Tag: kelder

Hond

Hond

 

Meer dan tien dagen geleden zijn twee vaklui vakkundig ons hele achterhuis van stellages komen voorzien. Een installatie! Ik had meteen zin om op de diverse niveaus beeldende kunst te integreren. Het plastic afdak voor mijn bureau had er eerder moeten aan geloven, want er diende ook daar gebouwd, de hoogte in, tot bij een joekel van een schoorsteen. Weg dus – voor meer dan even – de geborgenheid voor de katten en het tikken van de regen. Daar konden de poezen – als ze buiten wilden slapen (zij beslissen; wij staan ten dienste) – lekker droog blijven mét zicht op tal van tuinen. Er stonden uiteraard mandjes, gevuld met dekentjes.

Ons oude huis slikte de laatste tijd her en der water. De schoorsteen moest dit absoluut te bestrijden euvel als eerste bekopen en een nieuw dak zou definitief soelaas (lees: droogte) brengen. Ondertussen stormt en regent het al van net toen de twee mannen de deur achter zich dicht hadden getrokken, en een ander (vriendelijk) duo met poten aan het lijf, vader en zoon, het werk zouden komen af maken. Tot op vandaag zijn we helaas een schoorsteen armer, de poezen hun droomplek kwijt en is het wachten op dat nieuwe dak.

En ondertussen hadden we plannen gemaakt. Eens het nieuwe dak er zou zijn, dan was het tijd voor een grondige beurt voor mijn bureau (ramen, deur, plafond…) en wat later zouden nog andere onderdelen van het huis – we wonen hier nu bijna 20 jaar – worden opgefrist. Helaas, na een paar dagen was het de… kelder die ons gemoed zowat de doodsteek gaf. Sinds de stad Brugge hier aan de openbare weg heeft laten prutsen moeten we met regelmaat laarzen aantrekken, willen we iets uit de kelder halen: grondwater. Het heeft volgens “kenners” (zowat alle buren) niets met regenval te maken.

Het is een merkwaardig fenomeen, dat water zo maar uit het beton te voorschijn komt. Hier zou een videast vast iets mee aan kunnen, denk ik. Telkens mijn vrouw en ik bij een waterstand van enkele centimeters een tweetal uur in en rond de kelder actief waren, keken we de ogen uit. Dit soort werk deprimeert, maakt ons moe en droef, maar tegelijk was er ook altijd die verwondering. L. stond steevast beneden (hoefde zich niet te bukken); ik hield boven de wacht. Enfin, ik tilde het sierijzer dat het keldergat afdekte even op, haalde een vieze en glibberige gele buis te voorschijn en legde die zo’n meter ver op het trottoir. Voorts liep ik er voor spek en bonen bij: ik hield in de gaten of het debiet niet minder werd. Af en toe verdwaalden steentjes of wat afgebladderde verf in het dompelpompje en diende L. het apparaatje te repareren of opnieuw aan de praat te krijgen. Doorgaans deed ze dat met zachte hand. Maar bleef het ding dienst weigeren, dan handelde ze – volkomen tegen haar natuur in – met geweld. Hoe je mekaar, na bijna 40 jaar, wroetend in de buurt van een kelder nog beter leert kennen…

Het feit dat tijdens het afvoeren van stenen van de afgebroken, werkloze schoorsteen, de kruiwagen het licht gehavend sierdeksel helemaal had verknald, gaf ons zowat de genadeslag: houdt het nu nooit op? En gaan wij alles kunnen blijven repareren? 67 en 63, maar vooral fysiek behoorlijk afgetakeld. Niets kunnen we nog zelf. Waar L. vroeger bijvoorbeeld met engelengeduld het houten terras lenteklaar maakte, moeten we ook dit werk straks door een ander laten opknappen. De relatief kleine tuin en een snoeischaar? Daar waag ik me al enkele jaren niet meer aan.

Omdat de stad waar ik geboren en getogen ben me al vaker in de steek heeft gelaten, begon ik op een avond naar sites met appartementen te koop te surfen. We hadden dan wel besloten in het huis te blijven, maar L. weet dat ik, eens ik iets in mijn hoofd heb gehaald… Ze had gesuggereerd: als je dan toch nog wil verkassen, het liefst zo dicht mogelijk bij het station, dan geraken we gemakkelijk uit de toeristenfuik weg. Vreemd? We zijn beiden in deze stad geboren en opgegroeid en hebben er alle twee een haat-liefde verhouding mee. Het volkomen ontbreken van actuele beeldende kunst en boeiende, gedurfde, nieuwe architectuur in de binnenstad, het bannen van de auto, het tot vervelens toe promoten van de fiets, terwijl fietsen ten onzent levensgevaarlijk blijft, zowel voor de fiets als voor de fietser, de nooit aflatende lof over een fraai kabouterdorp… Het ergert ons.

De rolluiken blijven nu al tien dagen naar beneden. Ik zit dus vaak in het donker en mis het daglicht. Maar die stellages inspireren me niet. Ik doe het nodige werk, maar aan schrijven – tenzij in opdracht, of brieven voor buren en korte berichtjes – kom ik amper toe. Ik lig vermoeid languit in de zetel en denk wat ik straks, mochten we voor een appartement opteren, zou moeten achterlaten. Er zijn kunstwerken en -werkjes die ik voor geen geld ter wereld zou willen missen. In de boeken (hoewel ik aan een ernstige vorm van bibliofilie lijd) kan ik aardig rommelen en al wat ik van de school heb bewaard, ligt me wel na aan het hart, maar de school draait ook zonder mij.

Ik ben wel wat verliefd geworden op het beeld van een hond dat zo’n honderd jaar oud moet zijn. Een schitterend kunstwerk, vind ik. Nu we gedwongen de eetkeuken aan de kou en de vakmannen laten en altijd in de woonkamer eten, kijk continu op zijn knappe kop. En passant aai ik hem (het is duidelijk een reu), ik hoef hem niet mee naar buiten te nemen, want eigenlijk ben ik geen mens (meer) voor zo’n krachtig dier. De artrose die zich koppig in mijn schoudergewrichten heeft genesteld alleen al zou een wandeling onmogelijk maken. Echt aaien, optillen en spelen met, dit kan ik nog altijd met Wieb, momenteel onze enige kater. Ook hij is door de werken – die al tien dagen zijn gestaakt – zijn draai helemaal kwijt. We hebben voor hem een en ander verhuisd, maar het is wennen voor ons harige en licht autistische warhoofd. Nooit denken ze toch aan de dieren wanneer ze zulke dingen doen?

Maar wat laat ik achter? Die talloze doorgaans kunstige dieren in huis? Onder het dak logeren wel honderd marmotten (het gevolg van een socio-cultureel project waarin dat Alpendier een centrale plek had), allemaal met een verhaal. Achter mijn computerscherm koester ik het pluchen beertje van Maria (mijn rechterhand tijdens datzelfde project, dat tien jaar duurde), een kitscherig, maar onweerstaanbaar tijgertje, een mini-buldog met aan zijn nek het plastic bandje dat ik om de pols kreeg toen het S.M.A.K. zijn deuren middels een flauwe boksmatch opende, twee hondjes van Sweetlove (eentje toeft hier tijdelijk) met een petfles op hun rug en schoentjes aan, de enige beer die L. ooit maakte, een kitscherig varkentje gekocht in de Katelijnestraat, de prachtig opgezette marmot die de bakkerin, mijn vroegere buurvrouw, meebracht uit een onooglijk bergdorpje, de al licht verweerde graffitimarmot (creatie van Pino I) op de tuinmuur…

Ja, als we verhuizen, maar dit zal voor iedereen gelden, wordt het moeilijk afscheid nemen. Ik had het dan nog eens niet over de ovenstukken uit de bakkerij van mijn vader-zaliger. Dat soort ovens wordt niet meer gemaakt.

Terwijl ik zit te schrijven denk ik eraan dat mijn jongste broer nu ongeveer in Leuven (Gasthuisberg) wordt geopereerd. Na nog een controle – morgen – en een wellicht lange weg naar genezing, voeren ze hem morgen al terug naar het AZ Sint-Lucas Brugge. Super dat dit allemaal kan, maar ik krijg bepaalde beelden van dierenvervoer maar niet uit mijn hoofd…

 

Johan DEBRUYNE, begin maar 2017

 

Kwelkommer

 

 

 

 

 

 

 

Kwelkommer

Nadat ze zich in een veelkleurige collant heeft gewrongen

pluk ik de zwarte pantoffels van haar voeten.

Uiteindelijk help ik haar in groene laarzen. Ervaren en

dus voorzichtig daalt ze de wankele trap af en krijgt het

pompje aan de praat. Ze is net niet te groot

en waadt moeiteloos doorheen het plonsbad.

Bij extreem laag water beroept ze zich op de vloerwisser.

Van dan af is het waterwissen met de kraan open.

Telkens het beton quasi droog is geveegd, maakt de vloer

zichzelf weer nat: kwel. Een cynisch gewroet,

maar straks weer vers grondwater. Wonderlijk.

Aan de voordeur klemde ik een onwelriekende buis

onder een gehavend trottoirversiersel. Ik hou het debiet

in de gaten. Af en toe. En passant doen buren mij

hun verhaal van water, kelders, kwel en kommer.

Ik hunker naar droogte.

Het oude huis biedt onvoldoende weerstand

tegen buitensporig geweld van regen en wind.

Met huiver denk ik dan aan vroeger: aan een

kleine jongen, emmers her en der, onder gebroken glas.

Wat later tast ik mijn boekenplanken af en denk aan

mijn pas gestorven zus. Zij had net een nieuw

pompje besteld. Ik zie Bill voor me en de onredelijke

stofwolk die hij ooit creëerde bij het schijven van

het kleine keldervierkant. Zo’n waterpompje hoeft geen

piëdestal. Het ronkt vanuit de diepte.

Ons middagdutje zat er op.

Vreemd, sinds zus er niet meer is

zijn we nog maar met zijn tweeën moe.

 

JOHAN DEBRUYNE, begin februari 2016

 

 

Taakverdeling

Taakverdeling

De natte zit onder mijn huid. In knoken en pezen. Niets lijkt letterlijk nog vanzelf te gaan. De weilanden aan de rand van de stad verzuipen net niet en in “Eigen Kweek” (tv 1) komt het met de patatten nooit meer goed. To the voantjes. Wiet wenkt. Onze kelder is een waterreservoir. Ik heb de laatste tijd, meer en vaker dan me lief is, voor een wijle bij de voordeur post moeten vatten.

Dat gaat zo: eerst help ik L. in haar groene laarzen. En passant een klein gebaar voor zij het vieze karwei aanvat. Eens gelaarsd, daalt ze de scherpe trap af. Naar het diepste punt van ons huis. In de kelder staat het water tegenwoordig gemiddeld zo’n 20 à 30 centimeter hoog.

“’t Is de kwelle”, zei ooit een verre buur. Een absolute grondwaterkenner. Toen we hier kwamen wonen, hebben we maar meteen een pompje geïnstalleerd. Een plekje gegeven. Men had ons niet verwittigd, maar we wisten snel hoe laat het was. Hoe nat vooral.  Vervolgens ga ik naar de voordeur. Van op het wat uitgesleten bordes wring ik voorzichtig een smeedijzeren halve cirkel uit twee gleufjes. Ik maak verbaal duidelijk dat mijn bijdrage er zowat op zit en dan zorgt L.  ervoor dat een gele slang zich tot in de buurt van mijn hand naar omhoog wurmt. Vervolgens zorg ik ervoor dat het rubber ding zich halverwege het trottoir een tijd gedeisd houdt.

Eens dit voor mekaar, kan ze het motortje aanzetten. Het oppompen duurt een vervelende tijd. Ondertussen verkeer ik in de onmogelijkheid iets zinnigs uit te halen. Lezen noch schrijven lukt. En mocht het lukken, ik zou me niet betrokken en schuldig voelen. Bovendien ben ik om de haverklap geneigd om te gaan kijken hoe het bij de voordeur nog… loopt. Of het debiet nog enig niveau haalt.

Wanneer ons kelderbassin is leeggelopen, gebruikt L. een vloerwisser om het resterend water bijeen te trekken. Het pompje staat in een putje. Een bijzonder plekje. Wanneer ik, na zo’n “operatie”, op het gelijkvloers L. nog eens een handje toesteek – nu bij het uittrekken van de laarzen – komt beneden als bij wonder alweer water tevoorschijn. Op twee plekken. Het heeft een Bijbelse allure: water dat, zonder gat noch gleuf, doorheen beton borrelt.

Ik zei het al: ik vind het een vreselijk vervelende bezigheid, terwijl ik nauwelijks wat doe. Dat ik in de kelder bezig zou moeten zijn en de taak van L. hoor uit te voeren? Ik begrijp het. Maar dit is eigenlijk interne keuken. Een toch wel zinvolle taakverdeling. Er is inderdaad niet meteen een fysieke reden om de opdracht zo te verdelen. De kelder is meer dan hoog genoeg opdat ik met mijn 1,87 meter rechtop zou kunnen staan. Dus is mijn slechte rug in deze voor een keer geen excuus. Die van L. is er trouwens  niet beter aan toe. Maar wat je niet weet is dat er van tijd tot tijd rotzooi in die kleine machinerie verzeild geraakt. En dan weigert het ding alle medewerking. Wel, op zo’n moment komen een minimum aan handigheid en geduld aardig van pas. En laat dit net twee eigenschappen zijn die je bij mij hopeloos zal zoeken. Zij daarentegen…

Hoe vaak heeft L. me er – twee verdiepingen hoger – niet van weerhouden mijn PC door het raam te gooien? En voorts, ik zal het toch maar vertellen, als zij het werk in de kelder doet, blijft ze alvast van smalltalk gespaard. En als ze aan iets een hartsgrondige hekel heeft…

Ik moet zeggen dat ik me bij het meest recente hoosmoment minder verveeld voelde. Ik assisteerde voor een keer zowaar bijna fluitend. Het water in de Filipijnen, da’s pas erg, kon ik me overtuigen. Net gestort, trouwens. Acht maal nul en twee keer 21. En eer ik cijfers uit het hoofd ken… L. heeft gestort. Ze is ook met cijfers zoveel handiger dan ik. Ik speelde ooit met mijn leerlingen én met taal. Zij daarentegen schreef borden vol. Formules. Onder andere.

Ik ga wat liggen in mijn vertrouwde zetel en laat de poëzie van Szymborska (die ligt er altijd) voor wat ze is. Ook in een fragmentje Martin Bril heb ik nu geen zin. Ik heb muziek van doen. Vanmorgen nog deed “Fire” van Adèle (Radio 1) me zowaar even dansen. In mijn pyjama en in mijn eentje. Voor even maar, want daar waren die beelden uit de Filipijnen weer. Ze borrelen op als het water in de kelder.

Af en toe moet ik me even van deze wereld kunnen afzonderen. Dan neem ik de koptelefoon en luister naar een paar van de 78 liedjes op mijn kleine apparaatje. Clapton, R.E.M., C.C.R., Queen, Arno…  Allemaal door mij gekozen nummers. Er zit ook een enkele Hazes tussen: met “Bloed, zweet en tranen” doorbreek ik dan even de stilte. Het meebrullen lucht op. Maar wat me dit keer opvalt is dat Aznavour en Boudewijn De Groot eeuwig mooi, maar een tikkeltje glad klinken. Het is “De Zotte Morgen” die blijft hangen. Nee, Vanuytsel, de mist trekt bij mij niet langzaam op. Profetisch lied, geschreven en gezongen door een… architect. En Patricia Kaas. Van het allermooiste!

Zondagochtend. Vroeg uit de veren. L. verklaart me gek. Oefeningen – voor de rug (ik heb rugschool gevolgd) op het rubber matje en dan de douche in. Vervolgens de katten op hun wenken bedienen en dan naar de bakker. Te voet. De dichtste vind ik al op zo’n 300 meter. Een luxe. Maar ik moet er wel naartoe middels het lelijkste en wellicht meest krakkemikkige trottoir van de stad. Ik had er me nochtans al bij neergelegd. Alle zijstraten van de parochie zitten in een nieuw kleedje. Maar de laan, die de wijk dwarst, is een schabouwelijk ding. Zowel de weg als de trottoirs.

Eergisteren kwam een oudere man naar de fietsenhandel naast ons huis. Hij bleef op het fietspad staan en keek verwonderd naar een serieuze barst in een betonstrook. “’De moeite,” zei hij. “En geld is er niet meer. Alleen voor de rioleringen.” Dus over twee, drie jaar krijgen we dan wel een nieuw trottoir, maar de laan blijft wat hij was. Terwijl we praatten reed niets voorbij, maar toch hoorde ik de cadans en voelde ik het gedaver dat ik ervaar als ik achter de computer zit. Maar niemand in de laan doet wat. Makke burgers.

Ik heb “piccolo’s” en koeken met rozijnen mee. De rij bij de bakker is vanmorgen niet erg lang. Er is geen zuchtje wind. Ik keer fluitend terug, tot ik dat verdomde trottoir opnieuw in de mot krijg. Het kleurt groener dan ooit en er staat niet één boom! Als tegenprestatie. De tegels slaan groen uit van het vocht. Ik verlang naar het zuiden.

Thuis geniet ik niet van de gezelligheid. Het is alsof ik in een ander huis kom. Ik ben dat trottoir zat en droom van een appartement. Met een terras. Waar we kunnen eten en wat zon meepikken. En waar ik geen zicht heb op groene tegels. Ik droom ook van een ellenlange muur vol boeken en aan de overkant een wand met schappen. Daarop al mijn kunstige beesten.

We ontbijten. Ik zeg geen woord. Tot ik toch over mijn dromen begin te vertellen. Mijn hart lucht. Het is wat laat, zegt L. We kunnen niet meer weg. Al zeker niet naar het Zuiden. Trouwens, onze katers… Ze zijn in de natuur opgegroeid.

Ik blader in het gratis krantje, De Zondag, waar eigenlijk niets in staat. Na de middag trekken we er samen even op uit.

Met het oog op een appartement-met-terras (de idee woekert al lang) had ik al een afspraak met de dermatoloog. Mag ik nog wel nog in de zon? Ja, mijn huidvlekjes worden weggevroren. Na Nieuwjaar. Ik moest lachen. In de wachtkamer zat een vrouw in een reisbrochure te bladeren. Ik las “Calpe”…

Ik ga de dag creatief eindigen. Met een verlangen. Het is half november en dan komt de jaarwisseling eraan. Het lijkt me passend en interessant een  eigen wenskaart te hebben. Maar wat kun je vandaag nog wensen? Ik zou het niet weten. Het maakt me een beetje wanhopig. Ik schrijf mijn twijfel op. In korte zinnen. Een gedicht. Ik mail het naar S. Zij tekent schitterend. Ik vraag haar of ze mijn pennenvrucht niet wil illustreren. Ze gaat het doen!

 

 

 

 

 

 

 

JOHAN DEBRUYNE, eind november 2013

Tantes…

Tantes…

Ik had drie tantes. Eigenlijk vier, corrigeerde een zus vanmiddag. Klopt, maar  van die vierde heb ik alleen heel vage herinneringen. Contouren. Drie, dus. Veel zijn er dat ook niet. En met het merendeel viel dan nog bitter weinig aan te vangen. De ene was een helleveeg, een feeks die keien aan het vechten zou krijgen. Als nakomertje heb ik deze eigenschap vaak horen staven met kleurrijke voorbeelden. Maar zij: zwarte hoedjes, zwarte kant, dunne beentjes, stoute tong. Mijn hardwerkende vader werd er bijwijlen knetter van.

De andere waande zich een dame, schreef zich naadloos in bij de Nieuwe Rijken en keek op ons neer. Ze was behoorlijk groot van gestalte, dus deed ze dat nog eens letterlijk ook. Wij waren klootjesvolk. Zij en haar man waren spaarzaam. Ook met kinderen. Zo werd je rijk. Mijn moeder daarentegen was bij manier van spreken om de haverklap zwanger. En bovendien zou het mens haar laatste cent hebben weggegeven. Hart en rede. Groter kon het verschil niet zijn.

Er was één tante die ik koesterde. Ze had helemaal geen kinderen. Maar of ze dat ooit zelf zo had beslist? Ik was nieuwsgierig. Luistervinkje lag al eens te slapen onder de toog. Daar waar klanten hun verhalen deden… Zelf beslist? Wellicht net daarom dat zij wel van ons, klootjesvolk, hield. Ook haar man was spaarzaam. Zo werd je dus rijk. Vroeger dan voorzien was ze met hem uit Walenland teruggekeerd. Voor zijn longen. Daar zou hij ook aan sterven.

Ik was er een enkele keer op bezoek en zal me die ene nacht blijven herinneren. Ik weet niet eens meer of ik er langer ben gebleven. In hun Waalse huis, met een lange streep als groentetuin, hadden ook de ramen van de slaapkamers rolluiken. Een luxe die wij niet kenden. Het was dus stekedonker en mijn visite aan tante en nonkel in het heuvelachtig Vlakbijbuitenland kwam relatief kort na een periode waarin ik niet kon inslapen zonder enig licht in de buurt. Ik was piep. Lief kereltje. Moeder willigde al mijn grilletjes in. Tot en met repen chocolade als ontbijt! Met Cola! Het was zweten en wennen in die kamer, maar uiteindelijk sliep ik als een roos.

Alhier speelde ik basketbal. In competitieverband. De zondagochtenden, wanneer een thuismatch stond geprogrammeerd, had ik het spek aan mijn benen:  extra vroeg uit de veren en met de fiets en verse pistolets naar de uitdijende randgemeenten. Ik deponeerde een pakketje bij de ene tante en bij de andere bleef ik ontbijten. De pistolets kwamen uit vaders oven.  Verser en krokanter kon dus amper. Ik zie nog hoe ze beiden, oom en tante – vanwaar die gewoonte? – (van zuinig zijn werd je rijk) na het ontbijt met wat boter op het mes de weerbarstige korstjes bijeengaarden. Ik deed het na en doe het vandaag nog. Ik vind het leuk en lekker. Vooral lekker tegendraads was ik het beginnen vinden: iets met je mes in je mond steken. Dat mocht niet. Dus ben ik het blijven doen. Altijd. Overal. Mijn stil protest. Waartegen? Tegen de leugens? Het doen alsof? De idiotie van de etiquette? Ik weet het niet. Ik heb het niet op vorken begrepen.  En voorts ben ik helemaal niet zuinig. Dus ook niet rijk.

Wat ik me nog goed herinner is de kelder. Even oud als die bij ons thuis. Maar witter. En altijd droge worstjes aan de haak. Heerlijk. En snoep in de vitrinekast. En een klein, metalen Eiffeltorentje. Oom reisde graag. En eigenlijk was tante ook wel graag onderweg. Na zijn dood liet ze dan de rolluiken half naar beneden. In de tuin stond een kerselaar. In de pluktijd een grote ladder. Een bel ook, om ongenode fladdergasten weg te houden.

Er was een televisietoestel. Na het ravotten  op woensdagmiddag keek ik er naar “Johan en de Alverman”. Naar Ottorongo en Don Cristobal. Naar Frank Aendenboom en Jeanine Bisschops. Jonge goden, toen. Het zijn dingen die je niet vergeet. Tante? Ik moet eens naar haar graf toe. Hoewel. De warmte, het lekkers en zelfs haar eeuwig gezeur omwille van de eenzaamheid… het komt niet terug.

Ik voel ineens de klap in mijn gezicht. Oompje. Mot! Bij de bushalte. Honderd meter bij onze bakkerij vandaan. Omdat ik een sigaret rookte. Geen woord. Mores leren. Sindsdien ben ik op mijn hoede voor kleine mannen. Maar ach, er was tante die graag had dat ik er goed uitzag. In een dandyjas met visgraatmotief. Tot ver onder de knie. Verwonderde blikken op party’s. Adolescent, toen.

Ik dacht eraan nu naast mijn PC het horloge ligt dat ik van oom en tante voor mijn communie kreeg. Verdal. Absolute kwaliteit. Metaal. Ook de armband. Geen cijfers, maar streepjes. Ook de wijzers. Strepen. Pure eenvoud. Ik had mogen kiezen. Trends hebben er amper vat op. Alleen, 47 jaar later tikt het niet meer. Maar dat valt te repareren.

JOHAN DEBRUYNE, begin oktober 2012