Blauwe Toren

Blauwe Toren 3

Blauwe Toren

Daar zaten we dan. Een paar minuten eerder hadden we een zogenaamde uitvaartaula verlaten. Daar waren foto’s geprojecteerd. Met betraande ogen hadden we een leven zien passeren. Een leven in momenten. Met verre sprongen die soms beangstigend dichtbij leken. Voor de kinderjaren, die van het puberen, de sinds lang verdwenen dancings en het verliefd worden hadden we mekaar te laat leren kennen. Deel één van haar bestaan was voor ons onbekend terrein. Nieuw, vermoed en enigszins verrassend, en tegelijk voorbij: bizar. Op de beelden getuigde M. van levensvreugde, eigenzinnigheid en zorgeloosheid. Een enkele keer poseerde ze gretig ondeugend. Deze eigenschappen verbaasden niet.

We hadden ook naar “passende” muziek geluisterd. En naar een synopsis van een meedogenloos abrupt gestopt leven. Een sterke vrouw van 65. De vrouw van een vriend. Een vriendin. In amper een jaar tijd helemaal door kanker leeg gevreten.

Ik ben behoorlijk “afwezig”. Altijd op dit soort momenten. In mezelf gekeerd mijd ik de meeste ons bekende aanwezigen. Mijn hoofd zit in een wolk. Mist. De dood went nooit. Af en toe kijk ik weg. Naar het groen buiten. Naar een waterplas. M. was almaar lichter en brozer geworden. Op het laatst leek ze breekbaar als porselein. Haar hoofdje kleiner. Naar wat zich daarbinnen afspeelde was ik benieuwd, maar durfde niets te vragen. Het korte grijze haar stond haar goed.

Amper een jaar geleden werd mijn jongste zus uit mijn dagelijks bestaan weggerukt. Eerst langzaam (een lijdensweg waarlangs ze vaak stil en eenzaam kreunde), maar uiteindelijk onverwacht abrupt. Een oncoloog had ook haar een grotere kans op genezing beloofd. Nog een portie gerekt leven voorgespiegeld. Noppes.

Het is niet de eerste keer dat ik op deze plek kom. Met het ouder worden, het afkalven van het traditionele “afscheid” in kerken of kapellen, en het drastisch toenemen van het aantal crematies, kom je hier vanzelf almaar vaker dan je lief is.

De Blauwe Toren. Zo heet deze site aan de rand van de stad. Een blauwe toren. Heb ik die blikvanger dan telkens gemist? Het dierenasiel, waar naar verluidt relatief snel naar een “verlossende” injectie wordt gegrepen, ook een locatie waar leven en dood tegen elkaar aan schurken, bevindt zich op wandelafstand en draagt ook het woord blauw in zijn naam. Daarna komt “kruis”… Hier komt het leed thuis.

Ik erger me niet meer aan de “kunstwerken” die het gebouw een meerwaarde zouden kunnen geven. Wat er hangt is een dilettantisch allegaartje. Je kan er van uitgaan dat mensen in deze omstandigheden geen boodschap aan kunst hebben. Toch weet ik van aanverwante, grotere en meer eigentijdse locaties, elders in Vlaanderen, dat er kunstenaars zijn die zo’n ruimte wél meer betekenis kunnen geven. Vertroosting. Schoonheid en creativiteit die het verdriet temperen.

Als een van de eersten stappen mijn vrouw en ik traag en nog enigszins verdwaasd naar de nabije, tot restauratie omgebouwde hoeve. Achter het alles insluitende glas staat een tweetal kitscherige clowns. Als die bedoeld zijn om passanten aan het lachen te brengen… Beschamend! Maar ik erger me nauwelijks. Het verdriet is te groot. Waar de rouwmaaltijd – gespreid over een lange tafel – wacht, wordt allengs al eens gelachen. Het leven gaat verder. Het was een ongewoon late dienst. Pal op de middag. De jaarwisseling is duidelijk ongenadig geweest.

Wordt M. straks uitgestrooid? Een half uur geleden hebben we nog rozenblaadjes op haar kist gelegd. Of neemt haar man de as in een urne mee naar huis? Er worden vragen gesteld. En we praten met de tafelgenoten die we kennen, en met vreemden. We ontwaken langzaam uit een soort verdoving. De jassen hangen in een kast. Familie, wat vrienden en buren. “Intieme kring” moet zoiets heten. L. wil niet verast worden. Een andere vriendin wil dat haar as op zee wordt uitgestrooid. En wanneer ze lang genoeg met een vragende blik naar mij kijken, uit ik de wens dat wat van mij over blijft in de Franse Alpen wordt uitgestrooid. Ik was er meermaals. Maar die ene keer, in volle zomer, in dat dorpje… Guillèstre. In mijn eentje zou ik er in de omgeving op zoek gaan naar marmotten. De natuur maakte toen een diepe indruk op me. Zou doodgaan daar dan minder ingrijpend zijn? Of is het andersom? Heeft daar, in het aanschijn van die imposante bergen met besneeuwde toppen, daar waar je je nietigheid zo sterk aanvoelt, het wegvallen van (menselijk) leven minder impact? Of net niet?

Nee, ik zal vermoedelijk niet verast worden. Ik blijf bij L. Nu al bijna 40 jaar. En ook nog na mijn dood. Begraven moeten ze ons – dit hebben we afgesproken – op het mooie Stedelijke Kerkhof. Onder een knap stuk natuursteen. En waarom niet uit de Alpen?

Er wordt gegeten en gedronken. Naarmate de middag vordert worden sommigen wat cynisch, ondeugend zoals M. kon zijn, en gauw gaat het over koetjes en kalfjes. Af en toe ook nog over M. Drie uur later vertrekken we – doodmoe – terug naar huis. We zullen uren slapen.

Tegen de volgende middag smeekt mijn hoofd om een portie verse lucht. Ik stap de Ezelpoort door, een enkele lange straat en twee bochten. Voor ik aan de Grote Markt kom, sla ik links af. Daar kan ik naar boeken en brillen kijken. Er is lekkere koffie in de buurt.

Wat gewoon is, komt me vreemd voor. Ik heb rotdagen achter de rug. Toen M. stierf, hadden we net onze oudste kater laten inslapen. En ook in Wallonië keek een jong familielid de dood in de ogen.

Plots komt mijn vechtlust terug. Ik word nog maar eens geconfronteerd met de wansmaak van onze lokale overheid. Waar ooit een schreeuwlelijke bushalte en bronzen beelden me irriteerden, staat nu iets wat een modern openbaar toilet moet voorstellen. Ik heb helemaal niets tegen het stevige lapidaire groene straatmeubilair vlak bij de bieb, maar mag het voor een gewezen Europese Culturele Hoofdstad een tikkeltje meer zijn? Vooral de kant met de drie urinoirs achter een doorschijnend stuk polyester. Terwijl je plast (je moet je plas nog even ophouden, want het ding is nog niet gebruiksklaar) kijk je op een witte strook. Kon daar nu niet iets artistieks op worden aangebracht? Iets ludieks eventueel? Desnoods een met het hoekige karakter van het ding confronterende poppenkastzicht van een flard Brugge. Zo van: zelfs als je in deze stad gaat plassen blijf je naar schoons kijken. Zelfs plassen in Brugge die Scone: een beleving!

Ik denk onwillekeurig aan Münster, waar ze (tijdens een 10-jaarlijks kunstenfestival) ooit eens hebben laten zien hoe sfeervol en mooi een openbaar toilet kan zijn, en aan creaties van kunstenaars als Matthieu Lobelle en Jonas Vansteenkiste. Onder anderen. Kon de verantwoordelijke schepen die “toiletspecialisten” niet samen aan tafel brengen met enkele kunstenaars? Zou dit geen natuurlijke reflex moeten zijn in een stad die zich een cultuurstad noemt?

Hoewel zelf gekroonde fietsstad, lijkt Brugge de pedalen kwijt. Er wordt uitzinnig gedaan wanneer bier ondergronds naar de tap stroomt en gepocht dat je in luttele minuten de geschiedenis van de stad beleeft wanneer je het “Historium” binnen stapt. Dat de rode gloed van een Kruidvat de Grote Markt bezoedelt lijkt de beleidsdames en -heren niet te deren. We heffen het glas op een Chocolade-, Friet-, Lampen- en Foltermuseum…

Ooit was ik zo naïef te pleiten voor een kwalitatieve invulling van “eerbiedwaardige” locaties…

JOHAN DEBRUYNE, januari 2017