Tag: maria

Strook

                           

 

 

STROOK

Ik woon in een Brugse laan, waarlangs je de stad verlaat via een brug. Een beschermd monument dat door bronzen bizons geflankeerd wordt. De imposante beesten, van de hand van Octave Rotsaert (1885-1964), zijn op sokkels gehesen. Een eerbetoon aan Canadese soldaten die de stad, in 1944, precies op deze plek triomfantelijk binnen zijn gemarcheerd. Nu dezer dagen het aantal activiteiten dat aan de wereldoorlogen wordt gelinkt amper nog te tellen valt, zou je verwachten dat een cultuurstad als Brugge er op zijn minst voor zou zorgen dat deze site er fraai uitziet. Niets is minder waar. De brug, de laan en de trottoirs liggen er schabouwelijk bij! Maar de bizons zijn sterk. Zij houden stand.

Als je over de brug rijdt en je kruist de brede weg die later “Bevrijdingslaan” is gaan heten, ben je quasi meteen in een randgemeente. Sint-Andries. Vroeger, toen ik in het centrum van de stad Brugge opgroeide, associeerde ik deze gemeente in eerste instantie met “De Klokke”, het ondertussen verdwenen legendarische voetbalstadion van mijn favoriete club. Pas veel later met “De Platse”, het kloppend hart van de gemeente, waar na voetvalwedstrijden van Club Brugge hooligans en andere kuddebeesten al eens hun duivels ontbinden. Ik zou nog de Zandstraat vergeten. Schande! Daar woonde een tante van me. Na de vroege dood van haar man had ze Charleroi voor een wat doods uiteinde van die straat ingeruild. Ze woonde er nog lang.  Alleen. Tante had geen kinderen. In het eenvoudig huisje was het gezellig toeven. Was ze op stap, dan had ze de rolluiken half neergelaten. Een tuinstrook gaf groente en meiklokjes (in overvloed) en in de pluktijd klommen we de immense kersenboom in. In de kleine woonkamer stond een kast met een glazen schuifraam. De snoep lag er voor het grijpen. Aan het keukentje paalde een kleine kelder. Daarin kregen de ham en de worstjes, die ze twee huizen verder bij de slager haalde, de tijd om te drogen en almaar lekkerder te worden.

Er is ook nog de steenweg naar Gistel, die “De Platse” doormidden snijdt en Sint-Andries met Varsenare, een meer groene en residentiële rand, verbindt. In mijn sportieve nadagen ging ik daar shotten.

Omtrent meetkunde werd ik lang na mijn schooltijd nog door nachtmerries gekweld, een GPS bezorgt me klamme handen en gênant uitdijende okselvijvers, dus weet ik nog niet zo lang hoe dicht ik eigenlijk wel bij Sint-Andries woon. Ons scheidt alleen een laantje met een rotonde, waar gelukkig nog geen sculptuur op is neergezet. Op het einde buigt de laan zich en rest nog een handvol huisjes. Geen shoppingcentrum in deze buurt, maar toch regeert de leegstand.

Vorig jaar was het daar feest. Een handvol handelaars had besloten om die rij verkommerde woninkjes wat leven in te pompen. Ik ben even langs gelopen. Aan de overkant stond ik me te vergapen aan twee monumentale menselijke figuren die tegen verlepte geveltjes waren aangebracht. Knap en intrigerend. Ze keken mekaar aan en waren gevormd door stroken en spieën  gerecupereerd hout.  Een eenvoudig en tegelijk ingenieus lijnenspel, leek het me. Hoewel de twijfel me vaak in haar macht heeft, had ik iets van: hier was een klassenbak aan het werk. Maar ik had kunst zat om me onledig mee te houden en liet de figuren voor wat ze waren. Vergeten zou ik ze echter niet.

Pas veel later, vraag me niet hoe dit komt, kwam ik er achter dat het om kunstwerken ging van een zekere “Strook”, pseudoniem van Stefaan De Croock, een stadsgenoot. Onlangs trok zijn werk opnieuw mijn aandacht. Hij stelde tentoon in de Kortrijkse Budafabrieken. Ik nam de tijd om een en ander van het internet te plukken, nam contact op en reed naar Kortrijk, waar “Taxixylogy” op zijn laatste benen liep.

Voor het eerst kreeg ik een overzicht te zien van Strooks werk. In grote ruimtes stond ik een hele rist figuren aan te staren. Hoe hij te werk gaat werd duidelijk bij een soort felverlichte, witte passage met zwarte buitenwanden. Hiertegen leunden oude deuren, latten, houtafval. Getaand wachtend op een nieuw bestaan in het oeuvre van Strook. Binnenin: reeksen vierkante blokjes uit het verpauperde hout gezaagd. Voorts onaangeroerd. Merkwaardig wat “tijd” vermag! Ze liet me ondermeer wolken, zeeën en een weg ontdekken.

Strook tekent veel, vertelt hij, wat naar Sint-Lucas (Gent) leidde. Maar hij is voor alles een graficus, iemand die combineert, creëert en bouwt met lijnen. Fragmenten “vergeten” hout gaat hij ingenieus combineren tot verrassende bustes. De figuren hebben geen ogen en toch kijken ze naar je. Of net niet. Is het mede door het leven dat de materie achter de rug heeft dat ik bijna steevast een zekere melancholie voel? Of ligt het ook aan de aard van de maker? Een gevoel van melancholie beroert ook zijn ziel. Strook zet als het ware archetypes neer. Gevoelsmatig en doordacht speelt hij met tal van factoren.

Terwijl vandaag zowat elke kunstenaar figuratief in de weer is, durft Strook het aan om ook met een ruime reeks abstracte werken uit te pakken. Meer nog dan bij het figuratieve werk, dat – vraag me niet waarom – makkelijk verleidt, speelt hij hier in op bestaande structuren, tekeningen en kwetsuren in het hout. Hij combineert met vlakken die hij in beton afgiet en zelf beschildert. Ook met verf kan hij uit de voeten. De kunstenaar weet ook verdomd goed wanneer je met je fikken van de dingen af moet blijven. Tijdig stoppen met een creatie is ook een kunst. Strook verliest zich niet in getuttel. Geen franje.

In de Rodestraat, op het nummer 66, heeft hij zijn atelier. Ik woonde om de hoek. In de Langestraat. Op 66 woonde lang, denk ik, ene Malvina. Zat zij niet altijd op een stoel in het deurgat? De Rodestraat… Ik kende er de bakkers, Van Belle en Tavernier. Bij struise Lina ging je om vis. En bij Cyrille en Maria was ik kind aan huis. Hoe Strook dus ook een beetje mijn jeugd terugbrengt.

JOHAN DEBRUYNE, december 2015

 

 

Maria van Middelburg nu ook op youtube!

 

HET GROTE GENIS
Kindermisbruik, corruptie, rotzooi, Kantelberg…
Deze kerk werd ooit nog ingewijd door monseigneur VG.
Of dat grote plakkaat misschien weg mag?
Als signaal naar de talloze slachtoffers?
De kerkfabriek gaat beslissen, meneer. Maar
dat doet ze natuurlijk niet.
De leugen regeert. De fabriek gaat te biecht,
hun vunzigheid met muffe habijten
van katholieke iconen bedekt.
Van zoveel smeerlapperij keert Maria zich af:
Idolen, Iconen, Idioten…
In Middelburg loop ik haar, Maria, in een bloemenzaak tegen het lijf.
Kleurloos, ingetogen, maar glimmend. Pluk de Dag, zingt de baas.
Vanuit de Gortstraat neem ik ze mee naar Brugge, dorp bij de zee.
Als het duister dreigt geef ik haar licht en kleur.
Meer kan deze duifgrijze stad niet wensen.
Ik wou haar bij me, haar sobere, glimmende aanwezigheid. Haar twijfels naast
die van mij. Even ontsnapt ze maar net aan het vuur.
Lezen de haastige passanten de woorden boven haar nis,
ooit gewoon een ruit? Ik denk het niet.
Parels voor de zwijnen.
J.D.

wensen 2012

Met deze Maria van Middelbrug open ik plechtig mijn website!