Tag: kafka

Koppen raden

       

 

Koppen raden

Ik heb een boon voor het Kasteel van Gaasbeek. Zij niet. Ik geniet doorgaans van hoe ze er actuele kunst integreren. Gaasbeek… Het ressorteert onder Lennik en vlijt zich langzaam en golvend tegen Brussel aan. Een aanstekelijke Groene Rand. Of het ook Gordel-gebied is, weet ik niet. Het gejen met taal en symbolen is niet aan mij besteed.

Ik sukkel in regel wel om er te geraken. “Nieuwe routeberekeningen” vliegen me – ons, dit keer – om de oren. Maar we blijven onverstoorbaar ommetjes maken. Die Kasteelstraat, we vinden ze wel.

Omdat we graag het nuttige aan het aangename paren en de almaar toenemende drukte van het verkeer toch voor enige stress heeft gezorgd, gaan we eerst verpozen. Naast het parkeerterrein bevindt zich brasserie “De Landgraaf”. Zoals het hoort: aan de voet van een kasteel waar de gravin royaal de lakens (uit)deelde. We drinken iets, lezen wat en pas dan stappen we het brede, hellende kiezelpad op. Het is middag. Voorbij een brede bocht rekt het zich a.h.w. uit. Hier zou Bradley Wiggins nooit in de problemen komen.

Ze loopt wat achter me, kap over het hoofd. Het motregent en de wind striemt. Het is een weg vol hoge bomen, groen zo ver je kijken kan en een fascinerende vijver in een diepte. Sublieme plek. Het weer is helaas klote. Zoals vaak in dit kleine land. Zowat overal trouwens lijkt het weer de pedalen kwijt. Voorgoed? Ergens in de States tast zure regen kalkgrond aan, zodat scheuren ontstaan en “verdwijningsgaten”… Een man verdwijnt. Een vrouw zien ze er nooit meer terug en een huis zakt compleet weg in een gitzwarte poel.

Het kasteel telt vooral kleine kamers. Deze architectuur zou alles te maken hebben met de hertogin die er resideerde. De ondeugende freule had heel wat te verbergen. De doolhofarchitectuur hielp haar om zich onvindbaar maken, via  deuren, deurtjes, trappen en trapjes.

Het weer valt danig tegen en bovendien is het meubilair niet van die aard om mijn partner vrolijker te stemmen. Ik ken haar afkeer voor antiquiteiten. Alleen van alle franje verlost design kan haar opkikkeren. De kilte blijft een gesel (bijna half mei, ze trok vanochtend dan ook zomerschoenen aan) en de koppen van auteurs die Sam Dillemans in drie jaar tijd bijeen schilderde zijn niet meteen van aard om haar vrolijk te stemmen. Doorheen de verf voelt ze ook nog eens getormenteerde zielen.

Auteurs zijn doorgaans geen lachebekken (zelfs Bomans zal humor meesterlijk hebben misbruikt om zijn ware gemoed te sluieren) en Dillemans doet geen moeite om wat of wie dan ook “mooier” te maken. Er wriemelt nogal wat volk in de kamers. Dillemans laat zich en zijn werk pas om de zoveel jaar eens zien en dan brengt de pers uitvoerig relaas. De kluizenaar, de getormenteerde schilder, de bokser en de krachtpatser-met-verf komt weer even naar buiten. Allen daarheen!!!

Schilder en boekenwurm Dillemans geeft toe dat hij niet alle auteurs van wie hij de kop schilderde heeft gelezen. Hij schilderde een kleine 400 portretten in amper drie jaar tijd. Faut le faire! Als Dillemans voor iets gaat… Ik herinner me zijn boksers. Toen bokste hij ook zelf (nog steeds?) en leefde als een spartaan. Nu zal het in hoofdzaak lezen en schilderen zijn geweest. De wereld middels verhalen. Zoeken wat achter de woorden ligt. Wat zich tussen de regels schuilhoudt.

Snel lopen bezoekers zijn werken voorbij. Of ze gaan eerst naar het naamplaatje kijken. Ach, die! Maar van zo dicht zie je alleen vlekken, striemen en strepen. Ik wil ze de raad geven eerst van op grote afstand te kijken. Maar ik was al 34 jaar schoolmeester. Ik zwijg.

In de grootste zaal hangen heel veel koppen bij elkaar. En er staan banken. Je kan even zitten. De sfeer zit goed. Ik geniet, maar zij rilt nog steeds. Op weg naar die grote kamer had ik me een paar keer gestoord aan Dillemans-werk in lijsten. Die leiden af, vind ik. En ze knellen de fantasie en de soms snelle bravoure tussen 4 latten hout.

Ik neem plaats op een van de banken. Bomans, die bril natuurlijk… Maar meer dan dat. Meer Bomans kan niet. Knap! Maar wie kent Bomans nog? En Bacon, rechtsboven. Karig vormgegeven, maar pijnlijk scherp en broos.

Dillemans’ “Authers”: soms zwart-wit, dan weer kleur, steeds snel en nerveus, soms mager, dan eens pasteus, soms op doek, dan weer op hout. Dillemans schildert als bezeten. Claus vind ik moeizamer.

Bijna 400 portretten. Ben zoet voor een tijd. Een aantal koppen laat me niet los. Zo gaat dat. Kafka niet. Rilke niet. Deze dichter prijkt op alle infohoesjes. Ik vraag me af waarom. Een vriend van me noemde zijn dochter Rilke en de dichter vond in Parijs dat knappe huis voor Rodin. Misschien koop ik straks een dichtbundel.

 

 

 

 

 

 

 

JOHAN DEBRUYNE, 12 mei 2013

 

“Pipi of kaka?”

“Pipi of kaka?”

Nu voor het banaalste akkefietje naar de rechtbank wordt gestapt en kranten en blaadjes zich meer dan ooit verkneukelen in de slechtheid van de mens, vervoegen nogal wat advocaten het BV-heir. Zo kijken we er al lang niet meer van op dat ook die heren bijvoorbeeld de nodige tijd nemen om hun haardos met een handvol gel tot een piekjeslandschap te boetseren of hun haar in sierlijke in slierten over hun gezicht draperen.  Trouwens, wat maakt het uit? Het is de inhoud die telt! Toch was het onlangs even knipperen met de ogen. In mijn krant stond een foto van een gepiercete “punkadvocaat”: hanenkam, gekleurde bril, enkellaarzen… Daarboven de toga. Het beeld woelde herinneringen om uit mijn “loopbaan” in het onderwijs, een wereld waarin ik al eens afwijkend gedrag vertoonde. Waar ik me meer dan waar dan ooit een einzelgänger voelde, hoewel qua uiterlijk in eerste instantie alleen mijn brilmonturen enige deining veroorzaakten…

Ik had er immers een hartsgrondige hekel aan een resem zaken. De schoolbel Zum Beispiel. De neonlichten. Het gebouw zelf, dat ooit als kazerne dienst had gedaan! Collega’s die nog de fluit hanteerden om de adepten in het gelid te krijgen. De strakke rijen. De talloze regeltjes die de creativiteit smoorden. En  niet in het minst het formalisme. Kafka was altijd een beetje in de buurt.

Om het ook voor mezelf enigszins leefbaar te houden, had ik gedurende vele jaren initiatieven ondernomen die de school daadwerkelijk kleurden. Toen ik een 2-tal jaar geleden de schoolpoort definitief achter me dichttrok waren zowat alle gangen en trappengangen beschilderd. Zelfs de toiletten had ik niet onaangeroerd gelaten. Dat vonden mijn directeuren leuk. In die school heb ik er 2 gekend. Beiden hadden ze een snor en staken ze – de ene al comfortabeler of stijlvoller dan de andere – gebeiteld in een pak. Blauw, bruin, grijs. De muurschilderingen hadden gelukkig meer kleur en een didactische insteek, ze kostten de school amper wat en het leverde een massa publiciteit (krantenartikels) op.

Toen ik die punky advocaat zag, dacht ik vooral aan mijn laatste schoolhoofd. In mij had zich in de loop er jaren een welhaast fysieke afkeer voor de mens en zijn ontegensprekelijk dogmatisme genesteld, terwijl ik anderzijds – begrijpelijk gezien de return – een bijna absolute vrijheid kreeg bij het ontplooien van mijn initiatieven. Maar ik dacht vooral aan de roddels van de collega’s nadat hij een les van hen had bijgewoond. In regel viel zo’n bezoek nog wel mee, maar steevast was er een minpuntje : het bord was niet keurig schoongeveegd (er waren “wolkjes” blijven hangen) of de jeansbroek van een jonge collega vertoonde rafels…

Vervangende schaamte. Dus, tegen de stroom in. Dat was mijn enige verfrissing. Op de vraag op hoeveel een toets stond, antwoordde ik steevast: duizend! En wanneer leerlingen tijdens de les naar het toilet moesten (het schoolreglement verbood dat, geloof ik, en Befehl war Befehl!), liet ik dat doorgaans wél toe. Ik heb zelf al mijn hele leven last van een hypersensitieve blaas en mijn darmen zijn bij momenten nauwelijks in toom te houden. Heb ik van mijn moeder, trouwens.  Vandaar. Ik vroeg dan wel eens: “Is ’t voor pipi of kaka?” En wat lees ik nu in een weekendbijlage van De Standaard omtrent “schaamte”? Dat ook Wim Helsen altijd diezelfde vraag stelt wanneer iemand van zijn gezelschap naar het toilet moet. Ik was, zonder het te weten, in uitstekend gezelschap!

Maar waarom wilde ik perse ook dan nog grappig zijn? Ik vraag het me wel eens af. Een inspecteur zei ooit dat een les waarin niet minstens 1 keer was gelachen geen goede les kon zijn. Maar wij lachten al zo vaak. In de les. Het maakte het onderwijsleven draagbaar. Maar goed, met deze wil ik mijn gemeende excuses aanbieden aan die jongens en meiden die niet om mijn duizend en mijn pipi’s en kaka’s konden lachen. Maar anderzijds heb ik dan toch hun blaas en darmen ontzien. Straks toch eens polsen bij Herman. Trainingsmaat en professioneel zielenknijper.

 

JOHAN DEBRUYNE, Brugge, mei 2012