“Pipi of kaka?”

“Pipi of kaka?”

Nu voor het banaalste akkefietje naar de rechtbank wordt gestapt en kranten en blaadjes zich meer dan ooit verkneukelen in de slechtheid van de mens, vervoegen nogal wat advocaten het BV-heir. Zo kijken we er al lang niet meer van op dat ook die heren bijvoorbeeld de nodige tijd nemen om hun haardos met een handvol gel tot een piekjeslandschap te boetseren of hun haar in sierlijke in slierten over hun gezicht draperen.  Trouwens, wat maakt het uit? Het is de inhoud die telt! Toch was het onlangs even knipperen met de ogen. In mijn krant stond een foto van een gepiercete “punkadvocaat”: hanenkam, gekleurde bril, enkellaarzen… Daarboven de toga. Het beeld woelde herinneringen om uit mijn “loopbaan” in het onderwijs, een wereld waarin ik al eens afwijkend gedrag vertoonde. Waar ik me meer dan waar dan ooit een einzelgänger voelde, hoewel qua uiterlijk in eerste instantie alleen mijn brilmonturen enige deining veroorzaakten…

Ik had er immers een hartsgrondige hekel aan een resem zaken. De schoolbel Zum Beispiel. De neonlichten. Het gebouw zelf, dat ooit als kazerne dienst had gedaan! Collega’s die nog de fluit hanteerden om de adepten in het gelid te krijgen. De strakke rijen. De talloze regeltjes die de creativiteit smoorden. En  niet in het minst het formalisme. Kafka was altijd een beetje in de buurt.

Om het ook voor mezelf enigszins leefbaar te houden, had ik gedurende vele jaren initiatieven ondernomen die de school daadwerkelijk kleurden. Toen ik een 2-tal jaar geleden de schoolpoort definitief achter me dichttrok waren zowat alle gangen en trappengangen beschilderd. Zelfs de toiletten had ik niet onaangeroerd gelaten. Dat vonden mijn directeuren leuk. In die school heb ik er 2 gekend. Beiden hadden ze een snor en staken ze – de ene al comfortabeler of stijlvoller dan de andere – gebeiteld in een pak. Blauw, bruin, grijs. De muurschilderingen hadden gelukkig meer kleur en een didactische insteek, ze kostten de school amper wat en het leverde een massa publiciteit (krantenartikels) op.

Toen ik die punky advocaat zag, dacht ik vooral aan mijn laatste schoolhoofd. In mij had zich in de loop er jaren een welhaast fysieke afkeer voor de mens en zijn ontegensprekelijk dogmatisme genesteld, terwijl ik anderzijds – begrijpelijk gezien de return – een bijna absolute vrijheid kreeg bij het ontplooien van mijn initiatieven. Maar ik dacht vooral aan de roddels van de collega’s nadat hij een les van hen had bijgewoond. In regel viel zo’n bezoek nog wel mee, maar steevast was er een minpuntje : het bord was niet keurig schoongeveegd (er waren “wolkjes” blijven hangen) of de jeansbroek van een jonge collega vertoonde rafels…

Vervangende schaamte. Dus, tegen de stroom in. Dat was mijn enige verfrissing. Op de vraag op hoeveel een toets stond, antwoordde ik steevast: duizend! En wanneer leerlingen tijdens de les naar het toilet moesten (het schoolreglement verbood dat, geloof ik, en Befehl war Befehl!), liet ik dat doorgaans wél toe. Ik heb zelf al mijn hele leven last van een hypersensitieve blaas en mijn darmen zijn bij momenten nauwelijks in toom te houden. Heb ik van mijn moeder, trouwens.  Vandaar. Ik vroeg dan wel eens: “Is ’t voor pipi of kaka?” En wat lees ik nu in een weekendbijlage van De Standaard omtrent “schaamte”? Dat ook Wim Helsen altijd diezelfde vraag stelt wanneer iemand van zijn gezelschap naar het toilet moet. Ik was, zonder het te weten, in uitstekend gezelschap!

Maar waarom wilde ik perse ook dan nog grappig zijn? Ik vraag het me wel eens af. Een inspecteur zei ooit dat een les waarin niet minstens 1 keer was gelachen geen goede les kon zijn. Maar wij lachten al zo vaak. In de les. Het maakte het onderwijsleven draagbaar. Maar goed, met deze wil ik mijn gemeende excuses aanbieden aan die jongens en meiden die niet om mijn duizend en mijn pipi’s en kaka’s konden lachen. Maar anderzijds heb ik dan toch hun blaas en darmen ontzien. Straks toch eens polsen bij Herman. Trainingsmaat en professioneel zielenknijper.

 

JOHAN DEBRUYNE, Brugge, mei 2012