Tag: kunst

Wat minder “vrienden”…

Wat minder “vrienden”…

Intro: Er wacht fysieke verhuisarbeid en in het huis, dat lijdt onder het te snelle en zwaar verkeer, zal ik stielmannen gedogen. Het zijn dingen die ik ontzettend moeilijk verteer. Ik lig er wakker van. Pantomed binnen handbereik. En er sluimert nog meer. Op advies ben ik op 25 mei dan toch keurig mijn stem gaan uitbrengen. Ik was dit voor het eerst nochtans niét van plan. En nog maar eens heb ik het wrange gevoel dat de dames en heren politici er niets mee aanvangen. Met die stem. Maar ik troost me. Ik ben lang niet de enige. En zelfs uit boeken vol feiten worden geen lessen getrokken.

Gisteren vertelde ik buren, bij wie we bij toeval waren blijven hangen, dat ik – je bent en blijft journalist en dus ook nieuwsgierig (vandaag recenseer ik weliswaar alleen nog over beeldende kunst) – me zowat mijn gehele volwassen leven heb ingezet voor een correcte (?) plaats/kans voor actuele beeldende kunsten. In hoofdzaak in mijn geboortestad Brugge. Het was een slopend gevecht tegen de bierkaai, tegen lieden met veel meer centen, meer macht en invloed, een strijd waarvan ik doorgaans overtuigd ben dat ik (en met mij nog een pak liefhebbers) hem definitief heb verloren. Niet getreurd. We gaan elders genieten en ik heb gedaan wat binnen mijn beperkte mogelijkheden lag.

Het werd een bij momenten gepassioneerd gesprek, dat ons tal van kanten uitstuurde. We hadden het zelfs over godsdienst. Stel je voor! Iemand gooide een citaat van professor Vermeersch op tafel i.v.m. het verwekken van ene Adolf Hitler. Dat, wanneer er echt een God zou bestaan, die zich dan toch wel in dit specifieke geval met een aantal chromosoompjes zou hebben bemoeid. Enfin, precies weet ik het niet meer. We dronken intussen ook wel wat. We fulmineerden over de aarde die we serieus aan het verkloten zijn. Heeft u het daarnet in het Journaal – ik heb toch weer gekeken – gezien van al dat plastic in de oceaan, het lijf van de dieren en dat van ons? Het verhitte danig de gemoederen. We praatten ook over esthetiek, decoratie, vakmanschap, design, over de schrijnende kloof tussen rijk en arm (voorbeelden hoefden we heus niet ver te zoeken), we zochten naar definities, en hadden het net zo goed even over de Vlaamse regering, waarvan voorspeld werd dat die heel snel gevormd zou zijn. Want, CD&V en NV-A (niet zo lang geleden een kartel), dat is nu toch zo ongeveer hetzelfde, opperde een tafelgenoot.

Het verhaal van de jong gestorven en controversiële Amerikaanse stand-upcomedian, Bill Hicks, passeerde de revue. Die zou tijdens een optreden naar God persoonlijk hebben gebeld hebben en Hem nog aan de lijn gekregen hebben ook. Toen de performer Hem vroeg waar Hij was gebleven tijdens een verwoestende orkaan (het ging in elk geval over iets wreeds), antwoordde God hem dat hij op dat moment in Afrika aan de kindjes aids aan het uitdelen was…  Eerlijk, ik kende Hicks niet. Ik werd een wijle stil. In de verte zorgden wat huisdieren in tuinen en op terrassen voor wat beweging.

De gesprekken waren geladen, werden sappig gelardeerd, maar waren ook vermoeiend, zo zou vandaag blijken.

Ik moet node wat meer tijd voor mezelf, mijn hobby’s en mijn dierbaren maken. Al te vaak zit ik aan Facebook gekluisterd. Het scrollen duurt almaar langer. Toen ik na een burn-out met FB begon (ik was vooral benieuwd naar hoe mijn oud-studenten het er af zouden brengen/zo werd Sören zopas ingenieur met grootste onderscheiding), had ik me voorgenomen geen lieden uit de politiek tot mijn virtuele vriendenkring toe te laten. Ik heb als criticus immers altijd afstand tot de macht willen houden.

Maar nogal snel schreef iemand op zeker ogenblik: Johan, Bart Caron behoort ook tot je FB-vrienden.  Inderdaad. Ik had Bart altijd met “Brugge, 2002” en dus met cultuur geassocieerd, niet met politiek. Dus, kon zowat iedereen op de duur mijn FB-vriend worden. Trouwens, dacht ik, waarom mogen de mensen uit de politieke wereld niet weten wat ik denk? Ik heb niets te verbergen. Maar ondertussen, heb ik kunnen constateren, liggen de verkiezingen achter de rug en zijn vooral die mensen heel wat minder FB-actief. Weer misbruikt, dus.

Om niet te cynisch te worden heb ik ondertussen de raad van mijn schaarse echte vrienden opgevolgd: ik kijk veel minder naar de journaals. En iets als Ter Zake bijvoorbeeld bekijk ik af en toe nog eens. Altijd maar diezelfde gezichten, het zich in bochten wringen omheen de waarheid. Ik kan er nog amper tegen. Ik voel meer irritatie dan informatie.

Ik vind tot besluit niet dat iemand zich de pretentie kan aanmeten om mensen een FB-vriendschap te weigeren.  Maar ik moet ook aan mezelf denken. Binnenkort haal ik dus eens flink de borstel doorheen mijn FB-vrienden-bestand.  Inperken.  Alleen kunst kan me redden, het genieten van de tuin, de gasten uit de fitness, wat moois en een boek, samen met een (wellicht aangeboren) vorm van melancholie, die ik zoetjes onder controle kan houden.

J.D., begin juli 2014

Hannelore

HANNELORE

Ik heb (verhalen van) collega’s bij wie je amper nog het bureau of de woonkamer binnen kunt, omdat het verzamelen en koesteren van boeken (bij sommigen ook nog eens van platen, CD’s en andere spullen) er het triviale leven en bewegen zowat onmogelijk maken. Nog voor het digitale tijdperk zijn niet te stoppen opmars zou aanvangen, bouwden zij met tastbare kennis en informatie een soort burcht om zich heen. Iemand die het terrein niet kent tot dit fort van kennis toelaten was en is haast onmogelijk. Wie er wel ooit is binnengeraakt hoorde continu uiterst behoedzaam langsheen ongemeen waardevolle obstakels te laveren. Aanvaringen met al die – vaak eigenzinnig – opeen getaste kleinodiën waren en zijn nauwelijks vermijdbaar. Weinig of geen bezoek, dus.

Het verzamelen van boeken. Ze bezitten. Het zich omringen met op papier gedrukte kennis en taal. Het is een virus dat zich ook in mij heeft genesteld, zij het dat het toch wat minder navrante neveneffecten heeft geressorteerd. In de woonkamer laat ik tenminste de parketvloer ongemoeid. Mede wellicht omdat ik de oude, knap in elkaar gepuzzelde rechthoekjes gewoon mooi vind. De glans van het hout. De krassen. De onuitwisbare sporen. Heel af en toe de geur van boenwas.

De kasten daarentegen zitten barstensvol en de salontafel is geannexeerd terrein. Gelukkig is onze grote vierkante “laagtafel” een stevige constructie: een sober, lapidair houten meubel, dat zowaar moeiteloos ook nog eens mijn gewicht kan dragen. Ik heb het uitgetest. Dat ik hooguit een weltergewicht ben? Schijn bedriegt. Ik heb een scherp gezicht, maar voorts zit ik meer dan behoorlijk in het vlees. Een tijd geleden ging de wijzer van de personenweegschaal nog pijnlijk gezwind over de honderd. Alarmcijfer. Sinds een week heb ik mijn lichaamsgewicht opnieuw onder controle. Ik heb weinig keus: mijn botten lijden danig onder de kilo’s. Minder eten, dus, tijdelijk amper snoepen en veel drinken. En nog meer… plassen. Leuk is anders.

De salontafel ten onzent. Een toch wel heel solide ding! Toen L. eens om boodschappen was, gebruikte ik de tafel als opstap om iets storends van het plafond te pulken. Ik plantte mijn grote kousenvoeten behendig te midden de stapels boeken. Vervolgens plukte ik een langgerekt stofje van het plafond. Zelfs flinterdunne ongenode zaken kunnen me irriteren.

De salontafel… Het is een plek waar mijn vrouw ook wel eens wat voor bedenkt. Iets met groen bijvoorbeeld. Of met keien. Of kaarsen. Het is haar niet gegund. Ik maak misbruik van zijn robuustheid en stapel maar. Ik laat het meubel niet koketteren met zijn mooie, geleefde hout. Ik heb blijkbaar een ziekelijk behoefte aan een uitzicht op boekenruggen. Ooit maak ik tabula rasa. Ik heb het L. meermaals beloofd.

De laatste maanden torent een enkele stapel met niets dan verhalen en brieven omtrent WOI moeiteloos boven alle andere uit. Enkele heb ik uitgelezen, maar ze werden steeds niet naar de boekenkasten (her en der in het huis) verwezen, wat gewoonlijk hun lot is. Hun eindbestemming. Ik maak mezelf wijs dat ik bepaalde passages nog moet herlezen. Maar eigenlijk weet ik dat er niet van komen zal. Er dient telkens weer iets anders aan.

WOI.

Ik volgde de tv-serie “In Vlaamse Velden”. Ik maakte er elke zondagavond tijd voor. Alleen voor de laatste aflevering kon ik dat niet regelen. Deze heb ik dus in “uitgesteld relais” bekeken. Wel op een niet zo’n geschikt moment blijkbaar. De weemoed zat al enige tijd in mij te pieken en ik kreeg het ontzettend moeilijk tijdens de finale editie. Vlaanderen heeft een pak goede acteurs!

Maar die Eerste Wereldoorlog… Mag ik overdaad gebruiken? Of kan het nooit genoeg zijn? En worden er lessen uit getrokken? Uit de vele journaals blijkt van niet. Ik kan me ook niet ontdoen van de indruk dat het oorlogsleed schaamteloos lijkt te worden misbruikt om toerisme en commercie te promoten.

Ondertussen, in een of ander journaal, gezien hoe de meer dan voortreffelijke acteurs van “In Vlaamse Velden”, nog voor de laatste aflevering was uitgezonden, samen met “fans” op de foto gingen. Ik wist niet wat ik zag. Terwijl de meer dan  geloofwaardig gebrachte reeks, waarvan de oorlogsgruwel zich diep onder mijn huid had genesteld, nog liep, gingen de acteurs lallend met de fans op de foto…

De wereld Draait Door. Laat het mensenras toch wat langer voelen hoe onpeilbaar erg het was en is. Oorlog. Hoe vreselijk het moet zijn om te (over)leven in Syrië, Lybië, Afghanistan, Egypte, Turkije…

Op het tafeltje naast de leeszetel ligt “Oorlog en Terpentijn”. De bladwijzer verraadt het: hiermee ben ik bezig. Maar al een wijle geraak ik niet verder in Hertmans’ roman. Net nog had ik vriend Bill aan de lijn. Zoals hij momenteel zijn grote passie (het schilderen) nog maar eens heeft afgezworen, ben ik het oorlogsgedoe zat. Het deprimeert me.

Bill informeert naar wat er in Be-Part (Waregem) te beleven valt. Hij had – even voor een babbel bij de buren – een uitnodiging zien liggen: “The Perfect Wave”. De invitatie toont ook een foto van een jonge kerel, surfend op een immense golf. Hij vraagt het omwille van de zoon des huizes, verwoed watersporter.

Het is de titel van een tentoonstelling, zeg ik. Ik was nog maar net naar de vernissage geweest en vertelde Bill dat het geen spek voor die jongen zijn bek zal zijn. Alleen het werk op de uitnodiging, dat ook “The Prefect Wave” heet, heeft met surfen te maken.

Be-Part toont werk van Nicolas Provost. De prille veertiger is beeldend kunstenaar, cineast, videast, regisseur… en tast op intrigerende wijze de grenzen tussen media af. Zijn perfecte, want oneindige golf, is mooi, maar zegt me weinig. Ik ben geen waterrat.

Verstomd keek ik wel naar wat zich bij het binnenkomen achter mijn rug afspeelde. Een lange rij wachtenden in de metro van New York, stad waar de kunstenaar verblijft. Voor deze opname had hij onnoemlijk veel geduld moeten opbrengen, las ik achteraf. Hij wilde wachten op het moment waarop een heel  zeldzaam soort licht de metro binnen valt. Snijdt. De niets vermoedende figuranten worden protagonisten. Ze maken doodgewone bewegingen die in slow, slow motion worden getoond. Het werk roept associaties op met het oeuvre van Bill Viola. De vaak bijna tergende, verwarrende traagheid, de kwaliteit, het unieke moment, het licht, de sfeer, de uitzonderlijke beleving van en inkijk in iets doodgewoons.

In de tentoonstellingsruimte liep ik een oud-minister tegen het lijf en ik zou er – na lang – nogal wat kennissen uit de kunstwereld ontmoeten. Ook Michaël Borremans, onlangs door iemand tot “Belgiës Rembrandt” gebombardeerd, was op het appel. Naar diens tentoonstelling in Bozar (Brussel) ga ik straks. Nee, geen interview, meneer Borremans. Wat moet je zo iemand trouwens nog vragen?

Ook de West-Vlaamse gouverneur was er. Ik was zelfs op tijd om naar ’s mans toespraak te luisteren. Ik hou blijf doorgaans weg van tentoonstellingen waarop de aanwezigheid van politici is aangekondigd. Al zeker wanneer ze ook nog eens het woord voeren. Ontaal! Wat kan dat soort volk momenten van schoonheid bederven! Ik kan ook na de vernissage gaan kijken. Nauwelijks gestoord. Dit doe ik dan ook gewoonlijk. Maar vrienden hadden me gepraamd: “Laat nog eens je kop zien!”

Wel, ik heb me niét geërgerd. Noch aan de inhoud noch aan zijn West-Vlaams dialect. De man moet geoefend hebben. Zo hoort het ook.

Ik heb buiten, op het terras, genoten. Maar ook binnen, toen het er wat rustiger werd. Van hoe en waar Provost filmt, hoe hij op zijn manier verwijst naar de (kunst)geschiedenis en onder al gefilmde beelden een verrassend scenario schrijft.

Maar het meest indruk heeft “The Invader” gemaakt. Of beter: Hannelore. Hannelore Knuts. Hoe ze stapt, hoe ze kijkt. Een blik die voorbij alles heen lijkt te kijken, maar waarvan je vermoedt dat ze toch registreert wat belangrijk is. Hoe ze zich opricht en naakt langs de zee stapt. In de richting van aangespoelde, uitgeputte kleurlingen. Twee donkere mannen, van wie de sterkste de andere lijkt te gaan redden. Erin slaagt hem op het droge te sleuren. De blik die hij – als het redden van een leven bijna een feit is – met de ranke, blanke vrouw wisselt is onvergetelijk! Een beeld dat zowel het verleden als het heden in zich draagt. En nog veel meer. Het is de  beginsequentie van de film “The Invader” (2011).

Op de vernissage was Hannelore aanwezig. Nog groter, want op hoge hakken liep ze rond. Gewoon. Gekleed in een soort gordijnstof, stijl jaren 60, schat ik. Daar had zowat iedereen op het terras van het kunsthuis het over. Mannen zowel als vrouwen. Elkaar waard in de roddel. Ze keken zich (heimelijk) de ogen uit. Wat is ze groot. En mager. En dat haar… Die commentaren. Het hoort er bij. Van de kunst naar de smalltalk en terug. Hannelore Knuts heeft een beklijvende indruk op mij gemaakt. Straks zie ik haar als engel in het oeuvre van Borremans.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

JOHAN DEBRUYNE, april 2014

 

Mag ik je “vriend” noemen?

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Mag ik je “vriend” noemen?

 

Een licht golvend

landschap van Morandi

wil ik zijn, waarin jij

af en toe langskomt

op sandalen of in zware bergschoenen

(je bent stil, het maakt niet uit)

en zacht tegen me praat

tot ik nog moeër word.

J.D.

 

Sinds een week zijn we thuis. Amsterdam, de drukte, Haarlem, de musea en de warmte hebben sporen nagelaten: de kop zit vol; het lijf kreunt. En een van mijn enkels zal nog wel een tijd gezwollen blijven. Mijn broze enkels – vanwege het te lang sporten (wat mis ik die bal!), – brengen me bij een jeugdvriend. Dirk. De immer joviale Dirk. In jaren niet gezien. Sterke vent. Maar gevoelig. Guitig en ondeugend. Een “neen” viel hem zwaar. Dus bleef hij vaak hangen… Ook in mijn hart. Zijn vrouw was Rita. Een vriendin van het koppel schreef het op mijn prikbord: Rita plots gestorven. Hartaderbreuk. 59.

Ik lees het boek “Maar is het kunst”. Het is moeilijk om de aandacht te houden. Poesjkins diepe hoofdwonde herstelt goed. Met een voorwendsel (schijnbeweging) kreeg ik hem te pakken om hem tot bij de dierenarts te brengen. Die locatie maakt me misselijk. De geur, de ellende. De herinneringen ook aan de dieren die je eerder node al hebt laten “inslapen”. Een ziekenhuis voor dieren. En af en toe een dodenhuis.

Lekker voel ik me dus niet. Mijn vrouw evenmin. Terug naar mijn vluchtheuvel: kunst. In Amsterdam heb ik vooral mijn tijd in het Nieuw Stedelijk Museum doorgebracht. Uit noodzaak ging ik vaker zitten. Ik keek beter en grondiger dan voorheen. Alle nadeel heb zijn voordeel. Cruijff heeft altijd gelijk.

Je bent er amper de draaideur van “De Badkuip” voorbij en daar heb je hem: Tuymans! Of is het Beatrix? Absoluut centraal – terecht – hangt het schilderij waarop de Koningin prijkt. De moeder van wat ooit een gidsland werd genoemd. Het gezicht gehavend. In ruige toetsen bijeengeschilderd. A la Tuymans. Haar kapsel is intact gebleven. Iconisch. Mooier heeft de kunstenaar haar niet gemaakt. Integendeel. Hoeft ook niet. Haar onwrikbaar kapsel tekent haar koppigheid. Haar doorzettingsvermogen. Het respect voor traditie. Haar verantwoordelijkheidszin… Afstand. Deze jongen had respect, ook al vindt hij de monarchie een onnavolgbare poppenkast.

In Tate Modern, jaren geleden, vond ik Tuymans bleekjes naast Hopper. Maar deze “Trix” heeft karakter. Die kleuren. Ze zuigt alle aandacht naar zich toe. Ik denk aan Claus, die ik bewonderde, aan Friso, haar pas gestorven zoon, aan haar vader, wiens anjer misschien de geur van corruptie neutraliseerde. Mis ik de tristesse in haar ogen? De moeheid? Komaan, het is een schilderij. Maar ze is het!

Tuymans en de Koningin. Al van in de hal van het museum wordt heftig gediscussieerd. Op de muur links de taal van Weiner en je piept al even in de verte. Naar de plek waarlangs je ooit het museum binnenkwam. Rodin en Wouters. Elk in een hoek. Monumentaal brons. Boven een centrale balie zucht speels en kleurrijk een bescheiden Calder. Het meest verrast ben ik door een ruwe steen op een primitieve houten tafel: Weiner! Voorts grote metalen kleurstrepen. Soll Lewitt.

Zwemmen was nooit mijn ding, maar in deze “Badkuip” is het een beetje thuiskomen. Op Serra ( buiten) geraak je niet uitgekeken. Germaine Richier, wat is dat lang geleden! En een Pollock. Voor hij dripte. Maar toch zijn het Dubuffet, Kippenberg en Jorn die me het meest pakken.

Venetië, Londen en Amsterdam, kort na mekaar. In een hete zomer die niet meer werd verwacht. Ik vind de slaap niet. Doe het rustig aan, zegt de huisarts. Ik kocht het boekje “Maar is het kunst”. Tweehonderd pagina’s. Ik heb het net uit en voel me stommer dan ooit. Ik zal maar voort op mijn gevoelens afgaan.

Wat is kunst? Wat is goede kunst? Wat is ambacht? Ik heb er boek noch school voor nodig. Zoals mijn vader pistolets draaide. Dàt was ambacht! Dat weet ik zeker. En met een paar verftoetsen Beatrix neerzetten. Dat is kunst. Is het goede kunst? Vraag me dat niet!

Ik zie hoe een jonge kerel zijn dochtertje vertroetelt. En hoe het blonde meisje aan haar vader hangt. Liefde op zijn mooist! Geleerde dames en/of heren hebben echter beslist dat hij zijn dochter maar een dag in de week mag zien. Schande!

Ondanks de pijn en mijn verwarde kop ben ik toch naar het fitnesscentrum getrokken. Langer dan een half uur blijf ik er nooit. Nee, Midas, een patiënt ben ik niet. Hoewel, ze lopen hier dik. Ik ben alleen gedoemd te blijven bewegen. Het doet ook deugd een paar toffe kerels tegen het lijf te lopen. De laatste tijd immers mijd ik mensen. Sluit ik me op. In mijn boeken. Mijn werkkamer. Zo rot heb ik me lang niet gevoeld. Ik wil met rust gelaten worden. Dat ze alleen nog in een museum of kunstgalerie over kunst beginnen.

Ik wil kijken en dromen. En wat schrijven. Meer niet. Maar tegen domheid is geen kruid gewassen. De vragen vliegen me langs de oren. Alsof je vader zou moeten zijn om te weten hoe je een kind moet opvoeden. Ik heb een paar duizend leerlingen voor me gehad…

Vriend Johan, zegt iemand. En voegt er meteen aan toe: Ik mag je toch “vriend” noemen? Ik ben verrast. En toch alert genoeg om meteen en gemeend “graag” te antwoorden. Het is me niet eerder voorgevallen. Als criticus ben je trouwens op je hoede. Men is doorgaans  vriendelijk tegen je. Willen ze een tekst? Een recensie? Een persnota? Maar deze kerel is anders. Hij moet niets van me. Dat weet ik. Dat voel ik.

Vriend? Veel hoef je mekaar niet te zien om vriend te zijn. Definiëren wat een vriend is, is net zo moeilijk als bepalen wat kunst is. Ik begin er niet aan. Op je gevoelens, Johan. Zoals ik na tientallen jaren weet dat mijn vrouw meer is dan mijn vrouw. Ze is ook mijn vriend. Ze voelt me aan. Of de kerel ook een goede vriend is? Dat zal de tijd uitwijzen. Ik heb goede hoop.

JOHAN DEBRUYNE, september 2013

 

 

“Zoek eens een toffe vent voor me!”

  

“Zoek eens een toffe vent voor me!”

“Zoek eens een toffe vent voor me!” Ze zei het lachend, maar tegelijk een beetje uitdagend, verholen gebiedend, licht smekend, klagerig. Sinds die eerste “bede” heeft ze me meermaals plagerig aan mijn belofte herinnerd. Ik had  toegezegd. Niet beseffend hoe ontzaglijk moeilijk het zou zijn in deze mijn belofte na te komen. Gedurende de tien jaar dat ik actief was in een sociale Brugse wijk werd me allengs ook van alles gevraagd. Je houdt het niet voor mogelijk. Een vaart met een luchtballon bijvoorbeeld. Wel, dit soort zaken valt te “regelen”.

Terwijl ik vlotjes – in woord of mimiek – gehoor had gegeven aan haar vraag, dacht ik wellicht onwillekeurig aan de talloze kennissen die de laatste jaren uiteen waren gegaan. Op de Markt van de Liefde moest dus wel wat te rapen vallen.

Was het maar zo gemakkelijk, weet ik onderhand. Ik heb de handen en het hoofd al meer dan vol met mijn eigen zelve. Zo wil ik wil er een punt van maken het kind in mij te bewaren. Een karwei! Daartoe probeer ik af en toe “het” nieuws te bannen. Journaals te missen. Ik probeer de verwondering levendig te houden. Ze de kans geven tot bruisen.

Vooral kunst kan bijwijlen intens geluk ressorteren. Ook mijn vrouw slaagt daar wel eens in. Haar in regel stille aanwezigheid. Met andere mensen gaat dit moeizamer. Ikzelf praat minder dan ik placht te doen. Ik word stiller. Het wordt me soms gezegd. Dan ervaar ik een licht verwijt. Maar heb ik nog geen lawaai genoeg gemaakt? Ik ben ook sneller moe. Doorgaans van het praten. Ik moet aan Nolens denken. Mijn favoriete, donkere dichter.

Een toffe vent, luidde de “opdracht”. Een geschikte man.

Mannen… Ik zie al eens hoe ze zich in groepjes lazarus drinken. Hoe ze de dag erna met een kater in de clinch moeten. Het zegt me weinig tot niets. Of ze hebben “oortjes” in en luisteren naar muziek. Of ze sturen en lezen digitale berichtjes. Een man zoeken! Buurvrouw, toch. Daar zijn bureaus voor, dacht ik wat later. Bevolkt met professionele “koppelaars”. Of catalogeer ik haar opdracht over de muur heen onder “smalltalk”?

Heel af en toe roept ze mijn naam. Onze tuin (smal en diep) paalt deels aan haar stukje groen. Omdat ik lang ben, kan ik vanuit mijn keuken zien of haar achterdeur open staat. Wijd open. Of op een kier. Alleen voor Geraldine, haar kat, of voor een zuchtje buitenlucht. Of voor zichzelf en/of het sporadisch bezoek. Een vriendin. Wat luid. Maar open en eerlijk. Soms vang ik wat op.

Wanneer ze uit werken is – ze is verpleegster – kan ik rond halftien volkomen relaxed een kwartiertje ochtendzon plukken. Die zon verdraag ik nog. Huis-en-tuinkledij over de leuning van een keukenstoel, wat smeren en gaan liggen. In slip. Een wijle genieten. Batterijen opladen.

Wanneer ik vermoed dat ze thuis is – dan staat haar achterdeur wijder open – en ik ben het praten en de mensen nog maar eens moe, dan hou ik me zo gedeisd mogelijk. Misschien maak ik mezelf dan wijs dat ook zij niet altijd zin heeft in een portie geleuter. Over de muur. Of een gesprek. Leuteren doen we zelden. Met een gezonde regelmaat gaat het over de dingen des levens. Onze tuinmuurpraat.

Ik moet er onze klimop en blauwe regen min of meer in bedwang houden. Zij stelt vast dat haar rank met heel prille druiven al meteen naar mijn “domein” nijgt. Ook ons groen zoekt elkaar op.

Als ze me wil zien terwijl ze praat, moet ze uiteraard over het muurtje kijken. Dan is mijn naam gevallen. Aan de overkant staat een taboeretje klaar. Vervolgens verschijnt een mooi, ietwat dromerig kopje. Zwart kort haar. Lieve ogen.

Ze had al eens een tuintang nodig of een lange vent om de kruipplanten van andere buren wat in te korten. En wij kregen al zelfgekweekte aardbeien en snoep voor onze katers. In hartvorm. Een van hen lonkt naar Geraldine. Maar ik heb hem verwittigd: “Wieb, een kat, en dan nog een vrouwtje. Weet wat je doet als je  het muurtje afzakt!”

Ik ben net terug van een paar dagen Londen en heb wat Toblerone meegebracht. Ze snoept graag. Ze is lief en charmant en praat langzaam en zacht. Moeilijk te vatten dat zo iemand alleen woont, terwijl ze eigenlijk niet voor dat solitaire heeft gekozen. Vandaar dat ze me al enkele keren vroeg: “Zoek eens een toffe vent voor me!”

Een vijftiger zoals zij? Ze ziet er minstens tien jaar jonger uit. Ik ken nogal wat sportmensen en cultuurfreaks. Maar een bodybuilder hoeft ze niet. En continu met kunst bezig zijn? Ik denk het niet. Ze wil een man die graag praat. Het woord beheerst. Die zin heeft voor humor. De nood aan knuffels is behoorlijk groot. En empathie staat ook hoog op haar verlanglijstje. Over seks hebben we het niet gehad. Welopgevoede jongen!

En ik heb nu eenmaal argeloos “ja” gezegd, toen ze me vroeg om te helpen zoeken. De belofte kwelt me wel eens. Weinigen zijn graag altijd in hun eentje. Maar ik heb veel te doen en ook mijn tempo en actieradius zijn drastisch gedaald. Echt zoeken doe ik dus niet. Ik moet eerlijk zijn.

Maar bijna elke dag word ik aan mijn belofte herinnerd. Als ik vanuit mijn schrijfplek een flard van haar tuintje zie. Wanneer ze de rolluiken laat ratelen. Zelfs als ik in de woonkamer een boek zit te lezen. Telkens ze dan op die ene plek een stekker in het stopcontact wringt… Om te stofzuigen. Of om het wereldwijde web af te tasten. Op zoek naar…?

En als ik me rond middernacht  moe op bed laat vallen. Ik weet dat haar hoofdeinde aan het onze paalt. Ik had me na mijn loopbaan in het onderwijs, waar je om “ambras” te vermijden al eens je tong afbijt, voorgenomen alleen nog de dingen te zeggen zoals ze zijn. Desnoods behoorlijk verpakt. Voorgenomen niet meer zomaar “ja” te knikken als ik het niet serieus meen of wil.

Voor mijn buurvrouw een toffe vent zoeken. Waaraan ben ik begonnen?

JOHAN DEBRUYNE, juli 2013

Niet de kers op de taart

Al zo’n 13% “gekaasschaafd” en nog geen actie

Niet de kers op de taart

Voor Bart Caron (Vlaams parlementslid) is het geen sinecure om enige media-aandacht te krijgen. Noch hoed, noch partij (Groen) noch rode bril hebben veel aarde aan die dijk gebracht. De vijftiger, die indertijd ”Brugge 2002” voorbereidde, is een man van het compromis en focust al zijn hele leven op het thema … kunst & cultuur. Hij is ook geen minister. Dan loop je al wat makkelijker in de kijker, natuurlijk. Als je cijfers verwart, voor je beurt praat, een slechte thriller schrijft, oneliners de ether in jaagt, de wereld digitaal je blote voeten laat zien, tot gouverneur wordt (weg)gepromoveerd of een taal niet beheerst. Daar staan de gazetten wél bol van. Maar wie zich als politicus met kunst en cultuur bezighoudt… En op de koop toe contrabas speelt! Dan wenkt het droevig lot weg te kwijnen in een halfrond onder een glazen koepel.

Maar net nu de kans er dik in zit dat ook het kunstenwereldje door de financiële crisis averij op zal lopen (nog niemand kwam in actie!), heeft Caron een boek geschreven. Een bestseller? Wie weet. Het heeft wat van een kookboek: een klein gebakje met een reuzenkers. Ik kan Thomas Schütte en Münster niet van me afzetten. Weet je, er bestaat fruit dat je nooit vergeet!!!

Een analyse. Een noodkreet. Een voorzet tot bezinning. Debat. “Niet de kers op de taart” heet het lijvig (277 pagina’s) en wellicht behoorlijk saai, maar (voor ingewijden) ongetwijfeld nuttig ding. En plots staat de pers zich te verdringen. Voor de presentatie ervan is O. Vrijstaat volgelopen en dat op een mooie, maar koude winterdag.

Het is halfzeven in de ochtend. Waarom kan ik het niet laten de radio (1) aan te zetten? Immer vroeg uit de veren, trouwens. Voor onze geadopteerde katers. Er is ook de opwinding van het nieuws, waarmee ik steevast van op het nachtkastje word gewekt. Maar eerst de dieren. Er is namelijk een arbiter van doen. Gecastreerde mannetjesputters… Wat zou er gebeuren als de scheids er niét was? Zoals in Denderleeuw onlangst? Jongetjes van 12. Katertjes, dus. Ze voetbalden dermate furieus, dat de ouders niet konden achterblijven en de politie diende opgetrommeld! Voetbal als uitlaatklep. Subsidiëren?

De radio staat hard. Niet voor het storend gepruttel van de koffiezet. Die kreeg onlangs azijn te slikken en loopt dan een wijle zoetjes. Ondertussen ligt de krant op de ontbijttafel. Standard & Poors. Sinds die dagelijks het nieuws halen en heel Europa in de ban houden, ken ik ook plots die meneer van Trends. Een nieuw soort vedette die bevattelijk analyseert: dat het de politici zelf zijn die de ratingbureaus groot hebben gemaakt. Maar wie controleert die mensen? En wie controleert de commissieleden in de kunstwereld? Jon Misselyn (hoofdredacteur MAG) stak zijn vinger de lucht in. Wie waakt daar over zelfbediening? Ik droom wat weg. Zoals heel vroeger op school. Kan maar moeilijk de aandacht houden. Economie mengt zich met sport en ik hoor praten over kunst. Over centen. Voor kunst.

Clijsters wint moeizaam set 1. Darcis geeft op. Malisse ook. En gisteren ging mijn Clubje nog zwaar onderuit. Er wordt gezegd dat Vandenbrempt er straks een boom over komt opzetten. Ik wil het niet horen. Bad looser! Tijd voor de krant. Het lezen, om het katern ongeveer door een katergril onderbroken…

Groot, groter, grootst. Journalisten pakken er graag mee uit. Laat die schaalverblinding toch over aan havendirecteurs, denk ik. Meer nieuws hebben die doorgaans niet. Een cruiseschip heeft slagzij én doden gemaakt. 3000 cruiseurs en 1000 bedienden. Eén slaafje per 3 mensen. Ik denk aan Hans Op de Beecks “Sea of Tranquility”. Mooi, maar die gitzwarte ondertoon. Gesponsord? Of al rijk genoeg, deze kunstenaar? Of, à la Fabre, een massa geld om zijn gezegend brein te laten werken?  Geen idee.

Wat is kunst? Wat is relevant? Wat voegt iets toe? Moet het steeds nieuwer? Gisteren een buur van het roken afgeholpen. Ik had geschreven dat die vier rokers in Café De Muppets er wel heel ongezond uitzien. Misselyn trotseert de wind op de dijk. Een pauzesigaret. Ondertussen ga ik plassen en mis een muzikaal intermezzo. Schuld van de moderator. We zitten weer. Het debat kan beginnen.

Ik word niet wijzer. Ook Carons boek zal niet helpen. Het is heet in het te kleine zaaltje. Wie is ook alweer minister van cultuur? Schauwvlieghe. Zij die nu het hele jaar door die mooie vossen laat neerknallen. Hoe wreed kan je zijn? Toen ze pas met dienst was zei ze ooit een amateurtoneelstuk te hebben gezien. Lang geleden. In een parochiezaal wellicht. Gesubsidieerd? Soit, ze had genoten.

Caron had het over de kaasschaaf die al tot zo’n 13% besparingen aandikt (en nog niemand die reageert. Het gaat immers nog slechter in Nederland en Groot-Brittannië…). Toch maar opletten voor dat bloedbad, denk ik, want nogal wat cijfers blijken niet te kloppen de laatste tijd. Noch in Vlaanderen, noch federaal. Rekenen is moeilijk geworden. Dat machientje, meneer! En Rehn is wakker! Ik zag hem voetballen. Goeie techniek. Muyters voetbalt ook. Die heeft meer van Van Moer, vind ik. Ploeteraar.

Hoge en lage cultuur. 4 fauteuils. De moderator, een politicus, Jan Goossens (artistiek leider KVS) en Gust De Meyer (professor en polemist). En buiten, op de dijk, langs de Koninklijke Gaanderijen, in het mooiere gedeelte van deze aartslelijke badstad: joggers, ouders met kinderen, groepen vrienden, wandelaars… En wij, binnen, met z’n allen over cultuur. Woorden. Mooi, monotoon, altijd gewillig, soms gevat. Kijken en luisteren. Het gaat er bijwijlen heftig aan toe. Theater? Er wordt gefilmd… De prof, die zelfs het publiek op zijn nummer durft zetten, maakt even aanstalten – zo leek het toch – om het podium te verlaten. Meende hij dat? Ik vermoed van niet. Spektakel. Gesubsidieerd? Ik weet het niet. Voorbeelden uit de praktijk. Die mis ik al te vaak in dit soort gesprekken. Men lult er liever omheen. De Meyer niet. Gracieuze provocateur, toch!

Het boek moet ik nog lezen. Straks, als ik niet in snot val, nadat de loodgieter het huis uit is. Op de weg terug naar het station (voor de allereerste keer met de trein naar zee en met de tram naar de gaanderijen), ook eens een kant gezien van Oostende die ik niet ken. Lelijk. Ook daar, zoals in Brugge en bijna overal, schabouwelijk brons. Bij het station. Commissies… Wie besliste hier? Wie stelt ze samen? Wanneer ben je bekwaam? Moet je 200 toneelstukken per jaar zien? Alle biënnales? Ik vind van niet. Daar heeft Goossens een punt.

We zullen doorgaan. List, als je straks in de buurt bent, kom ik naar je luisteren. En kijken. Naar je gebeitelde mimiek. Naar je kunst. En of er dan snobs in de zaal zitten. Het zal me worst wezen. Merci, Bart, voor het boek en de ochtend!

 

JOHAN DEBRUYNE, januari 2012

 

Maria van Middelburg nu ook op youtube!

 

HET GROTE GENIS
Kindermisbruik, corruptie, rotzooi, Kantelberg…
Deze kerk werd ooit nog ingewijd door monseigneur VG.
Of dat grote plakkaat misschien weg mag?
Als signaal naar de talloze slachtoffers?
De kerkfabriek gaat beslissen, meneer. Maar
dat doet ze natuurlijk niet.
De leugen regeert. De fabriek gaat te biecht,
hun vunzigheid met muffe habijten
van katholieke iconen bedekt.
Van zoveel smeerlapperij keert Maria zich af:
Idolen, Iconen, Idioten…
In Middelburg loop ik haar, Maria, in een bloemenzaak tegen het lijf.
Kleurloos, ingetogen, maar glimmend. Pluk de Dag, zingt de baas.
Vanuit de Gortstraat neem ik ze mee naar Brugge, dorp bij de zee.
Als het duister dreigt geef ik haar licht en kleur.
Meer kan deze duifgrijze stad niet wensen.
Ik wou haar bij me, haar sobere, glimmende aanwezigheid. Haar twijfels naast
die van mij. Even ontsnapt ze maar net aan het vuur.
Lezen de haastige passanten de woorden boven haar nis,
ooit gewoon een ruit? Ik denk het niet.
Parels voor de zwijnen.
J.D.

Cultuur?

Johan Debruyne Het wordt politiek alvast een boeiend jaar in Brugge. Benieuwd welke partij in zijn programma zal durven opnemen dat het een groot deel van de beelende rotzooi die door de voorgangers in de publieke ruimte is neergepoot zal weghalen en eventueel mét kennis van zaken (bevoegde commissie) zal vervangen. Werk aan de winkel.