Tag: school

Hond

Hond

 

Meer dan tien dagen geleden zijn twee vaklui vakkundig ons hele achterhuis van stellages komen voorzien. Een installatie! Ik had meteen zin om op de diverse niveaus beeldende kunst te integreren. Het plastic afdak voor mijn bureau had er eerder moeten aan geloven, want er diende ook daar gebouwd, de hoogte in, tot bij een joekel van een schoorsteen. Weg dus – voor meer dan even – de geborgenheid voor de katten en het tikken van de regen. Daar konden de poezen – als ze buiten wilden slapen (zij beslissen; wij staan ten dienste) – lekker droog blijven mét zicht op tal van tuinen. Er stonden uiteraard mandjes, gevuld met dekentjes.

Ons oude huis slikte de laatste tijd her en der water. De schoorsteen moest dit absoluut te bestrijden euvel als eerste bekopen en een nieuw dak zou definitief soelaas (lees: droogte) brengen. Ondertussen stormt en regent het al van net toen de twee mannen de deur achter zich dicht hadden getrokken, en een ander (vriendelijk) duo met poten aan het lijf, vader en zoon, het werk zouden komen af maken. Tot op vandaag zijn we helaas een schoorsteen armer, de poezen hun droomplek kwijt en is het wachten op dat nieuwe dak.

En ondertussen hadden we plannen gemaakt. Eens het nieuwe dak er zou zijn, dan was het tijd voor een grondige beurt voor mijn bureau (ramen, deur, plafond…) en wat later zouden nog andere onderdelen van het huis – we wonen hier nu bijna 20 jaar – worden opgefrist. Helaas, na een paar dagen was het de… kelder die ons gemoed zowat de doodsteek gaf. Sinds de stad Brugge hier aan de openbare weg heeft laten prutsen moeten we met regelmaat laarzen aantrekken, willen we iets uit de kelder halen: grondwater. Het heeft volgens “kenners” (zowat alle buren) niets met regenval te maken.

Het is een merkwaardig fenomeen, dat water zo maar uit het beton te voorschijn komt. Hier zou een videast vast iets mee aan kunnen, denk ik. Telkens mijn vrouw en ik bij een waterstand van enkele centimeters een tweetal uur in en rond de kelder actief waren, keken we de ogen uit. Dit soort werk deprimeert, maakt ons moe en droef, maar tegelijk was er ook altijd die verwondering. L. stond steevast beneden (hoefde zich niet te bukken); ik hield boven de wacht. Enfin, ik tilde het sierijzer dat het keldergat afdekte even op, haalde een vieze en glibberige gele buis te voorschijn en legde die zo’n meter ver op het trottoir. Voorts liep ik er voor spek en bonen bij: ik hield in de gaten of het debiet niet minder werd. Af en toe verdwaalden steentjes of wat afgebladderde verf in het dompelpompje en diende L. het apparaatje te repareren of opnieuw aan de praat te krijgen. Doorgaans deed ze dat met zachte hand. Maar bleef het ding dienst weigeren, dan handelde ze – volkomen tegen haar natuur in – met geweld. Hoe je mekaar, na bijna 40 jaar, wroetend in de buurt van een kelder nog beter leert kennen…

Het feit dat tijdens het afvoeren van stenen van de afgebroken, werkloze schoorsteen, de kruiwagen het licht gehavend sierdeksel helemaal had verknald, gaf ons zowat de genadeslag: houdt het nu nooit op? En gaan wij alles kunnen blijven repareren? 67 en 63, maar vooral fysiek behoorlijk afgetakeld. Niets kunnen we nog zelf. Waar L. vroeger bijvoorbeeld met engelengeduld het houten terras lenteklaar maakte, moeten we ook dit werk straks door een ander laten opknappen. De relatief kleine tuin en een snoeischaar? Daar waag ik me al enkele jaren niet meer aan.

Omdat de stad waar ik geboren en getogen ben me al vaker in de steek heeft gelaten, begon ik op een avond naar sites met appartementen te koop te surfen. We hadden dan wel besloten in het huis te blijven, maar L. weet dat ik, eens ik iets in mijn hoofd heb gehaald… Ze had gesuggereerd: als je dan toch nog wil verkassen, het liefst zo dicht mogelijk bij het station, dan geraken we gemakkelijk uit de toeristenfuik weg. Vreemd? We zijn beiden in deze stad geboren en opgegroeid en hebben er alle twee een haat-liefde verhouding mee. Het volkomen ontbreken van actuele beeldende kunst en boeiende, gedurfde, nieuwe architectuur in de binnenstad, het bannen van de auto, het tot vervelens toe promoten van de fiets, terwijl fietsen ten onzent levensgevaarlijk blijft, zowel voor de fiets als voor de fietser, de nooit aflatende lof over een fraai kabouterdorp… Het ergert ons.

De rolluiken blijven nu al tien dagen naar beneden. Ik zit dus vaak in het donker en mis het daglicht. Maar die stellages inspireren me niet. Ik doe het nodige werk, maar aan schrijven – tenzij in opdracht, of brieven voor buren en korte berichtjes – kom ik amper toe. Ik lig vermoeid languit in de zetel en denk wat ik straks, mochten we voor een appartement opteren, zou moeten achterlaten. Er zijn kunstwerken en -werkjes die ik voor geen geld ter wereld zou willen missen. In de boeken (hoewel ik aan een ernstige vorm van bibliofilie lijd) kan ik aardig rommelen en al wat ik van de school heb bewaard, ligt me wel na aan het hart, maar de school draait ook zonder mij.

Ik ben wel wat verliefd geworden op het beeld van een hond dat zo’n honderd jaar oud moet zijn. Een schitterend kunstwerk, vind ik. Nu we gedwongen de eetkeuken aan de kou en de vakmannen laten en altijd in de woonkamer eten, kijk continu op zijn knappe kop. En passant aai ik hem (het is duidelijk een reu), ik hoef hem niet mee naar buiten te nemen, want eigenlijk ben ik geen mens (meer) voor zo’n krachtig dier. De artrose die zich koppig in mijn schoudergewrichten heeft genesteld alleen al zou een wandeling onmogelijk maken. Echt aaien, optillen en spelen met, dit kan ik nog altijd met Wieb, momenteel onze enige kater. Ook hij is door de werken – die al tien dagen zijn gestaakt – zijn draai helemaal kwijt. We hebben voor hem een en ander verhuisd, maar het is wennen voor ons harige en licht autistische warhoofd. Nooit denken ze toch aan de dieren wanneer ze zulke dingen doen?

Maar wat laat ik achter? Die talloze doorgaans kunstige dieren in huis? Onder het dak logeren wel honderd marmotten (het gevolg van een socio-cultureel project waarin dat Alpendier een centrale plek had), allemaal met een verhaal. Achter mijn computerscherm koester ik het pluchen beertje van Maria (mijn rechterhand tijdens datzelfde project, dat tien jaar duurde), een kitscherig, maar onweerstaanbaar tijgertje, een mini-buldog met aan zijn nek het plastic bandje dat ik om de pols kreeg toen het S.M.A.K. zijn deuren middels een flauwe boksmatch opende, twee hondjes van Sweetlove (eentje toeft hier tijdelijk) met een petfles op hun rug en schoentjes aan, de enige beer die L. ooit maakte, een kitscherig varkentje gekocht in de Katelijnestraat, de prachtig opgezette marmot die de bakkerin, mijn vroegere buurvrouw, meebracht uit een onooglijk bergdorpje, de al licht verweerde graffitimarmot (creatie van Pino I) op de tuinmuur…

Ja, als we verhuizen, maar dit zal voor iedereen gelden, wordt het moeilijk afscheid nemen. Ik had het dan nog eens niet over de ovenstukken uit de bakkerij van mijn vader-zaliger. Dat soort ovens wordt niet meer gemaakt.

Terwijl ik zit te schrijven denk ik eraan dat mijn jongste broer nu ongeveer in Leuven (Gasthuisberg) wordt geopereerd. Na nog een controle – morgen – en een wellicht lange weg naar genezing, voeren ze hem morgen al terug naar het AZ Sint-Lucas Brugge. Super dat dit allemaal kan, maar ik krijg bepaalde beelden van dierenvervoer maar niet uit mijn hoofd…

 

Johan DEBRUYNE, begin maar 2017

 

ZES EN EEN HALF

 

 

 

 

 

 

 

Verjaren…

ZES EN EEN HALF

 

Rond elven ben ik gisterenavond mijn bed in gerold. Ik was toen nog 62. Op zo’n leeftijd rol je je bed in. Te veel, te lang en te laat gesport, zeggen de orthopedisten van Sint-Lucas. In koor bijna. En met enig cynisme. Ook niet goed genoeg, denk ik er wel eens bij. Ik was een amper begeleide en nauwelijks onderlegde balverliefde allrounder die zich in geen enkele sport echt kon vastbijten. Keuzes maken…

Rollen, dus. Kruipen is voor nog later. Ik zie het soms voor me. Geen hoopgevend beeld.

Zoals de meeste nachten, de laatste jaren, heb ik behoorlijk slecht geslapen. Kop. Schouders. Nek. Benen… Ik was al altijd vroeg uit de veren. Ook toen ik nog niet kreupelde en mijn botten soepeler en met zin voor spontaniteit hun opdrachten uitvoerden. Tegenwoordig is 7 uur vaste prik. Dan heb ik al twee keer het radionieuws gehoord en slof ik naar beneden. Ik geniet er dan nog een wijle van de stilte. Van de dag die samen met mij ontwaakt. Nog voor Jefs Zotte Morgen en verbouwingswerken in de buurt.

Tot voor een paar jaar sliep ik als een roos. Van middernacht of later nog, tot na zessen. Die zalige luxe is me sluipenderwijs ontnomen.

Omdat ik tijdens de dag nog steevast ongewild in droommomenten verwijl, verzink ik ’s nachts zelden – ook deze nacht niet – in diepe dromen. Gelukkig maar voor het gehavende lijf, want als ik al in nachtelijke nevelen verdwaal, dan gebeurt dit buikliggelings. En dit kan mijn rug absoluut niet hebben.

Tijdens een van de stonden waarop slapen maar niet lukte, draaide ik me weinig elegant op mijn rug. Ik oefende de krampen uit mijn benen. Maakte er driehoeken mee. Twee dagen geleden – kunst in mijn hoofd – nog door het hobbelige Mons geslenterd. Mijn kunstige tochtjes moet ik altijd een beetje bekopen.

Ik was aan de school aan het denken, iets wat zelden voorkomt. Ik piekerde. Omtrent de 63 die ik ondertussen min of meer geruisloos was geworden. Op school, toen ik les gaf, moest het cijfer na de komma tot een halve punt worden afgerond. Rapporttijd. Alweer. Tweeënzestig (ik rekende altijd op honderd) werd dan een zes, terwijl drieënzestig naar 6,5 werd opgetrokken. Dat afronden naar boven deed me plezier. Ik heb altijd lak gehad aan cijfers, maar hierin was ik – gemakshalve ongetwijfeld – heel strikt. Ik ben vandaag dus eigenlijk 65, dacht ik. Het afronden gaf me voor de eerste keer een rotgevoel.

Rond achten, bij de bakker, liet ik dit niet blijken. Ik verbeet de vele pijntjes. Mijn hoofd zat nog altijd in een wolk, maar toch:  Hey, Nancy! Lang geleden. Een oud-collega uit de journalistieke wereld.

Koffiekoeken. Onze jongste kater zat als een hondje naast mijn stoel te wachten. Geduldig. Nu het wat kouder wordt (hij slaapt al eens buiten, in zijn balkonmandje), neemt hij meteen nadat ik ben opgestaan, mijn zitplaats in.

Na het ontbijt barstte het sms- en e-verkeer los. Voor Facebook was ik nog helemaal niet klaar. Ik las eerst nog het zondagse bakkerskrantje en een dubbelinterview met auteur Bernard Dewulf en psychiater Douwe Draaisma. Ook deze laatste is 63. Dewulf nog een jonkie van 56. Zo begin je blijkbaar te denken als je 63 bent.

Ik zag de dag en het leven al wat meer zitten. Ook de meeste berichtjes trokken me er door. Wensen vergezeld van een citaat van Aldous Huxley, een oud-collega die me steevast “preute” noemt en dat opnieuw deed, twee handgeschreven (jawel!) kaarten in de brievenbus, een kunstenaar die me vraagt om kritisch te blijven, maar tegelijk ook mijn optimisme te bewaren, op de mail het kaft van een mooie monografie waarin een tekst van mij is opgenomen en berichtjes van gewezen leerlingen van me (bedankt voor het respect, Pascal!) kikkerden me op.

Maar toch: drieënzestig?! Ik “boek” maar best een bezoekje aan de huisarts voor mijn jaarlijkse griepvaccin. Dokter Jan. Half november. 10u.45. Done!

 

Ondertussen al een glimp van Facebookberichten opgevangen. Ik bedank iedereen van harte voor de wensen, de kaarten, de zinnen, de fantasie, de knuffels en de kussen voor mijn zes en een half. ‘k Zien eigenlijk ol stief oed. Zal ik proberen om wat minder te zeuren?

Johan Debruyne, 16 oktober 2016

 

 

Muizenissen

n.a.v. de toelichting van de fotografische oeuvres (tentoonstellingen “A matter of light”/”Makulatur Art”) van de heren Einfinger en Kriegelstein in Galerie Pinsart (Brugge)

MUIZENISSEN

Tussen het vaak vele en andere heb ik me onlangs op digitale wijze over het fenomeen “Berlijn” gebogen. Met de toetsenspeeltjes die vandaag talloze levens tot in het idiote beheersen, kan ik amper uit de voeten. Hetzelfde geldt voor cijfermateriaal en al wat maar enige technische vaardigheid vereist. Ik voel me dan zo hulpeloos als de nochtans niet van talent gespeende spelers van het Belgisch nationaal voetbalteam wanneer voor de wedstrijd van ze wordt verwacht dat ze de  hymne (toegegeven: een allerminst begeesterend lied) meezingen.

De computer? Dat lukt nog een beetje. Met een voorzichtige, soms beverige klik op de linkerkant van de muis kom ik doorgaans goed terecht. Maar heb ik iets in de geest met de rechterkant van het ding, dan werk ik me gegarandeerd meteen in de nesten. Met die rechterkant kan ik helemaal niet overweg. Maar links… In mijn eentje geraak ik dus wel bij iets wat “Google” heet. Waarom zeg ik dit? Wel, ik vermoed omdat me is gevraagd hier werk toe te lichten van twee bijzonder intelligente mannen die ook nog eens technisch heel bedreven zijn, en ook omdat Berlijn in hun leven een belangrijke plaats inneemt. Ik heb dus gegoogeld en het item “Berlijn” ingetikt. Begrijpelijk dat deze locatie een erg bepalende plaats in je leven of je hart inneemt. Ikzelf ben er een enkele keer geweest en heb er een week lang mijn ogen de kost gegeven. Een intrigerende stad!

Ik las nog maar eens over de geschiedenis van de stad en kwam relatief snel terecht bij de fameuze “luchtbrug” en de vierendeling van de huidige Duitse hoofdstad in een Franse, Engelse, Amerikaanse en Russische sector, wat ik ook al nooit goed heb begrepen, maar dit ligt zonder enige twijfel aan het gebrek aan enthousiasme van mijn oud-leraars geschiedenis. Ik verzeilde in een keizerrijk en in iets wat ooit Pruisen heette. Toen hield ik het voor bekeken. Te complex. Ik dacht bovendien ook weer aan de school, wat voor mij een eerder ziek makende gedachte. Ik had bovendien nog behoorlijk wat schrijfwerk voor de boeg en hoorde met de muis nog tot bij ene Manfred Kriegelstein te geraken.

Ik hoef u niet te vertellen hoe de geschiedenis en de calamiteiten van politici zich helaas voortdurend herhalen. Om aan al de kommer en kwel te ontsnappen loop ik wel eens te zingen. Banale deuntjes. Laatst in Parijs was het er eentje van Bourvil dat in mijn hoofd was blijven hangen. Het had met sla, fruit en liefde te maken. Nu het googelen zo veel verhalen en beelden over Berlijn had opgeroepen was daar plots Toon Hermans-zaliger. Vreemd, want die had het over de Middellandse Zee. Dat die zo blauw was. Zo onbekommerd blauw, blauw, blauw. Ondertussen wordt ons netvlies gebombardeerd met vluchtelingen die er verzuipen.

Ten tijde dat de Nederlandse conferencier het deuntje neerpende was WOII  uitgevochten en was de Koude Oorlog serieus aan het ontdooien. Maar kan je vandaag nog zorgeloos zo’n liedje zingen? Is die Middellandse Zee vandaag niet eerder een massagraf?

Genoeg gemijmerd. Ik had het al over kleur en geschiedenis en dan zitten we heel dicht bij de foto’s van Manfred Kriegelstein en Horst Einfinger. De eerste werd tandarts en bleef in Berlijn. De tweede verzeilde lang geleden in onze kontreien. Einfinger was ingenieur en moest Berlijn verlaten om voor Siemens in Oostkamp iets uit de grond te stampen. Het toeval bepaalde dat hij hier zou blijven hangen. Kriegelstein bleef in Berlijn, maar reisde behoorlijk wat af.

Beiden zijn lid van het gerenommeerde “Deutsche Gesellschaft für Photographie” (“Photographie steeds met 2 “ph’s” geschreven, maar toch niet oubollig. Zelf opgezocht! Die linkermuisklik, weet je wel). Beide heren zaten in tal van jury’s, hebben veel prestigieuze prijzen gewonnen en hun werk is zowat over de hele wereld te zien geweest, niet alleen aan de muren, maar ook in tijdschriften en publicaties, op kalenders. Of dit allemaal zo belangrijk is, weet ik niet en eigenlijk kan het me ook niet zo veel schelen, maar ik zie wat ik zie: fotografie die verbluft en intrigeert!

Wat ik u misschien niet mag onthouden is dat Kriegelstein ook met regelmaat publiceert en zijn kritiek niet spaart. Op zijn site, ook daar geraakte ik dus op halve muizenkracht op, heb ik heel wat hoogtechnologische spielereien gezien, met een enkele keer een duidelijke verwijzing naar het surrealisme en het oeuvre van Dali. Maar wat me hardnekkiger bleef achtervolgen zijn de verpauperde interieurs en zijn sobere, herfstige stillevens. Die verwijzen dan weer eerder naar het sobere en naar de pure eenvoud van Morandi.

Doorgaans word je van Kriegelstein’s werk niet vrolijk. Zoals wanneer hij Havanna laat zien, het Berlijnse Kreuzberg zoals het lang geleden was, verloederde interieurs… Maar steeds weet hij een vorm van diepe zielsschoonheid der dingen met verval te linken en altijd spelen licht, kleur en weerspiegeling een bepalende rol.  

Fotografie heeft vooral met “zien” te maken. En ook met licht en zo veel meer. Ik kan het amper behappen. De resultaten waarop we hier vandaag de ogen uit kunnen kijken, koppelen een immense ervaring aan een open geest voor wat nieuw is, aan geduld, aan metier, aan concept. De fotografie heeft zich in de loop der vele jaren een plaats veroverd in het kunstenlandschap.

Ikzelf heb me een paar keer door Einfinger (wiens oeuvre ik al jaren volg) laten verrassen. Een enkele keer – in Brussel was het – ging ik voelen aan een van zijn foto’s . Een andere keer was het ruiken, omdat ik dacht dat het om een schilderij ging.

Er is geen commotie wanneer wordt bekend gemaakt dat het een fotograaf is die volgende jaar België zal vertegenwoordigen op de Biënnale van Venetië. De stelling dat de schilderkunst omwille van de tijd die verstrijkt tussen het opnemen van een beeld en de weergave ervan de dingen soms of doorgaans zo anders en bijzonder maakt – ik blijf ze trouw, hoor, de schilderkunst – houdt nog maar weinig steek als je weet dat gerenommeerde schilders hun doek vaak eerder af hebben dan fotografen hun foto. En toch blijft zien het allerbelangrijkste. Analoog of digitaal? Hier zullen we het niet over hebben. De mengvormen zijn legio.

Wat we hier vandaag aanschouwen bevat drie thema’s. De galerie wordt in grote mate ingepalmd door Einfinger, die op het gelijkvloers op sublieme wijze met licht speelt: “A Matter of Light”. Het heeft met zien te maken (alweer), met weten waar je moet zijn op welk moment, met geduld, maar deels toch ook met ’s mans positieve karakter en oeverloze energie. Ook mentaal, denk ik, ziet hij – ook al kreunen en kraken zijn botten wel eens – altijd op zijn minst een beetje licht. Een positieve, niets ontziende mens en fotograaf. Het is wonderlijk bijna hoe hij met licht speelt.

In een van de kamers op de verdieping is de naakte vrouw zijn thema. “Body & Soul”. Kriegelstein kreeg dan weer een onderkomen in de met een klein huis uitgebreide galerie. Vanaf nu zal de benedenruimte ervan de kunst van dienst zijn.

Met “Makulatur Art” toont hij een fragment van zijn reeks “Relics of the Russians”. Makulatur betekent onder meer afvallend oud behang papier. Wel, op het juiste moment is de fotograaf in Berlijn binnengedrongen in gebouwen waarin gedurende lange tijd de Russische bezettingsmacht resideerde. De schitterende foto’s getuigen van een belangrijke brok geschiedenis. Vreemd, die Russen deden ook wel eens wat wij deden en wat ik en vele anderen ooit nog hebben gedaan: als er nieuw behang nodig was, dan gingen ook zij eerst krantenpapier aan de muur hangen om de oneffenheden enigszins te camoufleren. Kriegelstein heeft in moeilijke omstandigheden kunnen vastleggen wat er zich onder de vele lagen papier en behang bevond. Flarden van Russische kranten verhullen tal van zaken. Tekens en aantekeningen doen dit evenzeer en dan is er nog de pittige confrontatie met protest: graffiti en kleur. Diepte, kleur, onthulde geheimen… Kriegelstein heeft de realiteit heel vakkundig een beetje naar zijn hand gezet. U heeft gemerkt dat er nooit glas voor de foto’s zit? Dit heeft te maken met het befaamde Hahnemülle-papier waarop de foto’s worden afgedrukt en voorts komen de vele nuances beter tot hun recht.

Wat beide fotografen betreft: kleur of zwart-wit, het maakt amper verschil, altijd is er licht, altijd is er nuance en nooit weet je meteen wat je ziet. Goed kijken, dus, of als het kan: luisteren met je ogen, zoals Maurizio Nannuci in 1939 al suggereerde. Misschien nog een zetje voor u straks nog eens gaat kijken: bij Einfinger dacht ik een enkele keer aan Rothko en Newman.

Johan DEBRUYNE, 11 september 2016

 

 

 

11.11.11.

11.11.11.

 

Zoals elke weekdagochtend stap ik argeloos en eigenlijk nog niet volkomen wakker naar de voordeur. Voor de poezen is al gezorgd. Hun buikjes zitten vol en hun pesterijtjes kunnen beginnen. Ja, na zo veel jaar heb je ze door. Zo gaat onze zwart-wit gevlekte kolos zijn volle lengte en gewicht over het deurmatje spreiden, zodoende dat de toegang tot de tuin mogelijke andere viervoeters (lees: zijn halfbroer) absoluut ontzegd wordt. In den beginne trad ik wel eens als scheids op, maar die rol is nu welhaast uit het script geschreven. Ik heb er me bij neergelegd: de kleinste van de twee moet dan maar de slimste zijn. Wat doorgaans ook het geval is. Maar het duurt zijn tijd, hun ochtendritueel.

De voordeur… Met het sleuteltje waaraan een mals zeehondje bungelt open ik de brievenbus: geen dagblad! Het valt serieus tegen wanneer je ochtendlijke routine zo wordt geabrupteerd. Al sinds mijn pubertijd lees ik ‘s ochtends de krant en gisteren stond op die van ons heel duidelijk alleen “dinsdag” vermeld. De krantenboer? Of dan toch geen krant op 11 november? Ik zou nog drie keer gaan kijken. Het kan ook vijf keer geweest zijn.

Thuis, waar we met 7 waren, was het vechten voor dat kleinood. En sluw zijn, soms. Zoals de katten. Boeken waren er niet. Genieten konden we wel van de geur van brood en koffiekoeken. Het was wachten tot de oudere broers er klaar mee waren. Ik herinner me dat de “jongste” (drie jaar ouder dan ik) vooral de sportpagina’s uitvogelde. Tomeloos lang duurde dat, vond ik toen. Mocht er een quiz hebben bestaan omtrent sport in lagere afdelingen… Elke uitslag zat in zijn hoofd gebeiteld! Ik was al tevreden met de titels en de cartoons. Mijn fantasie was gevoed.

Het is me vanmorgen ook opgevallen hoe stil het buiten is. Er is amper verkeer op de Leopold I-snelweg hier in Brugge. Ik zit rustiger dan anders te typen: geen  gedaver van 10-tonners dat me uit mijn concentratie haalt en me met enige angst naar de muren doet kijken om te zien of er geen barsten zijn bijgekomen.

11.11.11. Ik ben klaar met ontbijten en zit in de zetel. Op Twitter post ik een foto van een tekening van Karl Mechnig, begenadigd kunstenaar uit het Aalsterse. Wat ochtendlijk moois voor mijn medemens… Ik lees vervolgens wat in een kunstenmagazine. Beperk me tot een recensie van collega Hans Theys. Hij heeft het over Louise Bourgeois. De bijhorende foto toont twee stoffen hoofden uit één nek. Blauw. In het artikel vermeldt hij stadsgenoot en kennis Wily Vinck. Deze weet zelfs van hoeden af. Bizarre man. Heerlijk eerlijk. Soms even heerlijk naïef. Maar altijd authentiek.

Ik denk aan mijn jeugd in de Langestraat. Toen was er tegenover onze bakkerij de kazerne. Vandaag is het een gerechtsgebouw. Een klein deel van het soldatengebouw bleef onaangeroerd. Daarin ook het zogenaamd oorlogsmonument. Op die plaats wordt op 11 november nog op de trompet geblazen, denk ik, en behoedzaam en ingetogen bloemen neergelegd. Ik heb het nooit anders geweten. Onze bakkerij was open op 11 november. Pas kort voordat mijn vader er doodvermoeid de brui aan gaf en een jaar later zou sterven, durfde hij een dag de winkel sluiten. Al die tijd was hij bang geweest klanten te verliezen. Ik begrijp hem wel. Als je zo veel monden moet voeden.

De bloemenkrans werd op de grond gelegd of aan een haak gehangen en hield het een paar dagen vol. Merkwaardig in een straat met wel 60 cafés en dus tal van dronken lui die er ’s avonds voorbij laveerden en poogden om een aanvaardbaar recht pad te trekken. Toen M. passeerde hoorde je hem altijd babbelen. Al wat de man dacht, zei hij hardop.  Zeker wanneer hij dronken was.

11.11 was een dag vol bevreemding. Het deed me iets, het was even stil en dat bleef het de ganse dag ook wel een beetje. Zelfs in een bakkerij. Pas veel later werd 11.11. voor mij een soort nachtmerrie. Jaren heb ik les gegeven in de Brugse middenschool, waar op de speelplaats een mooi stenen beeld staat, een soort bas-reliëf. Het stelt een gewonde soldaat voor. Het vermoeide hoofd van de gewonde jongen nijgt naar zijn schouder. Het beeld was afkomstig van de vroegere Ecole Moyenne (Verwersdijk), waar tijdens WOII leerlingen door Duitse soldaten uit de klas waren geplukt. Het fraaie beeld, gekapt door een Brugs kunstenaar, denk ik, werd op zeker ogenblik (de Ecole Moyenne had toen opgehouden als middenschool te functioneren) overgebracht naar de andere middenschool. Onze directeur had iets met het leger. Hij stierf veel te jong en met zijn opvolger had hij bitter weinig gemeen. Alleen dit: beiden hielden ze van strakke rijen en beduimelde evenementen. Voor elke plechtigheid, die elk jaar krak dezelfde regie had, werd door leerlingen en het voltallig personeel even geoefend. Een tweetal ochtenden ervoor gebeurde dit. Je hoorde je klas van 13-jarigen strak te begeleiden. Elke klas kreeg zijn stek op de speelplaats. In de buurt van het monument stond een microfoon. Bij de trappen een luidspreker. Er rond kranige, fiere en uitbundig gedecoreerde oud-strijders voor wie er nadien een receptie in de mediatheek was. Na het volkslied, de toespraken en wat gedichten mochten we “beschikken”. Terug naar de klas: stil, sommigen zelfs wat verdoofd door het bevreemdend gebeuren, maar stappend als waren we soldaten. Het beeld diende gegroet. Een terecht eresaluut, vond ik. En die stilte voor een keer kon ook geen kwaad. Maar hadden de pubers voeling met dit soort toestanden?

Ergerlijk was (de leerlingen vonden dit ongetwijfeld het grappigste moment) dat de voorzitter van de oud-strijders zijn tekst in een schabouwelijk Nederlands voorlas. De jonge gasten droegen op hun beurt hun verbale steentje bij. Drie gedichten. Eentje in het Nederlands, het Engels en het Frans. Vooral het Franse exemplaar deed doorgaans mijn tenen krullen. Het lag niet aan de leerkracht die het had gekozen en wat tijd had genomen om het met zijn of haar adept in te oefenen. De zogenaamde eindtermen voor het vak Frans bleken immers lachertjes en de tijd van het Franse chanson ligt heel ver achter ons. Wie van die pubers had ooit met Moustacki, Brasssens of Françoise Hardy meegezongen? Hun Frans klinkt schabouwelijk en je kan het ze amper kwalijk nemen.

Erger nog vond ik het om – op marsmuziek – marcherend via de straat de andere kant van  het gebouw weer binnen te stappen op weg naar je klas. Kaarsrecht keek de directeur neer op zo veel massale discipline en glunderde. Mocht zijn snor hebben kunnen krullen, we zouden wat beleefd hebben.

Ik heb niets tegen herdenken en heb met mijn leerlingen nog uitstappen georganiseerd naar het Treurend Ouderpaar en diverse oorlogskerkhoven. Goed voorbereid, uiteraard. Naar passende muziek met ze geluisterd. Maar ik heb nachten wakker gelegen van dit behoorlijk zinloze gedoe. Het moest toch anders kunnen. Minder archaïsch. Meer inhoud. Maar ik hield mijn mond. Ik organiseerde al veel op school en dan word je door collega’s al eens scheef bekeken. Ik vroeg onlangs nog aan een verstandige oud-leerling wat hij, zo’n 20 jaar na datum, van dat gedoe op de speelplaats vond. De jonge man omschreef het als “Vertier van gezag en gebruik van macht onder de noemer van 11.11.11”.

Enkele dagen geleden zag ik in de krant dat diezelfde plechtigheid alweer achter de rug was. Dag en uur spelen blijkbaar al lang geen rol meer. Al waren de pubers maar dààrvan op de hoogte. Ze zouden net zo goed een oude foto kunnen hebben gebruikt. Niets is veranderd. En wanneer wordt op radio en televisie eens tijd uitgetrokken voor grondige debatten, op zoek naar enig inzicht in fenomenen als IS en zinloos geweld? Wanneer eindelijk wat nuance?

 

JOHAN DEBRUYNE, 11.11.2015