Tag: onderwijs

Spel(l)ing

Spel(l)ing

 

Na het leegmaken van de brievenbus, een oogopslag voor een schimmig contact met het leven buiten, het ten dele voorspelbare gedoe met kater Wieb, het ontbijt en het lezen van een enkele tastbare krant, slof ik richting slaapkamer. De tred waarmee ik de slaapruimte nader zegt wellicht alles over hoe ik me voel. Het wintert nog steeds, maar voor het eerst is het minder koud. Het vriest niet langer. De badkamerdeur blijft dicht. Ik wilde even “hermetisch dicht” schrijven, maar in ons gezellige oude huis, is dit adjectief niet op zijn plaats. Voor de douche is het nog zo’n kwartier te vroeg.

Omdat de kleerkast zo immens groot is (het enige meubel dat we in al die jaren zijn blijven gedogen), hebben we 20 jaar geleden – toen we hier onze intrek namen – van de oude slaapkamerdeur een schuifding gemaakt. Een handige schrijnwerker had dit bedacht. Als we niets om handen hebben geraken we comfortabel binnen. Met een stofzuiger in het kielzog wordt het al mikken. Ik vraag me af hoe L. dat met de wasmand doet.

Het is een winters ritueel: ik schuif het ding dicht (’s nachts blijft het open om de kamer te verluchten) en zet de verwarming aan. L. slaapt nog. Van bij de kast gooi ik – (vrijwel altijd) speels – een verse onderbroek op het bed, waarna ik op een opgerold rubberen matje af stap om het ding aan het voeteneinde te ontrollen. Het is frenetiek, maar bepaald kunstig gehavend: ooit zette Poesjkin er met regelmaat en nijd zijn scherpe nageltjes in (de gedachte aan Lucio Fontana is nooit ver). Onze sluwe, mooie kater ging onbewust artistiek te keer wanneer hij vond dat zijn baasje te lang zijn horizontale positie aanhield en geen aanstalten leek te maken om naar beneden te gaan…

Op het matje probeer ik mijn bekken zo soepel mogelijk houden. Het bovenste gedeelte van mijn rug is broos geworden. Een bron van continue kwelling. Lumbaal – dat lieten röntgenfoto’s al altijd constateren – zit er nog voldoende speling tussen de wervelschijven. Ik streef een status-quo na. Reumatologen, orthopedisten, kinesisten en sportfanaten hebben me de voorbijgaande jaren duidelijk gemaakt welke oefeningen ik nog wél kan doen. Ook wat ik in mijn fysieke toestand maar niét meer moet proberen. Mijn ochtendlijke gymnastieksessie duurt zo’n kwartier. Bewegen, tellen, naar het plafond staren, plannen maken, wegdromen en alweer vergeten wat ik had gepland. Vervelende, maar noodzakelijke routine.

Nadat de souplesse is gevoederd, ben ik klaar voor de dag. Wanneer ik even later uit de douchecel stap, besluit ik of ik die dag al of niet mijn bril opzet. Blijf ik de hele dag binnen of staan er “verre” boodschappen op het programma? Word ik ergens verwacht? Ga ik naar kunst kijken? Is er een opdracht? Thuis red ik het zonder bril, maar eens de voordeur achter me dicht – zeker als ik de auto vandoen heb – moet het zicht scherper. Ik vind het echter verleidelijk om de wereld enigszins omfloerst waar te nemen.

Ondertussen is ook L. het bed uit en in de krant wat opgeschoten. Het gebeurt zelden, maar plots schuift het slaapkamerhout zachtjes open. Ze steekt haar hoofd binnen, kijkt naar haar liggende echtgenoot in zijn nauwe fitnessstrook en vraagt met verontwaardiging in haar stem: “Ook gelezen? Spelling en luisteren zijn op school niet meer belangrijk!” “En of”, antwoordde ik. Maar ik was klaar met dit (nieuws)item. Over het onderwijs zijn al zo vaak ballonnetjes opgelaten en de bevoegde minister blijft er maar op los ratelen. Tettertrien. L., ooit wetenschappelijk opgeleid, weet dat spelling en zogenaamde “luisteroefeningen” indertijd tot mijn dada’s behoorden.

Na tal van onderwijsjaren wist ik hoe je een en ander aantrekkelijk, zinvol en nuttig kon maken. Ik had uiteindelijk ook wel een beetje toegegeven aan de druk tot opleuken. Dictees waren vervangen door korte artikels uit de krant. Een 5-tal zinnen. Meestal vond ik die al op de voorpagina. Ik las het stukje voor en we hadden een gesprek, de leerlingen en ik. Hun mening en hoe ze die verwoord kregen waren leerrijk. Op het einde van de les dicteerde ik de zinnen. Als toemaatje bleef dan nog het zoeken naar een taalfout. De kranten staat er bol van. De taalkennis kalft danig af en fouten zijn schering en inslag. Op wat “eindredactie” wordt genoemd werd bij de kranten het eerst bespaard.

Ook luisteren stond hoog op de agenda. Teksten van Boudewijn, van Zjef, de zingende architect, Herman Van Veen, Robert Long… Mocht ik vandaag nog voor de klas staan, dan zou ik ze zelfs met “Ploegsteert” en Frank Vandenbroucke hebben kunnen ontroeren… Het was telkens stil om zo veel (talige) schoonheid. Nadien werd gezongen. Ik denk nog vaak aan de video over het leven van Julien Schoenaerts, theaterlegende en vader van. Het sprak ze aan, van 13 tot 19. En ouder.

Maar spelling… Een paar jaar geleden werd ik met koorts het ziekenhuis in gereden. Ik gaf les in meerdere scholen, schreef voor diverse kranten en tijdschriften en was geobsedeerd-ambitieus bezig met socio-cultureel werk. Te veel van het goede. Ik was met mijn kop tegen de muur gelopen. Een paar maanden later en eindelijk aan de beterhand had iemand het over een “bore-out”. Ik wist er niet eens het bestaan van. “Je verveelde je”, zei hij. Ik herinner me dat ik tijdens de examens tussen de banken laveerde om te kijken of er niet werd gespiekt. Verplicht nummer. Bij een examen Nederlands was de spelling van de studenten verteerbaar. Maar soms moest ik “bijzitten” op een examen geschiedenis of aardrijkskunde. Wat er dan te lezen viel! Een paar keer wees ik een examinandus op het feit dat aan deze of gene werkwoordsvorm iets scheelde. De onverschillige blik in mijn richting deed me op de duur denken: wat doe ik hier al meer dan dertig jaar?

Ik zei L. nog dat het allemaal “naar de wuppe” is (“Het Zesde Metaal” is onmiskenbaar de eerste in het dialect zingende groep die mijn hart weet te veroveren) en dat ik niet meer dan een passant was geweest.

Enfin. Dinsdag komen ze aan ons huis werken. Het heeft water geslikt. Een van de gevolgen is dat de rolluiken van mijn bureau muurvast zitten. Ik maak me zorgen nu om het huis. Met het onderwijs ben ik klaar. Ik maal niet langer om het nieuws van de zoveelste directeur die alweer een politieke benoeming blijkt te zijn. Ik heb het meer dan dertig jaar meegemaakt. Beslissingen (al dan niet aanvaarden) en oekazes (liefst niet uitvoeren) van luitjes die al jaren niet meer voor de klas stonden, maar wel een partijkaart bezaten.

Terug in de woonkamer haalde ik de rolluiken omhoog, opdat Wieb vanop de vensterbank boven de radiator, opnieuw zijn domein de gaten kon houden.

 

Johan Debruyne, eind januari 2016

 

Nieuwejaarsezoenen…

Nieuwejaarsezoenen…

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Zoiets hoefden mijn collega’s nochtans helemaal niet te vrezen.

Op de foto: een verliefd Amerikaans stel op bezoek in Brugge. (Foto J.D.)

 

Ik ben blij dat de mij als enigerlei kunstmatig overkomende eindejaarsgekte (bijna) achter ons ligt. Dat mijn onder een stolp bewaarde kleine oude stad straks bijvoorbeeld ontdaan wordt van de overdaad aan lichtjes. Het doet me een beetje denken aan een oude, kranige en immer kokette dame die – eens thuisgekomen (gesukkeld, eigenlijk)- doodmoe, maar tevreden haar overvloed aan sieraden aflegt.

Ik weet dat er mensen gaan jammeren wanneer alle kitsch weer voor een jaar de doos in gaat. Het is zoals met carnaval, denk ik dan. Je hebt carnavalisten, maar je hebt ook mensen die zich net niet graag verkleden alvorens het kieken uit te hangen. Die zich voor dit laatste ook niet vooraf hoeven te bezatten. En of ik recht van spreken heb! Vraag het aan mijn schaarse vrienden. Om Hazes te brullen heb ik ruimschoots voldoende aan 0,2 promille alcohol in mijn bloed. Of iets van die orde.

Spijtig dan maar voor de medemens die echt van koude feestdagen en op al wat er bij hoort kickt. Het gehandschoend zuipen bij houten kramen vol rotzooi bijvoorbeeld. En dat hiervoor de terrassen moesten wijken!

Dat ze her en der weer met duizenden – nuchter, halfzat of stomdronken – bekende deuntjes mee murmelden op een plein. Deze krantenpagina heb ik deze morgen snel op de rug gelegd. Zoals veel krantenpagina’s komt ze elk jaar terug. Alleen de cijfers en de foto’s verschillen enigszins.

Ook dat nogal wat piepjongeren straalbezopen zijn opgepakt tijdens de oudejaarsnacht. Wie zonder oogkleppen op deze aardkloot rondhuppelt zag zoiets aankomen. Nogal wat jongeren zuipen. Het is een nieuw soort sport geworden. Dekkers heeft het nog gezegd heeft: sporten is niét gezond. Zuipen dus ook niet.

Patrouillerende agenten kunnen alleen maar wat blussen. Of gieten ze daarentegen olie op het vuur? De lap en de stier, weet je wel. De problemen liggen veel, veel dieper. Aan de politici vooral – in plaats van nu al op verkiezingsmodus over te schakelen – om ze daar – ontzettend veel dieper, dus –  te gaan zoeken. En aan alle anderen om tijdig hulp te bieden. Alcohol. Ik heb drank al te veel levens en gezinnen naar de afgrond zien voeren. Gevaarlijker dan roken!

Ik dacht vanmorgen toch ook nog eens in een flits aan de eerste schooldag na de Kerstvakantie. Ook die kwam telkens weer terug. Ik huiverde. Nochtans ik weet: dat is pas maandag aanstaande en voor mij hoeft het zelfs helemaal niet meer. Met rust…

Aangezien ik een groot deel van mijn jeugd in Wallonië heb doorgebracht, weet ik wat warmte is. Ja, BDW, ik moet kiezen. Straks.

Die eerste schooldag in januari vond ik het dan ook niet meer dan gewoon dat ik op school op z’n minst de vrouwelijke collega’s drie zoenen gaf. Of een knuffel. Nog uitzonderlijker. En als er geen uitzonderingen waren geweest, wanneer ik niemand was vergeten, dan kon ik met een positief gemoed opnieuw van start. Helaas.

Ik heb het jaren volgehouden. Tot een vrouwelijke collega zowaar verschrikt terugdeinsde. Nochtans, aan mezelf was niets veranderd. Dit mocht blijken uit de vele andere begroetingen. Het mens was evenmin zwanger. Nee, alles leek gewoon, als altijd.

Dit soort akkefietjes kan ik soms moeilijk van me afzetten. Ik heb dit voorval als een vernedering ervaren. Ik ben nochtans geen mannetjesputter. Moet ik nu weer mijn kleine vriendenkring ter getuigenis roepen? Eens per jaar zou ik, wat de (vrouwelijke) collega’s betreft, na drie kuise zoenen met een propere lei opnieuw beginnen. Of een knuffel. Voorts te weten dat de school mij louter interesseerde om met de leerlingen en studenten creatief bezig te zijn.

Wel, toen ben ik op school met zoenen gestopt. Ik herinner me niet hoe lang ik het heb uitgezongen.

Het onderwijs… Net daar waar warmte broodnodig is! Zeker sinds al die apparaten er hun intrede hebben gedaan.

JOHAN DEBRUYNE, 2 januari 2014

 

Hoe het vliegen was, toen – met Cees

Hoe het  vliegen was, toen – met Cees

In de herfst van 1975 keek ik uit naar een baan in het onderwijs. Met schaamte vervoegde ik dagelijks een rij werklozen aan een stempellokaal, hoek Arsenaalstraat. Nooit had ik gedacht daar, toen en op die leeftijd nog in een rij te moeten staan. Zou op die eigenste plek mijn (latere) diepe afkeer voor strakke leerlingenrijen hebben gekiemd? Ook toen ik daadwerkelijk leraar was? Ik ergerde me voorts aan fluitsignalen en neonlichten.

Na verloop van tijd koppelde ik de weinig hoopgevende aanschuifroutine aan het lezen van een krant in een of andere kroeg. Het aangename en het nuttige. Zoiets. Word lid van een vakbond, werd me vaak gesuggereerd. Dan gaat het sneller. Maar van verenigingen moe(s)t ik niets. Ik zou wachten. Hoe had ik het ooit zo lang bij het zangkoor van de school kunnen uitzingen? Ik zal vooral naar mijn eigen stem hebben geluisterd…

Het wachten op een job zou de wintervakantie overbruggen. Ik wilde graag voor de klas staan. Daar nieuwe dingen doen. Creatief zijn. Spelen met taal. Ik wilde zijn wat mijn meeste leraars niet waren geweest. Ik had me twee decennia kunnen redden met sporten en wegdromen. Vluchten, dus. Net als de  Verdronken Vlinder van Boudewijn De Groot. Bij sterven stond ik af en toe stil. Vooral toen mijn vader er niet meer was.

Maar het enige wat mij na dat half jaar stempels verzamelen te beurt viel was een tijdelijke betrekking als… studiemeester. Surveillant. Waakhond. Bewaarder van dossiers. Paperassen, dus. Net dat waar ik al altijd een hekel aan had gehad. Maar alles leek me beter dan die vreselijke rij in de Arsenaalstraat.

Een brief vertelde me dat ik me moest aanbieden in een grote vakschool in de binnenstad. Vakschool. Zo heette dat toen. Rond tienen stapten, liepen of stormden stoere kerels in een blauw tenue de werkplaats uit. Nooit gezien. Niet mijn wereld. De laatste weken van de lerarenopleiding was net die school met regelmaat het onderwerp van gesprek geweest: als je ooit daar moet beginnen…

Maar ik leerde er het klappen van de  zweep. Werd er – na een bizarre eedaflegging bij een vlag – door een geroutineerd directeur in geen tijd klaargestoomd voor de job.  “Als ze straks vechten, dan laat je ze vechten. En als ze moe zijn, dan raap je ze op!” Veel meer zei hij niet.

Ik probeerde mijn knikkende knieën onder controle te krijgen. Ik zou al meteen met bravoure een rol moeten spelen. Met acteren had ik gelukkig al enige ervaring. Anders stap je beter niet in het onderwijs! Wat de kale dikkerd had voorspeld, gebeurde. Ik blijf de man eeuwig dankbaar. Mijn prille gezag stond als een paal. Ook en vooral in het onderwijs gaat je faam je vooraf. Masker op en klaar was Kees. Telkens opnieuw. Een klein beetje discipline. Dat had ik er voor over.

Wat collegialiteit betreft was het de mooiste periode uit mijn onderwijstijd. Ik schreef bijna “loopbaan”, maar in het onderwijs bestaat zoiets niet. Je bent leraar of studiemeester. En je doet je job. Of je sluit aan bij een politieke partij, gaat op cursus, studeert wat bij en wordt allengs schoolbaasje.

Ik was de jongste van een groot team dat me al eens in het gat durfde te steken. Om zonder toelating de school te verlaten bijvoorbeeld. Moest ik in de buurt pannenkoeken kopen. Die werden opgewarmd op de plaat van de koffiezet. Jacqueline deed dat. Dat durfde ik. Ze moeten me niet uitdagen.

Toch was het warm en koud blazen. Enerzijds was er die collegiale sfeer; anderzijds het knagend verlangen naar een eigen klas. Een biotoop waar je echt creatief kon zijn. En bijwijlen de grootste clown. Je kan immers leraar zijn en toch het kind in je blijven koesteren.

Tucht? Ach ja. Ze konden er wel mee rammelen in die vakschool. In de afdeling carrosserie bijvoorbeeld. De kleine man die er leiding hoorde te geven was niet bepaald taalvaardig. Serieuze handicap. Ook dààr. Taal en stem lieten hem in de steek en ook zijn postuur was verre van angstaanjagend. Zijn opvallend hoge hakken om zijn kleine gestalte wat bij te spijkeren maakten hem al helemaal lachwekkend. Met regelmaat moest ik node het aanpalend secretariaat verlaten: masker op en ingrijpen.

Ik deed in korte tijd ontzettend veel ervaring op. Terwijl die sfeer en attitude zich doorzetten in twee andere scholen, nu voor een compleet schooljaar, was het moeilijk kiezen toen een directeur me opbelde. Of ik geen les wilde komen geven. Ik nam afscheid van het studiemeesterschap en kwam terecht in een middenschool. Aan het hoofd stond een jong, gedreven directeur. Ik kreeg de zogenaamd minst goede klassen en van de beloofde voltijdse opdracht bleef na een maand amper de helft over. Maar ook die meiden en jongens maakten me snel duidelijk dat mijn roeping voor de klas lag.

Ik verzaakte aan het hopeloos verouderde handboek dat al jaren werd misbruikt, vond het grappig wanneer een van mijn adepten op zijn handen het klaslokaal binnenkwam en deed allengs dingen waarvan ik dacht en hoopte dat niemand ze deed. “Doelgericht schrijven” bijvoorbeeld: mijn leerlingen zouden in hun stad gids spelen voor leerlingen uit een andere stad. Ik begon met een jeugdtoneelvereniging, regisseerde, liet muren beschilderen en mocht algauw alle directeursnota’s lezen eer ze in de map op de tafel van de lerarenkamer aandikten. Directeurs en correct taalgebruik. Ach, die ego’s hebben zoveel andere zaken aan het hoofd.

Het voornamelijk al oudere personeel had wat moeite met deze zonderling. Sommige van die collega’s (bijna allemaal ongehuwde vrouwen) spraken onder elkaar zowaar nog Frans. Ik vermoed wel dat ze blij waren met mijn komst (ik was de enige jonge man), maar toch.

De vrouw van de directeur was een uitmuntende lerares Nederlands. Al haar tijd ging naar haar lessen. In een school aan zee. Ikzelf was al gebeten door de passie voor de beeldende kunst die ik probeerde over te brengen op mijn adepten. Zij was vooral met de moedertaal begaan. Zelfs de hond des huizes reageerde alleen alert wanneer hij foutloos Nederlands hoorde! Via haar man  kreeg ik met regelmaat teksten van haar. En een die ik nog herinner alsof het gisteren was, ging over het vliegwezen.  Cees Nooteboom had het stukje neergepend.

Via het lezen en het uitwisselen van ervaringen kwamen nieuwe termen aan bod. Vliegen was toen nog iets voor de happy few. Ik leerde ze dus wat “taxiën” was, want was ook maar net terug van mijn eerste vliegreis. Ze gierden het uit toen ik zei dat het woord valies onzijdig was. En ik leerde ze het woord ”passagier” correct uitspreken. Voorts bevestigde Nooteboom fijntjes mijn gevoelens. Vliegen… Van mobiele telefoons was nog lang geen sprake, roken mocht wel nog en de stewardessen waren mooie vrouwen. Bijna zonder uitzondering. Bang in het vliegtuig was ik niet, maar de spanning die Nooteboom beschreef woekerde wel in mijn lijf.

Ik moest eraan denken toen we onlangs, mijn vrouw was erbij, al om 2 uur ’s nachts uit de veren moesten. Hoewel, Venetië in het donker verlaten… het heeft iets. Maar zonder eten die boot op. Anderhalf uur op de lagune dobberen. Dan een behoorlijk eind stappen naar een luchthaven, ook amper ontwaakt na een korte nacht. Het bekakte volk dat voorrang geniet bij het inchecken. Businessclass. Afschaffen die handel! Tot slot het vliegding in. Zoals altijd: veel te weinig beenruimte. Na de landing de hopeloze files.

JOHAN DEBRUYNE, eind juni 2013

Brugge, stad van letters en huisvlijt

Brugge, stad van letters en huisvlijt

Als jong, gedreven leraar, kreeg ik te maken met een ambitieuze schooldirecteur. Ik wilde met leerlingen en taal nieuwe dingen doen. Gedreven… Ik had bijna het woord “ambitieus” gebruikt. Maar dat klinkt pejoratief. Ik hou het bij “gedreven”. Een ambitieus leraar kan alleen maar proberen directeur te worden. En dat wilde ik niet. Baasspelen. Bij een vakbond aansluiten. En tot slot een cursus: Hoe manipuleer ik mensen? Laat maar.

Zo krijg je aan het hoofd van scholen in regel nogal wat ambitieuze luitjes, mensen – zo mocht ik ervaren – die het voor de klas eigenlijk niet zagen zitten. Gefrustreerden had je ook. Is leraar zijn al niet een beetje baas spelen? Tenzij je wat gezag ontbeert. Want dan is onderwijs de hel!

Die bewuste directeur had een eega – samen met haar heb ik nog aan projecten gewerkt – die briljant was in haar vak. Dan ben je uitgerekend als leraar en mannetjesputter met zo iemand getrouwd…. Ai, dat ego.

Eén uitweg bood zich aan: directeur worden… Mijn pedagogisch leider was allengs zo van “zijn” school bezeten en ook kunst en literatuur boeiden de man, dat we mekaar vonden, ook op menselijk vlak. Zijn privéleven daarentegen geraakte in een negatieve spiraal. Een school (leiden) – toegegeven – kan je behoorlijk opslorpen en afmatten, en je bent nooit overal tegelijk de baas. Zelf was hij een goed leraar geweest, een degelijk sportman, een schaker, en een soort reserve op de bank van het leger van dit uiteen rafelend landje. Af toe diende hij op school vervangen. “Baasje is soldaatje gaan spelen”, werd dan gefluisterd.

Op een dag vroeg hij me om een tentoonstelling te organiseren in de prestigieuze Saaihalle van Brugge. Inmiddels tot… Frietmuseum gedegradeerd. De stad glijdt al een poos die vermaledijde richting uit. Ik zou bij het oeuvre van de exposerende kunstenaars ook een gedicht schrijven. Je bent gedreven en je baas is bij momenten een beetje Führer, dus denk je: een gedicht kan er ook nog wel bij. De kunstwerken inspireerden en mijn schoolhoofd was enthousiast. Toenmalige Minister van Onderwijs, Daniël Coens, een gewichtig persoon in velerlei betekenissen, was ook van de partij. En zo is  mijn “carrière” van criticus begonnen.

Het was ongeveer 1980. De eerste rode burgemeester in meer dan een eeuw (!) had de Brugse stede ondertussen volgestouwd met anekdotisch brons en koper. Ik was ontgoocheld en boos, maar nog onervaren. En in die tijd stond een burgemeester nog boven de mêlee. Tegen de cultuurschepen begon ik op de duur wel te fulmineren. Elk jaar mocht een Brugs curator tussen de poorten van het Park Sebrechts in de Oude Zak (zo heet die straat…) wat nieuwe “zottigheden” een tijdelijke, zomerse stek geven. Een doekje voor het bloeden in een voorts mooi, maar oubollig stadje. Vooral kenners kwamen langs. En elk jaar (begin september) ging ik er met mijn adepten heen. Die schepen van cultuur zou me trouwens met regelmaat afblaffen. Klein, nijdig mannetje. Afkeffen, dus eerder.

Later was het politieke duo “Patrick & Yves” aan zet, vereeuwigd ondertussen in twee stripbundels. Een cultuurschepen (al zeker in een cultuurstad) die fulmineert wanneer het woord “oubollig” op zijn stad wordt gekleefd, moet gepassioneerd zijn om de dingen te veranderen. Dat bleek nooit het geval. Dus was P. dan maar burgervader en cultuurschepen tegelijk. Dit werd pijnlijk duidelijk toen Brugge in 2002 Europese culturele hoofdstad werd: het hele jaar stond hij met de bloemen te zwaaien.

Maar het brons en koper bleven op straten en pleinen staan. Het kon de burger weinig schelen, maar in kunstmiddens werden daar heftige debatten over gevoerd. Er werd de stedelijke overheid ook meermaals gevraagd iets aan de zaak te doen. Helaas. Het werd nog erger: op rotondes kwam nieuwe kunstige onzin de boel opleuken, ondanks de politieke belofte dat er geen calamiteiten meer zouden gebeuren. Hierbij werd vooral gewezen in de richting van een bronzen vaas met al even bronzen bloemen in! Opgedragen aan Frank… Dat was de voornaam van burgemeester Van Acker. Hoewel zijn postuur dat niet helemaal behoefde, wilde curator Patteeuw een bulldozer laten aanrukken. “Tabula rasa”, riep hij! Het vehikel kwam er niet. Patteeuw verdween. Zijn spraakmakende “Kunsthalle” is niet meer.

Ik vroeg burgemeester P. eens waarom hij pakweg die lelijke Van Acker-buste achter het stadhuis niet uit de weg ruimde. Ik suggereerde een nieuwe hommage. Ik moest het met een nietszeggend antwoord stellen. Roose verroerde evenmin. In een verre Brugse straat werd een steen onthuld. In een voortuin. Er waren letters in gekapt. En weerom kwatongen: dat Rooses vrouw die zou gehouwen hebben!

Ik las overigens zojuist dat Brugge de stad is van de letters en van handgemaakte dingen. Ik knipperde even met de ogen. Worden Brugse frieten echt nog met de hand gesneden? En komt die Brugse kant dan niet van machines in een ver land? Klap op de vuurpijl was toch dat de Brugse Musea vorig jaar nog een marmeren “tuinversiersel” (zo noemden ze het zelf) aankochten voor maar liefst € 200.000.

Ondertussen delen BruggePlus en de Erfgoedcel de lakens uit. En specialisten in… oude kunst bepalen wat aan actuele kunst wordt getoond! Of het zou een baron zijn die een dwingende suggestie deed. Of een vriendje dat een dienst moet worden bewezen. Willekeur, een gewezen Europese culturele hoofdstad volkomen onwaardig!

Ik leefde me 10 jaar uit op de wijk Sint-Jozef (ik kostte de stad geen rooie duit) waar ik continu werd tegengewerkt door een meneer die vroeger bij de katholieken een belangwekkende functie had bekleed. Ondertussen verloor beeldend kunstenaar Jan Verhaeghe een proces tegen het kunstenaarsduo C-D, dat van Frank Van Acker-zaliger nogal wat brons had mogen neerpoten in de stad. En we hebben, daar heb je die kwatongen weer, inmiddels een nieuw artistiek paar dat geregeld zijn zinnetje zou krijgen. Ook blijft het Ito-paviljoen op de Burg verder verkrotten. Gevolg van de slangenkuil die het schepenkabinet was. Maar de nieuwe burgemeester zou een ploeg smeden. Ik hoorde het hem zelf zeggen! Als voetbalfan blijf ik wachten op oogstrelend samenspel…

Ik had ideeën én de medewerking van kunstenares Berlinde De Bruyckere (de Gentse zal straks als enige artieste België op de Biënnale van Venetië vertegenwoordigen) voor een internationaal project rond nissen in de stad Brugge.  Als ik nu merk dat op de voorstelling van “Brugge Letterstad & Handmade in Brugge” een aantal mensen aanwezig waren die het project (waaraan ik jààààren werkte) subtiel de grond in hebben geboord, dan barst mijn kruik.

Sinds kort nu is Renaat Landuyt hier burgemeester. En zo veel meer. Tja, wie zou kandidaat kunnen geweest zijn voor Cultuur? Dunne spoeling. Wie beheerst een beetje de materie en zijn/haar moedertaal?

Ik hoop, voor ik in mijn geboorteplek nog ooit aan een of ander project meewerk, dat er vanuit het nieuwe bestuur een signaal komt voor een “Commissie voor Actuele Beeldende Kunst”. Dat mensen van het vak de stad  aftasten, conclusies trekken en voorstellen doen. Het is pas wanneer de stad het zal aandurven een paar bijzondere, goede sculpturen op straten en pleinen neer te zetten, dat Brugge zijn oubollig imago kwijt zal raken. Niet door huisvlijt en kalligrafie te promoten. Jongen, zucht mijn vrouw, hoe lang zeur je hier nu al over?

JOHAN DEBRUYNE, begin maart 2013

 

Laan

LAAN

Laan. Naar de eerste koning der Belgen genoemd. Barst in beton. Dicht  bij de verkeerslichten. Grillig. Best mooi. Doorgaans als natuur en tijd hun gang zijn gegaan. Ben ingedommeld: moegepraat. “Als de grote mensen moe zijn van elkaar… “ (Nolens)

Het is voorbij zessen. Elke auto die voorbij raast veroorzaakt een bepaald geluid. Ik denk al lang niet meer aan de barsten her en der in het huis. En de scheuren. En scheurtjes. In muren en plafonds. Rekverf, weet ik nog, zei een medeverantwoordelijke. Betweterig. Dikke pens.

Ik geraak maar niet uit mijn comateuze toestand. Retrospectieve beelden, wat later in Ter Zake: minister van onderwijs, Pascal Smet, ratelt. Wie immer. Ratelkonijn. Ras: positivo. Over het onderwijs van morgen. En overmorgen. Over geen boekentassen meer, maar flikkerende toestanden. Platte dingen met schermen die je alles laten zien wat je wil. De hele wereld! Maar ondertussen staat ergens een schooltje op instorten. Veel scholen staan te wankelen. Zit in zo’n krot maar eens te laptoppen, meneer het Konijn. Het opladen van je ding zal vast thuis moeten gebeuren, want de elektriciteit gaat er geregeld in wilde staking.

Turtelboom scoort ondertussen: Belkacem blijft in de cel. Scheiding der machten? Vodje papier. Perceptie en verkiezingen. En toch. Dames en heren politici schieten een beetje wakker. Voor een “misdaad van 3 jaar” moet je ten onzent nooit de cel in. Te gek om los te lopen. Flauw grapje. Cellentekort… Turtelzwart speelt het hard: Wie wil dat ik B. vrij laat, moet z’n vinger maar opsteken. Laurette zingt een toontje lager.

Het ritmisch geluid van de auto’s houdt aan. Ze doen me eraan denken dat het leven gewoon verder gaat, terwijl in Syrië kinderen worden gemarteld en gedood. Lafaards zijn we. Ik ben kwaad. Niet op zij van wie nu het huis en de straat  onder water staat. Torhoutenaren. Bijvoorbeeld. Van zij die nu slijk weg zwabberen. En foto’s nemen van wat hen dierbaar was. Foto’s voor die  aasgieren van de verzekering.

Ben compleet wakker nu. De oorzaak van het onheil? Een goedgevulde wolk waar heel veel regen uitviel, maar geen beweging in kwam. Vreemd. In China doen ze het gewoon regenen als het hen uitkomt. Ze tarten de natuur. Ze verleggen rivieren, stromen en dorpen. En wij maar schrijven over rode vreemde rotsen aan het strand van Oostende. 11. Een 11-tal. Een massa volk. Mooi volk. De buitenkant jedenfalls. “dOcumenta” wenkt. Vergeef me het Duits. “Als je wint, dan heb je vrienden, rijen dik, echte vrienden.” Benieuwd om  Vrienten aan tafel te zien. Zomergast. Bij Leyers. Straks. De Belg vervangt Jelle Brandt Corstius. Kan hij dat? Ik hoop het. Maar de weemoed in Jelles ogen zal ik missen.

JOHAN DEBRUYNE, juni 2012

 

“Pipi of kaka?”

“Pipi of kaka?”

Nu voor het banaalste akkefietje naar de rechtbank wordt gestapt en kranten en blaadjes zich meer dan ooit verkneukelen in de slechtheid van de mens, vervoegen nogal wat advocaten het BV-heir. Zo kijken we er al lang niet meer van op dat ook die heren bijvoorbeeld de nodige tijd nemen om hun haardos met een handvol gel tot een piekjeslandschap te boetseren of hun haar in sierlijke in slierten over hun gezicht draperen.  Trouwens, wat maakt het uit? Het is de inhoud die telt! Toch was het onlangs even knipperen met de ogen. In mijn krant stond een foto van een gepiercete “punkadvocaat”: hanenkam, gekleurde bril, enkellaarzen… Daarboven de toga. Het beeld woelde herinneringen om uit mijn “loopbaan” in het onderwijs, een wereld waarin ik al eens afwijkend gedrag vertoonde. Waar ik me meer dan waar dan ooit een einzelgänger voelde, hoewel qua uiterlijk in eerste instantie alleen mijn brilmonturen enige deining veroorzaakten…

Ik had er immers een hartsgrondige hekel aan een resem zaken. De schoolbel Zum Beispiel. De neonlichten. Het gebouw zelf, dat ooit als kazerne dienst had gedaan! Collega’s die nog de fluit hanteerden om de adepten in het gelid te krijgen. De strakke rijen. De talloze regeltjes die de creativiteit smoorden. En  niet in het minst het formalisme. Kafka was altijd een beetje in de buurt.

Om het ook voor mezelf enigszins leefbaar te houden, had ik gedurende vele jaren initiatieven ondernomen die de school daadwerkelijk kleurden. Toen ik een 2-tal jaar geleden de schoolpoort definitief achter me dichttrok waren zowat alle gangen en trappengangen beschilderd. Zelfs de toiletten had ik niet onaangeroerd gelaten. Dat vonden mijn directeuren leuk. In die school heb ik er 2 gekend. Beiden hadden ze een snor en staken ze – de ene al comfortabeler of stijlvoller dan de andere – gebeiteld in een pak. Blauw, bruin, grijs. De muurschilderingen hadden gelukkig meer kleur en een didactische insteek, ze kostten de school amper wat en het leverde een massa publiciteit (krantenartikels) op.

Toen ik die punky advocaat zag, dacht ik vooral aan mijn laatste schoolhoofd. In mij had zich in de loop er jaren een welhaast fysieke afkeer voor de mens en zijn ontegensprekelijk dogmatisme genesteld, terwijl ik anderzijds – begrijpelijk gezien de return – een bijna absolute vrijheid kreeg bij het ontplooien van mijn initiatieven. Maar ik dacht vooral aan de roddels van de collega’s nadat hij een les van hen had bijgewoond. In regel viel zo’n bezoek nog wel mee, maar steevast was er een minpuntje : het bord was niet keurig schoongeveegd (er waren “wolkjes” blijven hangen) of de jeansbroek van een jonge collega vertoonde rafels…

Vervangende schaamte. Dus, tegen de stroom in. Dat was mijn enige verfrissing. Op de vraag op hoeveel een toets stond, antwoordde ik steevast: duizend! En wanneer leerlingen tijdens de les naar het toilet moesten (het schoolreglement verbood dat, geloof ik, en Befehl war Befehl!), liet ik dat doorgaans wél toe. Ik heb zelf al mijn hele leven last van een hypersensitieve blaas en mijn darmen zijn bij momenten nauwelijks in toom te houden. Heb ik van mijn moeder, trouwens.  Vandaar. Ik vroeg dan wel eens: “Is ’t voor pipi of kaka?” En wat lees ik nu in een weekendbijlage van De Standaard omtrent “schaamte”? Dat ook Wim Helsen altijd diezelfde vraag stelt wanneer iemand van zijn gezelschap naar het toilet moet. Ik was, zonder het te weten, in uitstekend gezelschap!

Maar waarom wilde ik perse ook dan nog grappig zijn? Ik vraag het me wel eens af. Een inspecteur zei ooit dat een les waarin niet minstens 1 keer was gelachen geen goede les kon zijn. Maar wij lachten al zo vaak. In de les. Het maakte het onderwijsleven draagbaar. Maar goed, met deze wil ik mijn gemeende excuses aanbieden aan die jongens en meiden die niet om mijn duizend en mijn pipi’s en kaka’s konden lachen. Maar anderzijds heb ik dan toch hun blaas en darmen ontzien. Straks toch eens polsen bij Herman. Trainingsmaat en professioneel zielenknijper.

 

JOHAN DEBRUYNE, Brugge, mei 2012