Tag: schaamte

Moederschoot

Moederschoot

Altijd was L. primus op school. Diep van binnen koester ik daar respect voor. Blokken. Orde. Structuur. Er zijn er die het niet kunnen. Er zijn er die het niet hebben. Zij kon en had het als weinig anderen. “Een blokkertje”, zei ooit eens oud-lerares van haar. In de klas was L. zo stil (“ik wou dat ik onzichtbaar was”, zegt ze vaak) dat die mevrouw zich haar amper herinnerde. Ze had haar nochtans meer dan één schooljaar voor zich had gehad. In die twee woorden voelde ik een lichte vorm van minachting. Maar, de eerste op school was ze wel. Het is me later nog af toe verteld. Ik heb een aantal van die oude, vergeelde, sierlijk geschreven rapportjes gezien. Halve A4’tjes, nog niet toe.

Wellicht omdat die eer mij, ordeloze en verstrooide speelvogel, nooit te beurt is gevallen, wil ik ze koesteren. Reliekjes vind ik het. Als het mocht, dan zou ik ze inlijsten. Maar voor L. hebben ze totaal geen belang. Ik mag er zelfs liefst nooit over beginnen. Want, wat kocht ze ervoor? Een onderwijsloopbaan die erg weinig voorstelde en vooral miserie en angsten met zich bracht. En schaamte die geen grenzen kende. Altijd en overal waar ze zogenaamd werd aangesteld was L. immers de jongste. Zij kreeg de klassen en vakken toebedeeld die anderen meden als de pest. Bovendien was ze niet voor het onderwijs gemaakt. Streng en goedbedoeld keurig opgevoed en niet opgewassen tegen het gespuis (en hun taal) waarmee ik de straten onveilig maakte. Dodelijk. In haar geval bijna letterlijk.

Ik heb er de laatste tijd vaak aan gedacht. Hoe vreemd het leven lopen kan. Hoe je dingen zelf in handen kunt nemen of net niet. Hoe bepalend de omstandigheden zijn. Hoe een depressie onvoorspelbare wegen inslaat en kousvoetelings terug kan keren.

Tegen de jaarwisseling begint het bij mij te kriebelen. Komt de leraar, de Grote Bek, naar wie ze wél luisterden, die nooit de eerste van de klas was, in mij dan naar boven? Voor vrienden en kennissen probeer ik dan een wenskaart te bedenken met een zekere boodschap. Ik had het dit jaar over ijsberen. Hoe de dieren onteigend worden. Hoe ze gaan verzuipen, tenzij ze snel beter leren zwemmen.

Ondertussen pluk ik wenskaarten uit de brievenbus waarop de mensen die ze sturen zowaar zelf staan afgebeeld. Het liefst nog met de eigen kroost. Of als koppel. Af en toe dan nog met een idiote omver vallend Kerstmuts op het hoofd. Een plastic kerstboom en nog wat glitter er omheen.

Hoe kan je vandaag dit soort wensen sturen? Ben ik nu cynisch of zijn zij het? Zij, die blijkbaar niet willen of kunnen zien hoe kinderen worden misbruikt, hoe overal ter wereld mensen en dieren worden gepest, verkracht en neergeknald, hoe ze hun hebben en houden met massa’s water en slijk tegen een rotvaart zien wegglijden, buiten slapen terwijl het vriest…

Ik stap dromerig naar de logeerkamer, twee hoog. Ik ga kijken naar Ter Zake. Ik passeer “Marineke”. Glas. Een vierkant en een cirkel. Groen en grijs. Een patrijspoort. Een werk van de grootste glaskunstenaar die mijn streek ooit heeft gekend: Michel Martens. Ik denk aan al die verdienstelijke ambachtslui die met glas en/of zonder lood in de weer zijn en fraaie dingen maken. Maar Martens was ook een vorser. De kleine man bezat ook het inzicht en de kracht van de absolute eenvoud. Willen of niet, zijn “Marineke” gooit me meteen in zee. Daar waar die boot van Hans op de Beeck vaart. Cruise. Rijk en arm groeien verder uit elkaar. Op zo’n boot letterlijk en figuurlijk. Een leven vol decadente luxe en lakeien, behalve voor de duizenden die onderin, in mensonwaardige omstandigheden die luxe ver boven hen in stand moeten zien te houden. Moderne slavernij. “Sea of Tranquillity”. Ik ben op de Beeck eeuwig dankbaar voor deze metafoor van het leven.

Mijn weemoed ebt even weg. Dat was anders vanmiddag. Toen had een rijpe dertiger het over “De Eerste Sneeuw”. Dat iemand niet wist dat dit een liedje van Jan De Wilde was! Ja, man. Mijn moeder, hoewel ze nooit in de sneeuw duwde – daar had ze geen tijd voor – kwam weer tot leven. Zij en mijn jeugd op de vestingen van de stad.

Ik dacht er weer aan toen ik gisteren laat nog Freek de Jonge hoorde. In “Reyers Laat”. Hij zat aan tafel met Bart Swings en Seppe Smits, onze wellicht ijdele dromen op een medaille in Sochi. En of zij  er wel eens van wakker liggen van die Russische toestanden rond homofobie? Door driekwart van de Russen gesteund! Dat Freek dit nog hoopt! Neen, voor hen is het trainen en nog eens trainen. Een duizendste van een seconde gaat boven een mensenleven!

Het leek toch alsof Freeks hoop opnieuw een deuk had gekregen. Nooit zag ik hem meer ingetogen zingen. Het was bijna zeggen, wat hij deed. Weinig woorden, maar zo raak. Een prachtig lied: Moederschoot. Hier wegkomen. Niets meer zien van al die rotzooi en alleen maar warmte voelen. Zo anders dan de Freek van vorige zomer op het Museumplein in Amsterdam. Meer kwajongen toen.

JOHAN DEBRUYNE, eind januari 2014

 

 

 

Hoe het vliegen was, toen – met Cees

Hoe het  vliegen was, toen – met Cees

In de herfst van 1975 keek ik uit naar een baan in het onderwijs. Met schaamte vervoegde ik dagelijks een rij werklozen aan een stempellokaal, hoek Arsenaalstraat. Nooit had ik gedacht daar, toen en op die leeftijd nog in een rij te moeten staan. Zou op die eigenste plek mijn (latere) diepe afkeer voor strakke leerlingenrijen hebben gekiemd? Ook toen ik daadwerkelijk leraar was? Ik ergerde me voorts aan fluitsignalen en neonlichten.

Na verloop van tijd koppelde ik de weinig hoopgevende aanschuifroutine aan het lezen van een krant in een of andere kroeg. Het aangename en het nuttige. Zoiets. Word lid van een vakbond, werd me vaak gesuggereerd. Dan gaat het sneller. Maar van verenigingen moe(s)t ik niets. Ik zou wachten. Hoe had ik het ooit zo lang bij het zangkoor van de school kunnen uitzingen? Ik zal vooral naar mijn eigen stem hebben geluisterd…

Het wachten op een job zou de wintervakantie overbruggen. Ik wilde graag voor de klas staan. Daar nieuwe dingen doen. Creatief zijn. Spelen met taal. Ik wilde zijn wat mijn meeste leraars niet waren geweest. Ik had me twee decennia kunnen redden met sporten en wegdromen. Vluchten, dus. Net als de  Verdronken Vlinder van Boudewijn De Groot. Bij sterven stond ik af en toe stil. Vooral toen mijn vader er niet meer was.

Maar het enige wat mij na dat half jaar stempels verzamelen te beurt viel was een tijdelijke betrekking als… studiemeester. Surveillant. Waakhond. Bewaarder van dossiers. Paperassen, dus. Net dat waar ik al altijd een hekel aan had gehad. Maar alles leek me beter dan die vreselijke rij in de Arsenaalstraat.

Een brief vertelde me dat ik me moest aanbieden in een grote vakschool in de binnenstad. Vakschool. Zo heette dat toen. Rond tienen stapten, liepen of stormden stoere kerels in een blauw tenue de werkplaats uit. Nooit gezien. Niet mijn wereld. De laatste weken van de lerarenopleiding was net die school met regelmaat het onderwerp van gesprek geweest: als je ooit daar moet beginnen…

Maar ik leerde er het klappen van de  zweep. Werd er – na een bizarre eedaflegging bij een vlag – door een geroutineerd directeur in geen tijd klaargestoomd voor de job.  “Als ze straks vechten, dan laat je ze vechten. En als ze moe zijn, dan raap je ze op!” Veel meer zei hij niet.

Ik probeerde mijn knikkende knieën onder controle te krijgen. Ik zou al meteen met bravoure een rol moeten spelen. Met acteren had ik gelukkig al enige ervaring. Anders stap je beter niet in het onderwijs! Wat de kale dikkerd had voorspeld, gebeurde. Ik blijf de man eeuwig dankbaar. Mijn prille gezag stond als een paal. Ook en vooral in het onderwijs gaat je faam je vooraf. Masker op en klaar was Kees. Telkens opnieuw. Een klein beetje discipline. Dat had ik er voor over.

Wat collegialiteit betreft was het de mooiste periode uit mijn onderwijstijd. Ik schreef bijna “loopbaan”, maar in het onderwijs bestaat zoiets niet. Je bent leraar of studiemeester. En je doet je job. Of je sluit aan bij een politieke partij, gaat op cursus, studeert wat bij en wordt allengs schoolbaasje.

Ik was de jongste van een groot team dat me al eens in het gat durfde te steken. Om zonder toelating de school te verlaten bijvoorbeeld. Moest ik in de buurt pannenkoeken kopen. Die werden opgewarmd op de plaat van de koffiezet. Jacqueline deed dat. Dat durfde ik. Ze moeten me niet uitdagen.

Toch was het warm en koud blazen. Enerzijds was er die collegiale sfeer; anderzijds het knagend verlangen naar een eigen klas. Een biotoop waar je echt creatief kon zijn. En bijwijlen de grootste clown. Je kan immers leraar zijn en toch het kind in je blijven koesteren.

Tucht? Ach ja. Ze konden er wel mee rammelen in die vakschool. In de afdeling carrosserie bijvoorbeeld. De kleine man die er leiding hoorde te geven was niet bepaald taalvaardig. Serieuze handicap. Ook dààr. Taal en stem lieten hem in de steek en ook zijn postuur was verre van angstaanjagend. Zijn opvallend hoge hakken om zijn kleine gestalte wat bij te spijkeren maakten hem al helemaal lachwekkend. Met regelmaat moest ik node het aanpalend secretariaat verlaten: masker op en ingrijpen.

Ik deed in korte tijd ontzettend veel ervaring op. Terwijl die sfeer en attitude zich doorzetten in twee andere scholen, nu voor een compleet schooljaar, was het moeilijk kiezen toen een directeur me opbelde. Of ik geen les wilde komen geven. Ik nam afscheid van het studiemeesterschap en kwam terecht in een middenschool. Aan het hoofd stond een jong, gedreven directeur. Ik kreeg de zogenaamd minst goede klassen en van de beloofde voltijdse opdracht bleef na een maand amper de helft over. Maar ook die meiden en jongens maakten me snel duidelijk dat mijn roeping voor de klas lag.

Ik verzaakte aan het hopeloos verouderde handboek dat al jaren werd misbruikt, vond het grappig wanneer een van mijn adepten op zijn handen het klaslokaal binnenkwam en deed allengs dingen waarvan ik dacht en hoopte dat niemand ze deed. “Doelgericht schrijven” bijvoorbeeld: mijn leerlingen zouden in hun stad gids spelen voor leerlingen uit een andere stad. Ik begon met een jeugdtoneelvereniging, regisseerde, liet muren beschilderen en mocht algauw alle directeursnota’s lezen eer ze in de map op de tafel van de lerarenkamer aandikten. Directeurs en correct taalgebruik. Ach, die ego’s hebben zoveel andere zaken aan het hoofd.

Het voornamelijk al oudere personeel had wat moeite met deze zonderling. Sommige van die collega’s (bijna allemaal ongehuwde vrouwen) spraken onder elkaar zowaar nog Frans. Ik vermoed wel dat ze blij waren met mijn komst (ik was de enige jonge man), maar toch.

De vrouw van de directeur was een uitmuntende lerares Nederlands. Al haar tijd ging naar haar lessen. In een school aan zee. Ikzelf was al gebeten door de passie voor de beeldende kunst die ik probeerde over te brengen op mijn adepten. Zij was vooral met de moedertaal begaan. Zelfs de hond des huizes reageerde alleen alert wanneer hij foutloos Nederlands hoorde! Via haar man  kreeg ik met regelmaat teksten van haar. En een die ik nog herinner alsof het gisteren was, ging over het vliegwezen.  Cees Nooteboom had het stukje neergepend.

Via het lezen en het uitwisselen van ervaringen kwamen nieuwe termen aan bod. Vliegen was toen nog iets voor de happy few. Ik leerde ze dus wat “taxiën” was, want was ook maar net terug van mijn eerste vliegreis. Ze gierden het uit toen ik zei dat het woord valies onzijdig was. En ik leerde ze het woord ”passagier” correct uitspreken. Voorts bevestigde Nooteboom fijntjes mijn gevoelens. Vliegen… Van mobiele telefoons was nog lang geen sprake, roken mocht wel nog en de stewardessen waren mooie vrouwen. Bijna zonder uitzondering. Bang in het vliegtuig was ik niet, maar de spanning die Nooteboom beschreef woekerde wel in mijn lijf.

Ik moest eraan denken toen we onlangs, mijn vrouw was erbij, al om 2 uur ’s nachts uit de veren moesten. Hoewel, Venetië in het donker verlaten… het heeft iets. Maar zonder eten die boot op. Anderhalf uur op de lagune dobberen. Dan een behoorlijk eind stappen naar een luchthaven, ook amper ontwaakt na een korte nacht. Het bekakte volk dat voorrang geniet bij het inchecken. Businessclass. Afschaffen die handel! Tot slot het vliegding in. Zoals altijd: veel te weinig beenruimte. Na de landing de hopeloze files.

JOHAN DEBRUYNE, eind juni 2013

“Pipi of kaka?”

“Pipi of kaka?”

Nu voor het banaalste akkefietje naar de rechtbank wordt gestapt en kranten en blaadjes zich meer dan ooit verkneukelen in de slechtheid van de mens, vervoegen nogal wat advocaten het BV-heir. Zo kijken we er al lang niet meer van op dat ook die heren bijvoorbeeld de nodige tijd nemen om hun haardos met een handvol gel tot een piekjeslandschap te boetseren of hun haar in sierlijke in slierten over hun gezicht draperen.  Trouwens, wat maakt het uit? Het is de inhoud die telt! Toch was het onlangs even knipperen met de ogen. In mijn krant stond een foto van een gepiercete “punkadvocaat”: hanenkam, gekleurde bril, enkellaarzen… Daarboven de toga. Het beeld woelde herinneringen om uit mijn “loopbaan” in het onderwijs, een wereld waarin ik al eens afwijkend gedrag vertoonde. Waar ik me meer dan waar dan ooit een einzelgänger voelde, hoewel qua uiterlijk in eerste instantie alleen mijn brilmonturen enige deining veroorzaakten…

Ik had er immers een hartsgrondige hekel aan een resem zaken. De schoolbel Zum Beispiel. De neonlichten. Het gebouw zelf, dat ooit als kazerne dienst had gedaan! Collega’s die nog de fluit hanteerden om de adepten in het gelid te krijgen. De strakke rijen. De talloze regeltjes die de creativiteit smoorden. En  niet in het minst het formalisme. Kafka was altijd een beetje in de buurt.

Om het ook voor mezelf enigszins leefbaar te houden, had ik gedurende vele jaren initiatieven ondernomen die de school daadwerkelijk kleurden. Toen ik een 2-tal jaar geleden de schoolpoort definitief achter me dichttrok waren zowat alle gangen en trappengangen beschilderd. Zelfs de toiletten had ik niet onaangeroerd gelaten. Dat vonden mijn directeuren leuk. In die school heb ik er 2 gekend. Beiden hadden ze een snor en staken ze – de ene al comfortabeler of stijlvoller dan de andere – gebeiteld in een pak. Blauw, bruin, grijs. De muurschilderingen hadden gelukkig meer kleur en een didactische insteek, ze kostten de school amper wat en het leverde een massa publiciteit (krantenartikels) op.

Toen ik die punky advocaat zag, dacht ik vooral aan mijn laatste schoolhoofd. In mij had zich in de loop er jaren een welhaast fysieke afkeer voor de mens en zijn ontegensprekelijk dogmatisme genesteld, terwijl ik anderzijds – begrijpelijk gezien de return – een bijna absolute vrijheid kreeg bij het ontplooien van mijn initiatieven. Maar ik dacht vooral aan de roddels van de collega’s nadat hij een les van hen had bijgewoond. In regel viel zo’n bezoek nog wel mee, maar steevast was er een minpuntje : het bord was niet keurig schoongeveegd (er waren “wolkjes” blijven hangen) of de jeansbroek van een jonge collega vertoonde rafels…

Vervangende schaamte. Dus, tegen de stroom in. Dat was mijn enige verfrissing. Op de vraag op hoeveel een toets stond, antwoordde ik steevast: duizend! En wanneer leerlingen tijdens de les naar het toilet moesten (het schoolreglement verbood dat, geloof ik, en Befehl war Befehl!), liet ik dat doorgaans wél toe. Ik heb zelf al mijn hele leven last van een hypersensitieve blaas en mijn darmen zijn bij momenten nauwelijks in toom te houden. Heb ik van mijn moeder, trouwens.  Vandaar. Ik vroeg dan wel eens: “Is ’t voor pipi of kaka?” En wat lees ik nu in een weekendbijlage van De Standaard omtrent “schaamte”? Dat ook Wim Helsen altijd diezelfde vraag stelt wanneer iemand van zijn gezelschap naar het toilet moet. Ik was, zonder het te weten, in uitstekend gezelschap!

Maar waarom wilde ik perse ook dan nog grappig zijn? Ik vraag het me wel eens af. Een inspecteur zei ooit dat een les waarin niet minstens 1 keer was gelachen geen goede les kon zijn. Maar wij lachten al zo vaak. In de les. Het maakte het onderwijsleven draagbaar. Maar goed, met deze wil ik mijn gemeende excuses aanbieden aan die jongens en meiden die niet om mijn duizend en mijn pipi’s en kaka’s konden lachen. Maar anderzijds heb ik dan toch hun blaas en darmen ontzien. Straks toch eens polsen bij Herman. Trainingsmaat en professioneel zielenknijper.

 

JOHAN DEBRUYNE, Brugge, mei 2012