Tag: brugge 2002

Geluk

GELUK
Het donkert verdomd snel dezer dagen en ik ben gauw moe. Is het de overvloed aan rotzooi in kranten, journaals en op nieuwssites die me afmat? Of ligt een nieuwe burn-out op de loer? Ik heb geen verklaring. Sinds ik jaren geleden figuurlijk tegen een muur aan liep, waak ik behoorlijk streng over mijn actieradius. Mijn eega is aan dezelfde slepende moeheid ten prooi gevallen. Maar bij haar maakte een scan onlangs duidelijk dat een van haar nieren het sinds enige tijd niet naar behoren doet. Zoiets vreet aan je vitaliteit. Maanden geleden zijn we voor “La Biennale” als bij wonder nog samen in een ondergelopen Venetië geraakt, maar sindsdien kwam ze amper de deur uit. Onlangs nog kreeg ze van de huisarts een reprimande: “Straks komt je vitamine D-voorraad in het gedrang!”

Die D zal ons een zorg zijn. Het is een geïnfecteerde nier die niet wil ontzwellen en voor extreme vermoeidheid zorgt. Misschien verstopt zich in haar waterkanalen ergens een steen, waardoor de medicijnen niet naar behoren kunnen bijdragen tot het helingsproces. Al twee keer deze week waren we voor dag en dauw in het ziekenhuis. Haar pijn is ook mijn zeer. Dat gaat zo als je bijna veertig jaar samen bent. Er samen eens op uit? Even maar. Zelfs dit lukt momenteel niet. Ook niet voor het goede doel. Mijn rode Barbato’s (“fatto a mano in Italia/maat 45), laarzen die ambachtelijke parels zijn en die ik ooit kreeg omdat ik een exquise schoenenzaak van een kunstliefhebber – ze heropende na ingrijpende verbouwingen –  met een artistieke tekst nieuw leven had willen in blazen, blijven in de kast. Een enkele keer gedragen. Mijn voeten, kampend met kraakbeentekort, verteren de hoge hak niet. Ik kan me de Antwerpse “Empty Shop” (waar je tegenwoordig met merkspullen het goede doel kan dienen) dus ook niet voorstellen. Heb dan eens een paar peperdure schoenen waarmee je iemand zou kunnen plezieren!

Ik betrap me er op dat ik mezelf af en toe wat troost koop. Meer boeken dan gewoonlijk, bijvoorbeeld. Maar ik lees ze niet. Een paar hoofdstukjes “Pointl”. Pareltjes. Na een tiental bladzijden lig ik zo te snurken dat onze katten zich nog vreemder gaan gedragen. Onze viervoeters zijn uit zichzelf al niet bijster rustig en sociaal. En ook de beeldende kunsten onttrekken me niet aan een vorm van zwaarmoedigheid, wat ze gewoonlijk wel doen. In de stad, tussen boodschappen in, proef ik wel eens wat lekkers.

Net toen die heerlijke Javanais (een hoofdletter uit respect!) op mijn tong aan het smelten was, vloog Mourinho bij Chelsea de laan uit. Zoiets vergeet een voetbalfreak nooit meer… Ik was amper thuis en de I-phone lag klaar voor eventueel nieuws van het Urologisch Hoofdkwartier. Maar wat een getwitter over “The Special One”! Het is ook de dag dat oud-leerling Rob, die al heel jong begonnen is met het opsporen en verzamelen van zeldzame… tegels en nu een heuse antiekzaak runt, dertig is geworden. De moeder van de bazin van mijn nichtje vloog me rond de hals en verkocht me voor een paar euro een klein poppetje voor het kinderkankerfonds. “In Peru gemaakt”, tierde ze tot drie keer toe in mijn oor. Omdat ik van dieren hou, koos ik een elandje. Ik kan het eventueel op mijn jas spelden.

Het was ook de dag dat een mevrouw – in haar eentje aan een tavernetafel de krant aan het lezen – opkeek en vroeg: “Jij bent toch Johan Debruyne?”  Nadat ik bevestigend had geantwoord, zei ze dat ze de schoondochter was van Etienne (Dickx)-zaliger. “Je hebt mijn schoonvader heel gelukkig gemaakt!”

Een mooier compliment is nauwelijks mogelijk: ik heb een mens gelukkig gemaakt! Ik dacht meteen aan Daan, de vriend die altijd voor onze katers zorgt als we op reis zijn. Ooit stond op een van zijn kattenbellen: “Ik ben een tevreden mens. In mijn hele leven heb ik minstens al zes katten gelukkig gemaakt. Een bilan dat vele wereldleiders niet kunnen voorleggen.”

Wie is Etienne? Toen ik voor het evenement “Brugge, Europese cultuurstad 2002” besloot om mijn krachten en creativiteit op de Brugse wijk Sint-Jozef los te laten, ben ik met talloze mensen uit de wijk gaan praten. Dat was in 2001. Bij Etienne en zijn vrouw, zeldzaam goeie mensen, bleef ik “plakken”.  Ik mocht er meteen royaal plaats nemen in zijn Jori (zetel) en was er meteen thuis. Etienne was een gepensioneerd arbeider die met klei boetseerde. Hun vier kinderen hadden ongeveer mijn leeftijd en waren lang het huis uit.

Het koppel woonde in de… Sint-Jozefstraat. Op de vensterbanken van de kleine woning stonden altijd een paar van zijn creaties. Figuren. Voor de glasgordijnen. Sober. Ingetogen. Langs de trappen: tekeningen van de kleinkinderen. Achterin was er een veranda, net voor een kleine tuin. Daar zag ik meteen het betonnen beeld van iemand die in heel de stad Brugge bekend was geweest: de kleine Georges (Van Tieghem). Zijn vermaardheid had hij te danken aan zijn kleine gestalte, zijn lef, zijn radde tong en zijn positieve ingesteldheid. Hij liep wat moeilijk, moet ongetwijfeld veel pijn hebben geleden, maar klagen deed hij nooit. Hij was graag onder de mensen, was een moppentapper en dronk pintjes. Meteen groeide bij mij de idee om van dit betonnen beeld een mal te laten maken en het levenswerk van Etienne vervolgens in brons te laten gieten. Dan zouden de Brugse culturele feesten op de wijk kunnen starten met het onthullen van een bronzen beeld van de kleinste, maar ongetwijfeld meest prominente inwoner van de wijk, de stad. Het beeld, op een hoge marmeren sokkel – droomde ik – zou op het Kerkplein komen, want daar vlak bij had Georges altijd gewoond. Bij zijn ouders. Later bij zijn moeder.

De al dan niet gelogen verhalen over Georges zijn legio. Naar een “normale” school mocht hij niet, dus verbleef hij in een pensionaat aan de kust. Bij de nonnen. Later leerde hij paternosters maken en nog later zouden zijn bekendheid en populariteit ongekende hoogten bereiken toen hij als een soort bode én curiositeit functioneerde bij de ingang van “De Gilde”. De Gilde was de volksschouwburg. In Brugge had je in die tijd een stadsschouwburg en een volksschouwburg. Als uk kende ik vooral deze laatste. Ze lag in de nabijheid van mijn school, ik ging er al vroeg kijken naar “den boks” en de revue “Stiene en Stance”. Naar de optredens van die twee als vrouw vermomde mannen ging ik met mijn moeder.

Ook de diensten van de katholieke ziekenkas waren daar gevestigd. Voor die paapse dames en heren en hun ruime clientèle lette Georges op de fietsen en de kinderwagens. Hij deed  boodschappen en regelde een en ander, want hij was een kleine, lepe lefgozer die overal de weg kende… Alleen kinderen hadden het soms niet zo op Georges begrepen. Dit lag deels aan zijn wat bizarre, zware stem, zijn volwassen hoofd op dat kleine lijf, én aan de ouders die hun kroost wijs maakten dat ze, indien ze hun bord niet leeg aten, ze zo klein als Georges zouden blijven. Dat was dus 1 meter en 20 centimeter. Op de duur kwam Georges met regelmaat op televisie en ooit speelde hij mee in een film. Hij zou 76 jaar worden.

Georges was fier. Niet in het minst op zijn weelderige haardos. Meer dan eens trouwens had hij Etienne gevraagd om een beeld van hem te maken.

Samen met Etienne (ook een broer van me heeft nog geholpen) en na vele tegenkantingen uit katholieke hoek, ben ik naar een bronsgieterij in Merelbeke gereden. De zware, in beton gegoten G. op de achterbank. Daar, in Oost-Vlaanderen, is bronzen Georges geboren. Omdat ik voor het brons en een knappe sokkel centen van doen had, deed ik een beroep op een serviceclub en een steenhouwerij. Veel had de stad Brugge voor zijn meest populaire inwoner niet over…

Vandaag staat de kleine volksmens op “zijn” Kerkplein, in een hem erg typerende houding. Geflankeerd door twee zitbanken. Hij staat er sinds februari 2002. Een enig mooi moment beleefde ik toen ik eens kaarten met nieuwjaarswensen uit de brievenbus haalde. Ertussen deze foto: Etienne en zijn lieve Lieve, poserend bij het bronzen beeld op het Kerkplein!

 

JOHAN DEBRUYNE, eind december 2015

 

 

 

“Je viens pas te parler d’amour…” (n.a.v. ‘Mons 2015’)

Naar aanleiding van “Mons 2015”

“JE VIENS PAS TE PARLER D’AMOUR…”

Het is ochtend. Ongeveer halfacht. “Na acht uur hebben we het met Luckas Vander Taelen over “Mons 2015” en over cultuur in Wallonië.” Routinegewijs  zet ik na het ontbijt de radio uit en lees de krant. Uitzonderlijk besluit ik vandaag een wijle te wachten. Al snel blijkt het een vorm van wachten waarbij ik een opkomende vlaag van licht prikkelende nervositeit moet bedwingen. Ik wil die krant immers openslaan. Wil weg uit de ontbijtkeuken, de woonkamer en de lekkere zetel in… De twee – radio én gazet – samen, dat gaat niet. Een ochtendlijk dilemma tussen het lezen van de krant (een diepgewortelde gewoonte) en het luisteren naar berichten op de radio… Het is me wel eens overkomen, hoor, maar nog nooit is het meegevallen. Rituelen, routine… Doorgaans werd dit soort wachten bovendien niet beloond. Ook nu weer, zal blijken.

Vander Taelen, historicus, zanger, politicus, reportagemaker en nog veel meer,  heeft naar ik verneem een Waalse eega. En het echtpaar woont in Brussel.

Ik wacht. Meer ochtendmoe dan anders: ik vecht tegen routine, zit niet graag langer dan nodig aan tafel. Het ontbijt heb ik gehad; de poezen zijn gevoederd, geaaid en rustig. L. toeft nog in een diepe slaap.

Ik leg mijn hoofd in de palmen van mijn handen. Ik voel dat ik op dit vroege uur eigenlijk al te veel radiogedoe heb gehad. Ik word er immers al mee wakker: routine en nieuwsgierigheid. Maar het vermoeit in regel meer dan het benieuwt. Soms kan ik het “nieuws” bijna voorspellen. De kinderlijke beeldspraak van de weerman. Er zijn moeilijker dingen. Ja, tot morgen, tot meer weer…

Uiteindelijk hangt Vander Taelen aan de lijn. Nadat hij op een paar vragen heeft gereageerd, maak ik me de bedenking of ik daarvoor zo lang naar dat lege ontbijtbord heb moeten zitten staren. Over Wallonië had hij bitter weinig te vertellen, terwijl het Walenland, mijn zo nabije buitenland, bij mij een heel leven oproept.

Om in de sfeer te komen, om mij en andere luisteraars te lijmen hadden ze een lied van Adamo gedraaid. “La Nuit”. Ze hadden voor “La Note geopteerd”, de Italiaanse versie. Wat in deze keuze heeft gespeeld, weet ik niet. Dat er ooit veel Italianen naar ginder zijn getrokken? Soit, de unieke stem van Salvatore pompt souvenirs naar boven. Herinneringen aan mijn puberteit en adolescentie, aan voetballen in heuvelend-hobbelig groen ver achter een huizenrij, aan een Griekse jongen die met ons meespeelde, aan kommerloosheid, aan mijn eerste autorit als te jong en niet gebrevetteerd bestuurder van een oude deux Chevaux… Mentaal zit ik dus helemaal in Wallonië. Er wordt helaas niets gezegd wat ik nog niet weet.

Dat in Vlaanderen elk dorp zijn cultureel centrum heeft en dat zoiets in Wallonië niet bestaat, zegt Vander Taelen. En dat de cultuur er helemaal op Brussel en Frankrijk is afgestemd. Graag wat meer diepgang, Radio 1!

Een dag eerder was er het openingsfeest geweest. Een “Doudou” (jaarlijks volksfeest in Mons waarbij de Draak wordt bestreden) kan voor een keer, maar het was te koud nu. En ik hou niet echt van massabijeenkomsten. Het koninklijk paar was er. Mathilde zag er verschrikt uit. Haar gebeitelde glimlach ontbrak. Hun stroefheid past beter bij Vlaanderen, vind ik. Naar Mons hadden ze nog een enkele keer Paola moeten afvaardigen. “Dolce Paola”. En Albert? Thuis. Met een verkoudheid. Maar ja, empathie en het Belgisch Hof…

Mijn geboortestad Brugge was al eerder Europese Culturele Hoofdstad, ook toen een louter politieke beslissing. Nu likt Luik naar verluidt haar wonden en heeft Elio geknokt en gewonnen. Brugge… Dat was 2002. Ik heb me toen geëngageerd om in een voormalige sociale wijk dingen op het getouw te zetten, samen met een groep beeldende kunstenaars. Ik ben er tien jaar blijven hangen. Het was soms verrijkend, doorgaans hartverwarmend, maar heel vermoeiend. Een Einzelgänger die een wijk op sleeptouw neemt? Zoiets wordt lang niet door iedereen gepikt! Plaatselijke verenigingen ontwaakten plots uit een lange winterslaap en er waren de “deskundigen” die – wellicht riant vergoed – voor dit bijzondere jaar naar de aloude stede waren gehaald.

Een paar dagen eerder had ik kunnen zien hoe de grote, houten constructie, “The Passenger”, van Arne Quinze tegen de grond was gegaan. Wind? Technische mankementen? Sabotage? Wie zal het zeggen?

 

 

 

 

 

 

 

Mons. Ik ben er vaak geweest en had gehoopt dat ze de mooie, kleine stad tegen 2015 vooral zouden opfrissen. De stadskankers aanpakken. Fraaie  gebouwen (een Liebeskind en een Calatrava kunnen er nog net bij) hebben ze er al (La Machine à Eau, bijvoorbeeld) en in de buurt heb je het fantastische Le Mac’s, het museum op een unieke site in Grand-Hornu, vol huisjes waar kompels woonden. Er bestaat op de wereld weinig mooiers! Mooi en deprimerend tegelijk. Mons… Wat er is: optimaliseren! De cultuur zelf kansen geven. De kunstenaars. Kleine accenten leggen.

Ik ben op mijn hoede voor wat er gebeurt in en met Europese culturele hoofdsteden. Plots heeft Van Gogh een – weliswaar heel kort – verleden in de Borinage. Ik hoop dat deze tentoonstelling (een van de vele) daadwerkelijk inhoud heeft en niet louter een publiekslokker is. Elio (ik richt me tot Elio, omdat hij daar toch meer dan een beetje God is), trek lessen uit iets als “Brugge 2002”: zorg vooral dat de dynamiek na 2015 niet stilvalt.

Ja, natuurlijk ga ik kijken en genieten. En meer dan eens. Op het nieuwe station kan ik helaas niet wachten (dit zal pas in 2018 af zijn. Van timing gesproken!), maar zodra het weer wat beter is ga ik struinen in de stad, waar ik als puber vaak in de buurt was en over hoorde praten.

Hoe dat komt? Mijn oudste zus was smoor geworden op een knappe, grote Waal, die nota bene in geen tijd behoorlijk Nederlands had leren spreken! Ja, dat kan, dus! Het heeft iets van die sprookjesfilm met Richard Gere. Hij was marinesoldaat, in Brugge “gekazerneerd” en afkomstig uit een onooglijk dorpje in de Borinage: Thieu. Ze kregen vier kinderen.

Ik ben en was de jongste van 7, amper tien jaar ouder dan hun oudste. Een zoon. Het eerste kleinkind van mijn ouders. Een kleine broer zo’n beetje. Ondertussen, net zoals zijn vader, een meter in de negentig. Ik kwam met regelmaat en heel graag in Wallonië. Ik was er liever dan thuis, waar ze met die bakkerij toch bijna nooit tijd voor je hadden. En het was er zo anders. Hun huis stond in een onooglijk dorp. Maar het was er heel gezellig. Je at, dronk en leefde er goed. En iedereen kende mekaar. De straten “heuvelden” behoorlijk en de verte was door begroeide mijnen afgeboord.

Mijn zus is veel te jong gestorven. Haar man ook, trouwens. En ik vraag me wel eens af wat cultuur voor haar betekend mag hebben. Met vier kinderen en een job heb je wellicht andere besognes dan culturele. Maar toch. Ik moet het in de muziek zoeken. Ze hield van Brel, maar die hadden ze daar uiteraard ook. Als ik even wat dieper nadenk, hoor ik maar een enkele zanger wanneer ik aan mijn zus, haar gezin en het leven daar denk: Daniel Guichard. Knappe gast, mooie, ietwat monotone,  diepe stem, diepzinnige teksten. Parijzenaar ook. Vander Taelen had gelijk. “La Tendresse” was zijn grootste succes. Na een tijd zong ik mee. Net zoals “Mon vieux”, een lied geschreven voor zijn jong gestorven vader. Maar het was vooral “Je viens pas te parler d’amour” dat haar leek te intrigeren. Daar ging ze helemaal in op. Ik zag het. Voelde het. Eufemismen waren niet aan haar besteed. Ik pikte wat zinnen mee, maar nog bleef mijn zuster een raadsel. Ik was te jong om haar te doorgronden. Ik zal met haar wel de melancholie gemeen hebben. Ook die van het weg zijn. Onderweg zijn. Letterlijk of in gedachten. En daarboven was er warmte van het gezin en de hele leefgemeenschap. Wie zei onlangs dat leven “en exile” niet altijd een straf hoeft te zijn? Het was de in Beiroet geboren kunstenares Etel Adnan.

Ik leerde uiteraard ondermeer ook Moustacki, Brassens en Reggiani kennen. En met mijn eerste liefje zat ik dan ook niet toevallig in een Brugs café waar Frans chanson werd gedraaid. Chez Maurice. Het heeft mijn leven bepaald.

 

 

 

 

 

 

 

JOHAN DEBRUYNE, eind januari 2015