Tag: sara

Almaar een beetje meer alleen

Almaar een beetje meer alleen

 

Ik heb me zelden zo ellendig gevoeld als gisteren. Zelfs het banale dagelijkse ritme leek tot stilstand gekomen. Ik had met moeë ogen wat krantenbijlagen gelezen, maar de paar boeken op ontdekking binnen handbereik bleven weer onaangeroerd. Ook “De Bekeerlinge” van Hertmans. Heerlijk boek, zei Maen net nog aan de telefoon. Het maakt me moedeloos dat het zorgvuldig en met mate aangevoerde boekenvoer me niet aanzet tot lezen. Vlucht ik dan weer naar het bureau om wat me dwars zit vorm te geven? Zelfs hiervoor ontbreken me moed en kracht. Mijn computer (een recent exemplaar), samen met de auto het enige technische ding waarop ik zorgeloos een beroep wens te doen, speelt me ook parten. De laatste dagen aanvaardt het ding zelfs lettergrootte “14” niet. Ik heb een relatief groot scherm en om zonder bril te werken gebruik ik dat cijfer al tijden! Kleiner gaat niet. Wanneer ik erin slaag de infobalk bovenaan toch voor even zichtbaar te maken, druk ik dan maar op zestien. En hier zit ik nu dus, joekels van letters te typen. Het stoort me, want zo belangrijk zijn de woorden niet.

Ik weet wel: ik hoor nu even niet te lezen, noch zelf dingen in taal om te zetten. Ondanks een meer dan tijdige vaccinatie tegen griep werden L. en ik geveld. Samen. Ik ben gedoemd tot dutten en slapen. Vanmorgen voerde Lotje een aantal broden aan – ik eet steevast speltbrood van een welbepaalde bakker – en een jonge oud-collega is in een warenhuis een winkelkar gaan vullen. Ik mag niet buiten. Het zou ook niet lukken. Ik heb alle afspraken afgemeld en hoop over een week weer wat aan de slag te kunnen. Ik heb wel leren nietsdoen, maar het mag niet te lang duren. Een stratenloper met huisarrest…

L. is ontieglijk harder geveld dan ik. Zij kan amper op haar benen staan, krijgt geen hap binnen, braakt meteen weer uit wat ze toch door haar keel probeert te krijgen en haar tanden klapperen als castagnetten. Van meters ver hoor ik haar nu naar me toe schuifelen. Haar hele lijf huivert in haar wollige kamerjas. Voor haar had ik de dokter gebeld. Correctie: dokteres. Wanneer het er op aankomt opteert L. toch nog altijd voor vrouwelijke kunde en kennis. Mij maakt dat niets uit. Het is zoals met beeldende kunst. Of het werk nu van een man of een vrouw is. Het speelt geen rol. Ik zie het doorgaans niet. Voel het niet.

Op een ochtend had ik met een paar jongere, sportieve en handige kerels nog een zwaar “familiestuk” vervoerd, maar ik voelde de bui al hangen. Ik had het zweten. Ook letterlijk. Ik heb dus goed naar de dokteres geluisterd. Zes weken zal het duren, zei ze. Bijna wanhopig keek ik de andere kant uit.

Voor L. zit er niets anders op dan het bed. Platte rust, wat medicijnen, een fles water op het nachtkastje, uitzieken zoals dat heet, en tegelijk zorgen voor voldoende vocht en suiker. Mijn bed en ik? Geen beste maatjes. Ik zal het bij de zetel houden. De kat op schoot.

Een paar weken geleden hebben we onze oudste kater laten inslapen. Poesjkin was deels zijn zicht kwijt en lang niet meer de jager die hij altijd was geweest. Omdat zijn eveneens geadopteerde broer de eerste weken zijn draai niet vond en leek te treuren en te zoeken, hadden we zowat overal kartonnen dozen en mandjes gezet. Overal handdoeken in. Het was wennen voor Wieb. Hij was dan wel fysiek veruit de sterkste, maar Poesjkin was sluwer. Onze zorg zou niet worden beloond. Niet dat Wieb nu niet relatief snel en met onloochenbare fierheid wél op tafel zat – wat voorheen Poesjkins (licht, vinnig en razendsnel) domein was -, maar omdat L. echt het bed nauwelijks uit raakte, nam ik het huishouden helemaal over, het ophalen van de rolluiken aan de straatkant incluis. Het feit dat een van de slaapplekjes net onder een rol was geplaatst waarmee je een luik op- en neerlaat, leidde tot een valpartij die ik zelfs niet meer kan navertellen. Al wat ik nog weet is dat ik tollend enkele keramieken sculpturen heb vermeden, dat ik uit mijn wenkbrauw bloedde als een rund en dat doodzieke L. plots naast me stond. Even werd overwogen om een zogenaamde wachtdokter op te bellen, maar daar heb ik niet zulke goeie herinneringen aan, en de moed om op een of andere manier op de spoedgevallen te geraken was er ook niet. Gelukkig duurde het felle bloeden niet zo erg lang.

Ondertussen zijn we enkele dagen verder en is mijn lijf her en der verkleurd. Mijn oog spant de kroon. Het is herfst op mijn lijf: de kleuren veranderen elke dag.

Gebroken en nog steeds slapjes lig ik in mijn zetel. Telefoonnummers die ik niet ken beantwoord ik niet. Nooit. Na de zoveelste slaapsessie zie ik dat mijn zus heeft gebeld. Mijn enige zus nog. Ik had er ooit drie die er altijd voor het kakkersnest waren. Meestal belt Roos wanneer ze iets kunstigs in de zin heeft of ergens wil geraken (ze rijdt geen auto) waar haar man absoluut geen zin in heeft. Ze heeft ze het over de familie. Onlangs was er in het ouderlijk huis, nu een restaurant, een reünie. Amper een jaar geleden ben ik een zus aan kanker verloren. Een diep gemis. We zagen mekaar geregeld en hadden veel gemeen. Het overvalt me de laatste tijd vaker, niet een vorm van eenzaamheid, maar een gevoel van tergend sluimerend alleen-zijn. Ooit waren we met zeven. Een warm nest. Vandaag nog met vier. De gedachte om er ooit helemaal in mijn eentje voor te staan, schrikt me wel eens af. Maakt me al eens neerslachtig.

Er zijn ook de werken aan het huis. Het is een al oude, gezellige stek, maar ze heeft klappen (lees: schokken) gekregen toen in de buurt grote infrastructuurwerken hun beloop kenden. Nogal wat zelfstandigen in de buurt werden wanhopig en hielden de zaken voor bekeken.

Ondertussen heeft vocht de rolluikkast van mijn werkkamer bereikt. De gordijnen zijn node weggenomen, mijn werktafel staat nu verder van het raam, het afdakje voor de katten werd uitgebroken en de foto’s van mijn vader en die van mijn twee neefjes staan tegen de muur. Te wachten. Net zoals wij op het nieuwe dak en de schilderwerken. De twee lege plekken doen pijn. Ik wacht ook op tekeningen van Sara. Ze tekent heel bijzonder. Ik wil er graag een paar voor bij mijn verhalen van dagelijks zeer. Ik denk dat ze voor een glimlach kunnen zorgen.

 

Johan DEBRUYNE, februari 2017

 

Gelatines

GELATINES

Hasselt. Het druilregent. Ik ben er niet voor het fraaie gedeelte. Niet voor de straten waar de boetieks elkaar verdringen. Waar ze het oog en de beurs van de talloze passanten voor zich moeten winnen. Ik ben er gewoon. Ik stap er uit de trein het dagelijkse leven in. Het is wel zondag. Ik verlaat het station langs de achterkant en voel me meteen wat verloren: zo verrassend gewoon! En toch bijzonder. Ik word opgewacht. Door Sara, Remco en Iza.

Wat later, in een aftands gebouw, naast een bakstenen toren (een “schouw” zou ik later lezen) – met het hoofd schuin lees ik grote witte letters die het woord GELATINES vormen -, kuier ik in een kabinet. Het kabinet van een kunstenaar. Een witgemaakt vertrek met een tussenschot. Daar zoek ik mijn weg. Daar word ik klein. Weer.

Ik zie huisjes. Nog geen hand groot. Vertederend klein. Een ronde muur waar ik omheen kan lopen. Een mooie sculptuur voor een plein, denk ik. Ik had me nog veel kleiner willen maken. Dan had ik kunnen schuilen. Me verstoppen.

Maar dat hoeft niet. Alle mensen, de meesten ken ik niet eens, zijn aardig.

Ik ontwar een huisje in de hoogte, tegen de muur (dat wordt klimmen), en ik zie er eentje waar ik – eens heel klein – zo zal kunnen binnenstappen. Ik zie witte brokjes schuimrubber. Wolken. En restanten van miniatuurbouwsels. Overal zijn er gaten en gleuven. Striemen en sporen. Er is een enkel beeld: een heilige man die het al behoorlijk te verduren kreeg. Door een raam kan ik naar buiten kijken. Dunne zwarte lijnen op witte muren wijzen me de weg. Hoewel… ik wil (ver)dwalen.

Ik ben een wijle in de Alpen (niets dan goede herinneringen) en dan weer in de  mijnen. Die van Limburg. Door het raam kijk ik op iemands rug. En met hem mede,  samen, naar het water. Van een kom. De Kanaalkom. Is dit Remco?

In de verte niets meer. Ik ben plots de molen en de plas ver voorbij. Heb zelfs de kleine ring omheen de stad achter me gelaten. Ik droom van een slee. Bij ons thuis stond die tot ’s winters in de “spinde” geborgen. Een ongemakkelijke, maar nuttige restruimte onder de trap. Daar lag ook de ribfluwelen alaamzak van Omer, manus-van-alles. Het was daar dat onze Molly’s hun jongen ter wereld brachten. Kort en warm geluk na de pijn en het slijm. Wat later werd het gros van de worp verzopen. Niet in een kom. In een vaart. Een Brugse vaart.

Met de slee gleed ik de helling af. Boven troonde een windmolen. Alleen voor toeristen werd er nog af en toe gemalen. Ik stelde mijn vertrek naar beneden, telkens wat uit. Zonder op te vallen. De rit was kort en snel. En helemaal bovenaan had ik inkijk in de tuin van Gezelle. Pastoor, dichter, provocateur.

Anderen, meer begoed dat deze kleine jongen, skieden op het licht hellend gedeelte. Skiën in West-Vlaanderen. Ik vond het bizar, op hun latten, verder dan wij van de molen vandaan. Ver van de rakkers en het gepeupel. Schutkring. Fluwelen broeken droegen ze.

Ik hoor “De Eerste Sneeuw”. In mijn hoofd. In de trein. De stipte trein der traagheid. Buiten is alles gitzwart. Lichtjes flitsen af en toe voorbij. Maar de trein wil niet naar huis. In Landen en Gent neemt hij alle tijd. Nadien maakt hij nog een grote bocht. “Torhout” zie ik.

Nee, Jan, mijn mama had geen tijd om me door de eerste sneeuw te duwen. Misschien dat ze wel had geroepen: “Doe een warme sjaal om!” Bezorgd was ze wel. Ik huil een beetje. Vanbinnen. Heel diep. Maar toch ben ik gelukkig.

Om te reizen heb je weinig nodig. Ik wist het, maar Remco heeft het nog duidelijker gemaakt. Ik heb alleen spijt van die hagelslag. Die had op mijn croissant gemoeten. Aan tafel zal ik nog te groot zijn geweest. Eerstdaags slaap ik mijn roes uit.

 

 

 

 

 

 

 

Johan DEBRUYNE, 24 november 2013, op de trein tussen Hasselt en Brugge

 

There is no such thing as a wrong direction!

There is no such thing as a wrong direction!

Ik heb het vaker verklapt: als kleine jongen speelde ik met… coureurtjes. Van plastic. Eens per jaar vergat ik des zomers drie weken tijd, zon, voetbal én vrienden. “Mijn” Ronde liep gelijk met de Tour de France. De echte. Eind jaren 60 moet het geweest zijn. Op zolder, lag tussen twee kamers in – daar sliepen de bakkersknechten -, niet alleen een boel rotzooi, maar ook een flard linoleum. Dat was het terrein voor mijn parcours. Coureurs (ik voel nog hoe ik ze met duim en wijsvinger ter hoogte van het zadel beet nam en manipuleerde na elke worp van de dobbelsteen), merken (Peugeot, Faema, Molteni…), er reed minstens een auto mee en 3 moto’s. Een met een cameraman achterop en 2 door stoere flikken bestuurd. Het parcours was eigenlijk niet meer dan een groot vel bruin inpakpapier met kronkelende “wegen”. Frankrijk, weet je wel. Maar het gebergte moest ik verzinnen, zo niet gingen al mijn coureurs onderuit. En binnen de strepen was er net voldoende plaats, van voor- tot achterwiel. Mijn selectie van kopmannen en knechten moet zo’n 50 stuks hebben geteld. Mijn favoriet won gegarandeerd  en ik was commentator. Was het Jan Wauters die ik nabootste? Heerlijke tijd. Nadien nog om het Tourgazetje aan de Kruispoort: wie kreeg de man met de hamer op bezoek? Schommelingen in de rangschikking. Ja, zo leerde ik ook met cijfers omgaan. Wellicht mede daardoor dat ik heel snel uit het hoofd kon becijferen hoeveel pakweg een brood plus 3 pistolets, 4 koeken en een stuk pudding kostten. Geen kassa nog toen. Een “schof”.

Ondertussen zijn de plastic helden van toen over mijn neven verspreid. Ook zij spelen niet meer. Te oud. Hun zonen evenmin. Ze hebben het digitaal te druk. Ik heb er twee terug. Coureurs. Afgeschooid. Ik koester ze.

Als volwassen man kwam ik nog eens in een parochiaal centrum terecht. Een verre buur die ons huis verbouwde was iemand die uren naar een aquarium kon kijken, maar ook met treintjes speelde. Een lid van zijn club was een bekende stadgenoot en ik schreef toen voor een regionaal blad… Wip maar eens binnen, had hij gezegd. In een bovenkamer kwam ik in een andere wereld terecht. Een streek vol bergen. Weer Frankrijk? En daar doorheen bromden zoetjes al die treinen. Lichtjes in overvloed. Maar heel veel indruk maakte het niet. De treinen wel, maar het decor vond ik zo fake. Later zouden de echte Alpen me wel fascineren.

Voorts kwam ik niet zo graag in een parochiaal centrum. Deed en doet me te veel aan scouts denken, aan pastoors en kwakkeldingen voor het goede doel. De Missies? Ja, ik heb nog het zilverpapier van rond de chocolade gespaard. Maar ik geef toe: ik ben een Einzelgänger. En er waren veel treintjes, maar vooral te veel mensen die ik niet echt mocht.

In galerie Pinsart (Brugge) beland ik in een bovenruimte met werk van een duo. Een koppel. Zij, Sara Boman, tekent geweldig. En voegt Engelse zinnen toe. Bloklettertjes. De kleine tekeningen hangen met speldjes aan de muur. En voor ze tekende en schreef werd het papier grondig “bewerkt”. Het lijkt hard geworden. De zinnen zetten je aan het denken. Soms lachen. Af en toe sijpelt wat cynisme binnen. Daar ben ik (helaas?) erg van gaan houden. Af en toe een pijnlijke doordenker. Over “a joke”: de jeugd, de partner… Hoewel bij mij het omgekeerde geldt, blijft de bedenking nazinderen!

Remco (Roes) zette mij mede aan het dromen. Weet je waarmee? Met wat nog restte nadat ze zijn grootvaders modelspoorbaan hadden opgebroken! Afgebroken eerder. Over de hele, ruime kamer verspreid, want Sara’s tekeningen nemen (letterlijk dan toch) weinig plaats in, bouwde hij toch nog een en ander met die restanten. Bijna tegen de grond projecteert een apparaat een droombeeld op de muur. Zo zag opa’s droomlandschap met treintjes er uit! Schitterend. Als dit kitsch is, moet het adjectief “subliem” er bij. Oneindig veel mooier en avontuurlijker dan dat van boven het parochiaal centrum, waar nochtans een troep mensen hun bijdrage aan had geleverd.

In de hoek staan wat dingen (houten platen vooral) tegen elkaar getast. Dingen waarmee je weinig aan kan. Maar in het hout zit een leven verzonken. In het midden, op 2  schragen, bouwt hij weer op. Verweerde platen. Talloze nageltjes krijgen een rol toebedeeld in een film die aan flarden is getrokken. Met je fantasie en de tekeningen van Sara bouw je het hele ding weer op. Nee, je bouwt je eigen universum.

Ze heeft me op een uitkijkpost (ik zou er kunnen wonen) gezet en ik overschouw het geheel. Wat later zit ik in de trein. Ik zie een man met een hond, passeer een manege. Ik ben op weg. Nee, in deze trein lees ik niet. Zelfs niet over Komrij. Ik kijk naar het landschap. Dat bevreemdende marktkraam in het veld. De boog waar we doorheen moeten, de tunnel, een overweg. Ik zie overal lichtjes. Het landschap neemt me mee, maar blij ben ik niet. Een beetje versuft. De zinnen zijn blijven hangen. Ik denk aan verre plaatsen, waar het minder leuk moet zijn. En toch. Die auto die niet meer weet welke kant hij uit moet! Komaan, rij door! Dit advies neem ik mee.

Ik hoor gestommel op de trap. Het haalt me uit mijn droomwereld.  Aan de muur besnuffel ik nog een wirwar aan attributen die ooit opa Roes’ droomwereld aan elkaar hebben geholpen. En waar klopt mijn hart nu sneller van? Van die coureurs? Nee. Met het groter worden is ook mijn fantasie toch wat afgenomen. De treintjes, dus.

 

 

 

 

 

 

JOHAN DEBRUYNE, augustus 2012

 

MAGGI? Aan van alles, behalve aan blokjes gedacht!

MAGGI? Aan van alles, behalve aan blokjes gedacht!

Zou ik dan toch niet zo’n slecht mens zijn? Peter had bouillonblokjes op Facebook gedropt: 4 vierkantjes, keurig op een rij, tegen elkaar aan geschurkt. Zoals  dobbelstenen, maar telkens anders gevallen. Alle 4 heetten ze: MAGGI. Diezelfde dag had onze uit de kluiten gewassen staatssecretaris met zowat dezelfde voornaam een Afghaanse jongen laten repatriëren naar een vreselijk brokje wereld dat Afghanistan heet. De jongen had leren lassen. Alhier naar verluidt een knelpuntberoep…

Omdat Peter kunstenaar is dacht ik aan “Wirtschaftswerte”, het werk van Joseph Beuys dat Jan Hoet ooit voor zijn Gentse museum aankocht: een oud metalen rek met producten uit het voormalig Oost-Duitsland. En omdat Peter, zeker wanneer het over de fiets gaat, nostalgisch uit de hoek kan komen, dacht ik dat hij vond dat het in dit “ongeveer”-tijdperk meer dan tijd was dat ook met onze oude, degelijke producten iets dergelijks gebeurde. Ik weet ook dat Peter zelden zomaar dingen zegt of mailt.

Na jaren heeft hij zich bovendien weer met de fiets kunnen verzoenen en al fietsend komen de ideeën je wellicht aangevlogen, denk ik dan. Of is het toch in hoofdzaak verstand op nul? En er verdwijnt vandaag zoveel. Geruisloos, maar voorgoed. Met rasse schreden. Het is iets wat Remco en Sara, op een bijzondere manier, niet toelaten. Ga maar eens kijken – trappen op – in Galerie Pinsart (Brugge) de komende weken, hoe dit kunstenaarskoppel een nieuwe wereld heeft gebouwd met restanten van grootvaders gedemolierd treintjesdecor.

Wat de idee rond Beuys betreft. Ik ben natuurlijk nog niet lang uit Kassel terug. Maar het zou copycatten zijn. En daar staat Peter niet voor. Voorts balanceer ik in regel al met regelmaat tussen kritische zin en naïviteit. Laat me allemaal met rust, denk ik wel eens. Ik snak naar de milde zon, die van maart jongstleden, naar een portie luiheid, een ontluikende tuin.

Twee gitzwarte kerels op televisie. Ergens in Brussel. Camera’s in aanslag.  Aanleiding: het uitwijzen van de jongen, waarmee ik dit stukje aanvatte.

“Maar op je 18de kan je worden uitgewezen,” zegt de interviewer, “wisten jullie dat dan niet?”

“Nee!” Ze voegden er meteen aan toe heel erg verwonderd te zijn. Maar de blik in hun ogen stemde niet met verwondering overeen. Noch met angst. Ik geloofde er geen snars van. Ik was op mijn qui-vive. Want ook mijn vrouw had moeten lachen om die Maggi-cubes.

Afghanistan… Mag ik voor dit Talibangebied een uitzondering blijven maken omdat “De Vliegeraar” me ooit zo heeft aangegrepen? Een zomer lang. Ik weet het: zeg me in welke landen het vandaag geen oorlog is.

Straks mag Irving mijn graad van naïveteit testen. “In een leven”. Amateurtheater in de States. Zo ver ben ik al. Vermont. Verdomd moeilijk met Komrij’s “Kinderballade” en de stem van de Groot in mijn kop.

Eenvoud en vriendschap, las ik net. En hoe jonge gasten ongeremd over lijf en seks praten. Nochtans, zij hebben Hans Teeuwen niet gezien. Spik noch Splinter. Een fenomeen, die Teeuwen. En in de koffiezaak op de muur van het mannentoilet, boven het urinoir: “Stap wat dichter, zo lang is hij nu ook niet.” Seks verkoopt. Zelfs in koffieuizen. Dat wist ook Komrij. Ook nog eens scatoloog.

Hij hield van de lente wanneer het al herfst was. Dus had hij het niet over fysiek lekkers, maar over slijm en bloed en haar. Heerlijke dwarsligger. Meer dan ooit een compliment.

Net de kranten uit. Al die woorden. Zo achterhaald. De ongeëvenaarde klassenflitsen van Federer. Door “kenners” veel te snel afgeschreven. Ja, er verdwijnt vandaag zoveel. Gruisloos, maar voorgoed. Met rasse schreden.

Ooit waren in Zwitserland t-shirts met de woorden “I love Roger” (de “o”’s als tennisballen) in geen tijd uitverkocht. Uren zat ik op internet. Firma “+41”. Bestaat al niet meer. Federer. Subtiele eenvoud. Geen gedoe. Ingetogen geluk. Kunst gewoon. En recordman. Zeg dat Fabian het getwitterd heeft. Mocht die toch nog even blijven…

JOHAN DEBRUYNE, juli 2012