Tag: pak

PIETRO

             

PIETRO

Zoals elke jonge jongen becommentarieerde hij

licht beschroomd, maar toch bevrijd zijn vrije trappen.

Zijn oogstrelende schoten op doel (krijtlijnen op de muur van de kazerne).

Met een bal kon hij aardig uit de voeten. Was alleen wat schriel.

Voorts herinner ik mij geen enkel vlot gesprek.

Horten en stoten. Geen franje. Spelen met woorden

werd nooit nog zijn ding. Heel uitzonderlijk eens een

vloeiende volzin. Sporadisch een rist haastig

uit de keel gestuwde monotone klanken.

Mondjesmaat maken die overduidelijk wat

gezegd moet worden. Geen nuance. Een enkele keer

ongewild kwetsend.

Denkt hij dan meer? Denk hij anders? Denkt hij dieper?

Wat knelt er in zijn hoofd? Of is het kwellen?

Al wat niet verwoord kan worden?

Waar slaat hij dat gepieker op?

Achter diepe groeven in zijn voorhoofd?

Het is een alfabet dat zich moeilijk laat lezen.

Het is zijn onnavolgbare schrift.

Denkstriemen van het routineuze leven,

van de kleine zorgen van elke dag, van het overbodig

lawaai, de regelmaat, de onnatuurlijke ruis.

Denk ik.

Hij koestert de stilte en

hunkert naar gesmoorde geluiden.

Denk ik.

Hoe zou hij de plotse dood

van zijn zuster ervaren, amper

ouder dan hijzelf?

Op het beduimelde fotootje – jaren’60 –

staat het straatje bij de kerk.

Daar waar toen nog alles wat

om uiterlijk vertoon vroeg zijn beloop

kreeg. Twee lange rijen wachtende

communicanten. Kleine argeloze marionetten

van het systeem. Te midden opwaaiende

flarden tule lacht hij heimelijk

naar een lotgenoot. Alle rakkers

voor even versteend in een pak.

Aan de overkant: ZIJ. In “paterskleed”.

Een bruin sober crucifix

aan een koordje om haar nek.

Een vinnige meid als engel vermomd.

J. D.

 

 

Alliteratie

      

 

 

ALLITERATIE

De uitnodiging van ARTURE bleef langer liggen dan de andere. De tentoonstelling in de oude – en zoals zou blijken – verzorgde pastorie van Ressegem liep amper twee weekends. Er was werk te zien van ondermeer Hervé Martijn. Eerstdaags zou van ‘s mans werk een monografie van de persen glijden, maar ik vermoed dat er die vroege julidag andere culturele evenementen geprogrammeerd zijn. Het werk verleidt. Het verraadt kunde en fantasie. De eerdere uitnodiging tot een bezoek aan het atelier van de kunstenaar had me aangetrokken, maar mijn rug liet me in de steek. Alweer.

Martijn zet personages neer. Ze hebben iets alledaags en theatraals, iets menselijks en onaantastbaars tegelijk en ze geven de indruk te appelleren aan situaties en emoties die we (her)kennen. De schilder ensceneert. Zet ze neer in interieurs. Ogenschijnlijk worden ze te kijk gezet, maar toch. Het gaat om een tip van de sluier. Lang niet alles wordt prijsgegeven. Ik heb de indruk dat ze je nimmer in de ogen kijken. Het maakt me benieuwd.

Het figuratieve, narratieve schilderen. Het zwermt vele kanten uit. Nogal wat schilderkundige oeuvres liggen dicht bij elkaar, zodat ik wel hunker naar een werkje van iemand als Raoul De Keyser. Naar alleen maar verf, vlak en lijn… Een summiere suggestie. Het is een slingerbeweging.

Maar nooit geraakte ik op (beeldende) kunst uitgekeken. Het is en was vaak wellicht ook een vlucht. Toch stoor ik me almaar vaker mateloos aan de praatjes die er omheen worden gesponnen. Het paraderen met de (recente) kunstgeschiedenis, het theoretisch en kunsthistorisch geëmmer… Voor mij liever een knap gedicht of een kort persoonlijk verhaal dat aansluit bij het beeldend werk. Een enkele zin desnoods. Wat muziek. Of gewoon: stilte. Beeldende kunst? Leg het woord aan banden en verdwaal in wat de kunstenaars met verf hebben gerealiseerd. Schrijf je eigen verhaal. Er lijkt echter geen ontsnappen aan: er wordt wat afgezeikt!

Ik kon die mooie zondag ook opteren voor het PAK, het kunstenplatform in Gistel. Het is er aangenaam toeven en de natuur omheen de kunstwerken is meer dan verlokkelijk. Ik ontmoet er bekenden en steevast is de hond des huizes van de partij, een prachtbeest: het allermooiste en meest eigenzinnige kunstwerk. Ik keer dan ook zelden ontgoocheld huiswaarts.

Ik was niet alleen wat ziekjes die zondagochtend. Ik had enige moeite met de titel van de tentoonstelling in het PAK: “No more secrets”. En dit terwijl we in een wereld leven waarin we alles lijken te weten en te hebben gezien. Ik heb het nu even niet over de beeldcultuur. Maar nogal naïef, het epitheton. We weten maar al te goed dat we veel niét weten. Niet mogen weten. En nooit zullen weten. En wie zegt nog de waarheid? Als de meest vermaarde economen het al niet eens zijn over hoe we onze Griekse bakermat moeten redden. Een onwezenlijk diepe put, nog enkel met olijven te vullen. Zelfs crowdfunding zal maar tijdelijk soelaas bieden.

Maar in Gistel zou het uiteraard over artistiek naakt gaan en hoe ver/diep we kunnen/mogen gaan eer een en ander als porno wordt aanschouwd en gecensureerd. Ah, dit maak ik zelf wel uit. Mijn zieke lijf genereerde weinig zin tot fysieke, laat staan sensuele inkijk. Vagina’s, tepels, piemels, tongen, lippen… Een vlijm van suggestie zou die dag meer dan volstaan. Maar ik loop het PAK vast nog eens binnen, langs de populieren en de gestrande boten van een artistieke Spaanse armada. Voorts had ik geen zin in “volk”.

“Beaufort” lokte evenmin. Maanden geleden was er nog een B-persconferentie in het Knokse Scharpoord. Niet wat ik in de wandelgangen opving vervulde me met afkeer, maar de praatjes op de conferentie zelf. Zo zou plots de tijd van grote sculpturen achter ons liggen!!! Wie bepaalt dit? De “Brugge Triënnale” bewijst het tegendeel. Geef gewoon toe dat het budget gedecimeerd is en er al helemaal geen geld meer is voor die monumentale ingrepen in de publieke ruimte. Wat niet wegneemt dat net deze editie van “Beaufort” echt wel de moeite kan zijn. Raversijde, het Zwin en Nieuwpoort. Ook daar geraken we nog wel.

Het zou dus Ressegem worden. Misschien mede omdat ik – ooit ook sportfanaat – eindelijk eens de autosnelweg af wilde daar waar Lucien Van Impe, de laatste Belgische Tourwinnaar (1976) – toen althans woonde : Erpe-Mere.  Ressegem: gehucht van Herzele.

Het werk van Martijn houdt me ondertussen in de ban. Terwijl alle verkeer ter hoogte van Wetteren een flinke poos amper vooruitgang boekt, denk ik: is dit werk niet net zo sterk als dat van de alom geprezen Borremans?

Ressegem of all places. Ik zou er ook werk van Peter Weidenbaum zien. Vooreerst zag ik diens werk nog niet zo vaak (ik herinner me wel levendig een in een boom opgehangen bronzen beest met ferme ballen), maar  Weidenbaum is vooral de kunstenaar die me een wijle terug met verstomming had geslagen. Op weergaloze manier had hij Julien Schoenaerts’ portret geschilderd! Mijn enig idool uit theatertijden. Ik heb het niet kunnen kopen, ik zou het wellicht ook niet hebben kunnen kopen, maar als ik in mijn zetel achterover lig om mijn op elkaar gedrukte ruggenwervels wat ruimte te gunnen, zie ik het warempel aan de muur hangen.  De al oude Julien, zijn breekbaarheid, het verval, dat broze, verweerde cocon van zo veel ervaring, het spel, de glinsterende blik, de onmetelijke liefde. Het portret van Weidenbaum herinnert heel sterk aan de manier waarop Schoenaerts zichzelf aan het schminken was voor zijn indrukwekkende apologie van Socrates. Talloze keren bekeken, die Canvas-reportage.

In de pastorie (de file heeft de tijd behoorlijk ingekort) wordt het minder duurzaam genieten van de klasse van Martijn. Ik krijg “Ounce”, de oranje monografie, nog voor ze gepresenteerd zal worden en geniet even later intens van de evolutie. De verhalen. Het verleden van de kunstenaar dat ik aan het mijne koppel. “The tailor of Oudenaarde” en de tweelingen (“Never compare”) zijn werken die lang zullen blijven “hangen”. De kunstenaar is aanwezig. Een man van weinig woorden.

Ik spreek er ook de goedlachse Weidenbaum. Van hem twee werken. Compleet verschillend. Een gladde jungleflard. Bevreemdend en inspirerend. Ik hou afstand. Net zoals dat hotel – in wezen niets dan lapidaire, kleurloze verfstroken – doet het je fantasie op hol slaan. Verrassend uitgebreid repertoire.

Ook het gitzwarte werk van Vadim Vosters maakt indruk. Bijzonder. Beklemmend. Eigenzinnig. Vrolijker word ik er niet van en het neemt tijd om een en ander te ontwarren. Zwart en schimmig is het. Het licht zoekt zich koortsig een weg en soms is er een glimmende dot, wat spiegelend zwart, zoals dat van de enkellaarzen die de kunstenaar die dag draagt. Ik lette erop terwijl we buiten een glas aan het drinken waren. Vadim Vosters. De naam alleen al. Die alliteratie. Waarom hebben ze mij geen Daan gedoopt? Bijvoorbeeld. Daan Debruyne. Johan, verdomme.

Voor het eerst zie ik er ook Caroline Coolen in levende lijve. Weer alliteratie. Ik hou van haar sculpturen. Ik ken en herken ze. Dieren eisen de hoofdrollen op. Een symbiose van ernst en humor. Hoe Coolen met natuur speelt, de dingen met elkaar in contact brengt, hoe ze met leven en dood omgaat, de dingen coupeert en heelt, hoe ze diverse materialen naar haar hand weet te zetten, met beelden weet te benieuwen en verrassen. Twee grote honden liggen te waken op een bijzonder grafmonument. Ik word er stil van. De aluminium vossen, gereduceerd tot het minimum wat nodig is om vos te zijn.

Voorts nog verrassend werk van Lieven Decabooter, die op de bruine kant van het doek schildert en ook weer volslagen andere werelden creëert dan zijn collega’s. Voorts intrigerend werk van Matthieu Ronsse. Nico Vaerewijck en Erik Chiafele wagen zich verhalend dan weer het verst van de realiteit.

“Arture”? Een kunstenplatform. Een handvol kunstliefhebbers die dit alles, onder impuls van Sven Vanderstichelen, samen hebben gebracht.

                    

DAAN J. DEBRUYNE, eind juni 2015

 

 

Jardin cultivé: eigenzinnig met kleur

Jardin cultivé: eigenzinnig met kleur

Zaterdagmorgen heb ik in wat een “weekkapel” blijkt te heten (een soort smalle zaal  in de flank van een kerk) afscheid genomen van Liliane. Wat me bij haar vooral fascineerde was hoe ze je mee kon trekken in een enigermate gecontroleerde frivoliteit. Hoe ze graag en ook wel een beetje ondeugend haar gedachten de vrije teugel liet in de marge van wat triviaal was. Het eigenzinnige, haar zo eigen. Hoe ze je bijna uitzinnig opmerkzaam maakte op de schoonheid van een regenboog. Het niet te duiden blijde gemoed en de verrassende ideeën, gevoed door een grenzeloze, bijna kinderlijk onbezoedelde fantasie.

Ik was een nog onervaren schoolcollega toen zij er de brui aan gaf. Ze zou voorts gewoon zichzelf zijn. Van kunst, schoonheid, mensen en de stilte genieten. En voor haar ouders zorgen. Ze is nooit getrouwd, had geen kinderen en werd 83.

Het aantal mensen in de kale weekruimte bedroeg zowat de helft van haar leeftijd. Ik betrap me wel vaker op dit soort bedenkingen. De dag voordien had ik flarden gezien van Fabiola’s uitvaart. Een groep Spaanse vrouwen uit Vilvoorde had me ontroerd en tegelijk aan het lachen gebracht. Net niet aan het swingen. Lachen. Maar met een krop in de keel. Het vele zeer was geleden, dus mocht het ook een beetje feest zijn. Het had ook in de weekkapel wat vrolijker gemogen. Maar goed, Liliane was af en toe ook graag alleen geweest. Met regelmaat zocht ze de stilte op en vooral dit aspect was aan bod gekomen. Ik sus mezelf. Haar bruinhouten kist stond niet op de grond zoals die van Fabiola, maar wel op een lelijk metalen vehikel. De (klassieke) muziek kwam uit een minuscuul apparaatje aan de rand van het altaar. Ergerlijk aandoenlijk dilettantisme voor een vrouw met zoveel talent. Het bidprentje was mooi.

Na de middag ga ik wat kleur opsnuiven. Ik weet sinds enige tijd dat Nico Van Dale, leeftijdsgenoot, eindelijk vrijuit is gaan schilderen. De man, die naam maakte als restaurateur, heeft zijn hele leven lang, als een soort alchemist, doffe, verpauperde en doorgaans oude schilderijen opnieuw tot leven gewekt, “gezond” gemaakt, een nieuwe drager voor ze getoverd, opnieuw kleur gegeven. Met houten stokjes en watjes en producten uit vaak obscure, bestofte flesjes. Brood op de plank.

Ik weet dat zijn werk kleurrijk is. Anderhalf jaar geleden had ik er eentje gezien. Verrast had ik opgekeken van de dikte van de materie, de bijzondere manier van aanbrengen, het genot van de zoektocht.

Hij stelt zijn schilderijen voor het eerst tentoon en ik ga ze opzoeken langs de vaart. Langs een kaai met bijna niets dan waren- en handelshuizen, een autodealer, een oud politiekantoor en daartussen een reeks grote, hoge, diepe huizen. In een van die panden hangt zijn werk. Boven het atelier van zijn vriend Nico Lannoo, ten onzent zeer bekend graficus en gewaardeerd leraar aan de academie. Ik stap de “Kaaigalerie” binnen.

Een beetje perplex sta ik te kijken naar vier langwerpige schilderijen, de dikke, met spiegelglas afgewerkte zijkanten. Samen: “De 4 jaargetijden”. Vooral in de zomer lijkt het alsof alles onbeheersbaar aan het groeien slaat. Dit is wellicht het wonderlijke aan dit werk, dat het wellustig lijkt te groeien, terwijl het om gestolde materie gaat.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Ik neem de zomer voor de lente. En in mijn hoofd zingt Julien Schoenaerts-zaliger, toen hij kort voor zijn overlijden zijn doorwrochte grafiek in zijn dikke schetsboek aan de cameraploeg liet zien en van commentaar voorzag: “Dit is de lente, dit is de herfst…” Een heerlijk moment. Ik vergeet het nooit meer!

Ik denk aan het PAK (Platform voor Actuele Kunst) in Gistel, waar onlangs boven de tekeningen van Karl Mechnig een enkele klimopstriem zich doorheen een gaatje in de muur had gewrongen. Of dit ook een kunstwerk was, werd gevraagd. Een soort installatie misschien? Met kunst weet je maar nooit.

Ik denk ook aan Nico’s eega, zijn muze, zegt ze telkens weer met terechte fierheid. En ik hoor Nicko te zeggen, want zo luidt zijn artiestennaam. Ik denk aan de kleine binnenkoer van het huis waar ze lange tijd woonden: een kleine groene oase net buiten de poorten van de aloude stad. Onvermoeid gedoe, gesjouw, gepruts met groen en bloemen, kaarsjes en lichtjes tot het er aangenaam toeven was.

Het zijn behoorlijke massa’s verf die hij vorm weet te geven. Van verf heeft Nicko bij momenten flarden natuur gemaakt. Als restaurateur heeft hij natuurlijk – met vallen en opstaan –  gedurende tientallen jaren alle materialen uitgeprobeerd. Hij kent alle truken van de foor. Ook daardoor is hij in staat dit soort werk te maken.

Op houten panelen zuigen zich dikke lagen verf vast. Laag voor laag. Laagje boven laagje. Toets na toets. En als de natuursuggestie heel dicht in de buurt komt: blaadje voor blaadje. Zijn verf maakt hij zelf, de kleuren ook. De glacislaag doet zijn werk. Hij hoeft het me niet allemaal uit de doeken te doen. Laat ook mijn verwondering maar woekeren. Het is wel duidelijk dat hij afwijkt van al die schilders die vandaag overwegend figuratief bezig zijn en vooral het lijden en de condition humaine in hun werk ver-beelden. Dit hier is vrolijkheid. Maar tegelijk broosheid en vergankelijkheid. Aan seizoenen valt niet te ontkomen…

De meeste kunstwerken refereren vandaag aan het leven, meer bepaald aan de wereld die met rasse schreden naar de knoppen gaat. Net gelezen hoe de nieuwe Vlaamse cultuurminister Gatz zich een bult schrok van dat bronzen Muller-jongetje alleen op de gang, treurend tegen de muur. In Nicko’s wereld is het ozongat gedicht. Is er geen fijn stof. Het verdriet is overgroeid. Een droomwereld. Het doet eens deugd.

De kunstenaar wil schoonheid brengen. De kritiek dat het werk daardoor inhoud mist, zal hem worst wezen. Ook zijn vrienden en bij uitbreiding “zijn” publiek” kijken uit naar dit soort werk. Of de handelsgeest hier nog de hand in heeft, weet ik niet. Omdat ze wellicht vlot van de hand gaan. Het zou kunnen. Hoe dan ook, ik geniet. En wanneer ik L. thuis wat fotomateriaal laat zien, voel ik bewondering.

Eigenlijk is Nicko’s werk abstract. Zelden gaat hij overigens naar andere kunstenaars kijken. In de “Kaaigalerie” voel ik dat ook deze jongen af en toe behoefte heeft aan weinig meer dan kleur, de suggestie van natuur, van groen dat leeft, sterft, maar altijd weer tot leven komt. Aan een portie vrolijkheid. In sommige werken lijkt het alsof het – door de glacislaag – om keramisch werk gaat. Ik moet heel even aan de bustes van Johan Creten denken. Creten de vorm, Nicko de huid. Een nieuw leven nadat de bustes eeuwen op de zeebodem hebben gelegen.

En weer denk ik aan Liliane en aan het bos, waar ik ze ooit toevallig op een bank zag zitten, volop genietend van de natuur en van de stilte. Van de kleine geluiden, van de kleuren. Tiens, er zit ook een “Pollockje” tussen. Ja, heel wat precieuze werken kwamen ooit in handen van de restaurateur.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

JOHAN DEBRUYNE, half december 2015

cr foto Liliana: Roel Lauwaert

cr foto’s Nicko: Nico Van Dale

 

 

Niet het vele…

Niet het vele…

Zelfs wanneer ik gevraagd ben om “een woordje te doen” of als “inleider” ben geboekstaafd, blijf ik zelden lang op de vernissage van een tentoonstelling. “Ben je daar al???” Het zou niet de eerste keer zijn dat mijn vrouw me – zonder kwade bedoelingen – deze vraag stelt. Ook op andere momenten hou ik het in galeries en musea niet erg lang uit. Ik zoek in deze nu eens geen excuus in mijn (door het lang en veel sporten) gehavende enkels en rug, maar ik focus al jaren – ook uit mentale noodzaak – op hooguit een handvol (ik overdrijf nu enigszins) werken. Deze die me weten te ontroeren, te verrassen. Zaken die me aanzuigen, die ik om een of andere reden bewonder, die meteen mijn fantasie prikkelen of in geen tijd deze capaciteit suggereren. Maar ook dingen die ik bijna onwezenlijk mooi vind. Een verhaal initiëren. Creaties die ik gedurende lange tijd niet meer uit mijn hoofd zal krijgen. Of die gewoon knap zijn gemaakt.

Ooit heb ik een volledige paasvakantie (twee weken lang, voor diegenen die helemaal niet met het onderwijs vertrouwd zijn) in… Keulen gelogeerd. Om van daaruit (met openbaar vervoer) de wijde artistieke omtrek te verkennen. Ik vermoed dat deze weidse regio onder de noemer Noordrijn-Westfalen valt.  Sorry, maar aardrijkskunde was nooit mijn sterkste vak. Keulen zelf uiteraard, Bonn, Düsseldorf, Mönchengladbach etc. We bezochten – aan een voor mij althans verschroeiend tempo – tot de verbeelding sprekende musea en locaties die me getipt waren. “Insel Hombroich”. Ik grabbel nu behoorlijk ver in de tijd terug, maar ik weet nog dat de hele vakantie in het teken stond van de actuele en moderne beeldende kunst. Ik kreeg er niet genoeg van. Alsof ik een groot hiaat diende aan te dikken. Ik was mateloos. Ik was gulzig.

’s Avonds was er “ons” Italiaans restaurant, vlakbij de Kölner Dom en het hotel: meteen na aankomst geproefd en goedgekeurd. En voor beiden betekent een hotel pas echt vakantie: voetjes onder de tafel, het langzame ontwaken en ontbijten. Het was heerlijk! En zo bleef het tot ik thuiskwam en de overdaad zich onverwachts zou blijken te wreken. Mijn kop zat overvol. Barstensvol, zou zowaar blijken. Ik was niet in staat om meteen weer voor de klas te gaan staan, een plek waar ik me op mijn gemak voelde. Ik deed er al eens gek, en peuterde er net zo goed als thuis al eens in mijn neus, kamde er mijn haar en zat en lag er ook al eens.

Mijn ouwe, trouwe huisarts – nu met pensioen – hield me 14 dagen van de schoolpoort weg. Rusten. Fietsen. Of wandelen. Keuze in overvloed… Met enige schroom trok ik na een week voor het eerst de voordeur van ons huis achter me dicht. Voor het eerst in zijn leven had het gewezen straatjochie het moeilijk in zijn oorspronkelijke biotoop.

Sindsdien ben ik – zeker ook wanneer het over beeldende kunst gaat – vaker gaan denken aan de woorden van een oud-inspecteur. Een man die me voorts totaal niet lag. Te oud, vond ik toen, om dandy te spelen. Wat hij volop deed. Een man, bizar genoeg, van zout op tal van slakjes. En toch zei hij plots iets wat totaal niet met zijn voorafgaand en quasi eindeloos gemierenneuk spoorde. We waren meer dan een wijle aan het bekvechten, toen hij zei: “Niet het vele is goed, maar het goede is veel.”

Eindelijk iets wat ik zinnig vond en zelfs nooit meer zou vergeten! Ik dacht er weer aan toen ik op het net een foto zag van een man die vermoedelijk een blinde speelde. Op zijn borst een groot plakkaat. Daarop, in het Duits: “Ik kan geen kunst meer zien!” Virtuele post en illustratie kwamen van een veelzijdig kunstenaar: Peter Weidenbaum. Ik herinner met dat Leo Copers ooit zo’n soort spel speelde. Om te duiden, vermoed ik, dat we wel kijken, maar eigenlijk niet zien. Maar hier zou het om Timm Ulrichs gaan.

Het was een zonnige zondag in Gistel. Het is me nooit eerder overkomen dat ik het drie uur lang op een vernissage uitzong. Gisteren dus wel. Drie uur en twintig minuten om precies te zijn. De voorafgaande dagen twijfelde ik nog of ik er wel naartoe zou gaan.

In het PAK (Platform voor Actuele Kunst), een verlokkelijke lap groen van twee hectare, waar je her en der “buitenkunst” ontwaart, en waar twee meer dan veredelde hangars exporuimten zijn geworden. Dààrin wordt kunst getoond die de natuur niet kan trotseren. Ik had nog maar net “Art Brussels” achter de kiezen. Een sfeervolle, best gezellige beurs, waar echter weinig me echt had getroffen noch verbaasd.  Er valt bij momenten weinig nieuws te beleven in het wereldje van de actuele beeldende kunsten. En toch, suste ik mezelf. Het is toch telkens weer dat beetje anders. Twee dagen later was ik in Mechelen (uitreiking Grote Ernest Albert-prijs) naar het werk van een 15-tal beeldhouwers gaan kijken.

Niet het vele… En toch was ik ruimschoots voor aanvang van de vernissage in Gistel aanwezig. Om rustig en nog niet moegepraat naar de werken kijken.

Ik bleef al haperen bij het betreden van het domein. Ik zag er soorten omgekeerde boten tussen de strakke stammen van bomen liggen. Een bedachtzaam aangespoeld restant van een kleine armada. Geen tsunami was er geweest. Nee. Geen vernieling. Hooguit een serie ferme golfslagen.

Ooit stonden deze kunstwerken/boten centraal te kijk in het PAK-groen. Niet zo geslaagd, vond ik: op een soort houten bühne. Ik herinner me dat de “kapitein” een Spaanse schone was. Haar werken doen denken aan handtassen, maar ze hebben de allure van een koffer en doen aan reizen denken. Ze zijn van klei gemaakt. Ik neem aan dat ze loodzwaar zijn en nadien grondig behandeld. Om zeeën te trotseren. Ze voeren sobere franjes met zich mee. Ik had toen niet meteen door dat deze creaties iets met boten hadden. Het is me verteld. Maar ze fascineerden, ook zonder hun verhaal. Vandaag maakten ze geen deel uit van de tentoonstelling. Maar ze blijven me intrigeren.

Ooit zag ik overvloedig veel “Spaanse” keramiek. Bij Desimpel. Kortemark. Ik was danig onder de indruk. Die formaten en kleuren!

In het PAK was slechts een enkele boot niet aangespoeld. Die was tijdig en stevig voor anker gegaan en bevond zich vereenzaamd in een groene zee. Wat verder een bizarre polyester stronk, een Christus aan het kruis, de holle achterkant van het beeld met witte glazen bollen gevuld, een bronzen dier, bij de poten opgehangen in een boom, een verre toorts, een stapelwerk van Caroline Colen, twee verkeersborden die niet “gelezen” willen worden en dan – binnen – het werk van de vier protagonisten van deze tentoonstelling: Peter Weidenbaum, Jelle Schouppe, Anne Bossuroy en Jo De Smedt.

Behoorlijk ver van het PAK had ik de auto aan de kant gelaten. Ik had zin in een wandeling. Op de weg van Brugge naar Gistel had ik al meteen, vier (!) uur voor de aanvang van een voetbaltopper, langsheen ladderzatte supporters gelaveerd. Wie had ook weer geconcludeerd dat kunstenaars en sporters zieken zijn? Neem er de critici maar bij!

Onderweg besefte ik al dat ik een beetje gedoemd zou zijn om lang in Gistel te blijven. Om drie uur was er de vernissage en om zes uur zou in Brugge het shotten beginnen. Als je weet dat ik niet graag met de auto rijd en aan files een hekel heb…

Frank, de bezieler van het PAK, schudde me de hand. Ik had zijn vorige twee tentoonstellingen aan me voorbij laten gaan. ‘L’art m’emmerde”. Van tijd tot tijd. Eric Satie. Het zwarte rechthoekje met witte letters kleeft thuis aan de koelkast. Ik kreeg het ooit cadeau van een neef…

De veel te vroeg bezopen voetbalsupporters was ik al vergeten, maar de woorden van Thé Lau, ter dood veroordeeld, (ik had tussen 11 en 1 naar Radio 1 geluisterd)  zinderden nog na. “Iedereen is van de wereld en de wereld is van iedereen.” Nu zou prof Willem Elias het woord voeren. Improviseren. Over de tentoonstelling an sich dus niet zo veel zeggen. Daar had hij de tijd niet voor genomen of gehad. Daarom beperk ook ik me – net als hij – liever tot het analyseren van een enkel oeuvre. Maar goed, met zo’n spreker start je in een soort feeststemming. Elias weet als geen ander de toon te zetten. Terwijl hij causeert en toch wat verbanden legt tussen de werken, denk ik aan Jan Hoet en “Black Willy”. Dood, weg. We gaan door.

Ik geniet van de gelaagdheid en de verrassing in de schilderijen van Peter Weidenbaum. Ik verbaas me om het talent van de jonge Jelle Schouppe. Een paar kleine werken van Anne Bossuroy brengen me in de war en Jo De Smedt lijkt bekende tekens en beelden in een nieuwe context te plaatsen.

De zon schijnt, het glas wenkt, de honden zijn los, de staarten kwispelen.

Ik ontmoet kennissen, drink een enkel glas rode wijn. Geniet. Van wijn en mensen. De ontmoetingen zijn hartelijk. Ann en Jo hebben ook bijzondere bloembollen gemaakt. Het lijken eerder bloembommen. We worden gevraagd er straks mee te gooien. Ik zal het vergeten, want had met Bubbels te doen, de hond des huizes. Het mooie dier had wellicht te doortastend zijn territorium willen beschermen. Oorlogsgebied. Willem had nog zo verwittigd! Nu moest hij in zijn eentje binnenshuis tot bedaren komen. Ik verdraag geen hondse blik.

Ik leer nog kort een kunstenaar kennen die me al vaak dingen heeft doen ruiken. Peter. Met een andere, Rem, lijk ik virtueel bevriend. Zo gaat dat. De oudere mannen zeuren over de prostaat en de niet meer zo jonge vrouwen lijken niet echt van medelijden vervuld. Het is hun gegund.

Voor ik het PAK verlaat, ga ik naar het toilet. In de hall staat een indrukwekkende “Jan Deconcinck”, ik zie een kleine sculptuur die aan Tahon appelleert en een staande bronzen figuur, het ene been wat opgetrokken, de armen open. Enig mooi. Philip Van Isacker, gok ik. Ik zie nog een kleine zwarte “Sweetlove”. Gewapend tegen de dorst en de hitte. Met hartenpijn neem ik afscheid van Bubbels.

Rug en enkels hebben het net uitgehouden. Ik vond het fijn. Dit was een tijd geleden. Vergat ik de zorgen even? De rotzooi om ons heen. De kleine kantjes, de naijver…

 

 

 

 

 

 

 

JOHAN DEBRUYNE, 5 mei 2014

 

 

 

 

 

PAK – Bij de geboorte van een kunstenplek

         

 

PAK – Bij de geboorte van een kunstenplek

PAK is beauty!

Mijn huis staat in de rij. Langs een drukke, drukke laan. Net buiten de Brugse stadspoorten. Er ligt een relatief kleine tuin achter. In functie van mijn bleekgroene vingers een meer dan behoorlijke rechthoek. Maar als ik zie wat mijn geboortestad aan tuinen rijk is – en dan heb ik het niet eens over de groene enclaves waarin een handvol geestelijken het privilege geniet om zich te bezinnen – dan moet ik het bijwoord “relatief” schrappen.

In de jaren 70-80, toen in zowat elk dorp een gedegen beeldhouwer woonde, verwierf ik 2 abstracte sculpturen, die – zo blijkt vandaag – de tijd hebben getrotseerd. Wie mijn woonkamer de rug toekeert en mijn kleine tuin aan de rand van de aloude stede aanschouwt, neemt gauw het woord “mooi” in de mond. Niets zeggen valt moeilijk.

Zo veel jaar later aai ik nog wel eens een marmeren glooiing. En aan de keramiek, door de ondertussen overleden schepper dermate kundig bewerkt dat de klei al minstens 30 winters heelhuids is doorgekomen, wil ik al eens voelen. Ik leg er en passant eens mijn hand op. Als de zon ook maar even  doorheen het wolkendek geraakt, willen vooral duiven er zich graag aan verwarmen. Schijten doen ze niet. Niet meteen uit respect voor de kunst, denk ik, maar uit alertheid voor mijn katers en hun vele soortgenoten in de buurt.

Natuur en cultuur. Natuur en beeldende kunst. Het heeft me altijd gepassioneerd. Mijn bescheiden privaat beeldend tuinarsenaal kreeg vorm in de diepe voren, getrokken door kunstenaars als Octaaf Landuyt en Henry Moore.

Of ik liever een “Tahon” zou hebben? Johan Tahon is een van mijn favoriete beeldhouwers. Maar wat hij creëert wordt door lieden met meer vermogen verworven. “Gerecupereerd” . Het is van alle tijden. De waarheid mag hier alsnog gezegd, hoop ik. In Rusland bijvoorbeeld ligt dat moeilijker. En of ik het kan appreciëren dat in het Citadelpark (Track/Gent) kinderen turnles krijgen te midden de grafstenen? Leren koprollen tussen de rijen zerken waarmee Copers de musea ten grave heeft gedragen? Eigenlijk niet. Wij dansen niet om de dood. Ook niet van musea. Dat kinderen in Nieuwpoort op een reuzenschildpad klauteren deert me dan weer niet. Utopia blijft een verlokking en wie zich god waant, moet niet flauw doen om wat kindervoetjes…

Wat later brak een periode aan dat tuinen en parken als fora voor kunsten blijkbaar hadden afgedaan. Park Hap (Brussel), Park Sebrechts (Brugge) en Tuin de Brabandere (Tielt) waren vertrouwde locaties waar je des zomers als kunstenliefhebber plots niet meer heen kon. In het Nederlandse Sonsbeek duldde het groen geen concurrentie meer en in Antwerpen lag Midddelheim op apegapen. En toen Michel De Wilde, toen een erg pril curator, me diets maakte dat de combinatie van groen en beeldende kunst zijn beste tijd had gehad, nam ik dat voor waarheid aan. Mijn naïveteit gaat er nooit helemaal uit! De jonge kerel had langer over kunsten gedaan dan ik en sprak eigenlijk een soort wartaal die behoorlijk klonk. Als je lang over kunsten hebt gedaan, dan verdraagt het wereldje dat je onzin uitkraamt. Dan worden je dikke of net heel dunne boeken gekocht of mag je curator spelen. Sommigen wanen zich dan zelf bijwijlen kunstenaar. “Als ik kon toveren!” zingt Van Veen. Wel, later zou de jonge curator een heel bos be-toveren! Proberen, atlhans.

Ik was blij toen ik in Kassel (D) vaststelde dat het immense park bij de Orangerie nog maar eens deel uitmaakte van de documenta, dat Middelheim een nieuw elan kreeg en dat ik in 1996 in New York de bus nam en me zo’n 100 kilometer noordwaarts begaf. De Hudson-rivier vergezelde ons de hele kronkelweg! Een kenner had me voor de afreis de naam van een “center” én een telefoonnummer gegeven. In diverse New Yorkse musea had ik al naar het immense kunstenpark gepolst. Maar toen ze zelfs in het MOMA de schouders ophaalden, geraakte ik even in paniek. Op mijn hotelkamer draaide ik het nummer. Een dame aan de andere kant van de lijn. Ze lachte ondeugend: “Storm King Art Center”, sir? That’s the best kept secret in new York!”

Ik zou er uren wandelen. Tientallen jaren hadden landschapsarchitecten en beeldende kunstenaars er de handen er in elkaar gelagen. Ik liep langs, onder en op werken van Nevelson, Di Suvero, Moore, Calder, Serra en vele, vele anderen.

Ik moest eraan denken toen vorige week Frank Demarest, geestelijke vader van het PAK (Platform voor Actuele Kunsten: 2 hectare groen, met vijver, brugje, 2 exporuimten…) in Gistel, de pers had samengeroepen: Dullaertweg. Net buiten het centrum. Okay. Of zo. Dààr afslaan. Er was geen kat. Wel een rist verdomd knappe, eigenzinnige, subtiele “Tahons”, 3 “Gentils”, Jan Deconyncks anonieme wezens waren verdwaald in een eindeloze donkerte en er was verrassend werk van jonge kunstenaars. Thom Puckey was er in levende lijve.

Pers en beeldende kunst? Al zeker geen vanzelfsprekendheid in ons gewest, laat staan in die uithoek. Tenzij het zou gaan om blote madammen op een rotonde of een reeks immense naakte bronzen vrouwen wier pose aan porno appelleert. Ik suggereer maar.

Het PAK is een BEAUTY! Een zeldzaamheid.  Vooralsnog in het weekend opengesteld. Zij die erheen willen: Dullaertweg 80 in 8470 Gistel. Tel.:  0495/144332.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

JOHAN DEBRUYNE, 27 augustus 2012

Foto’s: Daniël de Kievith en J.D.

Vriendschap

 

Vriendschap

Ik loop (nou, ja) tegen de 59 aan en hij moet zoetjesaan de 80 naderen: klein van stuk, geblokt, sterk, een niet uit te wissen blos op de wangen. Ingetogen zelfverzekerd. Eigenzinnig ook wel, denk ik. Zin in (het) leven…

Met regelmaat ontmoeten we elkaar in de gym. Wanneer ik er – tegen de middag – met een portie tegenzin (er zijn zaken die ik liever doe dan me fit houden door ijzeren machines in beweging te brengen…) binnenstap voor een rist “opwarmingsoefeningen” – waar het ook noodgedwongen bij blijft – is hij klaar met trainen. Vroege vogel. Aan de bar staat hij te socialiseren. Fris als een hoentje. Biljarttafel in de rug. Joviale man.

Tja, ik doe mijn oefeningen liever hier dan bij de kine. Ik zie en beleef hier van alles, ik kan jennen en word gejend, ik zie zweet parelen op loopbanden en geniet van het stampend geluid van de cadans van een serieuze menselijke galop, schud met mannen handen op tal van manieren, kus wat dames een goedemorgen, spreek diverse talen, loop jong en oud tegen het lijf, gewone stervelingen als ik, maar ook binken voor wie er altijd spiegels tekort zullen zijn. En op een fitnesstoestel uitpuffend (nou, ja) wordt al eens gefilosofeerd. Over de multiraciale samenleving, de mislukking ervan (hier valt het wonderwel mee), de Ramadan, de kasseien, de kwaaltjes, de bruggenmiserie in Brugge die Scone… Als de muziek het toelaat tenminste. Of nog: het aantal decibels dat de luidsprekers doet trillen. Kijk, bij de kine doe je alles in je eentje. Maar af en toe moet deze Einzelgänger – ooit een sociaal dier – eens uitbreken.

Vanmorgen weer. Gisteravond in het PAK, een nieuwe, tot de verbeelding sprekende locatie voor kunst in… Gistel, de Engelse kunstenaar Thom Puckey ontmoet. De man woont sinds 1978 in Amsterdam. Ook veel knap werk gezien van Johan Tahon. Nooit was die beter dan vandaag. En ook Frans Gentils sloeg me met verstomming. Ook hoe hij zijn creaties met het frame laat versmelten.

Vanmorgen hoorde ik dus de stramheid weg te oefenen. Een uur stilzitten of slenteren breekt me zuur op. Het fysiek oefenen is me opgelegd. Befehl! Door kenners. Eerst naast het bed, op het rubberen matje (door poezennagels danig uitgedund),  daarna – eerst nog voor Daans katten gezorgd (de “sans papiers” niet vergeten, Johan!) – naar de gym. Het is snoeiheet. En toch liever in deze voormalige patattenopslagplaats dan aan zee. Een grote, loodzware achterdeur staat open. Ik zie bomen en de vaart. De wind fantaseer ik erbij.

Ik vraag G. of hij volgende week langsloopt op de buurtfeesten op de Brugse wijk Sint-Jozef. Hij woont er. Op een boogscheut. En met het schooljaar in zicht zijn die feesten er vaste prik. Ik weet het, omdat ik me 10 jaar benevool voor de wijk heb ingezet. Ongevraagd! Doorgaans met veel plezier en resultaat. Intussen werd ze “de Marmottenwijk” gedoopt. Tiens, van de week vroeg nog iemand om een glazen exemplaartje (voor in de kerstboom) en op onze schoorsteenmantel staan twee kaartjes uit Frankrijk met een… marmot als absolute protagonist. Het blijft aan me kleven. Tien jaar dus zowat, tot ik moe werd, de verveling de overhand nam en ik voelde dat er niet echt meer progressie werd gemaakt. Er stond nauwelijks opvolging klaar en men nestelde zich knus in het status quo. Abrupt stoppen deed ik toen een van de Tsjeven die me altijd achter de schermen had gedwarsboomd tot schepen van de stad Brugge werd gebombardeerd.

Ik heb ook nooit echt begrepen waarom in een wijk van een goeie 5000 mensen zowel een Feestcomité als een Buurtraad binnen de 2 maand een groot feest moeten organiseren. Bundel die krachten, durfde ik al eens te denken. Een merkwaardige wijk, een enclave met een niet te wissen schisma.

Het antwoord van G. verbaasde me. Hij keek me recht in de ogen en zei: “Sinds jij er niet meer bent, ga ik niet meer. Ik zal hier zijn! En nu ga je iets van me drinken, Johan!” Veel meer dan een paar woorden per ontmoeting wisselen we doorgaans niet. Hoeft ook niet. Zijn handdruk “zegt” genoeg en zijn stevige poot zindert lang na. Mijn schouder, G.! Ik heb het er voor over. Zou dit vriendschap kunnen zijn?

JOHAN DEBRUYNE, augustus 2012