Tag: tijd

Tweeëntwintig jaar later

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

(Omtrent Kobe en zijn sculpturen)

Tweeëntwintig jaar later

Onlangs werd het me duidelijk wanneer het allemaal had plaats gevonden. Het was even schrikken. De laatste jaren heeft mijn toenemende graad van nostalgie me al met grote regelmaat duidelijk gemaakt hoe snel de tijd gaat. Ze vliegt voorbij. Het leven glijdt als zeezand door je vingers. Ik merk het onder meer aan ouderen naar wie ik in de fleur van hun leven heb opgekeken, aan idolen die verdwenen of nog maar uiterst zelden in het publiek verschijnen, en ik merk het aan zij die ik als kind heb gekend en die nu de kaap van de veertig en zelfs die van de vijftig hebben gerond of zelfs niet eens hebben gehaald. Ik trek maar een streep onder de clichés. Hoewel. “Je bent sneller moe, pa.” Die zin, dat liedje, weet je wel. Maar “pa”? Nee. Dat ben ik niet. Ik hou vooral van katten, dus hoef ik dit zelfs stil niet te horen. Twee katers heb ik. Hebben wij. Ik ben hun almaar krakkemikkiger en strammer wordende butler. Moeizaam volg ik hun onvermoeibaar ritme van binnen-buiten-binnen-buiten. Ik schrijf – dit mag ik hopen – nog behoorlijke zinnen neer. In de vroege ochtend en laat in de avond. En ik oefen ononderbroken in het aanvaarden van de slome fysieke teloorgang. Als het hoofd nog maar een wijle intact blijft!

Het was maar liefst tweeëntwintig jaar geleden dat ik in Zwevegem te gast was, in het atelier van beeldhouwer Kobe. De koffietijd brachten we in een kleine overvolle keuken door. Dit, onder andere, herinner ik me nog behoorlijk levendig. Voorts sculpturen in de tuin die niets gemeen hadden met de gezellige kommerloosheid waarmee hij toen al heel bewust beeldend was begaan. Het afwerken van de lange weg naar plastische eigen(gereid)heid, naar een handelsmerk. De tuin liet voornamelijk oud werk zien, buitenbeentjes, studietijdwerk…

Kobe was zijn artiestennaam. Op de dijk van Knokke-Heist stond voor een van de vele galeries een imposante, immense sculptuur van zijn hand. Een paard. Groenig brons. Het dier stond dwars. Een positie die bij zijn “meester” paste, maar gezien de aard van de sculptuur ook logisch omwille van de zichtbaarheid. Er was ook een ruiter. Of was het een amazone? Ik kwam geregeld in deze mondaine badstad, maar zelden op deze locatie en in de kunstgaleries in de omgeving, dus weet ik het allemaal niet zo precies meer. Er waren nogal wat galerieën met naar mijn gevoel een overdaad aan Cobra-kunst en oogstrelende dingen om het interieur op te smukken. Voor al diegenen die niet bereid zijn om voor pakweg een knap schilderij een meubel de deur te wijzen. Ik weet het: zo werkt het. Of net niet. Omheen een tekening of schilderij of een multiple die men via technische hoogstandjes tot een schilderij had gemanipuleerd of gemetamorfoseerd (van kwatongen kun je veel verwachten) zit het liefst nog een joekel van een lijst. Een “kader” in het West-Vlaams. Ik erger me, maar “mooi ingekaderd staat netjes”, nee? Kunst om te verfraaien. Zo luidt de titel van een monografie, geschreven door een gerespecteerd collega, over kunst in de Brusselse metro. In “Maalbeek” zal men hier nu wel anders over denken. Ook Benoît, de geestelijke vader van de tegelwerken in “Maalbeek”.

Wat ik van tweeëntwintig jaar geleden wel nog met zekerheid weet is dat ik getroffen was door het grote vakmanschap van de kunstenaar. Noem het metier. In de galerie stond kleiner werk. Paarden en vrouwen. Die immense formaten hoefden niet, vond ik. Te protserig. De essentie die Kobe in zijn werk bereikte droeg immers een zekere monumentaliteit in zich. Vooral de marmeren beelden charmeerden. De adering in de steen. Hoe de kunstenaar hier attent en vaak met lef mee om was gegaan.

 

Kobe was het pseudoniem voor Jacques Saelens (°1950). Drie jaar ouder dan ik. Hij de oudste van zeven; ik de jongste van een even uitgebreid nest. Gezellig praten bij het haardvuur was wellicht nooit zijn deel geweest. Ook het mijne niet. Bij ons was het een grote stoof. Met deurtjes. Maar goed, ik zou me meer dan een wijle in Kobe’s oeuvre verdiepen en ben er dus een paar keer op bezoek geweest. Men had me verwittigd: een eigenzinnig man, koppig, kort van stof.

Ik wilde vooral weten hoe hij tot zijn handelsmerk gekomen was: die brede en tegelijk smalle beelden, de oorzaak van de vaak vervelende en onheuse associatie met het oeuvre van Fernando Botero. Ooit zat hij, Kobe, – om medische redenen – een hele poos thuis en kwam er geen materiaal binnen. Uit verveling behielp hij zich op de duur dan maar met wat wél voorhanden was: een breed en smal stuk (hout, vermoed ik) waaruit hij een figuur zou halen. Een ander verhaal voert ons naar het kunstenaarsdorp Pietrasanta (Italië), en meer nog naar het nabijgelegen Carrara. In de buurt van de marmergroeven daar vallen naar verluidt al eens restanten te rapen. Breed en dun. Basiswerktuig waarmee de meeste kunstenaars niets konden noch wilden aanvangen. Al zeker de gevestigde waarden niet. De jonge,  koppige, eigenzinnige Jacques Saelens dus wel.

Een paar jaar later was ik onder meer bijzonder actief in wat socio-cultureel werk wordt genoemd. Naar aanleiding van “Brugge, Europese Culturele Hoofdstad 2002” had ik mij blindelings, mateloos enthousiast en dus compleet gesmeten in een project dat zich zou afspelen in de eerste Brugse sociale wijk.  Wekelijks had ik voor een krantenrecensie nog wel met kunstenaars en galerieën contact, maar Kobe verloor ik uit het oog. Zo gaat dat nu eenmaal. Af en toe zag ik nog eens een werk van hem, maar steeds dacht ik: ik heb het al gezien. Het is – hoewel super fijn, technisch outstanding en oogstrelend mooi – variëren op één thema. Op twee eigenlijk: het paard en de vrouw. En Kobe, die zat – werd me later duidelijk – ondertussen al lang waar hij wilde zijn: in Zuid-Europa. Dichter bij de zon en de blauwe luchten, een wereldvermaarde steengroeve en een culinaire traditie die zijn absolute voorkeur wegdroeg.

Het was zijn zoon, Albin, die in zijn huis in Pietrasanta teksten van mij had gevonden. En het was een uitgeverij van vooral kunstboeken die me contacteerde. Ik kwam te weten dat Kobe twee jaar geleden danig met zijn gezondheid op de sukkel was geraakt, hierdoor ternauwernood nog een tekening op papier kreeg en dat in dit geval het leven voor hem niet meer hoefde. 2014.

Op een zekere dag stond zijn zoon voor mijn deur. Meer zoon van je vader kan je uiterlijk amper zijn. Dat haar, die doordringende ogen, de zuiderse look. Albin, zesentwintig ondertussen. Hij had een bvba opgericht om het werk van zijn vader eer aan te doen. Ik vernam dat ook voor hem Pietrasanta en Carrara geen geheimen meer hebben. Het werk van zijn vader, bij wie hij geregeld op visite was, evenmin. Terwijl ik als criticus gewoon was geworden om me week na week in andere kunstwerken te verdiepen en erover te recenseren, kwam Kobe weer in mijn leven. In die tweeëntwintig jaar was zijn werk nog meer naar de technische perfectie toegegroeid en daarom – vóór nader toezien – misschien wat koel. Duidelijker werd het keurslijf waarin hij zijn oeuvre gemanoeuvreerd had: breed en dun en dan nog eens gevangen in een geometrisch karkas.

Kobe en een keurslijf… Onmogelijk, behalve wanneer het om zijn werk ging en hij zich gewild in dat lijf had gewrongen. Voorts had hij immers al zijn hele leven gecontesteerd tegen al wat gezag was en had hij de pest aan uiterlijk vertoon. Koppig, eigenzinnig en kort van stof. Ik was ooit opvallend vaak verwittigd.

Ik zag foto’s van werken die ik uiteraard niet kende, maar waarin ik meteen Kobe’s hand zag. Ik merkte hoe hij, die ooit zo’n afkeer had van abstractie, deze toch zijn artistieke territorium had binnengelaten. Ik denk dat er geen andere uitweg meer was. Als je binnen zo’n strak kader gaat creëren…  Meer en meer werd de essentie nagestreefd en af en toe eisten details een hoofdrol op. Het verwondert me geenszins dat Kobe er met zijn werk in geslaagd is heel wat mensen gelukkig te maken. Naar zijn publiek toe was dit zijn enige betrachting. Voor hem moest een werk dan weer puntgaaf zijn. Af.

Kobe is niet meer en toch lijkt hij meer dan ooit terug van weg geweest.

Johan DEBRUYNE, augustus 2016

 

“Chambre Dood”…

“Chambre Dood”…

De laatste tijd kwam ik vaker dan gewoonlijk op het oude Brugse kerkhof. Mijn ouders liggen daar begraven. Ik hou niet van de steen op hun graf. Een zwart marmeren plaat, een lapidair kruisbeeld dat uit het oorspronkelijke blok werd gespaard en twee foto’s. Deze hebben wel iets: vader op zijn (zeldzaam) Paasbest en moeders foto werd genomen op het mooie feest voor haar tachtigste.

Ze liggen er samen. Vader stierf meer dan 4 decennia geleden. Zo oud is het graf. Even oud de zerk. Ik was te jong voor (vormelijke) inspraak. Moeder is bijna 20 jaar dood nu. De spaarzame keren dat ik er ben, fantaseer ik over een andere steen. Een kleine rots bijvoorbeeld. Anderhalve meter hoog. Zoiets. Symbool voor hun koppigheid, het harde labeur en het feit dat ze er altijd waren.

Ik blijf er nu langer dan vroeger. Het acute verdriet – vooral na het verlies van mijn moeder – is lang, maar tergend langzaam weggeëbd. Melancholie vulde deze leemte. Waar zij sinds lang voor altijd rusten ben ik omgeven door ambacht, banaliteit, door kunst en vergankelijkheid. Ik vecht er niet langer tegen. Er zijn de felle toetsen van het groen (dat leeft en sterft en herleeft) en een soort schoonheid die niet te beschrijven is. Het oude kerkhof van Brugge is uniek. Authentieker dan de stad. Nabij de doden verwacht ik ooit drommen. Drummende drommen. Achter gidsen aan. Zelf zal ik het wellicht niet meer meemaken. Alleen hier zie je nog ten volle wat “tijd” doet, vind je doorgaans stilte. En wat dood is kan je hier in ere houden.

Terwijl we thuis de ramen zo’n drie keer per jaar lappen, moeten de  zerken het doorgaans met een enkele beurt stellen. Met dit laatste gemiddelde bevinden we ons in een groot peloton. Te omvangrijk voor de novemberperiode. De nochtans grote begraafplaats is dan veel te klein. De kerkhofkatten zijn hun  rust kwijt en schieten alle kanten uit. Het was mooi weer toen wij er waren. Lange rijen dus bij de kraantjes. Zoals aan de kassa’s van de warenhuizen. Op de paden: vertraagd verkeer. Files. Ook hier slibt alles dicht.

Mijn moeder verloor ik als prille veertiger. Ze was 85. De jongste van zeven was ik. Moederskind. Toen ze stierf, leidde ik een hectisch bestaan. Ik gaf les, publiceerde in kranten en tijdschriften, organiseerde en fulmineerde en had nog net wat tijd over voor zaterdagochtendvoetbal. Had ik iets goed te maken? Viel er wat in te halen? Die haast altijd. Ik at en eet nog veel te snel. Bijvoorbeeld. Net als moeder, trouwens.

Voetbal op zaterdag. In een verre-randgemeente. Een kerel die niet eens half zo oud is nog voorbij draven. Je als een kind met een vedette identificeren… Ik deed het nog belachelijk allemaal. Stefaan, wat jonger, was hier het sterkst in. Als je hem tenminste voldoende ruimte gaf, na weer een korte nacht. Turesson, Emmerich, Gambassi… Wie kent ze nog? Alle drie hadden ze iets artistiekerigs en lijzigs in hun spel. Alle drie zijn te jong gestorven. Daar hadden Stefaans moves iets van.

Het was ook op zaterdagochtend dat er iets fundamenteels veranderde. Ik naderde de 50 en had problemen met mijn enkels. Ik tapete stevig in, liep langer los en realiseerde me allengs dat ik de ultieme pass leuker begon te vinden dan zelf te scoren. Een teken van ouder worden. Wijzer? Wellicht. Maar ook het signaal om ermee te kappen. Ik was een meer bezadigde versie van mezelf geworden. Het zaalvoetballen als revelerend element van zelfkennis.

Ik leefde hectisch en besefte ternauwernood dat ik onderweg ook al meer dan 10 jaar een zus en een broer was kwijtgeraakt. Beiden zo oud als ik nu. Ik werd langzaam sneller moe.

Ondertussen rondde ik de kaap van de 60. Ik plas nu zoals mijn vader dat vroeger deed. Ik was nog een kind. De echte puberstreken zaten nog even in de wachtkamer en hij, mijn vader, moest erg vroeg zijn bed uit. Een bakkersleven begint wanneer de anderen aan slapen toe zijn. Ik werd wakker van het (plas)geluid in een emmer. Het witte recipiënt was daartoe bestemd. Het stond als een soort eenzaam kunstwerk (voorts was er thuis tijd noch plaats voor kunst) op de overloop van de eerste verdieping. Erop een deksel. Eronder dagvers krantenpapier. Duchamp had zijn mosselpot; wij onze piesemmer. Ik had foto’s moeten nemen.

Met mijn 60 sta ik vanzelf dichter bij de dood. Is het daarom dat ik nu pas van dit Brugse Père Lachaise geniet? Genieten is niet het juiste woord. Ik ga er makkelijker naartoe. Eens voorbij die poort lijkt het niet langer alsof ik in een andere wereld stap. En ik heb sowieso meer oog voor wat broos is, vergankelijk, vergaan, vergeten en toch mooi. Op weg erheen: twee grote kippen in een verloederde voortuin. Die zag ik vroeger niet.

Vorige week ging ik er zoeken naar een monument. Het was net vernieuwd. En her-dacht…  Zo’n 20 stadsgenoten willen daar begraven worden. Samen. Onder die steen. De week ervoor zag ik de urnes die Lieven had ontworpen. Nu het graf: een gigantische, oude arduinen plaat. De oude, in de steen gebeitelde namen en data zijn nog net leesbaar. Er omheen zweeft nu hard borduurwerk. Aan elkaar gevlochten letters in cortensstaal. Knap. Het project en de plek heten “Chambre Dood”. Ik lees de naam in de letters van Jeroen. Ik denk aan Chambres d’Hotes. Gezellig. Gastvrij. Vrienden. Samen vooral. Kunstzinnige mensen allemaal. Ik denk ook aan wat Jan Hoet in Gent ooit wereldberoemd maakte: “Chambres d’Amis”. Kunstenaars van over de gehele wereld maakten  werk voor of lieten het zien in huizen van particulieren. Lang geleden. Te weinig en te weinig bewust van gezien.

Maar ook met “te weinig” heb ik me ondertussen verzoend. Alles lezen en zien? Dat lukt toch nooit. In het weekend geraak ik niet eens doorheen een van onze zogeheten kwaliteitskranten. Katernes en bijlagen! Weken na datum slingeren in huis nog flarden rond. Net nog gelezen en gezien, tussen de boterhammen en het 7uur-journaal, het portret van Wannes Cappelle (Het Zesde Metaal) geschilderd door een jonge vriend van hem, Stijn Dierckx. Intrigerend. Voor de nieuwe hoes. Voorts een uitgesponnen artikel over “Marina”, de film van baron Conincx over het leven van Rocco Granata.

Eenvoud en weemoed. Twee dingen die ik bij deze Italo-Belg terugvind. Sinds lang. Jammer van zijn overdaad aan populaire deuntjes. Dat eiland in groen en blauw… Nee.

Rocco is mooi ouder worden. Voel ik weer het gemis aan een vaderfiguur? Er is ook zijn hese stem en de eenvoudige melodietjes. Ze kruipen vaak in mijn kop, wanneer ik die leeg kan maken. En het accordeon. Het instrument refereert aan warmte. Aan weinig hebben, maar toch gelukkig zijn. Aan Roger Danneels en mijn jeugd in een volkse buurt.

Op het kerkhof verdelen we de arbeid, mijn vouw en ik. Zij doet het meeste. Ik sta snel te ouwehoeren. Met een man. Iets ouder dan ik. Over de zware operaties die hij nog maar pas heeft overleefd. Zijn vrouw schrobt zonder opkijken verder. Hij kijkt rond, lacht en zoekt een plekje waar hij ooit zelf zal komen te liggen. Eentje in de zon. We gaan luider dan de mannen die de begraafplaats november-klaar maken. Hun lessen in empathie hebben vruchten afgeworpen…

Ik heb lege plastic flessen met water gevuld. Wij hielden ook van de zon. Jaar na jaar brachten we de Paasvakantie door in het zuiden van Spanje. Onze “voorzomer”.  Tijdens de echte zomer hoefden we hier dan zee, zand, noch volk te trotseren. Wij zoeken hier straks een plekje in de schaduw. Al houdt L. niet van groen.

Een zware storm heeft ook op de begraafplaats sporen nagelaten. De werklieden kunnen het opruimwerk amper aan. Net zoals in Brugse greppels en op Brugse trottoirs tiert ook hier het onkruid welig. Ik vind het mooi. Het deert me niet.

Her en der sla ik nog een praatje. Ik ken nu eenmaal veel Bruggelingen en omgekeerd. Ik ervaar dat het praten de kloof tussen leven en dood kleiner maakt. Ik ben weer even de sociale jongen van vroeger.

Na de middag gaan we samen eten. In grensdorpje Sluis. Na de maaltijd word ik doodmoe. Ook smalltalk put me genadeloos uit. Terwijl mijn vrouw op zoek is naar een product voor het haar, bedenk ik: wat een zotte wereld. Al die soorten! Ik moet straks nog die beloofde smartphone leren gebruiken. Verjaardagscadeau. Morgen naar zee. Daar kan het waaien…

 

Johan Debruyne, rond 1 november 2013

Foto © Jean Godecharle

“Chambre Dood”…

“Chambre Dood”…

De laatste tijd kwam ik vaker dan gewoonlijk op het oude Brugse kerkhof. Mijn ouders liggen daar begraven. Ik hou niet van de steen op hun graf. Een zwart marmeren plaat, een lapidair kruisbeeld dat uit het oorspronkelijke blok werd gespaard en twee foto’s. Deze hebben wel iets: vader op zijn (zeldzaam) Paasbest en moeders foto werd genomen op het mooie feest voor haar tachtigste.

Ze liggen er samen. Vader stierf meer dan 4 decennia geleden. Zo oud is het graf. Even oud de zerk. Ik was te jong voor (vormelijke) inspraak. Moeder is bijna 20 jaar dood nu. De spaarzame keren dat ik er ben, fantaseer ik over een andere steen. Een kleine rots bijvoorbeeld. Anderhalve meter hoog. Zoiets. Symbool voor hun koppigheid, het harde labeur en het feit dat ze er altijd waren.

Ik blijf er nu langer dan vroeger. Het acute verdriet – vooral na het verlies van mijn moeder – is lang, maar tergend langzaam weggeëbd. Melancholie vulde deze leemte. Waar zij sinds lang voor altijd rusten ben ik omgeven door ambacht, banaliteit, door kunst en vergankelijkheid. Ik vecht er niet langer tegen. Er zijn de felle toetsen van het groen (dat leeft en sterft en herleeft) en een soort schoonheid die niet te beschrijven is. Het oude kerkhof van Brugge is uniek. Authentieker dan de stad. Nabij de doden verwacht ik ooit drommen. Drummende drommen. Achter gidsen aan. Zelf zal ik het wellicht niet meer meemaken. Alleen hier zie je nog ten volle wat “tijd” doet, vind je doorgaans stilte. En wat dood is kan je hier in ere houden.

Terwijl we thuis de ramen zo’n drie keer per jaar lappen, moeten de  zerken het doorgaans met een enkele beurt stellen. Met dit laatste gemiddelde bevinden we ons in een groot peloton. Te omvangrijk voor de novemberperiode. De nochtans grote begraafplaats is dan veel te klein. De kerkhofkatten zijn hun  rust kwijt en schieten alle kanten uit. Het was mooi weer toen wij er waren. Lange rijen dus bij de kraantjes. Zoals aan de kassa’s van de warenhuizen. Op de paden: vertraagd verkeer. Files. Ook hier slibt alles dicht.

Mijn moeder verloor ik als prille veertiger. Ze was 85. De jongste van zeven was ik. Moederskind. Toen ze stierf, leidde ik een hectisch bestaan. Ik gaf les, publiceerde in kranten en tijdschriften, organiseerde en fulmineerde en had nog net wat tijd over voor zaterdagochtendvoetbal. Had ik iets goed te maken? Viel er wat in te halen? Die haast altijd. Ik at en eet nog veel te snel. Bijvoorbeeld. Net als moeder, trouwens.

Voetbal op zaterdag. In een verre-randgemeente. Een kerel die niet eens half zo oud is nog voorbij draven. Je als een kind met een vedette identificeren… Ik deed het nog belachelijk allemaal. Stefaan, wat jonger, was hier het sterkst in. Als je hem tenminste voldoende ruimte gaf, na weer een korte nacht. Turesson, Emmerich, Gambassi… Wie kent ze nog? Alle drie hadden ze iets artistiekerigs en lijzigs in hun spel. Alle drie zijn te jong gestorven. Daar hadden Stefaans moves iets van.

Het was ook op zaterdagochtend dat er iets fundamenteels veranderde. Ik naderde de 50 en had problemen met mijn enkels. Ik tapete stevig in, liep langer los en realiseerde me allengs dat ik de ultieme pass leuker begon te vinden dan zelf te scoren. Een teken van ouder worden. Wijzer? Wellicht. Maar ook het signaal om ermee te kappen. Ik was een meer bezadigde versie van mezelf geworden. Het zaalvoetballen als revelerend element van zelfkennis.

Ik leefde hectisch en besefte ternauwernood dat ik onderweg ook al meer dan 10 jaar een zus en een broer was kwijtgeraakt. Beiden zo oud als ik nu. Ik werd langzaam sneller moe.

Ondertussen rondde ik de kaap van de 60. Ik plas nu zoals mijn vader dat vroeger deed. Ik was nog een kind. De echte puberstreken zaten nog even in de wachtkamer en hij, mijn vader, moest erg vroeg zijn bed uit. Een bakkersleven begint wanneer de anderen aan slapen toe zijn. Ik werd wakker van het (plas)geluid in een emmer. Het witte recipiënt was daartoe bestemd. Het stond als een soort eenzaam kunstwerk (voorts was er thuis tijd noch plaats voor kunst) op de overloop van de eerste verdieping. Erop een deksel. Eronder dagvers krantenpapier. Duchamp had zijn mosselpot; wij onze piesemmer. Ik had foto’s moeten nemen.

Met mijn 60 sta ik vanzelf dichter bij de dood. Is het daarom dat ik nu pas van dit Brugse Père Lachaise geniet? Genieten is niet het juiste woord. Ik ga er makkelijker naartoe. Eens voorbij die poort lijkt het niet langer alsof ik in een andere wereld stap. En ik heb sowieso meer oog voor wat broos is, vergankelijk, vergaan, vergeten en toch mooi. Op weg erheen: twee grote kippen in een verloederde voortuin. Die zag ik vroeger niet.

Vorige week ging ik er zoeken naar een monument. Het was net vernieuwd. En her-dacht…  Zo’n 20 stadsgenoten willen daar begraven worden. Samen. Onder die steen. De week ervoor zag ik de urnes die Lieven had ontworpen. Nu het graf: een gigantische, oude arduinen plaat. De oude, in de steen gebeitelde namen en data zijn nog net leesbaar. Er omheen zweeft nu hard borduurwerk. Aan elkaar gevlochten letters in cortensstaal. Knap. Het project en de plek heten “Chambre Dood”. Ik lees de naam in de letters van Jeroen. Ik denk aan Chambres d’Hotes. Gezellig. Gastvrij. Vrienden. Samen vooral. Kunstzinnige mensen allemaal. Ik denk ook aan wat Jan Hoet in Gent ooit wereldberoemd maakte: “Chambres d’Amis”. Kunstenaars van over de gehele wereld maakten  werk voor of lieten het zien in huizen van particulieren. Lang geleden. Te weinig en te weinig bewust van gezien.

Maar ook met “te weinig” heb ik me ondertussen verzoend. Alles lezen en zien? Dat lukt toch nooit. In het weekend geraak ik niet eens doorheen een van onze zogeheten kwaliteitskranten. Katernes en bijlagen! Weken na datum slingeren in huis nog flarden rond. Net nog gelezen en gezien, tussen de boterhammen en het 7uur-journaal, het portret van Wannes Cappelle (Het Zesde Metaal) geschilderd door een jonge vriend van hem, Stijn Dierckx. Intrigerend. Voor de nieuwe hoes. Voorts een uitgesponnen artikel over “Marina”, de film van baron Conincx over het leven van Rocco Granata.

Eenvoud en weemoed. Twee dingen die ik bij deze Italo-Belg terugvind. Sinds lang. Jammer van zijn overdaad aan populaire deuntjes. Dat eiland in groen en blauw… Nee.

Rocco is mooi ouder worden. Voel ik weer het gemis aan een vaderfiguur? Er is ook zijn hese stem en de eenvoudige melodietjes. Ze kruipen vaak in mijn kop, wanneer ik die leeg kan maken. En het accordeon. Het instrument refereert aan warmte. Aan weinig hebben, maar toch gelukkig zijn. Aan Roger Danneels en mijn jeugd in een volkse buurt.

Op het kerkhof verdelen we de arbeid, mijn vouw en ik. Zij doet het meeste. Ik sta snel te ouwehoeren. Met een man. Iets ouder dan ik. Over de zware operaties die hij nog maar pas heeft overleefd. Zijn vrouw schrobt zonder opkijken verder. Hij kijkt rond, lacht en zoekt een plekje waar hij ooit zelf zal komen te liggen. Eentje in de zon. We gaan luider dan de mannen die de begraafplaats november-klaar maken. Hun lessen in empathie hebben vruchten afgeworpen…

Ik heb lege plastic flessen met water gevuld. Wij hielden ook van de zon. Jaar na jaar brachten we de Paasvakantie door in het zuiden van Spanje. Onze “voorzomer”.  Tijdens de echte zomer hoefden we hier dan zee, zand, noch volk te trotseren. Wij zoeken hier straks een plekje in de schaduw. Al houdt L. niet van groen.

Een zware storm heeft ook op de begraafplaats sporen nagelaten. De werklieden kunnen het opruimwerk amper aan. Net zoals in Brugse greppels en op Brugse trottoirs tiert ook hier het onkruid welig. Ik vind het mooi. Het deert me niet.

Her en der sla ik nog een praatje. Ik ken nu eenmaal veel Bruggelingen en omgekeerd. Ik ervaar dat het praten de kloof tussen leven en dood kleiner maakt. Ik ben weer even de sociale jongen van vroeger.

Na de middag gaan we samen eten. In grensdorpje Sluis. Na de maaltijd word ik doodmoe. Ook smalltalk put me genadeloos uit. Terwijl mijn vrouw op zoek is naar een product voor het haar, bedenk ik: wat een zotte wereld. Al die soorten! Ik moet straks nog die beloofde smartphone leren gebruiken. Verjaardagscadeau. Morgen naar zee. Daar kan het waaien…

 

JOHAN DEBRUYNE, rond 1 november 2013

Foto  © Jean Godecharle

Zij was warmte

Zij was warmte

Dat ik uit een groot gezin stam, heb ik eerder verteld. Bij ons thuis,  een bakkerij, bestond – toen ik een kleine jongen was – “tijd” nog niet. Het was er druk. Vaak te druk. Ik voetbalde dan maar tot het donker werd. Slofte vervolgens bezweet naar huis toe. Moe en leeg, laverend langsheen zatte venten, passeerde ik tientallen cafés. Anderen gingen uit tot het dag werd. Af en toe werd ik wakker… gebraakt. Eerst gebral en gestommel op de bruinhouten trap, daarna gekletter vanuit een venster op zolder. Gloeiende kots op het nieuwe plastic dak dat aan mijn toenmalige kamer paalde en golvend naar het platte, zinken dak van de apotheek (de buren) helde. Een veel oudere broer studeerde uitmuntend, terwijl hij ook in het zuipen nog eens een kraan was… De late jaren ‘50, begin jaren ’60? Dat een bakkerszoon toen naar de universiteit ging. Zoiets zal over de tongen zijn gegaan. Bijna een halve eeuw later vindt de goegemeente het alhier nog behoorlijk bizar dat een bakkerszoon uit de buurt het op school zo goed doet. Stereotiepen hebben stevige wortels. Net als racisme.

Warmte. Wat is warmte voor je? piekerde ik. Ik dacht aan een immense stoof met glimmende deurtjes. Des winters staken er kleine, maar ook grotere voeten in, en bovenop de gloeiende plaat lagen kastanjes te poffen. Dat was warmte! Warmte die gezelligheid was. Die ook een soort leegte vulde. Ik herinner me “latere” warmte, van een haardvuur. Dat was mode geworden. Bij ons deed een bescheiden “feu continu” zijn intrede. Klein, maar heet. Een jukeboxachtig ding met een raampje waardoorheen je vlammetjes uit gaatjes zag priemen. Naar boven toe. Blauw vuur. Achterin hing het reservoir. Moest je stookolie in gieten. Om de 12 uur. Kolen hadden afgedaan. Een ander soort warmte was het. Een mens past zich aan.

Maar ik mijmerde eigenlijk over menselijke warmte. Dacht aan mijn moeder. Die er altijd was. Tot haar 85ste. Vele jaren voordien was ze ermee begonnen, met wat eufemistisch als “subbelen” werd omschreven. Het was ook niet écht vallen. Er werd sowieso veel verbloemd. Ze was erg katholiek. Werden daarom de dingen niet bij naam genoemd? Ze krabbelde ook altijd terstond weer recht. Niets aan de hand. Wat blauwe plekken. Meer niet. Alles werd afgezwakt. Vandaag zijn daar verkleinwoordjes voor. Vooral in keukens. Bedjes en bordjes zijn  legio.

Maar bij dat “subbelen” moet haar hoofd af en toe niet gespaard zijn gebleven, want daaraan diende ze plots geopereerd. Er was geen andere uitweg. Zeiden ze. Ze zakte weg aan tafel. In de zetel. Naar links, meen ik me te herinneren. Kon niet rechtop blijven. Ik heb toen het woord “oedeem” leren kennen. Van een hautaine gerontoloog. Een kutwijf dat zich nog moest bewijzen. Oedeem. Een misdadig woord. Wat dàt met een mens aanricht. Met een oude moeder. Zeker ter hoogte van de hersenen.

Maar of moeder nu warmte gaf? Door die nylon schorten heen? Nee. Die voelden eigenlijk best koud en onnatuurlijk aan. Maar alle hard werkende huisvrouwen droegen toen die schorten. Mijn moeder, struis, een tikkeltje  corpulent (ben ik nu zelf aan een eufemisme toe?) en welhaast nooit opgetut, gesnoerd in een vreselijk korset waaruit ze zich ’s avonds verloste, hield zo de kleren proper. Die zagen we ook nooit. Op zeldzame feestjes of uitstapjes was er dan wel een redelijke metamorfose. Op een van vele trouwpartijen (toen kwam ook telkens uit het niets een… naaister opdagen) en andere  bijeenkomsten van het gebuurte of de vrouwenkring. Vrouwenbeweging. Dan was ze koket. Het haar (te hard) gekruld en gelakt. Mauve glans. Lachend, even verlost van de sleur van de dag, het leven, haar lot. Hoewel… Opnieuw een beetje de slanke jonge vrouw (ik zie ze in mijn bureau op haar trouwportret) van voor ze 7 kinderen had gebaard.

Warmte? Tijd om te knuffelen was er nauwelijks en het de uitdrukking “quality time” diende nog uitgevonden. Moeder “gaf” niet echt warmte. Toch wilden ik en vele anderen steevast dicht bij haar in de buurt zijn. Haar bezig zien. Haar ruiken. Geen parfum. De geur van een druk en ongecompliceerd leven, waarin ook voor gezeur de tijd niet bestond. Om te luisteren daarentegen. Kijk eens aan: de klant toch koning.

Ze “was” warmte voor iedereen. Voor wie het goed meende, maar net zo goed voor wie het had verbrod of niet zo goed met haar voorhad, voor wie etenswaar kwam halen op de poef of voor wie keurig betaalde, het gesneden brood in een nieuwe, verse zak liet stoppen of de oude, bijna aan flarden gebruikte stiekem op de toog schoof, voor wie goed presteerde of lui was. Zij was warmte.

 

JOHAN DEBRUYNE