzame voetgangers. Wat passeert herinnert me ondermeer aan veevoeders, chape en andere vloerbedekking. Een eenzame coureur zegt me dat de wielerklassieker Milaan-San Remo er aankomt.

Af en toe kijk ik recht voor me uit. Naar de grote, brede, bruine garagepoort van de tandarts. Links en rechts ervan twee kleine fietsstallingen tegen kort gehouden groen aangeschoven. Samen goed voor zes fietsen. De Vespa koos een eenzame stek. Er is zon. De gemotoriseerde tweewieler wiebelt in de wind. Het rechter raam van de auto staat halfopen. De lentewind doet wonderen.

Ik wacht op mijn vrouw.  Ja, onze schoenen “rijgen”… zelfs zo’n kleine ochtendlijke beweging houdt blijkbaar gevaar in. Straks drink ik met vrienden een koffie op de Markt van Brugge. Daar zie ik in hoofdzaak toeristen. Hier nog even het gewone leven.

Rechts boven de garage treurt een wilg. Hij wil blaadjes. Nog even geduld. Mijn vrouw verschijnt in het deurgat. Opening past beter in deze context. Ik stap uit, groet de tandarts, open het portier, sluit het weer en kruip achter het stuur. Pratend rijden we huiswaarts.

 

JOHAN DEBRUYNE, maart 2014