Tag: fiets

Deze stad is dezelfde niet meer

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

DEZE STAD IS DEZELFDE NIET MEER

 

Sinds jij er niet meer bent is onze

kleine stad dezelfde niet meer.

 

Sorry. Bezet. Ja, ook deze.

Ik hou twee stoelen klaar:

een voor mijn zus en een voor haar schwung.

Alleen ik weet dat haar lef en weidse

gebaren pose zijn. Haar gratie is authentiek.

Haar fiets stalt ze bij het postgebouw,

dan steekt ze het marktplein over.

Ik verwacht een kus.

Ergens ver achter mijn oor of een vochtig

exemplaar dicht bij mijn mond.

Haar onvoorspelbaarheid is haar pittigste eigenschap.

Dan komen gulheid, liefde, knuffelen, koesteren…

Hier, op het terras, geven we commentaar.

Voorts kookt ze verfijnd en werkt ze als

een paard. Haar gratie en goede smaak flirten

met een overdosis.

Een vod wordt een kleinood wanneer

zij het ding rond haar hals drapeert.

Ze verbijt de pijn. Vandaag is haar maag er erg

aan toe. Al die rotmedicijnen! Geen koffie met veel melk

deze keer, maar cola. Geen gekleurd water met ijsblokken.

Het flesje, meneer! Kelner terug naar af. Ik amuseer

me heimelijk. Zonnebril in het haar, leesbril

dansend op haar grote borsten. Ze leest even de krant.

We hebben weinig woorden nodig.

Ik denk aan stille, nog net niet koude Antwerpse straten,

de zottigheid van W. Die warme wintersjaal.

Van mij. Voor jou, zei ze. Ik koester hem.

Onverwacht plots lag ze volslagen ongewoon

roerloos in een doorschijnend cocon op Intensive.

Buizen hielden haar nog even in leven.

Toen zag ik weer hoe mooi ze was. Die soms bittere

trek om haar mond was weg, het leed geleden.

 

Wat zegt me dit donkere kunstwerk op het

kerkhof?

Ik ontwar een krachtige kern. Dan gaat het

gracieus de hoogte in. Een sterke, maar tere bloem

*(“De tederste van alle tederheden”)

die nooit voldoende aandacht heeft gekregen.

 

Johan Debruyne, september 2016

*citaat dichter Walter Haesaerts (°Merendree 1935) over mijn zus

 

 

“Göricke” en ander groots kleins

“Göricke” en ander groots kleins

“Göricke”. Zo heet het werkje van Helmut Stallaerts (°1982). Een eyecatcher. Negen kleine vierkantjes tezamen. Olie en inkt. Drager: dierlijk bot. Een beer. Een beer op een fiets. Hij draagt een muts. Rond zijn muil zit een touw. Het lijkt of het dier het amusant vindt. Bevreemdend. Dit nieuwe “beeld” van Stallaerts gooit me terug in de tijd. Kermistijd. Ik vergaap me wat.

Het klinkt Duits, Göricke. Die umlaut ook. Even napluizen. Het heeft met… fietsen te maken. Het Duitse Bielefeld. Lang geleden. Duitse Oerfiets? Oersterk? Alt und Fahrrad. Vandaar dat bot? Een beer op een fiets. Circus. Geestig en triest tegelijk.

Ook een ander werkje van Stallaerts bestaat uit verzamelde stukjes. Dominosteentjes . Echte en geschilderde. Zwart-wit. Een bolletjesbad. In het midden is er ruimte. Net genoeg voor een naakte mens en een duik. Na de plons komt de deining. De kunstenaar bespeelt uitersten. Ook “The Idiot” is een klein werk dat beklijft.

Ik hou van kleine werkjes. Van soberheid ook. Al zeker nu en hier. De degenkrab en de grotere lappen zeggen me weinig. Overdaad. Ze “pakken” me niet. Het is veeleer van: Kijk wat ik kan!

Ik hou ook van dieren. Ik heb geen schrijfopdracht en kijk minder gespannen. Minder “diep” wellicht ook. Toch stoort het lawaai dat bijwijlen van de Grote Markt komt aangewaaid. Of is het uit de Breidelstraat? Er zijn bezoekers die, eenmaal binnen, luid blijven praten. En hollende kinderenvoetjes. De houten vloer verdraagt ze wel. Mijn oren niet. En deze plek al zeker niet. Het is een zogenaamde “stilteplek”: QNX4 van Maud Bekaert en Peter Verhelst, boven het postkantoor op de Markt van Brugge.

Ik kijk met plezier naar geschilderde beesten. Apen en honden. Kleine werkjes. Lang geleden geschilderd. Vakmanschap en liefde. Ze komen uit de ruime voorraadkamer van de Brugse Musea. Een heel kleine tekening ook: een liggende hond. In rood krijt. Van Legillon. Jan Frans. Achttiende eeuw. En een dwerg. Dé Dwerg. Simon Paap. Van Jean Charles Verbrugge (1730-1807). Bruggeling. Jan Karel, nu?

Lang staar ik naar dat ene werk van Mitja Tusek (°1961). Hoe lang geleden is de legendarische kunstgalerie “Bruges la Morte” hier ter ziele gegaan? Daar zag ik voor het eerst een “Tusek”: een groot, monochroom veld met een oor in het midden.

Stilteplek. In een kamer, als je de wat ranzige doeken voor het deurgat uiteen drijft, kan je zitten of liggen. En dan lezen. Bijvoorbeeld. Tusek, Kafka. Fabienne Verdier…

Ik lees niet. Thuis wacht een stapel leesvoer. Ik doe alle kamers nog eens over. Ook dat ene werk van Tusek blijft hangen. Ook later, bij de thee om de hoek. Was, pigmenten, hout, een horizontlijn. Het lijkt een kleine Rothko!

Thuis gooi ik me – moe – in de zetel. De televisie speelt. Mijn vrouw is in de tuin bezig. Ik zet de klank af. Ik blijf onrustig en zap. Tot nummer 25: een jonge man met een baard. Op de knieën. Zeezand. Kale bomen her en der. Hij houdt een mager kind in de armen en huilt en schreeuwt. Hartverscheurend. Subliem geacteerd. Ik krijg interesse, maar de aftiteling begint. “Blackwater Fever”. De film scoort matig. Het slotbeeld is enig.

De komende weken staan nogal wat tentoonstellingen op de agenda. De twee rotsen van Weiss in Londen. Niet klein, maar zo’n eenvoud! Florin Maen in Hasselt… Mieke in “De Olmen” van Wieze heb ik node gemist. Oude villa’s zijn voor wat later. Voor Venetië. En dan komt Amsterdam… Terwijl ik het hoe langer hoe vaker “klein” wil houden. Bal aan de voet. Heb ooit gevoetbald. Maar niet die woekerende wilg achterin de tuin. Je moet al Jan Hoet heten om daar lyrisch over te doen. De man was toen wel behoorlijk ziek.

Voor me doemt op Facebook plots het getaande gezicht van een oudere man op. Hoe hij en dat katje naar elkaar kijken. “Mutual Respect” staat er onder de foto. “Green Renaissance”, 38,7 kB. Vederlicht dus, maar weergaloos! Er is gelukkig nog zo veel moois. Ik hou het een wijle vast.

Of “stilteplekken” nodig zijn, vraagt een vriend. Ik ben er even op bezoek. Het was niet echt stil, zeg ik. Niet stil genoeg. Luister, zegt hij, hoor jij iets? Nee, zeg ik. Wel, je zit hier twee straten van het centrum verwijderd. Hij heeft misschien gelijk. Stilteplekken zijn in Brugge niet echt nodig. Ook niet in Gent, laat een oud-leerling van me even later weten. QNX4? Een beetje te veel “tentoonstelling”, te weinig sfeer.

Of ik thuis ben op 1 mei? Red Rock Rally. De meeste van mijn vrienden zijn muziekfanaten. Festivalgangers. Pintenpakkers. Ze zijn vaak jonger. Kunnen beter tegen lawaai. Of ze houden vol. Naar Northern Sadness? Ja, Koen, ik probeer er te zijn. Ook voor Het Zesde Metaal. Dat dialect hoef ik niet. Zeker niet dat van Kowlier. Maar dat liedje van “Het Zesde” over Frank Vandenbroucke: kippenvel!

 

 

 

 

 

 

 

 

 

JOHAN DEBRUYNE, half april 2013

 

MAGGI? Aan van alles, behalve aan blokjes gedacht!

MAGGI? Aan van alles, behalve aan blokjes gedacht!

Zou ik dan toch niet zo’n slecht mens zijn? Peter had bouillonblokjes op Facebook gedropt: 4 vierkantjes, keurig op een rij, tegen elkaar aan geschurkt. Zoals  dobbelstenen, maar telkens anders gevallen. Alle 4 heetten ze: MAGGI. Diezelfde dag had onze uit de kluiten gewassen staatssecretaris met zowat dezelfde voornaam een Afghaanse jongen laten repatriëren naar een vreselijk brokje wereld dat Afghanistan heet. De jongen had leren lassen. Alhier naar verluidt een knelpuntberoep…

Omdat Peter kunstenaar is dacht ik aan “Wirtschaftswerte”, het werk van Joseph Beuys dat Jan Hoet ooit voor zijn Gentse museum aankocht: een oud metalen rek met producten uit het voormalig Oost-Duitsland. En omdat Peter, zeker wanneer het over de fiets gaat, nostalgisch uit de hoek kan komen, dacht ik dat hij vond dat het in dit “ongeveer”-tijdperk meer dan tijd was dat ook met onze oude, degelijke producten iets dergelijks gebeurde. Ik weet ook dat Peter zelden zomaar dingen zegt of mailt.

Na jaren heeft hij zich bovendien weer met de fiets kunnen verzoenen en al fietsend komen de ideeën je wellicht aangevlogen, denk ik dan. Of is het toch in hoofdzaak verstand op nul? En er verdwijnt vandaag zoveel. Geruisloos, maar voorgoed. Met rasse schreden. Het is iets wat Remco en Sara, op een bijzondere manier, niet toelaten. Ga maar eens kijken – trappen op – in Galerie Pinsart (Brugge) de komende weken, hoe dit kunstenaarskoppel een nieuwe wereld heeft gebouwd met restanten van grootvaders gedemolierd treintjesdecor.

Wat de idee rond Beuys betreft. Ik ben natuurlijk nog niet lang uit Kassel terug. Maar het zou copycatten zijn. En daar staat Peter niet voor. Voorts balanceer ik in regel al met regelmaat tussen kritische zin en naïviteit. Laat me allemaal met rust, denk ik wel eens. Ik snak naar de milde zon, die van maart jongstleden, naar een portie luiheid, een ontluikende tuin.

Twee gitzwarte kerels op televisie. Ergens in Brussel. Camera’s in aanslag.  Aanleiding: het uitwijzen van de jongen, waarmee ik dit stukje aanvatte.

“Maar op je 18de kan je worden uitgewezen,” zegt de interviewer, “wisten jullie dat dan niet?”

“Nee!” Ze voegden er meteen aan toe heel erg verwonderd te zijn. Maar de blik in hun ogen stemde niet met verwondering overeen. Noch met angst. Ik geloofde er geen snars van. Ik was op mijn qui-vive. Want ook mijn vrouw had moeten lachen om die Maggi-cubes.

Afghanistan… Mag ik voor dit Talibangebied een uitzondering blijven maken omdat “De Vliegeraar” me ooit zo heeft aangegrepen? Een zomer lang. Ik weet het: zeg me in welke landen het vandaag geen oorlog is.

Straks mag Irving mijn graad van naïveteit testen. “In een leven”. Amateurtheater in de States. Zo ver ben ik al. Vermont. Verdomd moeilijk met Komrij’s “Kinderballade” en de stem van de Groot in mijn kop.

Eenvoud en vriendschap, las ik net. En hoe jonge gasten ongeremd over lijf en seks praten. Nochtans, zij hebben Hans Teeuwen niet gezien. Spik noch Splinter. Een fenomeen, die Teeuwen. En in de koffiezaak op de muur van het mannentoilet, boven het urinoir: “Stap wat dichter, zo lang is hij nu ook niet.” Seks verkoopt. Zelfs in koffieuizen. Dat wist ook Komrij. Ook nog eens scatoloog.

Hij hield van de lente wanneer het al herfst was. Dus had hij het niet over fysiek lekkers, maar over slijm en bloed en haar. Heerlijke dwarsligger. Meer dan ooit een compliment.

Net de kranten uit. Al die woorden. Zo achterhaald. De ongeëvenaarde klassenflitsen van Federer. Door “kenners” veel te snel afgeschreven. Ja, er verdwijnt vandaag zoveel. Gruisloos, maar voorgoed. Met rasse schreden.

Ooit waren in Zwitserland t-shirts met de woorden “I love Roger” (de “o”’s als tennisballen) in geen tijd uitverkocht. Uren zat ik op internet. Firma “+41”. Bestaat al niet meer. Federer. Subtiele eenvoud. Geen gedoe. Ingetogen geluk. Kunst gewoon. En recordman. Zeg dat Fabian het getwitterd heeft. Mocht die toch nog even blijven…

JOHAN DEBRUYNE, juli 2012