Tag: schoenaerts

Spel(l)ing

Spel(l)ing

 

Na het leegmaken van de brievenbus, een oogopslag voor een schimmig contact met het leven buiten, het ten dele voorspelbare gedoe met kater Wieb, het ontbijt en het lezen van een enkele tastbare krant, slof ik richting slaapkamer. De tred waarmee ik de slaapruimte nader zegt wellicht alles over hoe ik me voel. Het wintert nog steeds, maar voor het eerst is het minder koud. Het vriest niet langer. De badkamerdeur blijft dicht. Ik wilde even “hermetisch dicht” schrijven, maar in ons gezellige oude huis, is dit adjectief niet op zijn plaats. Voor de douche is het nog zo’n kwartier te vroeg.

Omdat de kleerkast zo immens groot is (het enige meubel dat we in al die jaren zijn blijven gedogen), hebben we 20 jaar geleden – toen we hier onze intrek namen – van de oude slaapkamerdeur een schuifding gemaakt. Een handige schrijnwerker had dit bedacht. Als we niets om handen hebben geraken we comfortabel binnen. Met een stofzuiger in het kielzog wordt het al mikken. Ik vraag me af hoe L. dat met de wasmand doet.

Het is een winters ritueel: ik schuif het ding dicht (’s nachts blijft het open om de kamer te verluchten) en zet de verwarming aan. L. slaapt nog. Van bij de kast gooi ik – (vrijwel altijd) speels – een verse onderbroek op het bed, waarna ik op een opgerold rubberen matje af stap om het ding aan het voeteneinde te ontrollen. Het is frenetiek, maar bepaald kunstig gehavend: ooit zette Poesjkin er met regelmaat en nijd zijn scherpe nageltjes in (de gedachte aan Lucio Fontana is nooit ver). Onze sluwe, mooie kater ging onbewust artistiek te keer wanneer hij vond dat zijn baasje te lang zijn horizontale positie aanhield en geen aanstalten leek te maken om naar beneden te gaan…

Op het matje probeer ik mijn bekken zo soepel mogelijk houden. Het bovenste gedeelte van mijn rug is broos geworden. Een bron van continue kwelling. Lumbaal – dat lieten röntgenfoto’s al altijd constateren – zit er nog voldoende speling tussen de wervelschijven. Ik streef een status-quo na. Reumatologen, orthopedisten, kinesisten en sportfanaten hebben me de voorbijgaande jaren duidelijk gemaakt welke oefeningen ik nog wél kan doen. Ook wat ik in mijn fysieke toestand maar niét meer moet proberen. Mijn ochtendlijke gymnastieksessie duurt zo’n kwartier. Bewegen, tellen, naar het plafond staren, plannen maken, wegdromen en alweer vergeten wat ik had gepland. Vervelende, maar noodzakelijke routine.

Nadat de souplesse is gevoederd, ben ik klaar voor de dag. Wanneer ik even later uit de douchecel stap, besluit ik of ik die dag al of niet mijn bril opzet. Blijf ik de hele dag binnen of staan er “verre” boodschappen op het programma? Word ik ergens verwacht? Ga ik naar kunst kijken? Is er een opdracht? Thuis red ik het zonder bril, maar eens de voordeur achter me dicht – zeker als ik de auto vandoen heb – moet het zicht scherper. Ik vind het echter verleidelijk om de wereld enigszins omfloerst waar te nemen.

Ondertussen is ook L. het bed uit en in de krant wat opgeschoten. Het gebeurt zelden, maar plots schuift het slaapkamerhout zachtjes open. Ze steekt haar hoofd binnen, kijkt naar haar liggende echtgenoot in zijn nauwe fitnessstrook en vraagt met verontwaardiging in haar stem: “Ook gelezen? Spelling en luisteren zijn op school niet meer belangrijk!” “En of”, antwoordde ik. Maar ik was klaar met dit (nieuws)item. Over het onderwijs zijn al zo vaak ballonnetjes opgelaten en de bevoegde minister blijft er maar op los ratelen. Tettertrien. L., ooit wetenschappelijk opgeleid, weet dat spelling en zogenaamde “luisteroefeningen” indertijd tot mijn dada’s behoorden.

Na tal van onderwijsjaren wist ik hoe je een en ander aantrekkelijk, zinvol en nuttig kon maken. Ik had uiteindelijk ook wel een beetje toegegeven aan de druk tot opleuken. Dictees waren vervangen door korte artikels uit de krant. Een 5-tal zinnen. Meestal vond ik die al op de voorpagina. Ik las het stukje voor en we hadden een gesprek, de leerlingen en ik. Hun mening en hoe ze die verwoord kregen waren leerrijk. Op het einde van de les dicteerde ik de zinnen. Als toemaatje bleef dan nog het zoeken naar een taalfout. De kranten staat er bol van. De taalkennis kalft danig af en fouten zijn schering en inslag. Op wat “eindredactie” wordt genoemd werd bij de kranten het eerst bespaard.

Ook luisteren stond hoog op de agenda. Teksten van Boudewijn, van Zjef, de zingende architect, Herman Van Veen, Robert Long… Mocht ik vandaag nog voor de klas staan, dan zou ik ze zelfs met “Ploegsteert” en Frank Vandenbroucke hebben kunnen ontroeren… Het was telkens stil om zo veel (talige) schoonheid. Nadien werd gezongen. Ik denk nog vaak aan de video over het leven van Julien Schoenaerts, theaterlegende en vader van. Het sprak ze aan, van 13 tot 19. En ouder.

Maar spelling… Een paar jaar geleden werd ik met koorts het ziekenhuis in gereden. Ik gaf les in meerdere scholen, schreef voor diverse kranten en tijdschriften en was geobsedeerd-ambitieus bezig met socio-cultureel werk. Te veel van het goede. Ik was met mijn kop tegen de muur gelopen. Een paar maanden later en eindelijk aan de beterhand had iemand het over een “bore-out”. Ik wist er niet eens het bestaan van. “Je verveelde je”, zei hij. Ik herinner me dat ik tijdens de examens tussen de banken laveerde om te kijken of er niet werd gespiekt. Verplicht nummer. Bij een examen Nederlands was de spelling van de studenten verteerbaar. Maar soms moest ik “bijzitten” op een examen geschiedenis of aardrijkskunde. Wat er dan te lezen viel! Een paar keer wees ik een examinandus op het feit dat aan deze of gene werkwoordsvorm iets scheelde. De onverschillige blik in mijn richting deed me op de duur denken: wat doe ik hier al meer dan dertig jaar?

Ik zei L. nog dat het allemaal “naar de wuppe” is (“Het Zesde Metaal” is onmiskenbaar de eerste in het dialect zingende groep die mijn hart weet te veroveren) en dat ik niet meer dan een passant was geweest.

Enfin. Dinsdag komen ze aan ons huis werken. Het heeft water geslikt. Een van de gevolgen is dat de rolluiken van mijn bureau muurvast zitten. Ik maak me zorgen nu om het huis. Met het onderwijs ben ik klaar. Ik maal niet langer om het nieuws van de zoveelste directeur die alweer een politieke benoeming blijkt te zijn. Ik heb het meer dan dertig jaar meegemaakt. Beslissingen (al dan niet aanvaarden) en oekazes (liefst niet uitvoeren) van luitjes die al jaren niet meer voor de klas stonden, maar wel een partijkaart bezaten.

Terug in de woonkamer haalde ik de rolluiken omhoog, opdat Wieb vanop de vensterbank boven de radiator, opnieuw zijn domein de gaten kon houden.

 

Johan Debruyne, eind januari 2016

 

Alliteratie

      

 

 

ALLITERATIE

De uitnodiging van ARTURE bleef langer liggen dan de andere. De tentoonstelling in de oude – en zoals zou blijken – verzorgde pastorie van Ressegem liep amper twee weekends. Er was werk te zien van ondermeer Hervé Martijn. Eerstdaags zou van ‘s mans werk een monografie van de persen glijden, maar ik vermoed dat er die vroege julidag andere culturele evenementen geprogrammeerd zijn. Het werk verleidt. Het verraadt kunde en fantasie. De eerdere uitnodiging tot een bezoek aan het atelier van de kunstenaar had me aangetrokken, maar mijn rug liet me in de steek. Alweer.

Martijn zet personages neer. Ze hebben iets alledaags en theatraals, iets menselijks en onaantastbaars tegelijk en ze geven de indruk te appelleren aan situaties en emoties die we (her)kennen. De schilder ensceneert. Zet ze neer in interieurs. Ogenschijnlijk worden ze te kijk gezet, maar toch. Het gaat om een tip van de sluier. Lang niet alles wordt prijsgegeven. Ik heb de indruk dat ze je nimmer in de ogen kijken. Het maakt me benieuwd.

Het figuratieve, narratieve schilderen. Het zwermt vele kanten uit. Nogal wat schilderkundige oeuvres liggen dicht bij elkaar, zodat ik wel hunker naar een werkje van iemand als Raoul De Keyser. Naar alleen maar verf, vlak en lijn… Een summiere suggestie. Het is een slingerbeweging.

Maar nooit geraakte ik op (beeldende) kunst uitgekeken. Het is en was vaak wellicht ook een vlucht. Toch stoor ik me almaar vaker mateloos aan de praatjes die er omheen worden gesponnen. Het paraderen met de (recente) kunstgeschiedenis, het theoretisch en kunsthistorisch geëmmer… Voor mij liever een knap gedicht of een kort persoonlijk verhaal dat aansluit bij het beeldend werk. Een enkele zin desnoods. Wat muziek. Of gewoon: stilte. Beeldende kunst? Leg het woord aan banden en verdwaal in wat de kunstenaars met verf hebben gerealiseerd. Schrijf je eigen verhaal. Er lijkt echter geen ontsnappen aan: er wordt wat afgezeikt!

Ik kon die mooie zondag ook opteren voor het PAK, het kunstenplatform in Gistel. Het is er aangenaam toeven en de natuur omheen de kunstwerken is meer dan verlokkelijk. Ik ontmoet er bekenden en steevast is de hond des huizes van de partij, een prachtbeest: het allermooiste en meest eigenzinnige kunstwerk. Ik keer dan ook zelden ontgoocheld huiswaarts.

Ik was niet alleen wat ziekjes die zondagochtend. Ik had enige moeite met de titel van de tentoonstelling in het PAK: “No more secrets”. En dit terwijl we in een wereld leven waarin we alles lijken te weten en te hebben gezien. Ik heb het nu even niet over de beeldcultuur. Maar nogal naïef, het epitheton. We weten maar al te goed dat we veel niét weten. Niet mogen weten. En nooit zullen weten. En wie zegt nog de waarheid? Als de meest vermaarde economen het al niet eens zijn over hoe we onze Griekse bakermat moeten redden. Een onwezenlijk diepe put, nog enkel met olijven te vullen. Zelfs crowdfunding zal maar tijdelijk soelaas bieden.

Maar in Gistel zou het uiteraard over artistiek naakt gaan en hoe ver/diep we kunnen/mogen gaan eer een en ander als porno wordt aanschouwd en gecensureerd. Ah, dit maak ik zelf wel uit. Mijn zieke lijf genereerde weinig zin tot fysieke, laat staan sensuele inkijk. Vagina’s, tepels, piemels, tongen, lippen… Een vlijm van suggestie zou die dag meer dan volstaan. Maar ik loop het PAK vast nog eens binnen, langs de populieren en de gestrande boten van een artistieke Spaanse armada. Voorts had ik geen zin in “volk”.

“Beaufort” lokte evenmin. Maanden geleden was er nog een B-persconferentie in het Knokse Scharpoord. Niet wat ik in de wandelgangen opving vervulde me met afkeer, maar de praatjes op de conferentie zelf. Zo zou plots de tijd van grote sculpturen achter ons liggen!!! Wie bepaalt dit? De “Brugge Triënnale” bewijst het tegendeel. Geef gewoon toe dat het budget gedecimeerd is en er al helemaal geen geld meer is voor die monumentale ingrepen in de publieke ruimte. Wat niet wegneemt dat net deze editie van “Beaufort” echt wel de moeite kan zijn. Raversijde, het Zwin en Nieuwpoort. Ook daar geraken we nog wel.

Het zou dus Ressegem worden. Misschien mede omdat ik – ooit ook sportfanaat – eindelijk eens de autosnelweg af wilde daar waar Lucien Van Impe, de laatste Belgische Tourwinnaar (1976) – toen althans woonde : Erpe-Mere.  Ressegem: gehucht van Herzele.

Het werk van Martijn houdt me ondertussen in de ban. Terwijl alle verkeer ter hoogte van Wetteren een flinke poos amper vooruitgang boekt, denk ik: is dit werk niet net zo sterk als dat van de alom geprezen Borremans?

Ressegem of all places. Ik zou er ook werk van Peter Weidenbaum zien. Vooreerst zag ik diens werk nog niet zo vaak (ik herinner me wel levendig een in een boom opgehangen bronzen beest met ferme ballen), maar  Weidenbaum is vooral de kunstenaar die me een wijle terug met verstomming had geslagen. Op weergaloze manier had hij Julien Schoenaerts’ portret geschilderd! Mijn enig idool uit theatertijden. Ik heb het niet kunnen kopen, ik zou het wellicht ook niet hebben kunnen kopen, maar als ik in mijn zetel achterover lig om mijn op elkaar gedrukte ruggenwervels wat ruimte te gunnen, zie ik het warempel aan de muur hangen.  De al oude Julien, zijn breekbaarheid, het verval, dat broze, verweerde cocon van zo veel ervaring, het spel, de glinsterende blik, de onmetelijke liefde. Het portret van Weidenbaum herinnert heel sterk aan de manier waarop Schoenaerts zichzelf aan het schminken was voor zijn indrukwekkende apologie van Socrates. Talloze keren bekeken, die Canvas-reportage.

In de pastorie (de file heeft de tijd behoorlijk ingekort) wordt het minder duurzaam genieten van de klasse van Martijn. Ik krijg “Ounce”, de oranje monografie, nog voor ze gepresenteerd zal worden en geniet even later intens van de evolutie. De verhalen. Het verleden van de kunstenaar dat ik aan het mijne koppel. “The tailor of Oudenaarde” en de tweelingen (“Never compare”) zijn werken die lang zullen blijven “hangen”. De kunstenaar is aanwezig. Een man van weinig woorden.

Ik spreek er ook de goedlachse Weidenbaum. Van hem twee werken. Compleet verschillend. Een gladde jungleflard. Bevreemdend en inspirerend. Ik hou afstand. Net zoals dat hotel – in wezen niets dan lapidaire, kleurloze verfstroken – doet het je fantasie op hol slaan. Verrassend uitgebreid repertoire.

Ook het gitzwarte werk van Vadim Vosters maakt indruk. Bijzonder. Beklemmend. Eigenzinnig. Vrolijker word ik er niet van en het neemt tijd om een en ander te ontwarren. Zwart en schimmig is het. Het licht zoekt zich koortsig een weg en soms is er een glimmende dot, wat spiegelend zwart, zoals dat van de enkellaarzen die de kunstenaar die dag draagt. Ik lette erop terwijl we buiten een glas aan het drinken waren. Vadim Vosters. De naam alleen al. Die alliteratie. Waarom hebben ze mij geen Daan gedoopt? Bijvoorbeeld. Daan Debruyne. Johan, verdomme.

Voor het eerst zie ik er ook Caroline Coolen in levende lijve. Weer alliteratie. Ik hou van haar sculpturen. Ik ken en herken ze. Dieren eisen de hoofdrollen op. Een symbiose van ernst en humor. Hoe Coolen met natuur speelt, de dingen met elkaar in contact brengt, hoe ze met leven en dood omgaat, de dingen coupeert en heelt, hoe ze diverse materialen naar haar hand weet te zetten, met beelden weet te benieuwen en verrassen. Twee grote honden liggen te waken op een bijzonder grafmonument. Ik word er stil van. De aluminium vossen, gereduceerd tot het minimum wat nodig is om vos te zijn.

Voorts nog verrassend werk van Lieven Decabooter, die op de bruine kant van het doek schildert en ook weer volslagen andere werelden creëert dan zijn collega’s. Voorts intrigerend werk van Matthieu Ronsse. Nico Vaerewijck en Erik Chiafele wagen zich verhalend dan weer het verst van de realiteit.

“Arture”? Een kunstenplatform. Een handvol kunstliefhebbers die dit alles, onder impuls van Sven Vanderstichelen, samen hebben gebracht.

                    

DAAN J. DEBRUYNE, eind juni 2015

 

 

Rocco

Rocco

Rocco (Granata) intrigeert me. Dat zijn verre van rimpelloos levensverhaal almaar vaker – meer dan zijn liedjes – in het nieuws begon te komen, zal er vast mee te maken hebben. Dat hij ouder is geworden. Het is iets wat ik ook almaar vaker voor heb met kunstwerken. Met dingen. Met sommige dingen. Na jaren blijkt dat ik er meer ben van gaan houden. Nog meer. Een goed teken, denk ik dan. Maar bangelijk tegelijk: ooit zal ik die kleinodiën achter moeten laten. De tijd doet wat met een mens. Met de dingen. Met jou. Met mij.

Nu heeft de man me nooit helemaal onverschillig gelaten. Het volkse wist met regelmaat mijn hart te stelen. En bovendien moet je als liefhebber van beeldende kunst bijna houden van zo’n gebeitelde kop. Voorts heeft de man nog wel wat aanstekelijke eigenschappen: de waarop hij het Nederlands boetseert, zijn door veelvuldig gebruik schrapende stemgeluid, zijn schijnbaar onuitputtelijke goedheid, en de melancholie die ruim haar tijd heeft genomen om zijn leven binnen te sijpelen. En om zich mondjesmaat dieper en dieper in rimpels en groeven te nestelen. Het was niemand minder dan Toots Thielemans die ooit zei dat de Italiaanse blues door Rocco’s aders stroomt…

En in dit amalgaam fonkelen zijn ogen. Ogen die vertellen hoe onpeilbaar veel hij van het leven houdt. Een leven dat hem lang niet altijd heeft toegelachen. In de kast van deze aangeboren optimist ligt een ferme brok verdriet.

Of ik zijn liedjes zing? Welnee. In een vrolijke bui zal ik wel eens een flard “Marina” uitstoten. Maar Rocco heeft ook nogal wat flauwe liedjes gemaakt. Dat komt ervan als je hits achterna zit. Hits & Money. Neem nu dat eiland. In Groen en Blauw… Marva. Maar het blijft wel in je oren hangen. De koopmansgeest heeft zich met het artistieke verstrengeld. Op een aanvaardbare manier. Een begrijpelijke ook. Het kan, dus. Het mag. Rocco vond het niet te min om op zijn Vespa te springen en zijn eerste plaatjes zelf aan de man te brengen.

Zijn hese stem pakt me. Ze is moe, maar krachtig. En er is het accordeon. Er  is “vroeger”: de mijn en het drama. Het vallen en opstaan. Het stond in de sterren geschreven dat over zo’n leven ooit een film zou worden gemaakt. Nu is het zo ver: “Marina”. Ik ben gaan kijken. Had zin in een verhaaltje. Een jongen, een droom, een Vespa… En in een avondje Rocco. Ik heb gekregen wat ik wilde!

Zijn prilste jeugd voert de kijker naar het arme, mooie, zonnige Calabrië in Zuid-Italië. Meer bepaald naar Figline Vegliaturo. Een terugblik op wat hij node  heeft moeten achterlaten. Speelt leeftijd een rol? Ik word er zelf met regelmaat op attent gemaakt dat ik haast gretig achterom kijk. Dat ik me bijna wellustig in melancholie wentel. Dat ik alleen nog maar speel in de straat waar ik geboren ben. Dat ik vertel en schrijf over de genegenheid die ik daar ervoer, over de warmte die ik er voelde. Nee, niet die van de zon.

Ook in Figline Vegliaturo was er meer. Het leek me daar – ondanks de armoe – genoegzaam anders. Maar ik heb makkelijk praten. Op dit eigenste moment denk ik aan een landschap van Morandi: sober, schraal, warm. Ik zie alleen de mooie dingen. Niet het kreupelhout. Niet de bomen waaraan geen olijven meer groeien.

Stijn Conincx, de man van het onvergetelijke “Daens”, heeft dat goed gedaan. Mij gaf hij veel eerder al iets wat onbetaalbaar is. Iets waar ik hem eeuwig dankbaar voor ben: het Schoenaerts-moment. De scène waarin Julien als bisschop of kardinaal zijn ring schenkt aan een katholieke kruiperd. Opdat deze laatste die zou kunnen blijven kussen.

Van “Marina” koester ik op dit moment uiteraard wat meer. De film spartelt nog na in mijn geheugen. Het pittoreske dorpje kon ik me voorstellen. Maar dat beeld ebt zo weg.  Zoals ik al zei is een enkel Morandi-schilderij voor deze jongen al een waardig equivalent. Mooi weer; niets te vreten. Werkloosheid. Geen toekomst. En het oude adagio dat een vent zijn gezin hoort te onderhouden. Dus trekt Rocco’s vader naar België. Voor de pezige, kleine man zou daar een beter leven wenken. Zou… Na enige tijd laat hij zich door vrouw en kinderen vervoegen. Ik begrijp Salvatore. Zo’n knappe meid laat je niet alleen achter.

Het is onmenselijk in de mijn. Maar ondraaglijker nog is dat er geen plaats is voor Italiaanse fierheid. En Salvatore spreekt de taal niet. Zal het ook nooit doen. Cliché. Ik weet het wel. Maar ik loop ze dagelijks tegen het lijf. In mijn geboortestad:  vreemdelingen die hier al heel lang zijn en de taal steeds niet spreken. Evenmin aanstalten maken. Het zijn de kinderen die vertalen. Het typeert de film, het sprookje van Rocco. Maar waar gebeurd!

Er is de strijd tussen vader en zoon. Wie is dé man in huis? De generatiekloof. De film stikt van de gemeenplaatsen. Maar ik slik. Krop in de keel. Is het de hoest van vader? Het stof uit de mijn dat hem langzaam vermoordt? Ook mijn vader is door ongezond werk en longkanker geveld. Stof van meel waarmee je brood maakt was de killer. Zo creveerden bakkers toen.

De pezige Salvatore appelleert uiterlijk sterk aan mijn vader. Pa was groter, maar zei ook zo weinig. Zelfs in zijn eigen taal. Het onvermogen tot converseren met zijn zoon. Het niet kunnen uiten van gevoelens.

Moeder helpt dan maar de droom van haar zoon waarmaken. Heimelijk doet ze doet de was en de plas en de strijk voor de mijnwerkers. Salvatore moest het weten!

Melodrama. Even komt sociaal onrecht aan bod. En dan slaagt Rocco er finaal in zijn droom te realiseren. Iets wat vader nooit is gelukt. De film eindigt met de onvergetelijke scène van Salvatore, die de radio, waaruit de stem van zijn zoon galmt, bij nacht plechtig op de tuinhaag zet. Een ruime, groene sokkel. Iedereen mag het horen. Zijn zoon is muzikant, maar dan wel beroemd!

Na de film blijf ik zitten. De meisjes en de vrouwen op dezelfde rij ook. We wisselen wat woorden.  Ja, er is veel dat Conincx goed kan: met relatief weinig beelden een hele leefwereld oproepen. En je bij de keel grijpen.

Straks, voor ik me helemaal in clichés stort, wat tegenwicht. “Tony” ligt al lang te wachten. Zal ik Tony aankunnen? Hoe A.F.Th. van der Heijden de dood van zijn beschrijft?

JOHAN DEBRUYNE, december 2013

 

 

“Zonder liefde is er niets!”

“Zonder liefde is er niets!”

Voor zijn acteerwerk in “De Rouille et d’os” mocht Matthias Schoenaerts triomfantelijk een César de hoogte insteken. Voor de Franse filmindustrie is hij “Le meilleur espoir masculin”.

Het nieuws is vers: halfzeven in de ochtend. Wekkerradio. Ochtendritueel ten onzent. Mijn vrouw slaapt (vandaag) door het nieuws heen, ik hoop dat Poesjkin zich gedeisd houdt en om geen flard nieuws te missen adem ik bijwijlen nog amper. Ondertussen zijn de krampen aan hun spel in de buikstreek begonnen: draaglijke dagelijkse routine. Smeerlapjes. Nauwelijks iets tegen te beginnen! Zenuwen, zeggen de dokters. Ze doen dat behoorlijk affirmatief. Deze wereld doet iets met de darmen van een controlefreak. Het psychosomatische euvel ebt nooit voorgoed weg, vrees ik.

Gewoonlijk doen doodslag, ongevallen en economische rampspoed me darmgeprikkeld het nest uitkruipen. Maar dit cine-nieuws ressorteert een gelijkaardig gevoel. Een soort lichte angst voor wat misschien al in de sterren staat geschreven.

Als ik bedenk hoe vaak vedetten ontsporen. Wat roem met mensen doet. Onlangs nog moord, wellicht (Pistorius), het zich laten opvrijen door een dictatuur  (Depardieu)…  Ik vraag me af hoe zo’n jonge, weliswaar stevige kerel, al die schouderklopjes pareert.

Vader Schoenaerts (1925-2006) was mijn idool. Ik heb daar nooit een geheim van gemaakt. Ook niet toen collega’s-critici op de duur lachten om ’s mans bizarre, nog amper te begrijpen verwoordingen. Ontspoord, zijn taal, zoals de man zelf. Maar ik vond het heerlijk. Die prikkelende onvoorspelbaarheid.  Aan het eind van zijn loopbaan was hij op monologen aangewezen. Hij viel nauwelijks nog te regisseren, werd gefluisterd.

Uiteindelijk zit het nieuws erop en rol ik toch wat zorgelozer dan gewoonlijk het bed uit. Zoon Matthias had bij het ontvangen van zijn sculptuurtje een zin van zijn vader aangehaald : “Zonder liefde is er niets!” Is er een mooiere zin om de dag mee aan te vatten?

Ik denk terug aan het Canvas-programma dat jaren geleden op Juliens carrière terugblikte. Hoe de verzwakte acteur tijdens dat interview toch nog alles naar zijn hand wist te zetten! Met zijn blik. Zijn spel met mensen en woorden. De aangrijpende stiltes.

De genen hebben duidelijk hun weg gevonden en bovendien moet Matthias van zijn ouwe vader ontzettend veel hebben geleerd. Samen met hem is zijn carrière trouwens begonnen: “De Kleine Prins”. Kijk, amper 7 en al meteen prins. Zijn vader toen? Piloot met pech…

Geërfd en geleerd van vader? Al zeker de liefde. Voor de kleine dingen. Voor de “duifkes”  buiten. Voor het vak. Voor de Taal. Voor alles. Het voor een Vlaming geheel ongebruikelijk lijfelijke in zijn omgang met mensen. “Hij zou zelfs een hond met een hoed op kussen”, zei de man bij wie Julien zich alsnog in grafiek wilde bekwamen. Hij verloor zich nog (met gretigheid) in zelf gecreëerde beelden. Een gezwollen mapje. Vol seizoenen. Hij toonde hoe hij ze had verbeeld en noemde ze. Met liefde.

“Il est mort depuis longtemps”, zei Matthias. Dat vond ik wat vreemd. 2006 was dat. Matthias is nu amper 35, schat ik, en voor zo iemand zal 6 jaar vandaag lang zijn. Mijn moeder was zes jaar na haar dood nog niet lang dood. Vond ik toen. Ik was prille veertiger. 1995.

Kom, we gaan naar beneden. ’s Winters doe ik dat samen met Poesjkin. Onze eigengereide langhaar slaapt boven. Beneden wacht Wieb. Zwart en sterk. Op een matje. “Zijn” matje. Beiden geadopteerd. “Les frères-ennemis”, noemt onze catsitter ze. Daniël is perfect tweetalig. Ik ben meteen wakker. Ik moet scheids spelen. Twee katers: kracht versus sluwheid. De hoogte biedt Poesjkin soelaas: tafel en aanrecht.

Ondertussen de krant uit de brievenbus gehaald. Zal ik ook eens de eerste bladzijden overslaan? Meteen maar naar de kunst? Als die vandaag tenminste wat ruimte heeft gekregen.

Zielig, telkens weer: dat “ernstige” editoriaal en dan volop rottigheid. Het ding moet verkopen, meneer! Stoere kerel smeekt om hulp en wordt door 6 andere (flikken)rambo’s doodgeslagen. Amfetamines.  Wie had die jongen kunnen/moeten helpen eer het zo ver kwam? Wellicht is de miserie bij het slikken van rotzooi begonnen. Niemand die het dààrover heeft…

Een gevangene neemt het niet dat de directrice zijn “regime” verstrengt. Hij breekt haar neus. Klein artikel. Ik neem het nooit op voor “gezag”. Maar mag het consequenter? Akkoord, het is “maar” een gebroken neus. Verkoopt niet, meneer! Hij had haar dood moet slaan. Gegarandeerd voorpaginanieuws…

JOHAN DEBRUYNE