Tag: rotzooi

Venetië, kreunende stad

    

 

 

Venetië, kreunende stad

Meer nog dan de nachtelijke terugreis uit Venetië, eisen de vele digitale berichten (waarop ik – ongeveer pas thuis – reageer) hun tol. Het is als een wonde die ik bewust een week heb laten etteren. Pijn deed het immers niet. Integendeel: de jeuk die ze veroorzaakte gaf een fijn gevoel. De tastbare drukte in de dogestad veroorzaakte dan weer geen hoofdpijn. Alleen de zwaar gehavende enkels hadden te lijden onder het vele staan en stappen. In de late middag van onze laatste biënnaledag, geraakte ik nog nauwelijks de trappen van het Museo Correr op. Hoewel ik besefte hoeveel we die week niet hadden kunnen zien, wilde ik daar toch nog een tiental werken en wat tekeningen (alle uit 1954) van Anthony Caro bekijken. Eindigen in en met eenvoud zowat.

Om twee uur ’s nachts het hotelbed uit. Kamer 203. De kristallen luchter voor het laatst gedoofd. Achter de balie een Italiaan. De knapste uit de reeks. De meest arrogante ook.  Hij vertikt het om de overdaad aan kristal wat bij te lichten. Pas wanneer ik – des morgens altijd een tikkeltje humeurig – aandring, wordt het enigszins klaarder. En er schuiven zowaar twee kopjes onder de koffieautomaat. Was afgesproken, dit laatste. Met een collega van hem. Een belofte om het nachtelijke afscheid te verzachten. Maar het blijft donker. De balieman weet niet hoe te reageren als mijn vrouw hem oprecht bedankt. Zo is zij nu eenmaal: met weinig tevreden. Vermoedt hij cynisme?

Met onze koffers achter ons aan stappen we het San Marcoplein over. Langsheen de basiliek en het Dogenpaleis. Tot mijn verrassing toch nog wat mensen op de stoelen van verlaten terrassen. Zo meteen gaan we een dik uur klotsen op het water van de lagune. Het hotel waar we logeerden bevindt zich op een boogscheut van de eerste halte.

Tegen vijven daagt Marco Polo, de luchthaven. Ook die ontwaakt na een te korte nacht. Mondjesmaat draaien luifels de hoogte in. Eetstalletjes maken hun verschijning. Het lekkers wordt zichtbaar. Komt binnen mondbereik.

Stipt om twintig over zes gaan we de lucht in om anderhalf uur later hopeloos te verzanden in een Belgische file. Die Crevits! Met een gebeitelde glimlach legt ze verdomme het hele land open.

Ik hunker nu echt naar het (eigen) bed. Zoals ik eerder zei heb ik een volle week  alle digitale contacten gebannen. Op een paar mobiele berichtjes na. Hoe het op het thuisfront was? Met onze katers. Ondermeer. Voorts zat mijn kop vol van een stad die kreunt onder het water en een onvoorstelbare toevoer van toeristen. Een overvolle stad. Overvol mensen, overvol kunst en kunstigheid. Overdaad op tal van vlakken.

Zo heeft een kunstenares haar stek veroverd in een mooi oud gebouw. Die houten zoldering! Een immense bloem, uit glazen delen opgetrokken, trekt bovenaan de trappen alle aandacht. Het ruikt er naar olieverf. De dame schildert niets dan bloemen. Op een scherm roept ze – in Amerikaans Engels – haar hele staff voor de camera. Ook de kleine man die haar elke dag verse bloemen brengt. Allen groeten ze de kunstenares (te) nederig (naar mijn zin) en mogen dan opkrassen. Kutkunst, denk ik.

Een week is veel te kort om de 55ste Biënnale van Venetië en alle collateral damage en/of exhibitions te bereiken en te bekijken. Er zijn de landspaviljoenen in de Giardini (de tuinen), het Arsenale (gigantisch gebouw waar ooit wapens werden gestockeerd, vermoed ik) en voorts de vele kerken, kerkjes, kloosters en pallazi, waar landen en lieden met poen hun ding doen. Het begint een beetje op het Eurosongfestival te gelijken, maar dan voor (actuele, nou ja) beeldende kunst. Ondertussen banen we ons, in een temperatuur waar we ten onzent alleen maar van kunnen dromen, door- en langsheen drommen van ongeloof en uitzinnig geluk kirrende Japanners, een weg. Zij komen in hoofdzaak voor de stad zelf. Wellicht de mooiste van de wereld. Niet voor de hedendaagse kunst.

Het Arsenale hebben we morgen geprogrammeerd. Het zal een sterke indruk nalaten. Maar we beginnen met de tuin vol zogenaamde paviljoenen waarin (te) veel landen met hun topkunstenaar(s) uitpakken. Daar pakt de Belgische Berlinde De Bruyckere bijzonder sterk uit. Er ligt een immense boom in een met doeken verduisterde bakstenen rechthoek geveld. “Cripplewood”. Het werk verwijst ook naar Sint Sebastiaan. De wonden van deze wassen (!) reus zijn met doeken omwikkeld. Een suppoost moet met regelmaat zeggen dat de bezoekers er met hun fikken af moeten blijven. “Neen, geen hout, mevrouw. Hol van binnen. Allemaal van was.” Nauwelijks te geloven: nerven, wonden, huid en littekens.

Het doet me denken aan de stad zelf. Ook daar de sporen van het niets ontziende water. Oerkracht uit de lagune. Gelukkig trekt het zich doorgaans tijdig terug en lijken de wonden vanzelf te helen. Maar ze zijn overal. Zichtbaar aanwezig. Eigenlijk maken zij deze stad zo mooi.

Venetië kreunt onder het beukende water en de mensenmassa’s. Een vierde van de tijd ook nog eens onder de kunst. Maar ze kan veel hebben. Haar marmer glooit en blinkt. Zoals het vele bladgoud en de jonge leeuwtjes naast de basiliek.

Het is heet. Niet alleen Berlindes boom krijgt verzorging. Ook wij, mijn vrouw en ik, voorzien onze gekwelde voeten van pleisters. De medicijnendoosjes gaan met regelmaat open.

Vreemd. Plots ik denk aan… Scheveningen. Jaren ‘70. Ik was daar toen met collega’s op studiereis. Daar waren alleen Zee, Zand en Kuhrhaus. En vele, vele jaren later logeren we met zijn tweetjes in Den Haag. We willen er even uitwaaien. In de buurt. Scheveningen, dus. Het werd de grootste ontgoocheling uit mijn hele leven: de brede zandstrook was er volgebouwd met lelijkheid! Mensen maken alles kapot.

Ook in Venetië, op weg naar de tuin der kunsten, stoor ik me niet aan de vele bruggen en brugjes die mijn enkels pijnigen, evenmin aan de hitte, maar aan de talloze kraampjes met niets dan identiek dezelfde rotzooi. Een kilometer lange sliert mobiele toestanden met T-shirts en souvenirs. Schabouwelijker nog dan het aanbod in de vele winkeltjes van de stad: glas uit Murano. Mijn voeten! Uit China, praatte een winkeljuf haar mond voorbij. Schandelijk hoe commercie ook een stad als Venetië naar de haaien helpt. En overal gitzwarte medemensen, de handen vol  imitatie Vuitton-tassen. Ze hollen  je achterna en zijn op hun hoede voorde lokale politie. Ik erger me aan de kakofonie van maar liefst drie orkestjes op het San Marcoplein. Ze moeten toeristen lokken. Een jonge meid speelt viool terwijl ze beaat lacht. Klantvriendelijk heet zoiets.

Wat duiven niet meer mochten (overal ijzeren pinnen om de dieren van daken en vensterbanken weg te houden), mogen mensen wel. Ik zeg tegen een meid  (stadswacht) met oranje T-shirt dat ik de duiven leuker vond dan de mensen. De duiven brachten ziektes mee, antwoordt ze.

Ik geniet ook van Manders’ werk in het Nederlandse paviljoen. Jeremy Deller (Groot-Brittannië) doet intrigerende dingen en bij de Russen kraai ik het uit van de pret: “Danaë”. Acteurs, geld dat uit de lucht komt gevallen, vrouwen, paraplu’s, pindanootjes… Zou Poetin dit weten?

We strompelen verder naar zoveel mogelijk bouwsels met kunst. “Swatch” sponsort. We weten hoe laat het is. Je kan er niet naast kijken. De houten vloer van de stand met horloges wordt continu schoongeveegd.

Terug op San Marco, waar ik nooit ofte nimmer in de ellenlange rij zou willen staan voor een blik in de opgedirkte en ingepakte basiliek, geniet ik van een kleine waterdrager tegen de gevel van het heiligdom. Niemand heeft er oog voor. Voor ik naar het hotel toe ga, om wat later op de avond rust te vinden in veraf straatjes, geniet ik van de kleine marmeren leeuwtjes. Dierenzot! Hier deed de massa haar werk goed. Het marmer van hun sokkels golft heerlijk en de leeuwtjes glimmen. Ze worden gekoesterd. Vooral kinderen worden er gretig op getild. En dan: foto!

       JOHAN DEBRUYNE, zondag 16 juni 2013

 

Als een Brief Boek wordt…

Als een Brief Boek wordt…

Ik lees de “Brief van Jon”. Digitaal. Na een paar uur voel ik een steek in mijn linkerschouderblad. Ik lees zonder bril en nijg wat naar het scherm toe. Druk zo mijn gehavende cervicale wervels op elkaar. De brief is… driehonderd bladzijden lang! Het is een brief die boek zal worden.

Vijftig exemplaren. In eigen beheer. Jon Misselyn, bijna zestig, is/was journalist, beperkte zich de laatste decennia vooral tot wat Brugge (waar hij woont) op cultureel vlak te bieden heeft en schrijft ongezouten zijn mening. In dit geval hou je veel zout, maar weinig vrienden over en spreekt “eigen beheer” voor zich. Voor de shit van een Bekende Onbenul of een minister wringen de uitgeverijen mekaar daarentegen de arm om.

Wat me meteen treft en de briefschrijver typeert is een citaat van George Orwell: “In tijden van bedrog is de waarheid vertellen een revolutionaire daad.” Ik bel hem op om te vragen of ik die zin mag gebruiken. Ze hangt ondertussen, keurig tussen twee lagen folie geprangd, achter een van mijn benedenramen aan de straatkant. Witte letters/gele achtergrond. Een doelbewuste kleurencombinatie. Immers, achter de ramen van bijna alle andere huizen in de laan lees ik (in dezelfde kleuren): “Waar goedheid is, is er hoop.” Zo truttig, vind ik.  Zo melig.  Tjeverig. Ik associeer het mensdom helaas almaar vaker met macht. En corruptie. En slijmerigheid. Zelden met goedheid. Ik ben mijn geloof in het gros van de mensen verloren.

Een andere vriend, ook journalist, een van de weinigen die zijn nek nog durft uit te steken hoewel hij van zijn pennenvruchten moet proberen te (over)leven, vraagt me wat later om een debat te modereren tussen Jon Misselyn en Renaat Landuyt. In “De Kelk” (Langestraat). Kroeg met zaaltjes. De naam bleef onaangeroerd. Van de sfeer van vroeger bleef een glimp over.

U moet weten: de brief van Jon is aan Renaat gericht en deze laatste is sinds kort niet alleen burgemeester van mijn geboortestad, maar ook nog eens Schepen van Cultuur, Toerisme en zo veel dingen meer.

De brief leest vlot, maar mij bekruipt een naar gevoel: ik wist dit allemaal en had het net een beetje achter me gelaten. Misselyn looft het gevarieerde Brugse culturele aanbod! Maar hij geselt ook. Wijst rotzooi aan. En geldverspilling. Hij hekelt de bourgeoismentaliteit. Heeft het over quasi lege zalen, over de gemiddelde leeftijd van de Concertgebouwbezoeker en het gebrek aan duiding. Over cijfers die leugens zijn. Maar de man blikt ook in de toekomst.

Nogal wat zaken heb ik meegemaakt of aan den lijve ondervonden. De huichelarij. De onkunde. De miskleunen. Hoe Brugge vol bronzen anekdotiek is geraakt. Hoe vele gidsen daarop geilen. Verhaaltjes! Hoe de jeugd naar de rand werd verbannen: alle lawaai gesmoord.

Af en toe doet de brief me lachen. Als hij het heeft over “embedded journalisten”: logement, reiskosten en etentjes vergoed. In de watten gelegd, dus, en uiteraard niets dan positieve recensies. Als hij “Breydel en de Coninck” (ontsproten aan de fantasie van Conscience?) weg wil van de Grote Markt…

Ik lees hoe ze in Brugge mijn nissenproject met Berlinde De Bruyckere hebben gefnuikt. Neen, ik ga niet met de burgemeester in de Gouden Haerynck eten…  Ook niet zonder burgemeester. Misselyn was de laatste tien jaar hoofdredacteur van de MAG, een satirische site omtrent cultuur in de stad Brugge. Sinds “Brugge, Europese Culturele Hoofdstad 2002” het enige forum waarop je een kritische noot kon lezen over wat zich artistiek en cultureel in de stede afspeelde.

De brief gaat dus vooral over cultuur en kunst in deze stad in de periode na “2002”. Toen trok de toenmalige burgemeester lieden uit andere, meer ontwikkelde gewesten aan om de “boertjes” van ten onzent te leren wat kunst was. De brief is bestemd voor een nieuwe Schepen van Cultuur die hier al die tijd… niet was. Renaat was minister of parlementariër, of advocaat. Nu kreeg hij een mooi boek cadeau en is hij grondig geïnformeerd.

Het zomert nog lang niet, maar de vrees bestaat dat cultuur en toerisme nog meer met elkaar verstrengeld zullen geraken. Dat Brugge nog meer pretpark wordt. Nog oubolliger. Vreten, winkelen en schoon schrijven. Kalligrafie lijkt meer dan ooit aan zet! Je moet echt van je stad en van cultuur houden, denk ik,  om je nieuwe Schepen met zo’n lange brief wegwijs te maken.

Ik was me aan het verzoenen met mijn duifgrijze geboortestad, maar nu word ik weer met regelmaat vroeg wakker. Met buikkrampen, verdomme! Ik maak me sterk dat ik me als recensent actuele beeldende kunst in De Kelk ga beperken tot modereren, maandag aanstaande.

Ik wil niet weer zeiken over het marmeren tuinversiersel aan het Groeninge Museum. Of klagen dat bepaalde mensen in de Brugse Musea met gemeenschapsgeld gewoon doen wat ze willen. Zal ik Renaat polsen omtrent die Commissie voor Beeldende Kunst in de Publieke Ruimte? Ik zal het niet kunnen laten. Het is sterker dan mezelf. Nog één keer! Suggereer ik dat de burgemeester die verschrikkelijke buste van Frank Van Acker (Vismarkt), zijn ontdekker nota bene, eindelijk eens de Groene Rei in kiepert? Ik had het eigenlijk zelf moeten doen. Lafaard!

’t Is fijn in den bak, zegt een buurman, lachend, straks televisie en pc op elke kamer. Maar zou ik daar drie jaar voor krijgen?

Ik breek mijn kop. Noteer toch wat vragen waarop ik een antwoord wil, terwijl ik ongeveer weet wat Renaat zal antwoorden. Of niet. En alleen maar grijnzen. Ik ben aan zet, kerel, hoor ik het knarsen in zijn hoofd. En Moenaert kende toch ook de ballen van kunst en was in feite toch ook schepen van al die dingen?

 

 

 

 

 

 

 

JOHAN DEBRUYNE, maart 2013

 

 

“Zonder liefde is er niets!”

“Zonder liefde is er niets!”

Voor zijn acteerwerk in “De Rouille et d’os” mocht Matthias Schoenaerts triomfantelijk een César de hoogte insteken. Voor de Franse filmindustrie is hij “Le meilleur espoir masculin”.

Het nieuws is vers: halfzeven in de ochtend. Wekkerradio. Ochtendritueel ten onzent. Mijn vrouw slaapt (vandaag) door het nieuws heen, ik hoop dat Poesjkin zich gedeisd houdt en om geen flard nieuws te missen adem ik bijwijlen nog amper. Ondertussen zijn de krampen aan hun spel in de buikstreek begonnen: draaglijke dagelijkse routine. Smeerlapjes. Nauwelijks iets tegen te beginnen! Zenuwen, zeggen de dokters. Ze doen dat behoorlijk affirmatief. Deze wereld doet iets met de darmen van een controlefreak. Het psychosomatische euvel ebt nooit voorgoed weg, vrees ik.

Gewoonlijk doen doodslag, ongevallen en economische rampspoed me darmgeprikkeld het nest uitkruipen. Maar dit cine-nieuws ressorteert een gelijkaardig gevoel. Een soort lichte angst voor wat misschien al in de sterren staat geschreven.

Als ik bedenk hoe vaak vedetten ontsporen. Wat roem met mensen doet. Onlangs nog moord, wellicht (Pistorius), het zich laten opvrijen door een dictatuur  (Depardieu)…  Ik vraag me af hoe zo’n jonge, weliswaar stevige kerel, al die schouderklopjes pareert.

Vader Schoenaerts (1925-2006) was mijn idool. Ik heb daar nooit een geheim van gemaakt. Ook niet toen collega’s-critici op de duur lachten om ’s mans bizarre, nog amper te begrijpen verwoordingen. Ontspoord, zijn taal, zoals de man zelf. Maar ik vond het heerlijk. Die prikkelende onvoorspelbaarheid.  Aan het eind van zijn loopbaan was hij op monologen aangewezen. Hij viel nauwelijks nog te regisseren, werd gefluisterd.

Uiteindelijk zit het nieuws erop en rol ik toch wat zorgelozer dan gewoonlijk het bed uit. Zoon Matthias had bij het ontvangen van zijn sculptuurtje een zin van zijn vader aangehaald : “Zonder liefde is er niets!” Is er een mooiere zin om de dag mee aan te vatten?

Ik denk terug aan het Canvas-programma dat jaren geleden op Juliens carrière terugblikte. Hoe de verzwakte acteur tijdens dat interview toch nog alles naar zijn hand wist te zetten! Met zijn blik. Zijn spel met mensen en woorden. De aangrijpende stiltes.

De genen hebben duidelijk hun weg gevonden en bovendien moet Matthias van zijn ouwe vader ontzettend veel hebben geleerd. Samen met hem is zijn carrière trouwens begonnen: “De Kleine Prins”. Kijk, amper 7 en al meteen prins. Zijn vader toen? Piloot met pech…

Geërfd en geleerd van vader? Al zeker de liefde. Voor de kleine dingen. Voor de “duifkes”  buiten. Voor het vak. Voor de Taal. Voor alles. Het voor een Vlaming geheel ongebruikelijk lijfelijke in zijn omgang met mensen. “Hij zou zelfs een hond met een hoed op kussen”, zei de man bij wie Julien zich alsnog in grafiek wilde bekwamen. Hij verloor zich nog (met gretigheid) in zelf gecreëerde beelden. Een gezwollen mapje. Vol seizoenen. Hij toonde hoe hij ze had verbeeld en noemde ze. Met liefde.

“Il est mort depuis longtemps”, zei Matthias. Dat vond ik wat vreemd. 2006 was dat. Matthias is nu amper 35, schat ik, en voor zo iemand zal 6 jaar vandaag lang zijn. Mijn moeder was zes jaar na haar dood nog niet lang dood. Vond ik toen. Ik was prille veertiger. 1995.

Kom, we gaan naar beneden. ’s Winters doe ik dat samen met Poesjkin. Onze eigengereide langhaar slaapt boven. Beneden wacht Wieb. Zwart en sterk. Op een matje. “Zijn” matje. Beiden geadopteerd. “Les frères-ennemis”, noemt onze catsitter ze. Daniël is perfect tweetalig. Ik ben meteen wakker. Ik moet scheids spelen. Twee katers: kracht versus sluwheid. De hoogte biedt Poesjkin soelaas: tafel en aanrecht.

Ondertussen de krant uit de brievenbus gehaald. Zal ik ook eens de eerste bladzijden overslaan? Meteen maar naar de kunst? Als die vandaag tenminste wat ruimte heeft gekregen.

Zielig, telkens weer: dat “ernstige” editoriaal en dan volop rottigheid. Het ding moet verkopen, meneer! Stoere kerel smeekt om hulp en wordt door 6 andere (flikken)rambo’s doodgeslagen. Amfetamines.  Wie had die jongen kunnen/moeten helpen eer het zo ver kwam? Wellicht is de miserie bij het slikken van rotzooi begonnen. Niemand die het dààrover heeft…

Een gevangene neemt het niet dat de directrice zijn “regime” verstrengt. Hij breekt haar neus. Klein artikel. Ik neem het nooit op voor “gezag”. Maar mag het consequenter? Akkoord, het is “maar” een gebroken neus. Verkoopt niet, meneer! Hij had haar dood moet slaan. Gegarandeerd voorpaginanieuws…

JOHAN DEBRUYNE

 

Vanuit de lucht

Naar aanleiding van de tentoonstelling

“Fallout” (Thierry Buysse/Bogardenkapel)

 

Vanuit de lucht

 

Zonder gêne stal ik uit borden.

Op terrassen nog het liefst.

Ik heb dikzakken gekend,

Leefloners, mankepoten, zielenpoten…

Een grootstadbeest was ik.

Mijn beste vriendin zat goed in ‘t vlees.

Ze heette Dolly

En roofde als geen ander.

Van koeren, pikken en neuken was ik thuis.

Het zit in onze genen. Ooit viel er een dood

Vlak achter mijn rug. Even schrikken was dat.

Van zo hoog: doffe klop.

Ziek wankelde hij

Uit een goot, boven Ionische zuilen.

Parijs.

Gretig zette ik een hoge borst.

Nu hang ik hier, uitgemergeld.

Mijn bleke veren doen denken

Aan bespottelijke hoeden.

De niet verteerde maïsbollen

Aan een kralen collier.

 

Mijn kleine kop klepelt eruit.

U hoeft het niet.

Het hoort niet bij een feest.

Van op daken zag ik

Zo veel rotzooi. Zag veel te veel.

De kooi bracht soelaas.

Als het touw en het stoeltje.

Ik was die klote wereld moe.

 

JOHAN DEBRUYNE, oktober 2012

 

 

Maria van Middelburg nu ook op youtube!

 

HET GROTE GENIS
Kindermisbruik, corruptie, rotzooi, Kantelberg…
Deze kerk werd ooit nog ingewijd door monseigneur VG.
Of dat grote plakkaat misschien weg mag?
Als signaal naar de talloze slachtoffers?
De kerkfabriek gaat beslissen, meneer. Maar
dat doet ze natuurlijk niet.
De leugen regeert. De fabriek gaat te biecht,
hun vunzigheid met muffe habijten
van katholieke iconen bedekt.
Van zoveel smeerlapperij keert Maria zich af:
Idolen, Iconen, Idioten…
In Middelburg loop ik haar, Maria, in een bloemenzaak tegen het lijf.
Kleurloos, ingetogen, maar glimmend. Pluk de Dag, zingt de baas.
Vanuit de Gortstraat neem ik ze mee naar Brugge, dorp bij de zee.
Als het duister dreigt geef ik haar licht en kleur.
Meer kan deze duifgrijze stad niet wensen.
Ik wou haar bij me, haar sobere, glimmende aanwezigheid. Haar twijfels naast
die van mij. Even ontsnapt ze maar net aan het vuur.
Lezen de haastige passanten de woorden boven haar nis,
ooit gewoon een ruit? Ik denk het niet.
Parels voor de zwijnen.
J.D.