Tag: routine

Spel(l)ing

Spel(l)ing

 

Na het leegmaken van de brievenbus, een oogopslag voor een schimmig contact met het leven buiten, het ten dele voorspelbare gedoe met kater Wieb, het ontbijt en het lezen van een enkele tastbare krant, slof ik richting slaapkamer. De tred waarmee ik de slaapruimte nader zegt wellicht alles over hoe ik me voel. Het wintert nog steeds, maar voor het eerst is het minder koud. Het vriest niet langer. De badkamerdeur blijft dicht. Ik wilde even “hermetisch dicht” schrijven, maar in ons gezellige oude huis, is dit adjectief niet op zijn plaats. Voor de douche is het nog zo’n kwartier te vroeg.

Omdat de kleerkast zo immens groot is (het enige meubel dat we in al die jaren zijn blijven gedogen), hebben we 20 jaar geleden – toen we hier onze intrek namen – van de oude slaapkamerdeur een schuifding gemaakt. Een handige schrijnwerker had dit bedacht. Als we niets om handen hebben geraken we comfortabel binnen. Met een stofzuiger in het kielzog wordt het al mikken. Ik vraag me af hoe L. dat met de wasmand doet.

Het is een winters ritueel: ik schuif het ding dicht (’s nachts blijft het open om de kamer te verluchten) en zet de verwarming aan. L. slaapt nog. Van bij de kast gooi ik – (vrijwel altijd) speels – een verse onderbroek op het bed, waarna ik op een opgerold rubberen matje af stap om het ding aan het voeteneinde te ontrollen. Het is frenetiek, maar bepaald kunstig gehavend: ooit zette Poesjkin er met regelmaat en nijd zijn scherpe nageltjes in (de gedachte aan Lucio Fontana is nooit ver). Onze sluwe, mooie kater ging onbewust artistiek te keer wanneer hij vond dat zijn baasje te lang zijn horizontale positie aanhield en geen aanstalten leek te maken om naar beneden te gaan…

Op het matje probeer ik mijn bekken zo soepel mogelijk houden. Het bovenste gedeelte van mijn rug is broos geworden. Een bron van continue kwelling. Lumbaal – dat lieten röntgenfoto’s al altijd constateren – zit er nog voldoende speling tussen de wervelschijven. Ik streef een status-quo na. Reumatologen, orthopedisten, kinesisten en sportfanaten hebben me de voorbijgaande jaren duidelijk gemaakt welke oefeningen ik nog wél kan doen. Ook wat ik in mijn fysieke toestand maar niét meer moet proberen. Mijn ochtendlijke gymnastieksessie duurt zo’n kwartier. Bewegen, tellen, naar het plafond staren, plannen maken, wegdromen en alweer vergeten wat ik had gepland. Vervelende, maar noodzakelijke routine.

Nadat de souplesse is gevoederd, ben ik klaar voor de dag. Wanneer ik even later uit de douchecel stap, besluit ik of ik die dag al of niet mijn bril opzet. Blijf ik de hele dag binnen of staan er “verre” boodschappen op het programma? Word ik ergens verwacht? Ga ik naar kunst kijken? Is er een opdracht? Thuis red ik het zonder bril, maar eens de voordeur achter me dicht – zeker als ik de auto vandoen heb – moet het zicht scherper. Ik vind het echter verleidelijk om de wereld enigszins omfloerst waar te nemen.

Ondertussen is ook L. het bed uit en in de krant wat opgeschoten. Het gebeurt zelden, maar plots schuift het slaapkamerhout zachtjes open. Ze steekt haar hoofd binnen, kijkt naar haar liggende echtgenoot in zijn nauwe fitnessstrook en vraagt met verontwaardiging in haar stem: “Ook gelezen? Spelling en luisteren zijn op school niet meer belangrijk!” “En of”, antwoordde ik. Maar ik was klaar met dit (nieuws)item. Over het onderwijs zijn al zo vaak ballonnetjes opgelaten en de bevoegde minister blijft er maar op los ratelen. Tettertrien. L., ooit wetenschappelijk opgeleid, weet dat spelling en zogenaamde “luisteroefeningen” indertijd tot mijn dada’s behoorden.

Na tal van onderwijsjaren wist ik hoe je een en ander aantrekkelijk, zinvol en nuttig kon maken. Ik had uiteindelijk ook wel een beetje toegegeven aan de druk tot opleuken. Dictees waren vervangen door korte artikels uit de krant. Een 5-tal zinnen. Meestal vond ik die al op de voorpagina. Ik las het stukje voor en we hadden een gesprek, de leerlingen en ik. Hun mening en hoe ze die verwoord kregen waren leerrijk. Op het einde van de les dicteerde ik de zinnen. Als toemaatje bleef dan nog het zoeken naar een taalfout. De kranten staat er bol van. De taalkennis kalft danig af en fouten zijn schering en inslag. Op wat “eindredactie” wordt genoemd werd bij de kranten het eerst bespaard.

Ook luisteren stond hoog op de agenda. Teksten van Boudewijn, van Zjef, de zingende architect, Herman Van Veen, Robert Long… Mocht ik vandaag nog voor de klas staan, dan zou ik ze zelfs met “Ploegsteert” en Frank Vandenbroucke hebben kunnen ontroeren… Het was telkens stil om zo veel (talige) schoonheid. Nadien werd gezongen. Ik denk nog vaak aan de video over het leven van Julien Schoenaerts, theaterlegende en vader van. Het sprak ze aan, van 13 tot 19. En ouder.

Maar spelling… Een paar jaar geleden werd ik met koorts het ziekenhuis in gereden. Ik gaf les in meerdere scholen, schreef voor diverse kranten en tijdschriften en was geobsedeerd-ambitieus bezig met socio-cultureel werk. Te veel van het goede. Ik was met mijn kop tegen de muur gelopen. Een paar maanden later en eindelijk aan de beterhand had iemand het over een “bore-out”. Ik wist er niet eens het bestaan van. “Je verveelde je”, zei hij. Ik herinner me dat ik tijdens de examens tussen de banken laveerde om te kijken of er niet werd gespiekt. Verplicht nummer. Bij een examen Nederlands was de spelling van de studenten verteerbaar. Maar soms moest ik “bijzitten” op een examen geschiedenis of aardrijkskunde. Wat er dan te lezen viel! Een paar keer wees ik een examinandus op het feit dat aan deze of gene werkwoordsvorm iets scheelde. De onverschillige blik in mijn richting deed me op de duur denken: wat doe ik hier al meer dan dertig jaar?

Ik zei L. nog dat het allemaal “naar de wuppe” is (“Het Zesde Metaal” is onmiskenbaar de eerste in het dialect zingende groep die mijn hart weet te veroveren) en dat ik niet meer dan een passant was geweest.

Enfin. Dinsdag komen ze aan ons huis werken. Het heeft water geslikt. Een van de gevolgen is dat de rolluiken van mijn bureau muurvast zitten. Ik maak me zorgen nu om het huis. Met het onderwijs ben ik klaar. Ik maal niet langer om het nieuws van de zoveelste directeur die alweer een politieke benoeming blijkt te zijn. Ik heb het meer dan dertig jaar meegemaakt. Beslissingen (al dan niet aanvaarden) en oekazes (liefst niet uitvoeren) van luitjes die al jaren niet meer voor de klas stonden, maar wel een partijkaart bezaten.

Terug in de woonkamer haalde ik de rolluiken omhoog, opdat Wieb vanop de vensterbank boven de radiator, opnieuw zijn domein de gaten kon houden.

 

Johan Debruyne, eind januari 2016

 

O.L.V.-tje?

O.L.V.-tje?

 

Het is vroeg in de ochtend. De routine is ingezet. In de badkamer heb ik me tijdelijk wat opgefrist. Vervolgens neem ik wat pillen, drink ik Spa blauw, bedien ik de katten op hun wenken, sta ik bij de koffiezet en haal ik de krant uit de bus. Pas dan kan ik ontbijten. Porselein (Yasmine), hoor ik op de radio. Voor het eerst concentreer ik me op de tekst. Die zegt alles!

Halverwege de trap houd ik halt. Ik kom niet verder en wrijf mijn ogen uit. In een nis, waar ik normaliter een of andere marmot uit mijn onoverzichtelijk geworden collectie posteer (het is en blijft een van mijn lievelingsdieren) staat nu blijkbaar een… Onze Lieve Vrouw. Ze is helemaal roze en doet me met haar eenvoudig gevoileerde bolheid een beetje denken aan het beeld van Achiel Van Acker op het gelijknamig pleintje in de stad Brugge. Maar bij nader toezien – zelfs met een ochtendkop – blijkt het een reuzensnoep.

Vroeger maakten we er thuis wel eens ruzie om. Wanneer bijvoorbeeld een van ons zevenen met een heel grote zak O.L.V.-tjes thuis was gekomen. Witte en roze, denk ik. Van in “De Ooievaar”, op de hoek van de Ganzenstraat. Je stopte er het liefst drie, vier tegelijk in je mond. Zacht waren ze. Heerlijk zoet. Ik had het voor de roze exemplaren. Ik was een snoeper. Ik ben het gebleven.

Ik maak mijn vrouw wakker (zij slaapt altijd een wijle langer) en vraag haar te komen kijken. Gewoonlijk klaagt en kreunt ze bij het opstaan. Net als ik. Onze botten kraken, het hoofd doet pijn, de maag speelt op, we hebben genachtmerried. Nu lacht ze heimelijk.

“Het is snoep! Misschien een cadeau van het Brugse Maria-comité”, zegt ze nonchalant. “Een soort Wiedergutmachung voor al die jaren dat ze je met jouw nissenproject aan het lijntje hebben gehouden. Je hebben uitgeput. Je met hun beloftes en leugens ziek hebben gemaakt.”

Suf vergezel ik haar naar de slaapkamer. Heel uitzonderlijk vergeet ik de katers, die zoals gewoonlijk op me wachten. Butler komt later!

Ik kruip mijn bed weer in. Even.

Als ik anderhalf  uur later wakker word, heb ik gedroomd. Van toen ik klein was en nog in Sinterklaas geloofde.

In de woonkamer – wat zie ik duidelijk het deurtje met de raampjes en rood-witte gordijntjes – brandde licht en op tafel stond chocolade. Witte en melkchocolade. Her en der mandarijntjes. Voorts nog wat zoetigheid. In het midden pronkte een heel grote plastic racewagen. Rijden kon hij niet. Dit vond ik zonde. Maar hij was mooi. Het is het enige Sinterklaasgeschenk dat me is bijgebleven.

Johan Debruyne, juli 2014

 

 

Tussen stad en buiten

Tussen stad en buiten

Ik wacht in de auto en kijk naar een laan (Ik weet niet waarom, maar deze weg wordt nu eenmaal zo genoemd. Van haar voornaam heet ze Astrid.) die de stad Brugge met een randgemeente en de buiten verbindt. Een paar honderd meter verder wordt het groener. Hoewel Astrid aan klassieke muziek en traagheid appelleert, is ook haar laan mondjesmaat drukker geworden. Haar beton krijgt het hard te verduren en het duurt almaar langer eer je de huizen in meer verspreide slagorde waarneemt.

Zij, (onze tandarts), een statige dame, resideert in een wat bevreemdende, ogenschijnlijk kleine villa, zo’n anderhalve kilometer van de drukte in de stad en de ring er omheen verwijderd. Even voor je ter plekke bent, heb je nog een laatste keer verkeerslichten. Eenmaal die voorbij wenkt een zekere ongebreidelde ordeloosheid.

Ik hoef er niet meer bij na te denken en rij langs de ene opening (de verste) in de haag binnen (de kasseien op) en parkeer naar gewoonte in de schaduw van een uit de kluiten gewassen tak. Deze koestert onmiskenbaar de intentie een grote struik te worden. Haar stam heeft nu al iets van die van een boom.

Ik breng er mijn vrouw heen. Routinebezoekje. Onderhoudsbeurt. Ze, mijn vrouw, kan momenteel met moeite stappen. Vandaar. Zo’n halfuur zit ik in de auto te wachten. Ik noteer een en ander en stuur berichtjes, maar – hoewel er haast niets is te zien – is het toch vooral de laan die mijn aandacht opeist. Wat voorbijtrekt, -stapt, -raast… Leesvoer heb ik met opzet thuis gelaten.

Aan mijn rechterzijde: bakstenen, soms bizar tegen elkaar leunend, opvallend veel bogen en kleine ramen met erachter niets dan wit. Bij nader inzien is alles er wit. Alles glimt. Ook in de behandelingskamer. Zacht wit. Dat wel. Het enige wat kleur geeft zijn de tijdschriften en de strips. Die liggen er gedwee op een wit kastje. Netjes op en naast elkaar getast. Je durft ze amper aan te raken. Voorts is ook het lange zwarte haar van de arts opvallend in deze oase van wittigheid en gedempte geluiden. Ik heb zelfs de indruk dat ook haar kleine viriele machientjes zich uit respect stil houden.

Na een behandeling rij ik gewoon verder naar links. Ik verstop me dan niet langer achter de struik en probeer de laan op te geraken. Ritsen is hier nog geen gemeengoed. Via de andere kant van de keurig geknipte haag rij ik naar de stad terug. Af en toe (ook als ik er niet op iemand heb moeten wachten) blijf ik nog een poos zitten. Ik kijk dan in de achteruitkijkspiegel naar mijn opgeknapte gebit en naar de overkant van de laan waar een klein, smal bouwsel staat. Zo’n vierkante meter, drie meter hoog, schat ik. Een kapelletje. Een merkwaardig ding. Daar, tussen stad en buiten. Vooral het dakje trekt mijn aandacht. Het kreeg vorm door heel gewone, voor dit kleine heiligdom, overmaats grote dakpannen.

Op ooghoogte een glas-in-loodraam. Daarachter een heiligenbeeld. Het bouwsel heeft de evolutie getrotseerd, want er net achter prijkt een nieuw gebouwd huis. Misschien betreft het een beschermd monumentje. We zitten dicht  tegen Ver-Assebroek aan. Ik herinner me dat – heel lang geleden – mijn moeder de bus naam naar dat oord. Daar werd verwoed gebeden en gepreveld. Voor een Maria. Haar  achternaam was die van het gehucht. Een klein bedevaartsoord. Een “afspanning” kon dus niet ontbreken.

Ik denk met heimwee aan een sinds lang overleden tante die in een andere deelgemeente huisde. Naar de ham en de droge worstjes die nog de tijd kregen om te drogen. Onvergetelijk heerlijk. Het gedroogde lekkers hoorde bij de woensdag. Bij Johan en zijn Alverman.

Mocht ik naar links rijden, dan passeer ik een tweetal plantenkwekerijen, grote, protserige villa’s, een compleet nieuwe wijk, een land -en tuinbouwschool. Pas dan volgen dorpen.

Ik heb in dit gebied bezijden onze toeristenstad nogal wat familie wonen. Ik weet niet of dit toeval is. Ik vind er ook een van de eerste scholen terug waar ik niet langer belhamel mocht zijn, maar studiemeester speelde en op een gemoedelijke manier respect probeerde af te dwingen. Ik leerde er de enige directeur kennen, voor wie ik altijd respect zal hebben.

Ik word een eenzaat. Of kan ik het tempo en de mensen niet meer aan? Vroeger dacht ik al eens om met mijn pas verzorgde bekje ergens in de buurt aan te bellen. Bij een van mijn verwanten. De laatste jaren heb ik daar de moed niet voor. Ik zoek een rustig terras op, bestel een koffie en lees. Iedereen heeft het razend druk en geen kat is geïnteresseerd in mijn gezeik over taal en beeldende kunst.

Maar nu staar ik vanuit de auto naar het kapelletje. Naar wat passeert.  Voorbij zoeft. Ik stel vast dat niemand aandacht heeft voor het witte optrekje. Noch de vrachtwagenchauffeurs, noch de bestuurder van een grote, lege lijnbus, want “geen dienst” (staat er duidelijk op te lezen), noch de chauffeurs in terreinwagens (die horen ongetwijfeld bij de verderop gelegen villa’s). Ook niet de fietsers (de wind zit behoorlijk op kop) en evenmin de zeldzame voetgangers. Wat passeert herinnert me ondermeer aan veevoeders, chape en andere vloerbedekking. Een eenzame coureur zegt me dat de wielerklassieker Milaan-San Remo er aankomt.

Af en toe kijk ik recht voor me uit. Naar de grote, brede, bruine garagepoort van de tandarts. Links en rechts ervan twee kleine fietsstallingen tegen kort gehouden groen aangeschoven. Samen goed voor zes fietsen. De Vespa koos een eenzame stek. Er is zon. De gemotoriseerde tweewieler wiebelt in de wind. Het rechter raam van de auto staat halfopen. De lentewind doet wonderen.

Ik wacht op mijn vrouw.  Ja, onze schoenen “rijgen”… zelfs zo’n kleine ochtendlijke beweging houdt blijkbaar gevaar in. Straks drink ik met vrienden een koffie op de Markt van Brugge. Daar zie ik in hoofdzaak toeristen. Hier nog even het gewone leven.

Rechts boven de garage treurt een wilg. Hij wil blaadjes. Nog even geduld. Mijn vrouw verschijnt in het deurgat. Opening past beter in deze context. Ik stap uit, groet de tandarts, open het portier, sluit het weer en kruip achter het stuur. Pratend rijden we huiswaarts.

 

JOHAN DEBRUYNE, maart 2014

 

 

De factor AAI

De factor AAI

Op 16 oktober ben ik 60 geworden. Of er een feest kwam? Af en toe werd het – behoedzaam – geopperd.

Een feest zag ik niet zitten. Duur, gedoe… Laat het me hierbij houden. En fysiek noch mentaal was ik er klaar voor. Sinds een – inmiddels – heel behoorlijke tijd heb ik trouwens moeite met wat we hier ten huize “samenscholingen” zijn gaan noemen: (te) veel mensen samen en dan maar proberen een gesprek te voeren. Tegen het geroezemoes in.  Energievretend tijdverlies. Als het even kan: niet, dus. En wat dan weer “smalltalk” heet, geijkte stiltebrekertjes waarin ik ooit grossierde, het irriteert me vandaag.

Ik suste mijn geweten met de gedachte dat ik op mijn vijftigste een… bal had georganiseerd. Het feest werd zo genoemd. Ik was goed ingeburgerd geraakt in wat ooit Brugges eerste sociale wijk was. Mijn aaibaarheidsfactor piekte er, want op Sint-Jozef, een lapidaire verzameling straten met charmante beekjes en knotwilgen, mocht ik – tegen de stedelijke verordeningen in – de buurtfeestzaal gebruiken. Ik zal het evenement niet licht vergeten. L. was erbij. En ik genoot. Mijn enkels functioneerden nog voortreffelijk en de dj speelde mijn favoriete R.E.M.-nummer. Ik danste zowaar. Ongeveer voor het laatst.

Dit “wijkwerken” zou me wijzer maken. Zo bijvoorbeeld dat ik vooral graag organiseer(de). Dat ik weinig geduld heb. Dat de dingen vooruit moeten gaan. Met vallen en opstaan, met mensen uit de wijk en met kunstenaars werd een en ander gerealiseerd. Na tien jaar kwam de klad erin. Mijn aaibaarheidsfactor had zijn geldigheidsdatum bereikt. Ik was dierbaren kwijtgeraakt. We waren moe. Uitgeblust. Op elkaar uitgekeken.

Ik geef grif toe dat ik weinig dingen erg lang volhoud. Verveling slaat gauw toe. (Ik mag van geluk spreken, oppert L. al eens.) Wellicht daarom dat actuele beeldende kunst me al zo lang zoet houdt. Ik hou van verrassing. Van telkens weer een  andere “wereld”. Ik krijg continu nieuwe beelden in de schoot geworpen. Ononderbroken wordt mijn fantasie geprikkeld. Het vele kaf moet ik wel eerst van het koren scheiden.

Maar ook in dat wereldje lonkt de crisis. Ik zuig me vol esthetiek, maar wat inhoud betreft, blijf ik vaak op mijn honger. Het mag. Maar toch. Zeker in tijden dat kunstenaars zo onnoemlijk veel onrecht beeldend zouden kunnen aankaarten. Maar nee, liever geen gedoe. Kop in het zand. Ze masturberen zich aan schoonheid en vorm. Verdiepen zich in drager en materie. Het verkoopt vlotter. Al miserie genoeg, meneer!

Routine. Ik moet ze niet. Ik heb in weinig tijd met nogal wat zaken gebroken. Achter dingen kordaat een punt gezet.

Zo ging ik in één ruk maar liefst drie keer met pensioen: ik stopte de regionale verslaggeving, liet de wijk voor wat ze was en mijn studenten zei ik node vaarwel. Veel ineens, Johan, te veel, zei een wijs man die mijn vader zou kunnen zijn. Zelf ging hij een enkele keer met pensioen en dat was al aanpassen. Maar ik wil er doorheen. Misschien echter toch weer een beetje… routine inbouwen?

Laat ons dan misschien af en toe het centrum van de aloude stede opzoeken. Het lukt(e) niet. We zien danig op tegen de kou en donkere dagen vol kleine lichtjes. We gruwelen van muziek in de straten en vermijden kooplustige en gedreven naar leute zoekende mensenmassa’s. Schaatspistes en -sculpturen zijn niet ons ding. Onze souplesse en kracht ebben bovendien in een verdacht snel tempo weg. Laat er ons geen doekjes om winden: de fysieke neergang deprimeert. Ons mentale front wankelt. Boeken wachten. De katers soms. Ik hou van lezen en aaien. Als het kan tegelijkertijd.

Vandaag was veel een betere dag. Je wil niet helemaal afhaken. Dat mobieltje… Kijk, hier zou het drukken door… aaien worden vervangen. Ik liet me na lang aarzelen dus een aaifoon welgevallen. Ik wil niet achterop blijven bij andere idioten die wél met een zogenaamde “touch screen” uit de voeten kunnen. Maar de aanpassing verloopt pijnlijk moeizaam. Deze manier van aaien is ook zo anders. En bij het gladde ding zat niet eens een boekje met wat uitleg.

Het oude mobieltje had zijn diensten bewezen. Zijn glans was weg en het ontbeerde kleur. Misschien zou het nieuwe speeltje mijn melancholie wat indijken. Het is een verwijt dat me de laatste tijd immers vaak te beurt valt: zo weemoedig, Johan!

Deze morgen nog een lange brief van een kunstenares ontvangen. Ik had op FB laten weten dat ik uitkeek naar een paar tentoonstellingen. K. was blij dat ik eindelijk wat optimistischer klonk. Ze wou het laten weten. Ik werd met woorden ge(p)aaid.

Wat later op de dag, zo’n zestig kilometer verder, zei P. ongeveer hetzelfde. Een ander werd dan weer pisnijdig door mijn wenskaart die ik alsnog uit beleefdheid had gemaild: wederwensen. De ijsberen zijn nu eenmaal aan het verzuipen. Ik had dit drama in een gedicht gevat. Mag dat niet? Wie stuurt vandaag nog wensen met zichzelf met zotskap op, terwijl het milieu om zeep gaat? Mensen mekaar uitmoorden als nooit tevoren? Kinderen met gas worden vermoord?

Terwijl ik K.’s brief las, scheen de winterzon doorheen de gele gordijnen. Zalige gloed! Ik mis de zon. Wellicht voedt ons klimaat mijn melancholie. Ik kan het niet helpen, maar ik erger me al dood aan een trottoir dat groen uitslaat van het vocht.

Na (te) veel kilometers hebben we in Bellinkx’ wereld getoefd. Onderweg had L. de GPS per abuis… geaaid. Dat mocht niet. “U rijdt te hard!” Ik was de houten constructies van Colstrop moe gezien!

“Stasis” heet de tentoonstelling. Wat “stilstand” betekent. De kunstenaar doet intrigerende dingen met dieren. Onder andere. Drie honden gaan een… stoel te lijf. Wreed. En vreemd. En leeft dat hert nu of manipuleert de kunstenaar een jachttrofee? Ik denk aan Claerbout. Tussen echt en onecht is de grens flinterdun. Esthetiek. Ook hier. Het is donker en stil en bijzonder en er gebeurt wat. Heerlijk langzaam bewegen de dingen. Ik staar naar het lijf van een hert. Aaien kan niet. Ik kan er niet bij. Er wordt gemanipuleerd en verscheurd. Een plant baant zich een weg doorheen een galeriemuur. De aarde barst. Maar het komt weer goed. Mannen staan omheen een tafel. Het tafelblad tussen de tanden geklemd. Ze bouwen een toren. Mannen en tafels. Samenwerken. Hier kun je van leren. Knap!

We bleven lang. L. en ik., in die andere, duistere wereld. Lang. Lang genoeg om het meeste te begrijpen. Ook de boodschap? Of die er was? Dat je moet doorzetten als je iets bereiken wil!

JOHAN DEBRUYNE, half januari 2014