Tag: middenstand

Jan en het kraam

    

Jan en het kraam

 

Ik was nog een kleine jongen. De weg te voet naar school duurde een klein halfuur. Wellicht mede omdat weinig “meesters” me konden boeien, heb ik vaak door het raam naar buiten gekeken. Nog altijd kijk ik graag naar buiten. Weg van datgene waarmee de anderen bezig zijn.

Ik praatte ooit met een roodborstje, langs diezelfde weg naar school: voorbij de brug en een muurtje, een kiezelweg en water. De grote mensen deden alsof ze mij geloofden. Pas later werd met mijn jeugdige fantasie de spot gedreven.

Er zijn nog zekerheden in dit aards bestaan. Wanneer ik na vele jaren doorheen het Haags Binnenhof loop, de Ridderzaal en de door politieagenten bewaakte Eerste en Tweede Kamer voorbij, om van op de stenen brug de Hofvijver te bekijken, is Jan de eerste die ik terugzie. Jan is groot. Heel groot. Ontieglijk groot voor een vogel. Hij staat hoog op zijn sterke poten, heeft een grote bek en een sterk lijf.

Hoewel hij weinig of niets met de Vlaamse stad heeft te maken, noemen ze hem Jan van Gent. Met een kleine “v”. Van adel, dus.

Stoere Jan houdt van zotte zeeën. Hij kan duiken als geen ander, kickt op haring en is op dit moment van deze koude dag de enige klant bij het viskraam. Ook het kraam met blauw en wit staat er nog. Alsof het er altijd is geweest. Een gedrocht in deze omgeving, maar ik heb er vrede mee. Jan maakt veel goed. Als hij er is, is het stil bij het kraam. Zijn vaste stek heeft hij sinds kort op de hoogste nieuwe Haagse architectuur. Uniek zicht op de vijver en korte, heerlijk duikvlucht naar de binnenstad.

Ik kan Scheveningen ruiken. Of ik de tram neem? Nee. Nooit ga ik daar nog naartoe. Dit soort koterijen heeft er namelijk het hele strand ingepalmd. Ik parafraseer even de pas gestorven Vlaamse zanger Luc De Vos: De Middenstand regeert het Strand, beter als ooit tevoren… Zonde voor het Kurhaus. In de jaren ’70 zag ik het van honderden meter ver. Een schilderij was het. Toen was er niets dan zand, zee en Kurhaus.

Het is eind november, de avond valt snel en het is ijzig koud. De wind blaast uit volle kracht. Van op de brug kijk naar ik de hoogbouw naast en voor de oude stad. Mooi. ’s Gravenhage.  Oud en nieuw samen. Knappe architectuur en toch niet pocherig. Geen banaal KAM-gedoe zoals bij het station van mijn geboortestad Brugge. Ik reed er vanmorgen nog langs.

Ook in het Mauritshuis, nu museum, maar ooit het stulpje van een graaf, vallen oud en nieuw mekaar in de armen. Langsheen glas en beton en een zacht bochtende trap kom je er ondermeer bij de talloze schilderijen van Rembrandt en andere oude meesters, op de wellicht oorspronkelijke parketvloer en bij het vakkundig bewerkte hout. Ik geniet, maar wil vooral Het Meisje zien. Het Meisje met de Parel. Het Meisje van Vermeer.

Heel wat bezoekers genieten van het oude huis. En toch kijken velen naar buiten. Is het de overvloed aan kunst binnen? Of zijn ze in de ban van dat torentje, daar? Van “het” torentje. Is in hun verbeelding minister-president Rutte daar nu aan het piekeren? Even in afzondering? Op zoek misschien naar vele doekjes voor het bloeden.

In een kleine vierkante plas tussen de ambtswoning en het Mauritshuis amuseert zich een kleine vogel. Geen familie van Jan. De kleine wentelt zich in het koude nat. Een Einzelgängertje.

Het Meisje van V. zal me ontgoochelen. Ik hield sowieso al meer van Vermeers straatje en van dat andere meisje van hem, dat met de melkkan. Maar posters worden tegenwoordig zo knap gemaakt. En voor het echte werk zit glas. Het vertroebelt het aanzicht.

Het Puttertje, dan maar. Een heerlijk werkje uit 1654. Ik lees dat Carl Fabritius het heeft geschilderd. Deze vakman zou er amper 32 worden. Het distelvinkje dat hij meesterlijk op doek vastlegde kon water putten! Vandaar. De ketting aan zijn pootje zie ik niet. Het beestje is zo betoverend mooi!

Een groep keurig uitgedoste Nederlandse dames luistert naar een enthousiaste gids. Ze doet het verhaal van een schilderij uit de doeken. Een anatomische les uit 1632. Ik luister even mee. Vraag me af wat waar is en wat verzonnen.

Vanuit “Barlows”, waar de frietjes en de mayonaise het povere slaatje verteerbaar maken, staar ik naar Het Plein. In het midden troont Willem van Oranje.

Het hotel bevindt zich in de buurt van de ambassades. Het is al bijna donker en toch maakt een politieagent me duidelijk dat daar geen foto’s mogen worden genomen. Ik woon even in de laan van een Groot-Hertogin. Eindelijk vind ik Hotel P. De jonge dame is vriendelijk. De kamer daarentegen donker en somber. Ik hou van gezelligheid. Hier wordt duidelijk bespaard.

Nog wat lezen – als dat lukt -, straks lang slapen en morgen mediteren. Bij en voor Rothko’s grote doeken. En als het daar te druk wordt, neem ik mijn toevlucht tot ’s mans kapel.

 

 

 

 

 

 

 

JOHAN DEBRUYNE, eind november 2014

 

 

Venetië

Venetië

Eergisteren, in de herfstzon;  gisteren, in de gietende regen: in onze tuin samen een perceeltje varens opgeruimd. Jaren brachten ze schoonheid en was het er voor de katers heerlijk toeven en stoeien. De nukken van de voorbije zomer hebben ze danig verziekt. Al meteen waren ze bruinig, slap en misten ze hun gebruikelijke frisse buigbaarheid. We hebben er nu siergras aangeplant. Het moet nog struiken en op zijn beurt een avontuurlijk terrein worden voor de beesten. Ik bekijk het vanuit het bureau terwijl ik aan het schrijven ben.

Omdat haar rug minder aankan dan de mijne, ben ik vanmorgen om boodschappen gereden. Ook eens het te lang opgespaarde glazen leeggoed meegenomen. Door de ronde gaten laat ik het glas de containers in kletteren. Ik leef me uit als een kwajongen. Hoe harder het galmt hoe leuker. Als hier maar geen GAS-boetes van komen…

Nadien, in het warenhuis, pluk ik wat kranten uit het rek. In DS zie ik een vensterraam met kanten gordijnen. Ervoor: een houten kantwerkstertje. Dit moet Brugge zijn! Ook deze krant “bevraagt” in verkiezingstijden. Het beeld, dat het oubollig cliché van mijn geboortestad bevestigt, prijkt prominent aan het begin van een bijdrage over de politieke toestand in de provincie West-Vlaanderen.

Wat zouden Anne en Mercedes, beiden kandidaat-burgemeester, hiervan denken? De voorbije legislaturen werd weinig ondernomen om dat bestofte  imago weg te werken. Dagjespolitiek. Toevalstreffers, zoals “De Treurenden”. Nee, meneer de burgemeester, ook jouw “Kamarama” kon het imago niet opfrissen. Pure poenschepperij, suggereerden velen. Vriendjespolitiek. Zei u zelf. Evenmin de door u aangezogen Gwij Mandelinck. Beeldend culturele willekeur was het en het heeft helemaal niet gewerkt. Het fonteintje op  het Stationsplein? Plassertjes. Meer niet! Zelfs niet het nieuwe concertgebouw met enkele topwerken tegen de binnenmuren. En al zeker niet de nieuwe glazen koterijen op ’t Zand. Het verloederde Ito-paviljoen hou ik nog buiten beschouwing. Er is een potje van gemaakt. Maar, ik zei het vaker: Brugge kan heel wat hebben!

Met mijn vrouw spreek ik af op het terras van “De Middenstand” (’t Zand). En kijk, net nu ik me na 10 jaar met het concertgebouw heb verzoend, staat zo’n joekel van een parkeertickethok in de weg. Ik zie amper nog de helft van wat vele Bruggelingen ongenuanceerd “De Bunker” noemen. De terrassen er vlak achter gapen van leegte: daar geen straaltje eindejaarszon!

Omdat ze wat langer wegblijft dan verwacht, stap ik maar eens tot bij de beeldengroep in het midden van het plein. Het water dat het geheel feeëriek moet maken is even het zwijgen opgelegd. Brons en water? Da’s om problemen vragen, zei me ooit een vakman. Van achter werfhekkens kan ik het werk van dichtbij observeren. Ik kom tot het besluit dat vooral de dieren meevallen: vogels en een enkele hond. Ik ga naar het terras terug, verlangend naar de klasse van iets als “Les bourgeois de Calais“ van Rodin.

Zoals wel vaker gebeurt neem ik plaats naast een Bruggeling die ik ken. Of ik weet wie België volgend jaar op de “Biënnale van Venetië” zal vertegenwoordigen. Berlinde De Bruyckere! De wereldvermaarde kunstenares uit Gent die zich bereid had verklaard een centrale rol te spelen in het nissenproject dat ondergetekende hier uit de grond wilde stampen. Helaas, al wat Brugs en paaps is werkte tegen. Bij gebrek aan respect haakte de kunstenares na diverse bezoeken aan Brugge af. Einde verhaal.

Wie weet had de stad zich hiermee wel op de kaart van de actuele beeldende kunst kunnen zetten. Met chocolade – hoe lekker ook – is het niet gelukt. En koken en lekker eten terwijl elders mensen creperen van de honger… Als Christenmens zou ik me schamen. Ik blijf er weg.

Ik ben maar een Bruggeling. Ik moet aan Geeraerts denken. Het voelt voor mij vaak een beetje aan als: Ik ben maar een neger. Toen in “2002” de Langestraat in zicht kwam, mijn geboortestraat notabene, waar ik elk huis en zijn geschiedenis ken, werd doodgemoedereerd niet aan deze jongen gedacht. Nee, daar waren… Gentenaars voor. Het mocht wat kosten. En waarom is die schreeuwlelijke buste van zoon V.A. nu nog niet in de Groene Rei gesukkeld? En waarom is dat marmeren tuinversiersel in Groeninge er alsnog bijgekomen? Willekeur!!! Het zal wel nooit veranderen. Elk doet hier zijn zin en iedereen houdt zijn mond. Mobiliteit is prioritair!

Vreemd, dacht ik vanmiddag. Altijd wanneer er lokale verkiezingen zijn, hangt aan verre buur J.-P. zijn raam een affiche met Moenaert op, “zijn” burgemeester. Nu is het er zoeken naar diens gedoodverfde opvolger…

Soit, onze tickets voor Venetë zijn er. Het hotel is geboekt. In juni trekken we een wijle naar het echte Venetië.

JOHAN DEBRUYNE, oktober 2012