Duimen?

Duimen?

Zaterdagochtend. Alweer. Dat de tijd vliegt is geen boutade meer. Ik haal voorzichtig twee volumineuze kranten uit de brievenbus en bevrijd ze van bijlagen en katernen. Het plukken begint al bij de voordeur en ik maak de klus bij de ontbijttafel af. Het is een routineus werkje en alle hebben ze een vaste stek. Ook de plannen om gelezen of bekeken te worden, of net niet, liggen min of meer vast. Ik heb wel lang niet altijd de fut om naast het zelf bezig zijn met van alles en nog wat ook nog eens alle weekendbijvoegsels te lezen. Een deel ervan is rotzooi en vliegt meteen een kartonnen doos in. Het is én koesteren én bevrijdend een doos in kieperen.

Het wordt stilaan wat warmer en de katers slapen weer buiten. Ook vannacht.  Zelfs gisteravond was er geen houden aan, ondanks vuurwerk op een plein niet ver bij ons vandaan. De feestelijke start van de meifoor, veronderstel ik. Het regende bovendien pijpenstelen. Behalve voor oliebollen of een puntzak friet van “De Gezondheidsapotheek”, zo heet het kraam, kom ik er niet. Ook buiten de meimaand frequenteer ik zelden dit grote plein. Het is een kille vlakte en ik verdraag maar moeilijk het artistieke brons dat er water staat te slurpen.

Poesjkin, onze oudste kater, zit op de tuintafel te wachten. Wieb zakt van het balkon af. Die heeft in zijn mand geslapen. Waar Poesjkin de hele nacht uithangt is ons al tijden een raadsel. Ik geef ze een best gevarieerd ontbijt, de verwende nesten. Na enige tijd staat Wieb geduldig aan de verkeerde kant van een deur te wachten. Hij weet dat er een butler komt, die Johan heet, en dat die de deur een wijle op een kier zal zetten. Dan kan hij de trappen op. Zoals gewoonlijk klimt hij langzaam en behoedzaam naar de logeerkamer. Alsof niemand het mag weten dat hij daar een vast, behoorlijk luxueus dagverblijf heeft. Poesjkin heeft de keuken dan voor zich alleen. Het ruzie maken en het schaduwboksen zit er op.

Radio 1 staat aan. Het gaat over de Koerden. Een reportage van 25 jaar geleden. “Het Haat goed in de wereld”, speelde beeldend kunstenaar Jeroen Daled niet zo lang geleden ondeugend met taal. Deze zin, rode letters op een zwart vlak, moet opnieuw aan het raam, denk ik.

Het radionieuws is – zoals elke ochtend – niet van aard om me vrolijk te stemmen. Integendeel.  Ik eet en zie hoe de luchten snel passeren. Ik hoor “Nathalie” van Gilbert Bécaud. Het lied bezorgt me kippenvel en vochtige ogen.

Wat later lees ik over het lied dat de Rode Duivels op het komende EK in Frankrijk vleugels moet geven. Er is kritiek. Elk zijn meug, natuurlijk, maar de spelers zelf zouden hiervoor geopteerd hebben. Volgens sommigen heeft het lied, een creatie van twee wereldvermaarde Belgische dj’s, een al te hoog “Tomorrowlandgehalte”. Ik had er gisteren toevallig een flard van opgevangen  en vond het best. Niet meteen mijn genre muziek, maar toch beter dan toen  op kampioenschappen beschamend onnozele liedjes van Will of Rocco met de Rode Duivels werden geassocieerd. Om nog maar te zwijgen van het vals geneuzel van ex-internationals. Boffin en Degryse. “Go West” moet het onding geheten hebben.

Na het ontbijt mag Poesjkin de eettafel op. Hij weet het. Van zodra ik in de woonkamer verdwijn, wipt hij de tafel op. Hij wordt een dagje ouder en ik nog wat milder ten opzichte van onze oudste viervoeter. Hij krabt zich, valt in slaap bij een rist pillendozen waarvoor geen plaats meer is in de apotheekkast en na zijn ochtendslaapje vind je overal plukken haar. Vlak voor het middageten moet ik dus even aan de slag met een paar vellen van de keukenrol. Gelukkig heeft de kleine leeuw een weelderige vacht.

Om de zoveel tijd kiest hij trouwens een nieuwe stek om zich enkele uren ongestoord te nestelen. Een tijd geleden liet ik hem weer de werkkamer binnen. Hij vlijde er zich vlak voor de printer en dus vlakbij het scherm en het klavier. Als ik dan aan de slag moet of wil, ben ik genoodzaakt het toetsenbord op te schuiven, begint het snoer van de computermuis vervelend te doen en bovendien gebeurt het wel eens dat hij zich lekker uitrekt en dat er stapels papier op de grond kletteren. Ik heb weinig orde. Mijn bureau is een zootje. Ik wil wel, maar ik kan niet ordenen. Het is een vijs die ik mankeer. De melancholie zit vandaag weer diep in mijn lijf.

Morgen, in de vroegte, denk ik, stap ik weer een eind op de lelijke trottoirs, op weg naar de dichtste bakker. Ik zie dan her en der dezelfde affiche hangen: “Duimen voor een warme samenleving”. Mooi kalligrafisch vorm gegeven. En voor het woord “samen” is meer zwart gebruikt. Elk jaar bezorgen Linda en Eddy, lieve, verre buren, me zo’n slogan met een groot BZN-gehalte. Ik spaar ze, maar afficheer ze niet. Te naïef, vind ik, al zeker in deze wereld, en in een laan, een soort snelweg, waar de meesten elkaar amper kennen en een “goeie morgen” bij velen wordt afgeremd door een soort verbale constipatie.

Ik lees en mijmer en vraag me af hoe lang er al te weinig controle op onze  luchthavens zou zijn. Een commissie gaat het uitvogelen.

De baas van minister Galants kabinet, de man die ogenschijnlijk genoegzaam  zijn minister in zijn aangekondigde val heeft meegesleurd, kwam in beeld. Aan de slag (nou ja) aan zijn bureau. Op een zitbal en op sokken. Een verstandige, maar best vervelende vent, naar verluidt. Na het plaatje kan ik er me iets bij voorstellen. Tiens, mijn schoenen uitdoen was iets dat ik voor de klas net niet durfde. Ik had er nochtans vaak zin in. Ik zou me voor de klas nog meer in mijn sas hebben gevoeld.

Op het moment dat ik vaststel dat de Erdogan-rel (omtrent een niet geapprecieerd gedicht dat een Duits komiek aan de Turkse Leider had opgedragen) al verwezen is naar een kaderstukje dat amper opvalt, denk ik aan vanmiddag. Ik hoop dat Honoré d’O me (in het Oostendse Mu.Zee) met zijn grenzeloze fantasie even alle rottigheid zal doen vergeten.

JOHAN DEBRUYNE, half april 2016