Tag: arne quinze

Buitenbeelden…

Buitenbeelden…

Onlangs las ik in de krant een bijdrage over de “Rock Strangers”, de immense rode, soorten gedeukte (metalen) dozen van Arne Quinze op de dijk van Oostende, meer bepaald op het Zeeheldenplein. Het nieuws dat te rapen viel was dat er bij de rechtbank een klacht was ingediend tegen de stad Oostende, omdat die verantwoordelijk is voor het aankopen en inplanten van dit niet onbesproken kunstwerk.

De juridische stappen waren gezet door mensen die op de dijk een appartement bezitten en bewonen. Op de tweede verdieping weliswaar, maar zo hoog reiken de rode “dozen” wel. In het elftal “Rock Strangers” zit (ik heb nu even louter over het fysieke aspect) wel een enkele Lionel Messi, maar de groep amorfe blokken telt meerdere Piqués, om het maar eens in voetbaltermen uit te drukken.

De krantenfoto van een paar van Quinzes “Vreemdelingen” was hoogstwaarschijnlijk vanuit die mensen hun woonkamer genomen. De eigenaars zijn ervan overtuigd dat hun zicht op zee – ooit ongeremd – hun door deze “artistieke” inplanting brutaal is afgepakt. Mochten ze uiteindelijk het proces winnen, dan gaat het geld naar een nobel doel. Het bizarre aan het artikel was nu toch wel dat ik  Quinzes “Rock Strangers” (uiteraard) nog nooit vanuit dit oogpunt had gezien, maar vooral… dat ik ze nooit eerder mooier had gevonden!

Het artikel bracht me in gedachten terug naar de feestelijke inhuldiging ervan, een paar jaar geleden. Het kunstenmagazine waarvoor ik met regelmaat over beeldende kunst verslag uitbreng had me gevraagd een recensie te schrijven.

De officiële opening, hoewel er geen spatje vernis meer aan te pas komt (al zeker niet bij sculpturen) nog altijd “vernissage” genoemd in het wereldje van de beeldende kunst, vond plaats in de Koninklijke Gaanderijen. Zoals te verwachten (de onbescheiden artistieke ingreep van iemand die velen een zelfverklaard kunstenaar vinden, ging en gaat nogal over de tongen) barstte het er van het (schoon ) volk en ergens – een deel van de Gaanderijen was afgesloten – stonden tafels gedekt en een piano klaar. Het was koud, die vooravond. In 2011, denk ik. De wind ademde uitgelaten krachtig en gezien ik mijn huiswerk behoorlijk wilde maken, was ik meer dan tijdig op de afspraak.  De “Strangers” gaven geen krimp, maar mijn kleine blaas had het al snel begeven. Ik moest plassen. Voor het afgesloten deel van de Gaanderijen vroeg ik een bediende of naar het toilet mocht, waarna de deur probleemloos werd opengemaakt. Tussen rijen tafels en een glimmende piano-op-piëdestal baande ik me een weg naar het toilet. Een nerveuze Piet Godard, alias Ozark Henry, liep er blootsvoets te ijsberen. Hij lette niet op de indringer.

Na de verlossende plas liep ik door de tentoonstelling. Drie veel te smalle gangen en een enkele ruimte waar je toch enige afstand van het getoonde kon nemen. Ik vroeg me af waarom dit evenement niet in het Mu.Zee, het provinciaal museum, plaatsvond. Er waren vooral filmpjes, maquettes en portretten van de kunstenaar te zien. Quinzes ego was breed uitgesmeerd.  Toen ik het allemaal bekeken had, stapte ik maar eens op, honderden meter van de vernissageplek vandaan, naar de kunstwerken, want voor die Vreemde Rotsen was ik naar Oostende gekomen.

Het deel van de dijk dat ze inpalmden was nog een bouwwerf. Ik nam dus noodgedwongen foto’s tussen de rechthoekjes van de metalen afrastering die plooide, maar nog net aan de gure wind weerstond. Ik vond ze nu eens goed, gedurfd, dan weer minder. Ik vond ze eens mooi, maar dan weer niet. Toch moet zoiets kunnen, dacht ik. De plaats vanwaar je ze bekeek veranderde blijkbaar sterk je appreciatie. Samen met een Japanse toeriste zocht ik naar een plek voor de beste foto. Ondertussen ging de wind almaar meedogenlozer tekeer. Het was klote. Ik kon me ook niet echt een mening vormen, het werk was niet af en het weer was verschrikkelijk. Van het feest heb ik weinig gemerkt. Ik had alleen (te) veel bekende koppen de Gaanderijen zien binnenstappen. En allen feliciteerden ze de kunstenaar nog voor ze het werk hadden gezien.

Op weg naar huis vond ik dat het moest kunnen, dat het werk altijd fel besproken zou worden (ik had eerder termen als “hybris” en “protserig” opgevangen), maar dat de rode kanjers te respectloos dicht bij het herdenkingsmonument voor De Verdronken Zeelieden stonden. Voorts ook dat de rode binken wind, het zout van de zee, het zand, gocarts en speldende kinderen zouden moeten trotseren. Lang zullen ze er niet fraai uitzien. Is hieraan gedacht? Maar goed, toch beter dit de bronzen elftal dan de dilettantische krullen vlak voor het casino, naar verluidt een vergiftigd geschenk van een serviceclub aan de stad.

Terug naar Brugge. Op ‘t Zand rijd ik langsheen de beeldengroep van het duo Canestraro-Depuydt, die  straks – na 30 jaar – wordt ingepakt en wellicht voorgoed van het plein verdwijnt. Er komt meer groen, wat ik toejuich.

Ik word er vaak over aangesproken. De doorsnee-Bruggeling en de toerist smaken die beeldengroep wel. Pompeus en vakkundig. Maar origineel? Toch erg schatplichtig aan Zadkine. Ondermeer. Vreemd is dan weer dat ik gemakkelijk hun werk herken. Onlangs liep ik in gedachten verzonken langs een Kortrijks plantsoen. Er stonden twee bronzen beelden. Ik passeerde ze van langs achteren en had meteen door dat ze door het voormelde duo gecreëerd waren. Hoewel de titel van het werk aan “jeugd” appelleerde, vond ik het werk bombastisch. Absoluut niet jeugdig, dus.

Een Brugs kunstenaar heeft jaren de hel meegemaakt, omdat hij ooit eens rood-wit signalisatielint rond de Brugse beelden (en dat zijn er nogal wat) van het echtpaar had gespannen. Samen met de vzw “BruggePlus”, een en ander vond plaats in het kader van “Brugge, Europese cultuurstad 2002”, werd hij veroordeeld tot het betalen van een zware boete. Het proces genereerde lezingen, happenings en wat acties. Tot in Gent! Het haalde niets uit. De Brugse kunstenaar pleit al jaren voor een commissie voor wat betreft het plaatsen van kunst in de publieke ruimte. Dat mensen met kennis van zaken over deze dingen beslissen. Mensen die weten wat er wereldwijd bestaat op dat gebied.

Ik heb daar ook voor gepleit en besef nu pas hoe naïef ik was. Je blijft immers zitten met artistieke en politieke voorkeuren, met vriendjes, druk, macht en invloed. Met mensen, kortom. Het zal er altijd en overal zijn. Een zaak staat wel als een paal boven water: wil je (nog) meer mensen naar je stad lokken, dan kies je het best voor werk van iemand met naam en faam.

Met kennis van zaken, zei ik. Niet zo lang geleden kocht de stad Brugge, onder impuls van een ondertussen verkast conservator, een klassieke abstracte sculptuur van een Hongaars kunstenaar. De aankoop werd omschreven als “tuinversiersel” en staat vandaag eigenlijk behoorlijk in de weg wanneer je naar het Groeninge Museum wil. Met enige fantasie maak je de mensen wijs dat de vakkundig in plooien gekapte marmer een verwijzing is naar de kledij van de personages in de werken van de Vlaamse Primitieven.

Beelden voor buiten? Verwaarloosbare luxe in vergelijking met het vele leed in de wereld.

JOHAN DEBRUYNE, begin januari 2016

 

“Je viens pas te parler d’amour…” (n.a.v. ‘Mons 2015’)

Naar aanleiding van “Mons 2015”

“JE VIENS PAS TE PARLER D’AMOUR…”

Het is ochtend. Ongeveer halfacht. “Na acht uur hebben we het met Luckas Vander Taelen over “Mons 2015” en over cultuur in Wallonië.” Routinegewijs  zet ik na het ontbijt de radio uit en lees de krant. Uitzonderlijk besluit ik vandaag een wijle te wachten. Al snel blijkt het een vorm van wachten waarbij ik een opkomende vlaag van licht prikkelende nervositeit moet bedwingen. Ik wil die krant immers openslaan. Wil weg uit de ontbijtkeuken, de woonkamer en de lekkere zetel in… De twee – radio én gazet – samen, dat gaat niet. Een ochtendlijk dilemma tussen het lezen van de krant (een diepgewortelde gewoonte) en het luisteren naar berichten op de radio… Het is me wel eens overkomen, hoor, maar nog nooit is het meegevallen. Rituelen, routine… Doorgaans werd dit soort wachten bovendien niet beloond. Ook nu weer, zal blijken.

Vander Taelen, historicus, zanger, politicus, reportagemaker en nog veel meer,  heeft naar ik verneem een Waalse eega. En het echtpaar woont in Brussel.

Ik wacht. Meer ochtendmoe dan anders: ik vecht tegen routine, zit niet graag langer dan nodig aan tafel. Het ontbijt heb ik gehad; de poezen zijn gevoederd, geaaid en rustig. L. toeft nog in een diepe slaap.

Ik leg mijn hoofd in de palmen van mijn handen. Ik voel dat ik op dit vroege uur eigenlijk al te veel radiogedoe heb gehad. Ik word er immers al mee wakker: routine en nieuwsgierigheid. Maar het vermoeit in regel meer dan het benieuwt. Soms kan ik het “nieuws” bijna voorspellen. De kinderlijke beeldspraak van de weerman. Er zijn moeilijker dingen. Ja, tot morgen, tot meer weer…

Uiteindelijk hangt Vander Taelen aan de lijn. Nadat hij op een paar vragen heeft gereageerd, maak ik me de bedenking of ik daarvoor zo lang naar dat lege ontbijtbord heb moeten zitten staren. Over Wallonië had hij bitter weinig te vertellen, terwijl het Walenland, mijn zo nabije buitenland, bij mij een heel leven oproept.

Om in de sfeer te komen, om mij en andere luisteraars te lijmen hadden ze een lied van Adamo gedraaid. “La Nuit”. Ze hadden voor “La Note geopteerd”, de Italiaanse versie. Wat in deze keuze heeft gespeeld, weet ik niet. Dat er ooit veel Italianen naar ginder zijn getrokken? Soit, de unieke stem van Salvatore pompt souvenirs naar boven. Herinneringen aan mijn puberteit en adolescentie, aan voetballen in heuvelend-hobbelig groen ver achter een huizenrij, aan een Griekse jongen die met ons meespeelde, aan kommerloosheid, aan mijn eerste autorit als te jong en niet gebrevetteerd bestuurder van een oude deux Chevaux… Mentaal zit ik dus helemaal in Wallonië. Er wordt helaas niets gezegd wat ik nog niet weet.

Dat in Vlaanderen elk dorp zijn cultureel centrum heeft en dat zoiets in Wallonië niet bestaat, zegt Vander Taelen. En dat de cultuur er helemaal op Brussel en Frankrijk is afgestemd. Graag wat meer diepgang, Radio 1!

Een dag eerder was er het openingsfeest geweest. Een “Doudou” (jaarlijks volksfeest in Mons waarbij de Draak wordt bestreden) kan voor een keer, maar het was te koud nu. En ik hou niet echt van massabijeenkomsten. Het koninklijk paar was er. Mathilde zag er verschrikt uit. Haar gebeitelde glimlach ontbrak. Hun stroefheid past beter bij Vlaanderen, vind ik. Naar Mons hadden ze nog een enkele keer Paola moeten afvaardigen. “Dolce Paola”. En Albert? Thuis. Met een verkoudheid. Maar ja, empathie en het Belgisch Hof…

Mijn geboortestad Brugge was al eerder Europese Culturele Hoofdstad, ook toen een louter politieke beslissing. Nu likt Luik naar verluidt haar wonden en heeft Elio geknokt en gewonnen. Brugge… Dat was 2002. Ik heb me toen geëngageerd om in een voormalige sociale wijk dingen op het getouw te zetten, samen met een groep beeldende kunstenaars. Ik ben er tien jaar blijven hangen. Het was soms verrijkend, doorgaans hartverwarmend, maar heel vermoeiend. Een Einzelgänger die een wijk op sleeptouw neemt? Zoiets wordt lang niet door iedereen gepikt! Plaatselijke verenigingen ontwaakten plots uit een lange winterslaap en er waren de “deskundigen” die – wellicht riant vergoed – voor dit bijzondere jaar naar de aloude stede waren gehaald.

Een paar dagen eerder had ik kunnen zien hoe de grote, houten constructie, “The Passenger”, van Arne Quinze tegen de grond was gegaan. Wind? Technische mankementen? Sabotage? Wie zal het zeggen?

 

 

 

 

 

 

 

Mons. Ik ben er vaak geweest en had gehoopt dat ze de mooie, kleine stad tegen 2015 vooral zouden opfrissen. De stadskankers aanpakken. Fraaie  gebouwen (een Liebeskind en een Calatrava kunnen er nog net bij) hebben ze er al (La Machine à Eau, bijvoorbeeld) en in de buurt heb je het fantastische Le Mac’s, het museum op een unieke site in Grand-Hornu, vol huisjes waar kompels woonden. Er bestaat op de wereld weinig mooiers! Mooi en deprimerend tegelijk. Mons… Wat er is: optimaliseren! De cultuur zelf kansen geven. De kunstenaars. Kleine accenten leggen.

Ik ben op mijn hoede voor wat er gebeurt in en met Europese culturele hoofdsteden. Plots heeft Van Gogh een – weliswaar heel kort – verleden in de Borinage. Ik hoop dat deze tentoonstelling (een van de vele) daadwerkelijk inhoud heeft en niet louter een publiekslokker is. Elio (ik richt me tot Elio, omdat hij daar toch meer dan een beetje God is), trek lessen uit iets als “Brugge 2002”: zorg vooral dat de dynamiek na 2015 niet stilvalt.

Ja, natuurlijk ga ik kijken en genieten. En meer dan eens. Op het nieuwe station kan ik helaas niet wachten (dit zal pas in 2018 af zijn. Van timing gesproken!), maar zodra het weer wat beter is ga ik struinen in de stad, waar ik als puber vaak in de buurt was en over hoorde praten.

Hoe dat komt? Mijn oudste zus was smoor geworden op een knappe, grote Waal, die nota bene in geen tijd behoorlijk Nederlands had leren spreken! Ja, dat kan, dus! Het heeft iets van die sprookjesfilm met Richard Gere. Hij was marinesoldaat, in Brugge “gekazerneerd” en afkomstig uit een onooglijk dorpje in de Borinage: Thieu. Ze kregen vier kinderen.

Ik ben en was de jongste van 7, amper tien jaar ouder dan hun oudste. Een zoon. Het eerste kleinkind van mijn ouders. Een kleine broer zo’n beetje. Ondertussen, net zoals zijn vader, een meter in de negentig. Ik kwam met regelmaat en heel graag in Wallonië. Ik was er liever dan thuis, waar ze met die bakkerij toch bijna nooit tijd voor je hadden. En het was er zo anders. Hun huis stond in een onooglijk dorp. Maar het was er heel gezellig. Je at, dronk en leefde er goed. En iedereen kende mekaar. De straten “heuvelden” behoorlijk en de verte was door begroeide mijnen afgeboord.

Mijn zus is veel te jong gestorven. Haar man ook, trouwens. En ik vraag me wel eens af wat cultuur voor haar betekend mag hebben. Met vier kinderen en een job heb je wellicht andere besognes dan culturele. Maar toch. Ik moet het in de muziek zoeken. Ze hield van Brel, maar die hadden ze daar uiteraard ook. Als ik even wat dieper nadenk, hoor ik maar een enkele zanger wanneer ik aan mijn zus, haar gezin en het leven daar denk: Daniel Guichard. Knappe gast, mooie, ietwat monotone,  diepe stem, diepzinnige teksten. Parijzenaar ook. Vander Taelen had gelijk. “La Tendresse” was zijn grootste succes. Na een tijd zong ik mee. Net zoals “Mon vieux”, een lied geschreven voor zijn jong gestorven vader. Maar het was vooral “Je viens pas te parler d’amour” dat haar leek te intrigeren. Daar ging ze helemaal in op. Ik zag het. Voelde het. Eufemismen waren niet aan haar besteed. Ik pikte wat zinnen mee, maar nog bleef mijn zuster een raadsel. Ik was te jong om haar te doorgronden. Ik zal met haar wel de melancholie gemeen hebben. Ook die van het weg zijn. Onderweg zijn. Letterlijk of in gedachten. En daarboven was er warmte van het gezin en de hele leefgemeenschap. Wie zei onlangs dat leven “en exile” niet altijd een straf hoeft te zijn? Het was de in Beiroet geboren kunstenares Etel Adnan.

Ik leerde uiteraard ondermeer ook Moustacki, Brassens en Reggiani kennen. En met mijn eerste liefje zat ik dan ook niet toevallig in een Brugs café waar Frans chanson werd gedraaid. Chez Maurice. Het heeft mijn leven bepaald.

 

 

 

 

 

 

 

JOHAN DEBRUYNE, eind januari 2015