Tag: burn-out

Geluk

GELUK
Het donkert verdomd snel dezer dagen en ik ben gauw moe. Is het de overvloed aan rotzooi in kranten, journaals en op nieuwssites die me afmat? Of ligt een nieuwe burn-out op de loer? Ik heb geen verklaring. Sinds ik jaren geleden figuurlijk tegen een muur aan liep, waak ik behoorlijk streng over mijn actieradius. Mijn eega is aan dezelfde slepende moeheid ten prooi gevallen. Maar bij haar maakte een scan onlangs duidelijk dat een van haar nieren het sinds enige tijd niet naar behoren doet. Zoiets vreet aan je vitaliteit. Maanden geleden zijn we voor “La Biennale” als bij wonder nog samen in een ondergelopen Venetië geraakt, maar sindsdien kwam ze amper de deur uit. Onlangs nog kreeg ze van de huisarts een reprimande: “Straks komt je vitamine D-voorraad in het gedrang!”

Die D zal ons een zorg zijn. Het is een geïnfecteerde nier die niet wil ontzwellen en voor extreme vermoeidheid zorgt. Misschien verstopt zich in haar waterkanalen ergens een steen, waardoor de medicijnen niet naar behoren kunnen bijdragen tot het helingsproces. Al twee keer deze week waren we voor dag en dauw in het ziekenhuis. Haar pijn is ook mijn zeer. Dat gaat zo als je bijna veertig jaar samen bent. Er samen eens op uit? Even maar. Zelfs dit lukt momenteel niet. Ook niet voor het goede doel. Mijn rode Barbato’s (“fatto a mano in Italia/maat 45), laarzen die ambachtelijke parels zijn en die ik ooit kreeg omdat ik een exquise schoenenzaak van een kunstliefhebber – ze heropende na ingrijpende verbouwingen –  met een artistieke tekst nieuw leven had willen in blazen, blijven in de kast. Een enkele keer gedragen. Mijn voeten, kampend met kraakbeentekort, verteren de hoge hak niet. Ik kan me de Antwerpse “Empty Shop” (waar je tegenwoordig met merkspullen het goede doel kan dienen) dus ook niet voorstellen. Heb dan eens een paar peperdure schoenen waarmee je iemand zou kunnen plezieren!

Ik betrap me er op dat ik mezelf af en toe wat troost koop. Meer boeken dan gewoonlijk, bijvoorbeeld. Maar ik lees ze niet. Een paar hoofdstukjes “Pointl”. Pareltjes. Na een tiental bladzijden lig ik zo te snurken dat onze katten zich nog vreemder gaan gedragen. Onze viervoeters zijn uit zichzelf al niet bijster rustig en sociaal. En ook de beeldende kunsten onttrekken me niet aan een vorm van zwaarmoedigheid, wat ze gewoonlijk wel doen. In de stad, tussen boodschappen in, proef ik wel eens wat lekkers.

Net toen die heerlijke Javanais (een hoofdletter uit respect!) op mijn tong aan het smelten was, vloog Mourinho bij Chelsea de laan uit. Zoiets vergeet een voetbalfreak nooit meer… Ik was amper thuis en de I-phone lag klaar voor eventueel nieuws van het Urologisch Hoofdkwartier. Maar wat een getwitter over “The Special One”! Het is ook de dag dat oud-leerling Rob, die al heel jong begonnen is met het opsporen en verzamelen van zeldzame… tegels en nu een heuse antiekzaak runt, dertig is geworden. De moeder van de bazin van mijn nichtje vloog me rond de hals en verkocht me voor een paar euro een klein poppetje voor het kinderkankerfonds. “In Peru gemaakt”, tierde ze tot drie keer toe in mijn oor. Omdat ik van dieren hou, koos ik een elandje. Ik kan het eventueel op mijn jas spelden.

Het was ook de dag dat een mevrouw – in haar eentje aan een tavernetafel de krant aan het lezen – opkeek en vroeg: “Jij bent toch Johan Debruyne?”  Nadat ik bevestigend had geantwoord, zei ze dat ze de schoondochter was van Etienne (Dickx)-zaliger. “Je hebt mijn schoonvader heel gelukkig gemaakt!”

Een mooier compliment is nauwelijks mogelijk: ik heb een mens gelukkig gemaakt! Ik dacht meteen aan Daan, de vriend die altijd voor onze katers zorgt als we op reis zijn. Ooit stond op een van zijn kattenbellen: “Ik ben een tevreden mens. In mijn hele leven heb ik minstens al zes katten gelukkig gemaakt. Een bilan dat vele wereldleiders niet kunnen voorleggen.”

Wie is Etienne? Toen ik voor het evenement “Brugge, Europese cultuurstad 2002” besloot om mijn krachten en creativiteit op de Brugse wijk Sint-Jozef los te laten, ben ik met talloze mensen uit de wijk gaan praten. Dat was in 2001. Bij Etienne en zijn vrouw, zeldzaam goeie mensen, bleef ik “plakken”.  Ik mocht er meteen royaal plaats nemen in zijn Jori (zetel) en was er meteen thuis. Etienne was een gepensioneerd arbeider die met klei boetseerde. Hun vier kinderen hadden ongeveer mijn leeftijd en waren lang het huis uit.

Het koppel woonde in de… Sint-Jozefstraat. Op de vensterbanken van de kleine woning stonden altijd een paar van zijn creaties. Figuren. Voor de glasgordijnen. Sober. Ingetogen. Langs de trappen: tekeningen van de kleinkinderen. Achterin was er een veranda, net voor een kleine tuin. Daar zag ik meteen het betonnen beeld van iemand die in heel de stad Brugge bekend was geweest: de kleine Georges (Van Tieghem). Zijn vermaardheid had hij te danken aan zijn kleine gestalte, zijn lef, zijn radde tong en zijn positieve ingesteldheid. Hij liep wat moeilijk, moet ongetwijfeld veel pijn hebben geleden, maar klagen deed hij nooit. Hij was graag onder de mensen, was een moppentapper en dronk pintjes. Meteen groeide bij mij de idee om van dit betonnen beeld een mal te laten maken en het levenswerk van Etienne vervolgens in brons te laten gieten. Dan zouden de Brugse culturele feesten op de wijk kunnen starten met het onthullen van een bronzen beeld van de kleinste, maar ongetwijfeld meest prominente inwoner van de wijk, de stad. Het beeld, op een hoge marmeren sokkel – droomde ik – zou op het Kerkplein komen, want daar vlak bij had Georges altijd gewoond. Bij zijn ouders. Later bij zijn moeder.

De al dan niet gelogen verhalen over Georges zijn legio. Naar een “normale” school mocht hij niet, dus verbleef hij in een pensionaat aan de kust. Bij de nonnen. Later leerde hij paternosters maken en nog later zouden zijn bekendheid en populariteit ongekende hoogten bereiken toen hij als een soort bode én curiositeit functioneerde bij de ingang van “De Gilde”. De Gilde was de volksschouwburg. In Brugge had je in die tijd een stadsschouwburg en een volksschouwburg. Als uk kende ik vooral deze laatste. Ze lag in de nabijheid van mijn school, ik ging er al vroeg kijken naar “den boks” en de revue “Stiene en Stance”. Naar de optredens van die twee als vrouw vermomde mannen ging ik met mijn moeder.

Ook de diensten van de katholieke ziekenkas waren daar gevestigd. Voor die paapse dames en heren en hun ruime clientèle lette Georges op de fietsen en de kinderwagens. Hij deed  boodschappen en regelde een en ander, want hij was een kleine, lepe lefgozer die overal de weg kende… Alleen kinderen hadden het soms niet zo op Georges begrepen. Dit lag deels aan zijn wat bizarre, zware stem, zijn volwassen hoofd op dat kleine lijf, én aan de ouders die hun kroost wijs maakten dat ze, indien ze hun bord niet leeg aten, ze zo klein als Georges zouden blijven. Dat was dus 1 meter en 20 centimeter. Op de duur kwam Georges met regelmaat op televisie en ooit speelde hij mee in een film. Hij zou 76 jaar worden.

Georges was fier. Niet in het minst op zijn weelderige haardos. Meer dan eens trouwens had hij Etienne gevraagd om een beeld van hem te maken.

Samen met Etienne (ook een broer van me heeft nog geholpen) en na vele tegenkantingen uit katholieke hoek, ben ik naar een bronsgieterij in Merelbeke gereden. De zware, in beton gegoten G. op de achterbank. Daar, in Oost-Vlaanderen, is bronzen Georges geboren. Omdat ik voor het brons en een knappe sokkel centen van doen had, deed ik een beroep op een serviceclub en een steenhouwerij. Veel had de stad Brugge voor zijn meest populaire inwoner niet over…

Vandaag staat de kleine volksmens op “zijn” Kerkplein, in een hem erg typerende houding. Geflankeerd door twee zitbanken. Hij staat er sinds februari 2002. Een enig mooi moment beleefde ik toen ik eens kaarten met nieuwjaarswensen uit de brievenbus haalde. Ertussen deze foto: Etienne en zijn lieve Lieve, poserend bij het bronzen beeld op het Kerkplein!

 

JOHAN DEBRUYNE, eind december 2015

 

 

 

Dan toch: de boekentas aan de haak

      

Dan toch: de boekentas aan de haak

Steevast probeer ik mijn werkkamer enigszins op orde te krijgen. Dat ik op z’n minst niet over dozen of boeken heen moet stappen eer ik me achter de PC kan nestelen. Het is me nooit in eniger bevredigende mate gelukt. Ik gaf les,  schreef artikels en nam initiatieven. En voor die lessen alleen al verzamelde ik behoorlijk wat. Alles wat in een les bruikbaar kon zijn. Wat taalkundig interessant was, maar tegelijk inhoudelijk boeide. De stapels dikten almaar aan. Omdat ik ook weg van de schoolpoort(en) nog van alles ondernam, was het eigenlijk onbegonnen werk. Hoe rangschik je zo’n verzameling? Als de afstand tussen de schappen al geen stokken in de wielen steekt: hoe catalogeer je de boeken? Per thema? Onderwijs, literatuur, kunst, humor, filosofie… Maar vaak lopen die dingen door elkaar. Idem voor de liedjesteksten. Illustraties. Cartoons. Ik werd er soms tureluurs van.

Eind 2008 belandde ik in het ziekenhuis. Koorts. Uitgeteld. Infectie. Een bacterie had me te pakken. Ik bleef er één week. Maar naar school zou ik niet  teruggaan. Nooit meer. Het ging gewoon niet. Het enige wat ik betreur is dat ik de “gasten” (zo noemde ik de leerlingen altijd) die ik amper anderhalve maand voor me had gehad niet het beste had kunnen geven. Zo’n bacterie woekert immers een hele tijd. Mat je af. Incuberen heet dat.

Eigenlijk had een soort burn-out me geveld. Ik had me tijden van hot naar her gehaast, maar vooral (te) vaak geërgerd. Aan de school. De stad. Ondermeer. Het opgefokte, welhaast seniele enthousiasme van sommigen. Hun dilettantentheater. De zelfgenoegzaamheid. En wat kom ik hier – op school – na 34 jaar nog doen? Alle schoolmuren waren een beetje kunst geworden (initiatieven!), zelfs de toiletten. Maar voor de meeste collega’s en leerlingen was ik vooral een entertainer. Terwijl ik ook wilde dat hun beheersing van het Nederlands beter werd.

Steeds hou ik stapels overeind. Barstensvol herinneringen. Krantenknipsels en heelder kranten. Foto’s… Ik heb ook wat (oude) steloefeningen gespaard. Ondermeer van Bram. Die schreef over een bezoek met de klas aan een beeldentuin. Ik herinner me zijn rollende “r” nog. Hoe hij voordroeg in het theater – ook dat “organiseerde” ik zo’n 30 jaar lang – over een trein met joden. Ik hoor het na meer dan 20 jaar nog! Ondertussen is Bram professor. In geschiedenis.

Ik heb de beste herinneringen aan bijna al mijn oud-leerlingen en -studenten. Het onderwijs daarentegen. “De” school… De voormalige kazerne was een mooie school geworden. Da’s waar. Maar ik was er zelden gelukkig. Vraag me niet waarom. Ik miste debat. Discussie. Openheid. Empathie. Schijnheiligheid heb je overal. Net als kliekjes. En kontlikkers. Het zal ook deels aan mij liggen: Einzelgänger. Terwijl je ploegspeler hoort te zijn. In het gelid moet lopen. Ik was speelvogel. Als het gros van mijn gasten. Zowel die van 13 als die van 18 en ouder.

Geen school meer, dus. Wat later zette ik ook een punt achter mijn projecten op de wijk Sint-Jozef. Tien jaar was ik er hyperactief. Ook hiervan dozen vol krantenknipsels. Herinneringen. Ik hou er vooral mijn liefde voor de marmotjes aan over, het symbool van de wijk. De uitjes naar de bergen. Een rist aardige mensen. Ook klootzakken. Er zat sleet op het project. En de politiek was aan zet. Ik focus vandaag nog louter op die andere grote, oude liefde van mij: de beeldende kunst. Niet zo lang geleden kwam er de blog. Ik kon stoom aflaten.

Vandaag probeerde ik nog maar eens wat op te ruimen. Zaken weg te doen. Maar wat gebeurde? Ik herlas een artikel van critica Anna Tilroe! 12 jaar oud. Ik kan het niet weggooien. Wat ik eindelijk wel heb kunnen doen, is mijn boekentas aan de haak hangen. Op zolder. Het heeft zo’n 2 jaar geduurd eer ik zo ver was. Het zwarte, glimmende ding. Uit Spanje: Calle Bulto. Hij zat serieus onder het stof en er zaten nog spullen in. Een en ander zal ik… bewaren. Dingen van die gasten die mij maar anderhalve maand als leraar Nederlands hebben gekend. Wat me opviel was een boekje: “Mijn leven als hond “ van Martin Bril. Toen net overleden columnist.

Vrijdag ga ik in Lendelede iets zeggen over tekeningen: “José Vermeersch en het dier”. Toeval bestaat niet. Uit Brils gebundelde columns had ik voorgelezen. De vragen heb ik ook nog. En Schoenaerts zat klaar. Julien. Mijn boekentas heb ik zondag in het Middelheim vervangen door een tas. In zeildoekstof. Ze herinnert aan een recente tentoonstelling daar van Jan Decock. In een Beschutte Werkplaats hebben ze er draagtassen van gemaakt. De ene kant toont het parkgroen. De andere een beeld dat Decock uit de collectie had gehaald. Je ziet de kop van een soldaat. Een grote helm. Ik ben gewapend tegen de rotzooi van alledag.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Johan Debruyne, 3 september 2012, eerste schooldag