Tag: poesjkin

Almaar een beetje meer alleen

Almaar een beetje meer alleen

 

Ik heb me zelden zo ellendig gevoeld als gisteren. Zelfs het banale dagelijkse ritme leek tot stilstand gekomen. Ik had met moeë ogen wat krantenbijlagen gelezen, maar de paar boeken op ontdekking binnen handbereik bleven weer onaangeroerd. Ook “De Bekeerlinge” van Hertmans. Heerlijk boek, zei Maen net nog aan de telefoon. Het maakt me moedeloos dat het zorgvuldig en met mate aangevoerde boekenvoer me niet aanzet tot lezen. Vlucht ik dan weer naar het bureau om wat me dwars zit vorm te geven? Zelfs hiervoor ontbreken me moed en kracht. Mijn computer (een recent exemplaar), samen met de auto het enige technische ding waarop ik zorgeloos een beroep wens te doen, speelt me ook parten. De laatste dagen aanvaardt het ding zelfs lettergrootte “14” niet. Ik heb een relatief groot scherm en om zonder bril te werken gebruik ik dat cijfer al tijden! Kleiner gaat niet. Wanneer ik erin slaag de infobalk bovenaan toch voor even zichtbaar te maken, druk ik dan maar op zestien. En hier zit ik nu dus, joekels van letters te typen. Het stoort me, want zo belangrijk zijn de woorden niet.

Ik weet wel: ik hoor nu even niet te lezen, noch zelf dingen in taal om te zetten. Ondanks een meer dan tijdige vaccinatie tegen griep werden L. en ik geveld. Samen. Ik ben gedoemd tot dutten en slapen. Vanmorgen voerde Lotje een aantal broden aan – ik eet steevast speltbrood van een welbepaalde bakker – en een jonge oud-collega is in een warenhuis een winkelkar gaan vullen. Ik mag niet buiten. Het zou ook niet lukken. Ik heb alle afspraken afgemeld en hoop over een week weer wat aan de slag te kunnen. Ik heb wel leren nietsdoen, maar het mag niet te lang duren. Een stratenloper met huisarrest…

L. is ontieglijk harder geveld dan ik. Zij kan amper op haar benen staan, krijgt geen hap binnen, braakt meteen weer uit wat ze toch door haar keel probeert te krijgen en haar tanden klapperen als castagnetten. Van meters ver hoor ik haar nu naar me toe schuifelen. Haar hele lijf huivert in haar wollige kamerjas. Voor haar had ik de dokter gebeld. Correctie: dokteres. Wanneer het er op aankomt opteert L. toch nog altijd voor vrouwelijke kunde en kennis. Mij maakt dat niets uit. Het is zoals met beeldende kunst. Of het werk nu van een man of een vrouw is. Het speelt geen rol. Ik zie het doorgaans niet. Voel het niet.

Op een ochtend had ik met een paar jongere, sportieve en handige kerels nog een zwaar “familiestuk” vervoerd, maar ik voelde de bui al hangen. Ik had het zweten. Ook letterlijk. Ik heb dus goed naar de dokteres geluisterd. Zes weken zal het duren, zei ze. Bijna wanhopig keek ik de andere kant uit.

Voor L. zit er niets anders op dan het bed. Platte rust, wat medicijnen, een fles water op het nachtkastje, uitzieken zoals dat heet, en tegelijk zorgen voor voldoende vocht en suiker. Mijn bed en ik? Geen beste maatjes. Ik zal het bij de zetel houden. De kat op schoot.

Een paar weken geleden hebben we onze oudste kater laten inslapen. Poesjkin was deels zijn zicht kwijt en lang niet meer de jager die hij altijd was geweest. Omdat zijn eveneens geadopteerde broer de eerste weken zijn draai niet vond en leek te treuren en te zoeken, hadden we zowat overal kartonnen dozen en mandjes gezet. Overal handdoeken in. Het was wennen voor Wieb. Hij was dan wel fysiek veruit de sterkste, maar Poesjkin was sluwer. Onze zorg zou niet worden beloond. Niet dat Wieb nu niet relatief snel en met onloochenbare fierheid wél op tafel zat – wat voorheen Poesjkins (licht, vinnig en razendsnel) domein was -, maar omdat L. echt het bed nauwelijks uit raakte, nam ik het huishouden helemaal over, het ophalen van de rolluiken aan de straatkant incluis. Het feit dat een van de slaapplekjes net onder een rol was geplaatst waarmee je een luik op- en neerlaat, leidde tot een valpartij die ik zelfs niet meer kan navertellen. Al wat ik nog weet is dat ik tollend enkele keramieken sculpturen heb vermeden, dat ik uit mijn wenkbrauw bloedde als een rund en dat doodzieke L. plots naast me stond. Even werd overwogen om een zogenaamde wachtdokter op te bellen, maar daar heb ik niet zulke goeie herinneringen aan, en de moed om op een of andere manier op de spoedgevallen te geraken was er ook niet. Gelukkig duurde het felle bloeden niet zo erg lang.

Ondertussen zijn we enkele dagen verder en is mijn lijf her en der verkleurd. Mijn oog spant de kroon. Het is herfst op mijn lijf: de kleuren veranderen elke dag.

Gebroken en nog steeds slapjes lig ik in mijn zetel. Telefoonnummers die ik niet ken beantwoord ik niet. Nooit. Na de zoveelste slaapsessie zie ik dat mijn zus heeft gebeld. Mijn enige zus nog. Ik had er ooit drie die er altijd voor het kakkersnest waren. Meestal belt Roos wanneer ze iets kunstigs in de zin heeft of ergens wil geraken (ze rijdt geen auto) waar haar man absoluut geen zin in heeft. Ze heeft ze het over de familie. Onlangs was er in het ouderlijk huis, nu een restaurant, een reünie. Amper een jaar geleden ben ik een zus aan kanker verloren. Een diep gemis. We zagen mekaar geregeld en hadden veel gemeen. Het overvalt me de laatste tijd vaker, niet een vorm van eenzaamheid, maar een gevoel van tergend sluimerend alleen-zijn. Ooit waren we met zeven. Een warm nest. Vandaag nog met vier. De gedachte om er ooit helemaal in mijn eentje voor te staan, schrikt me wel eens af. Maakt me al eens neerslachtig.

Er zijn ook de werken aan het huis. Het is een al oude, gezellige stek, maar ze heeft klappen (lees: schokken) gekregen toen in de buurt grote infrastructuurwerken hun beloop kenden. Nogal wat zelfstandigen in de buurt werden wanhopig en hielden de zaken voor bekeken.

Ondertussen heeft vocht de rolluikkast van mijn werkkamer bereikt. De gordijnen zijn node weggenomen, mijn werktafel staat nu verder van het raam, het afdakje voor de katten werd uitgebroken en de foto’s van mijn vader en die van mijn twee neefjes staan tegen de muur. Te wachten. Net zoals wij op het nieuwe dak en de schilderwerken. De twee lege plekken doen pijn. Ik wacht ook op tekeningen van Sara. Ze tekent heel bijzonder. Ik wil er graag een paar voor bij mijn verhalen van dagelijks zeer. Ik denk dat ze voor een glimlach kunnen zorgen.

 

Johan DEBRUYNE, februari 2017

 

Ochtend

Ochtend

Een stomend huis is niet aan mij besteed. Toch is het – ook voor mij – koud opstaan de laatste dagen. Gewoontegetrouw ben ik vroeg uit de veren en veel kleren draag ik sowieso niet. Ik verdraag ze niet. Bijna alles voelt als een soort dwangbuis aan. Na enige tijd lees ik de krant. In mijn zetel. Het dekentje waarop de katten graag komen liggen reikt tot boven mijn middel. Behoorlijk fris lijf en heldere kop. Mijn geliefkoosde ochtendlijke zijnstoestand.

Ik geef toe dat ik het toch eerder wat koud heb. “Niet te verwonderen,” zegt L., nadat ze zo’n anderhalf na mij het warme nest heeft verlaten. “Het is bijna winter, je wil niet dat ik ‘s avonds de verwarming voor ‘s ochtends regel en je slaapt in een T-shirt.” Zelf zou ik eraan toegevoegd hebben: “En wat voor een!” Maar dit doet L. niet. Ze kent me.

Ik slaap in een pyjamabroek. Lange pijpen. Anders plakken mijn billen tegen elkaar en ook dat verdraag ik niet. Voor ik het bed inglijd, trek ik de laatste dagen een T-shirt over mijn hoofd. Het katoentje is meer dan 20 jaar oud. Het is er een (van de vele) die ik maar niet weg kan gooien. Of aan flarden scheuren en zo nog een kortstondig bestaan gunnen als schoonmaakvod.

Ik heb dit met meerdere dingen. Maar vooral met kleren. Met broeken waar ik eigenlijk nooit comfortabel in heb gekund (te veel buikvet) en wellicht nooit moeiteloos in zal kunnen. Toch kocht ik ze. Eeuwig optimist. De uitgave zou me wel aanzetten tot minder snoepen. Naïeveling!

Oude kleren. Eerst draag ik ze alleen nog binnenshuis. Op het eind slaap ik erin. Het bewuste shirt is uitgerekt, aan de hals en onderaan, voorts zowat vormeloos geworden door de talloze wasbeurten, maar er staan… katten op. En niet zomaar katten. Het zijn katten van Linda (Salva). Ik denk dat Linda ongeveer 20 jaar geleden overleden moet zijn. Ze kwam uit Amerika en had – meen ik me te herinneren – in Tsjechië haar latere man, Horst, leren kennen. Ze runde een klein winkeltje in het Genthof. Ze tekende op haar geheel eigen, verhalende manier en maakte dieren in papier-maché. Een winkelraam waarachter heel wat simpele vrolijkheid was uitgestald. Ik stond graag voor de etalage. Witte reus Jan Van Eyck keek van op zijn Woensdagmarkt over mijn schouders mee.

Horst is graficus. Hij illustreerde met regelmaat dichtbundels. Hij doet het wellicht nog. Die van Marcus ondermeer. Linda was een bijzonder struise, charmante vrouw die van niets iets wist te maken. Een positieve, eigenzinnige duizendpoot. Helaas te vroeg gestorven. Ik hoor nog haar stem. Haar bijzonder accent.

Ik heb maar één echt keurige pyjama. Eén enkel exemplaar waarmee je ’s ochtends onbeschaamd de deur kunt openmaken indien er aangebeld zou worden. Het is de pyjama die L. zo’n drie jaar geleden gekocht heeft, toen ik in het ziekenhuis lag. Blauw. Mijn favoriete kleur. Maar het kledingstuk herinnert me aan het ziekenhuis. Dus draag ik het zelden. Of met tegenzin. Vooral nu ik rond mijn zestigste last heb gekregen van fysieke ongemakjes, wellicht door de andropauze gegenereerd. Zo kom ik wel eens badend in het zweet wakker. Net zoals die keer toen het ziekenhuis wenkte en ik er daadwerkelijk diende opgenomen. Ik ben een man. Dus denk ik meteen: ik ga misschien wel dood. Terwijl mijn vrouw al 13 jaar met warmteopwellingen kampt en zich vervelend vaak helemaal mag uitstropen, wassen en nieuwe spullen aantrekken.

Alles lijkt tegenwoordig een opgave. Vooral ’s nachts en ’s morgens. Heel langzaam trekt de mist der mankementen op. Neem nu onze twee katers. Beide geadopteerd.

Eerst was er Poesjkin: langharig, miniatuur-leeuw, schuw, op zijn qui-vive, een buitenleven achter de rug. Dit laatste krijg je er nooit meer uit. Al is het een hondenweer, meneer wil buiten. Toch slaagt hij er met regelmaat in ook dan poerdroog weer binnen te komen. Schuilplaatsen zat, vermoed ik. Vandaar heel af en toe een kleine vleermuis op het terras?

Wieb is er later bijgekomen. In aanvang een bang katje. Ondertussen een reus van een zwarte kater met her en der – op de meest onaangewezen plekken – witte “toetsen”. Beter nog: net naast zijn neus! Door ondertussen verhuisde buren ooit uit het asiel gehaald.

Poesjkin en Wieb… Ze dulden elkaar. Onze catsitter noemt ze “les frères-ennemis”. Gelukkig blijft het in regel bij schaduwboksen. Poesjkin, die in een lagere gewichtscategorie aan de slag zou moeten, heeft een jab die je amper ziet aankomen. En hatelijk blazen naar soortgenoten lijkt voor hem even gewoon als ademen. Soms kan hij zijn stiefbroer niet uitstaan.

Af toe wijzigt Wieb de spelregels en wordt het catch. Dan gaat hij heel even met zijn kilo’s bovenop zijn broer liggen. Dan komen we tussen en maken we ze duidelijk – hoewel – dat er al oorlog genoeg is.

Wanneer Poesjkin ’s avonds rond achten nog maar eens om wat eten komt en L. ervan profiteert om zijn lange haren te kammen, dan wil ik graag dat hij binnenblijft. Het is enerzijds al behoorlijk koud en anderzijds kunnen de blessures uit zijn “wildleven” dan even helen. Voor we gaan slapen, meestal rond middernacht, wordt het huis dan voor de poezen in tweeën verdeeld.

Wieb krijgt de woonkamer, de keuken en de werkkeuken als nachtelijk domein. Voor Poesjkin brengen we eten, water en een kattenbak naar de gang. De rest van het huis is zijn nachtelijk terrein.

Terwijl Wieb zich rustig houdt en mijn zetel inpalmt voor zijn zoveelste slaapsessie, doet Poesjkin nerveus. Hij voelt zich gevangen, ijsbeert dat het niet leuk meer is (op bed loopt hij over ons heen en weer), krabt aan tapijten en deuren, tot hij – en wij – uiteindelijk in slaap vallen.

In de vroege ochtend beloont hij me voor de zorgen met nog meer bizarre klaagklanken en een stank die niet te harden is: met regelmaat deponeert hij zijn grote boodschap in de kattenbak en vertikt hij het zootje onder een hoopje kattenkorrels te bergen. Dit doet Wieb nooit. Diens gespierd corpus en ongetwijfeld nog jonge, soepele organen kunnen heel wat vasthouden. Na zijn ontbijt. In de tuin…

Eer ik aan wat radio, krant en boterhammen toe ben, zijn we een uur verder. Is dit kattenliefde?

 

JOHAN DEBRUYNE, 14 november 2013

 

Mag ik je “vriend” noemen?

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Mag ik je “vriend” noemen?

 

Een licht golvend

landschap van Morandi

wil ik zijn, waarin jij

af en toe langskomt

op sandalen of in zware bergschoenen

(je bent stil, het maakt niet uit)

en zacht tegen me praat

tot ik nog moeër word.

J.D.

 

Sinds een week zijn we thuis. Amsterdam, de drukte, Haarlem, de musea en de warmte hebben sporen nagelaten: de kop zit vol; het lijf kreunt. En een van mijn enkels zal nog wel een tijd gezwollen blijven. Mijn broze enkels – vanwege het te lang sporten (wat mis ik die bal!), – brengen me bij een jeugdvriend. Dirk. De immer joviale Dirk. In jaren niet gezien. Sterke vent. Maar gevoelig. Guitig en ondeugend. Een “neen” viel hem zwaar. Dus bleef hij vaak hangen… Ook in mijn hart. Zijn vrouw was Rita. Een vriendin van het koppel schreef het op mijn prikbord: Rita plots gestorven. Hartaderbreuk. 59.

Ik lees het boek “Maar is het kunst”. Het is moeilijk om de aandacht te houden. Poesjkins diepe hoofdwonde herstelt goed. Met een voorwendsel (schijnbeweging) kreeg ik hem te pakken om hem tot bij de dierenarts te brengen. Die locatie maakt me misselijk. De geur, de ellende. De herinneringen ook aan de dieren die je eerder node al hebt laten “inslapen”. Een ziekenhuis voor dieren. En af en toe een dodenhuis.

Lekker voel ik me dus niet. Mijn vrouw evenmin. Terug naar mijn vluchtheuvel: kunst. In Amsterdam heb ik vooral mijn tijd in het Nieuw Stedelijk Museum doorgebracht. Uit noodzaak ging ik vaker zitten. Ik keek beter en grondiger dan voorheen. Alle nadeel heb zijn voordeel. Cruijff heeft altijd gelijk.

Je bent er amper de draaideur van “De Badkuip” voorbij en daar heb je hem: Tuymans! Of is het Beatrix? Absoluut centraal – terecht – hangt het schilderij waarop de Koningin prijkt. De moeder van wat ooit een gidsland werd genoemd. Het gezicht gehavend. In ruige toetsen bijeengeschilderd. A la Tuymans. Haar kapsel is intact gebleven. Iconisch. Mooier heeft de kunstenaar haar niet gemaakt. Integendeel. Hoeft ook niet. Haar onwrikbaar kapsel tekent haar koppigheid. Haar doorzettingsvermogen. Het respect voor traditie. Haar verantwoordelijkheidszin… Afstand. Deze jongen had respect, ook al vindt hij de monarchie een onnavolgbare poppenkast.

In Tate Modern, jaren geleden, vond ik Tuymans bleekjes naast Hopper. Maar deze “Trix” heeft karakter. Die kleuren. Ze zuigt alle aandacht naar zich toe. Ik denk aan Claus, die ik bewonderde, aan Friso, haar pas gestorven zoon, aan haar vader, wiens anjer misschien de geur van corruptie neutraliseerde. Mis ik de tristesse in haar ogen? De moeheid? Komaan, het is een schilderij. Maar ze is het!

Tuymans en de Koningin. Al van in de hal van het museum wordt heftig gediscussieerd. Op de muur links de taal van Weiner en je piept al even in de verte. Naar de plek waarlangs je ooit het museum binnenkwam. Rodin en Wouters. Elk in een hoek. Monumentaal brons. Boven een centrale balie zucht speels en kleurrijk een bescheiden Calder. Het meest verrast ben ik door een ruwe steen op een primitieve houten tafel: Weiner! Voorts grote metalen kleurstrepen. Soll Lewitt.

Zwemmen was nooit mijn ding, maar in deze “Badkuip” is het een beetje thuiskomen. Op Serra ( buiten) geraak je niet uitgekeken. Germaine Richier, wat is dat lang geleden! En een Pollock. Voor hij dripte. Maar toch zijn het Dubuffet, Kippenberg en Jorn die me het meest pakken.

Venetië, Londen en Amsterdam, kort na mekaar. In een hete zomer die niet meer werd verwacht. Ik vind de slaap niet. Doe het rustig aan, zegt de huisarts. Ik kocht het boekje “Maar is het kunst”. Tweehonderd pagina’s. Ik heb het net uit en voel me stommer dan ooit. Ik zal maar voort op mijn gevoelens afgaan.

Wat is kunst? Wat is goede kunst? Wat is ambacht? Ik heb er boek noch school voor nodig. Zoals mijn vader pistolets draaide. Dàt was ambacht! Dat weet ik zeker. En met een paar verftoetsen Beatrix neerzetten. Dat is kunst. Is het goede kunst? Vraag me dat niet!

Ik zie hoe een jonge kerel zijn dochtertje vertroetelt. En hoe het blonde meisje aan haar vader hangt. Liefde op zijn mooist! Geleerde dames en/of heren hebben echter beslist dat hij zijn dochter maar een dag in de week mag zien. Schande!

Ondanks de pijn en mijn verwarde kop ben ik toch naar het fitnesscentrum getrokken. Langer dan een half uur blijf ik er nooit. Nee, Midas, een patiënt ben ik niet. Hoewel, ze lopen hier dik. Ik ben alleen gedoemd te blijven bewegen. Het doet ook deugd een paar toffe kerels tegen het lijf te lopen. De laatste tijd immers mijd ik mensen. Sluit ik me op. In mijn boeken. Mijn werkkamer. Zo rot heb ik me lang niet gevoeld. Ik wil met rust gelaten worden. Dat ze alleen nog in een museum of kunstgalerie over kunst beginnen.

Ik wil kijken en dromen. En wat schrijven. Meer niet. Maar tegen domheid is geen kruid gewassen. De vragen vliegen me langs de oren. Alsof je vader zou moeten zijn om te weten hoe je een kind moet opvoeden. Ik heb een paar duizend leerlingen voor me gehad…

Vriend Johan, zegt iemand. En voegt er meteen aan toe: Ik mag je toch “vriend” noemen? Ik ben verrast. En toch alert genoeg om meteen en gemeend “graag” te antwoorden. Het is me niet eerder voorgevallen. Als criticus ben je trouwens op je hoede. Men is doorgaans  vriendelijk tegen je. Willen ze een tekst? Een recensie? Een persnota? Maar deze kerel is anders. Hij moet niets van me. Dat weet ik. Dat voel ik.

Vriend? Veel hoef je mekaar niet te zien om vriend te zijn. Definiëren wat een vriend is, is net zo moeilijk als bepalen wat kunst is. Ik begin er niet aan. Op je gevoelens, Johan. Zoals ik na tientallen jaren weet dat mijn vrouw meer is dan mijn vrouw. Ze is ook mijn vriend. Ze voelt me aan. Of de kerel ook een goede vriend is? Dat zal de tijd uitwijzen. Ik heb goede hoop.

JOHAN DEBRUYNE, september 2013

 

 

Hoe hij dingen aan de praat brengt!

Hoe hij dingen aan de praat brengt!

Hoe heette ze ook al weer? Monique? Als ik de man nog eens tegen het lijf loop, vraag ik het hem. Ze zou familie zijn. Fred(je) was dat niet. Het werd me vroeger tot vervelens toe gevraagd.

Ik was gehaast, maar liet het niet merken. Mijn ex-collega had net een hartoperatie achter de rug. Klinkt wat vreemd. Een hartoperatie achter de rug hebben. Nee? Na 4 zwoele dagen vielen de eerste druppels uit de lucht. Ik stapte naar de auto om boodschappen te doen. Mijn vrouw ligt met hevige rugpijn aan haar Jori gekluisterd. Nog wat over… cyaankali gepraat. Blauw of paars gif dat in de bodem werd ontward. In de buurt waar hij woont. De rotzooi komt van hier. Daar, aan de overkant van Du Gaz…

In het warenhuis koop ik veel zoets. Niet gezond, maar het maakt gelukkig. Terug thuis doe ik wat uitzinnig. Verzacht zo het leed. Mijn uitlaatklep. Stil voor de buren? Mijn rug op! Ze krijgen ervan langs. Zowel links als rechts. Het is spelen met vieze woorden, klanken, emoties. Even maar. Ben snel uitgeraasd.

Het regent ondertussen dat het giet. Wieb, onze zwarte kater met witte plek naast zijn neus (je herkent hem zo), ligt op “zijn” keukenstoel. Poesjkin daarentegen, klaagt mijn vrouw, vertikt het alweer om binnen te komen. Ik zie onze kleine leeuw zitten op een van de vensterbanken van de woonkamer. Hoog boven hem: het bureaubalkonnetje. Hij blijft droog. Slimmer dan zijn halfbroer. Dat oordeel hebben we al vaak geveld. Gewezen onderwijsmensen, wat wil je? Op zijn rapport: minder kracht, langer haar, lenig en snel, altijd op zijn qui-vive. Een hekel aan “binnen”.

Pas zijn we aan het eten en daar is hij. Gedecideerd komt hij tot waar de schuifdeur van de eetkeuken open glijdt. Ik speel butler. Toch vreemd, zegt ze, dat hij voor jou wel binnenkomt. Maar ik weet het, voegt ze eraan toe: elke ochtend, rond zevenen, ben je er al voor ze. Zij slaapt dan terecht nog wat door. Tot ik de kranten uit heb en mijn ochtendhumeur, zweetbuitjes (andropauze?) en hoofdpijn enigszins zijn weggeëbd.

Zouden katten op hun baasje gelijken? Poesjkin is eigenzinnig en absoluut asociaal. Alle poezen zijn eigenzinnig, maar dat asociale heeft hij niet van mij. Hoewel. En wat met Wieb? Ah, voor lekkers gaat elke kat toch… Maar beiden zijn geadopteerd, dus mijn conclusie is waardeloos.

Ik probeer ze wel te verzoenen. Oud-schoolmeester, weet je. Er is werk aan de winkel. Mijn vriend die voor ze zorgt wanneer we voor langer dan een dag de boer op zijn, noemde ze onlangs nog “les frères ennemis”. Het potengevecht. Ongezien, die snelheid! Ali in zijn beste tijd. Een zeldzaam likje. Een voorzichtige beet. Aftasten. Zeldzaam een serieuze vechtpartij. Niet te voorspellen.

Straks beginnen de OS. Ik ga kijken. Verwacht iets pompeus en oubollig Brits.  De negerzoenen liggen klaar. Denk nog even aan Jacques Charlier. Die postte vanochtend een soort hommage aan “pappie” Michel Daerden. In coma na een dubbel hartinfarct. Niet mijn favoriete politicus, maar kunst. Belgische kunst. Surrealisme! En even denk ik aan dat kind van die soldaat uit Evere. Vergeten in de auto. Men moest verbieden om kinderen achteraan te deponeren! Tegelijk doemen rijen kinderlijkjes voor me op: Syrië. Zou ik wel kijken naar dat O.S.-gedoe? Doen. Een paar uur feest. Anders hou je het niet vol.

Voor ik naar de woonkamer loop schiet me na dagen piekeren de naam te binnen van de kunstenaar, die na Berlinde De Bruyckere, ooit het meest indruk op mijn vrouw heeft gemaakt: Tony Oursler.  Al jaren niet meer van gehoord. Hoe hij dingen aan de praat kreeg!

JOHAN DEBRUYNE