Tag: trein

Mijn Stalen Rups voor een Bronzen Ruiter

Mijn Stalen Rups voor een Bronzen Ruiter

De televisie speelt. Maar de klank is gemuilkorfd en het journaal zit erop. Straks  wil ik Winants, Chef Staatsveiligheid, zelf aan het woord horen. Na “Ter Zake” verdwijn ik in het bureau en is de woonkamer helemaal haar domein. En van de katers. Wat naar politiek, actualiteit en sport ruikt, bekijk ik normaliter in de logeerkamer. Maar gezien de laatste tijd zelfs “Ter Zake” geen vaste prik meer is…

Het is nat en barkoud. De gezelligheid van de woonkamer lokt.

Lang geleden dat we in dezelfde kamer zaten te lezen. Zij houdt een dun boekje open. De Botton. Na “Alles in een mens” (Irving/500 bladzijden) opteerde ik voor wat dunners.  Maar “Absurde Overvloed” (Foley/319 pagina’s), Tom Barmans (dEUS) uitverkoren lectuur, is geen kattenpis. Je moet er je hoofd bijhouden. De auteur houdt het (consumptie)beest in ons een spiegel voor. Vrolijk(er) word ik er niet van.

Rothko, fluistert ze, da’s toch die van die grote kleurvlakken? Ik bevestig. Licht geïrriteerd. Zij: Mensen die onrustig zijn houden van dat soort werk.

Als ze maar niet te lang kijken, denk ik. Maar zeg niets. Het recentste boek van  Zwagerman ligt voor me op de salontafel. Ook hij had het over Rothko. Als reddende engel voor zijn psyche. Een eer die hij wel met Vermeer moet delen.

Het lijkt logisch dat een onzeker iemand vooral tot rust komt bij beeldende kunst die eenvoud uitstraalt. Na een overdaad aan jaren beroepsonderwijs aan onze Vlaamse kust (In zo’n klas is het hoogst zelden rustig, beste lezer!) heeft mijn vrouw haar zenuwspiegel nog zelden volkomen onder controle. ’t Kan stil zijn in het hoofd. Maar ’t kan net zo goed stormen. Zekerheid? Nooit! Ooit ben ik daarom een groot schilderij een verdieping hoger gaan ophangen. Het drukke tafereel maakte haar knetter.

Ik… oog een brok rustiger dan zij, maar hou in principe ook van werk dat eenvoud in zich draagt… Ontroering maakt zich snel meester van me. En eenvoud bedwelmt. Lang kijken naar een “Rothko” kan mij kierewiet maken. Fantasie op de loop. Zij daarentegen. Fictie houdt ze af. Studeren? Geen probleem! Maar een opstel schrijven? Gruwel!

Ik hou de bewegende beelden in de gaten. Me concentreren op “Overvloed” valt tegen. Klokslag 20u. is “Ter Zake” op de afspraak. Een zekerheid. Dat de items er tegenwoordig worden doorgesjeesd evenzeer. Het stoort me mateloos. Ook dat je later op de avond in de overvloed aan “duidings”-programma’s dezelfde koppen ziet. Met hetzelfde verhaal.

Torfs, dit keer. Aan tafel met Nasr, net geabdiceerd als Nederlands “Dichter des Vaderlands”. Poëzie. Op zeker ogenblik worden er beelden aan toegevoegd. Hoeft niet, zegt de kerkspecialist.

Ja, maar die zijn er voor kinderen van de lagere school. Die hebben nu van die witte borden in klas, reageert de dichter gespeeld opgewekt. Poëzie? Woorden en een stem. Punt. Torfs heeft gelijk. Graag de stem van Nasr. Tegenwoordig moeten overal plaatjes bij.

Winants heeft standgehouden. Weg ermee, zegt Renaat Landuyt. Ik weet het zo zeker niet. “Salamander” flitst door mijn hoofd: het feuilleton waarin Filip Peeters subliem acteert. Geld, macht, invloed, corruptie… Mooie wereld.

Ik las vroeger vaak voor. Over het leven in een circus bijvoorbeeld. De Grote Wereld in het klein.  De dompteur was door zijn eigen leeuwen verscheurd. Dan weggevoerd. Uitgegleden over een bananenschil en eensklaps alle macht over zijn mini-jungle kwijt. De clown huilt en snikt. Een kleine ballerina troost: “Huil maar niet. De mensen zijn slecht. Barslecht!”Ik zie beelden van een familiefeest. Een kleine jongen probeert heimelijk met een voetbal weerloze kuikens te raken.

We geraken aan de praat. Wat is zeker? Mijn ouders zijn dood. Dat is zeker. Sindsdien ben ik mijn eigen kind. En ons geloof, beiden behoorlijk katholiek grootgebracht, ebt met toenemend debiet weg. Ik parafraseer Foley: Er is geen houvast meer. Of het zou het “consumeren” zijn. Nee. “Verlangen”. Verlangen naar de volgende consumptie…

Zekerheid? In tal van overvolle mappen. In kasten vol krantenartikels en foto’s van alles wat ik heb uitgevlooid. Maar is er iets veranderd? Heeft het zoden aan de dijk gezet? Zeker is dat je als jongste van zeven onderweg behoorlijk wat kwijtspeelt. Wie en wat je dierbaar is.

Ik ben mijn eigen kind. Heb mezelf geadopteerd. Het zal gek klinken, maar de… trein was een van mijn laatste zekerheden. Een niet te stuiten Stalen Rups die her en der stopte. Zich nooit van weg vergiste. Ik hield van het solide vehikel, de sporen, zijn lengte, zijn weidse bochten.

De trein was zekerheid. Tot vorig jaar. Midden in een Duits landschap weigerde de trein waarin we zaten alle actie. Ik putte me uit in uitvluchten: overladen? Moe? Versleten? Veel te veel passagiers met veel te veel bagage?

Kop op. Tijd voor lichter werk, jongen. Die Fyra flitst je straks naar Amsterdam. Helaas. De Fyra stuitert. Valt hopeloos stil. Net als die andere nieuwe trein van Duitse makelij. Desiro. Mooie naam. Maar motor te licht. Technologie te gevoelig. De toiletdeuren doen waar ze zin in hebben!

Zekerheid? De banken gaan duizenden mensen “niet vervangen”, klinkt het eufemistisch. Schuld van het thuisbankieren! We zijn verdomme alleen nog met machines bezig. En wie nog niet gek was, wordt het vast. “Mijn” warenhuis houdt voorlopig stand. Het is er vaak gezellig aan de kassa. Aan het Postpunt. Het Pluspunt. Korte babbels. Meer moet dat niet zijn!

Ik ben snel uitgepraat. Vind het niet eens meer vervelend – wel onbeleefd – wanneer een tafelgenoot een van zijn/haar apparaten beantwoordt. Kan ik even op adem komen. Wat tijd om na te denken. Om weg te dromen.

Zo weemoedig, schreef Trees onlangs.  Ik zou meer naar muziek willen luisteren. Maar het zou de impact van mijn weemoed alleen maar doen toenemen. Net als Foley koop ik (te) veel boeken en CD’s. Na verloop van tijd heb je geen zin meer om ze te lezen. Ze liggen er mooi, dat wel, maar net iets te lang. En de CD’s? Die verliezen hun waarde al bij het uitpakken. Het wonder is dan al weg. Verzamelen, dus.

Ben zondag flink gaan stappen. De kleine stad doorkruist. Het was bitter, maar voor een keer droog. Veel leegstand en chocolade. Miserie en lekkers. In een stadstuin maakte ik een foto van een ruiter. Van de Apocalyps. Ik koester hem. Een nieuwe, sterke vriend. In de verte zag ik een wezentje van Sofie Muller. Tegen de groen aangeslagen verste muur van de Hof. Brute kracht en broosheid op een boogscheut van elkaar. Zou mooi zijn.

JOHAN DEBRUYNE, februari 2013

 

Dan toch: de boekentas aan de haak

      

Dan toch: de boekentas aan de haak

Steevast probeer ik mijn werkkamer enigszins op orde te krijgen. Dat ik op z’n minst niet over dozen of boeken heen moet stappen eer ik me achter de PC kan nestelen. Het is me nooit in eniger bevredigende mate gelukt. Ik gaf les,  schreef artikels en nam initiatieven. En voor die lessen alleen al verzamelde ik behoorlijk wat. Alles wat in een les bruikbaar kon zijn. Wat taalkundig interessant was, maar tegelijk inhoudelijk boeide. De stapels dikten almaar aan. Omdat ik ook weg van de schoolpoort(en) nog van alles ondernam, was het eigenlijk onbegonnen werk. Hoe rangschik je zo’n verzameling? Als de afstand tussen de schappen al geen stokken in de wielen steekt: hoe catalogeer je de boeken? Per thema? Onderwijs, literatuur, kunst, humor, filosofie… Maar vaak lopen die dingen door elkaar. Idem voor de liedjesteksten. Illustraties. Cartoons. Ik werd er soms tureluurs van.

Eind 2008 belandde ik in het ziekenhuis. Koorts. Uitgeteld. Infectie. Een bacterie had me te pakken. Ik bleef er één week. Maar naar school zou ik niet  teruggaan. Nooit meer. Het ging gewoon niet. Het enige wat ik betreur is dat ik de “gasten” (zo noemde ik de leerlingen altijd) die ik amper anderhalve maand voor me had gehad niet het beste had kunnen geven. Zo’n bacterie woekert immers een hele tijd. Mat je af. Incuberen heet dat.

Eigenlijk had een soort burn-out me geveld. Ik had me tijden van hot naar her gehaast, maar vooral (te) vaak geërgerd. Aan de school. De stad. Ondermeer. Het opgefokte, welhaast seniele enthousiasme van sommigen. Hun dilettantentheater. De zelfgenoegzaamheid. En wat kom ik hier – op school – na 34 jaar nog doen? Alle schoolmuren waren een beetje kunst geworden (initiatieven!), zelfs de toiletten. Maar voor de meeste collega’s en leerlingen was ik vooral een entertainer. Terwijl ik ook wilde dat hun beheersing van het Nederlands beter werd.

Steeds hou ik stapels overeind. Barstensvol herinneringen. Krantenknipsels en heelder kranten. Foto’s… Ik heb ook wat (oude) steloefeningen gespaard. Ondermeer van Bram. Die schreef over een bezoek met de klas aan een beeldentuin. Ik herinner me zijn rollende “r” nog. Hoe hij voordroeg in het theater – ook dat “organiseerde” ik zo’n 30 jaar lang – over een trein met joden. Ik hoor het na meer dan 20 jaar nog! Ondertussen is Bram professor. In geschiedenis.

Ik heb de beste herinneringen aan bijna al mijn oud-leerlingen en -studenten. Het onderwijs daarentegen. “De” school… De voormalige kazerne was een mooie school geworden. Da’s waar. Maar ik was er zelden gelukkig. Vraag me niet waarom. Ik miste debat. Discussie. Openheid. Empathie. Schijnheiligheid heb je overal. Net als kliekjes. En kontlikkers. Het zal ook deels aan mij liggen: Einzelgänger. Terwijl je ploegspeler hoort te zijn. In het gelid moet lopen. Ik was speelvogel. Als het gros van mijn gasten. Zowel die van 13 als die van 18 en ouder.

Geen school meer, dus. Wat later zette ik ook een punt achter mijn projecten op de wijk Sint-Jozef. Tien jaar was ik er hyperactief. Ook hiervan dozen vol krantenknipsels. Herinneringen. Ik hou er vooral mijn liefde voor de marmotjes aan over, het symbool van de wijk. De uitjes naar de bergen. Een rist aardige mensen. Ook klootzakken. Er zat sleet op het project. En de politiek was aan zet. Ik focus vandaag nog louter op die andere grote, oude liefde van mij: de beeldende kunst. Niet zo lang geleden kwam er de blog. Ik kon stoom aflaten.

Vandaag probeerde ik nog maar eens wat op te ruimen. Zaken weg te doen. Maar wat gebeurde? Ik herlas een artikel van critica Anna Tilroe! 12 jaar oud. Ik kan het niet weggooien. Wat ik eindelijk wel heb kunnen doen, is mijn boekentas aan de haak hangen. Op zolder. Het heeft zo’n 2 jaar geduurd eer ik zo ver was. Het zwarte, glimmende ding. Uit Spanje: Calle Bulto. Hij zat serieus onder het stof en er zaten nog spullen in. Een en ander zal ik… bewaren. Dingen van die gasten die mij maar anderhalve maand als leraar Nederlands hebben gekend. Wat me opviel was een boekje: “Mijn leven als hond “ van Martin Bril. Toen net overleden columnist.

Vrijdag ga ik in Lendelede iets zeggen over tekeningen: “José Vermeersch en het dier”. Toeval bestaat niet. Uit Brils gebundelde columns had ik voorgelezen. De vragen heb ik ook nog. En Schoenaerts zat klaar. Julien. Mijn boekentas heb ik zondag in het Middelheim vervangen door een tas. In zeildoekstof. Ze herinnert aan een recente tentoonstelling daar van Jan Decock. In een Beschutte Werkplaats hebben ze er draagtassen van gemaakt. De ene kant toont het parkgroen. De andere een beeld dat Decock uit de collectie had gehaald. Je ziet de kop van een soldaat. Een grote helm. Ik ben gewapend tegen de rotzooi van alledag.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Johan Debruyne, 3 september 2012, eerste schooldag