Tweeëntwintig jaar later

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

(Omtrent Kobe en zijn sculpturen)

Tweeëntwintig jaar later

Onlangs werd het me duidelijk wanneer het allemaal had plaats gevonden. Het was even schrikken. De laatste jaren heeft mijn toenemende graad van nostalgie me al met grote regelmaat duidelijk gemaakt hoe snel de tijd gaat. Ze vliegt voorbij. Het leven glijdt als zeezand door je vingers. Ik merk het onder meer aan ouderen naar wie ik in de fleur van hun leven heb opgekeken, aan idolen die verdwenen of nog maar uiterst zelden in het publiek verschijnen, en ik merk het aan zij die ik als kind heb gekend en die nu de kaap van de veertig en zelfs die van de vijftig hebben gerond of zelfs niet eens hebben gehaald. Ik trek maar een streep onder de clichés. Hoewel. “Je bent sneller moe, pa.” Die zin, dat liedje, weet je wel. Maar “pa”? Nee. Dat ben ik niet. Ik hou vooral van katten, dus hoef ik dit zelfs stil niet te horen. Twee katers heb ik. Hebben wij. Ik ben hun almaar krakkemikkiger en strammer wordende butler. Moeizaam volg ik hun onvermoeibaar ritme van binnen-buiten-binnen-buiten. Ik schrijf – dit mag ik hopen – nog behoorlijke zinnen neer. In de vroege ochtend en laat in de avond. En ik oefen ononderbroken in het aanvaarden van de slome fysieke teloorgang. Als het hoofd nog maar een wijle intact blijft!

Het was maar liefst tweeëntwintig jaar geleden dat ik in Zwevegem te gast was, in het atelier van beeldhouwer Kobe. De koffietijd brachten we in een kleine overvolle keuken door. Dit, onder andere, herinner ik me nog behoorlijk levendig. Voorts sculpturen in de tuin die niets gemeen hadden met de gezellige kommerloosheid waarmee hij toen al heel bewust beeldend was begaan. Het afwerken van de lange weg naar plastische eigen(gereid)heid, naar een handelsmerk. De tuin liet voornamelijk oud werk zien, buitenbeentjes, studietijdwerk…

Kobe was zijn artiestennaam. Op de dijk van Knokke-Heist stond voor een van de vele galeries een imposante, immense sculptuur van zijn hand. Een paard. Groenig brons. Het dier stond dwars. Een positie die bij zijn “meester” paste, maar gezien de aard van de sculptuur ook logisch omwille van de zichtbaarheid. Er was ook een ruiter. Of was het een amazone? Ik kwam geregeld in deze mondaine badstad, maar zelden op deze locatie en in de kunstgaleries in de omgeving, dus weet ik het allemaal niet zo precies meer. Er waren nogal wat galerieën met naar mijn gevoel een overdaad aan Cobra-kunst en oogstrelende dingen om het interieur op te smukken. Voor al diegenen die niet bereid zijn om voor pakweg een knap schilderij een meubel de deur te wijzen. Ik weet het: zo werkt het. Of net niet. Omheen een tekening of schilderij of een multiple die men via technische hoogstandjes tot een schilderij had gemanipuleerd of gemetamorfoseerd (van kwatongen kun je veel verwachten) zit het liefst nog een joekel van een lijst. Een “kader” in het West-Vlaams. Ik erger me, maar “mooi ingekaderd staat netjes”, nee? Kunst om te verfraaien. Zo luidt de titel van een monografie, geschreven door een gerespecteerd collega, over kunst in de Brusselse metro. In “Maalbeek” zal men hier nu wel anders over denken. Ook Benoît, de geestelijke vader van de tegelwerken in “Maalbeek”.

Wat ik van tweeëntwintig jaar geleden wel nog met zekerheid weet is dat ik getroffen was door het grote vakmanschap van de kunstenaar. Noem het metier. In de galerie stond kleiner werk. Paarden en vrouwen. Die immense formaten hoefden niet, vond ik. Te protserig. De essentie die Kobe in zijn werk bereikte droeg immers een zekere monumentaliteit in zich. Vooral de marmeren beelden charmeerden. De adering in de steen. Hoe de kunstenaar hier attent en vaak met lef mee om was gegaan.

 

Kobe was het pseudoniem voor Jacques Saelens (°1950). Drie jaar ouder dan ik. Hij de oudste van zeven; ik de jongste van een even uitgebreid nest. Gezellig praten bij het haardvuur was wellicht nooit zijn deel geweest. Ook het mijne niet. Bij ons was het een grote stoof. Met deurtjes. Maar goed, ik zou me meer dan een wijle in Kobe’s oeuvre verdiepen en ben er dus een paar keer op bezoek geweest. Men had me verwittigd: een eigenzinnig man, koppig, kort van stof.

Ik wilde vooral weten hoe hij tot zijn handelsmerk gekomen was: die brede en tegelijk smalle beelden, de oorzaak van de vaak vervelende en onheuse associatie met het oeuvre van Fernando Botero. Ooit zat hij, Kobe, – om medische redenen – een hele poos thuis en kwam er geen materiaal binnen. Uit verveling behielp hij zich op de duur dan maar met wat wél voorhanden was: een breed en smal stuk (hout, vermoed ik) waaruit hij een figuur zou halen. Een ander verhaal voert ons naar het kunstenaarsdorp Pietrasanta (Italië), en meer nog naar het nabijgelegen Carrara. In de buurt van de marmergroeven daar vallen naar verluidt al eens restanten te rapen. Breed en dun. Basiswerktuig waarmee de meeste kunstenaars niets konden noch wilden aanvangen. Al zeker de gevestigde waarden niet. De jonge,  koppige, eigenzinnige Jacques Saelens dus wel.

Een paar jaar later was ik onder meer bijzonder actief in wat socio-cultureel werk wordt genoemd. Naar aanleiding van “Brugge, Europese Culturele Hoofdstad 2002” had ik mij blindelings, mateloos enthousiast en dus compleet gesmeten in een project dat zich zou afspelen in de eerste Brugse sociale wijk.  Wekelijks had ik voor een krantenrecensie nog wel met kunstenaars en galerieën contact, maar Kobe verloor ik uit het oog. Zo gaat dat nu eenmaal. Af en toe zag ik nog eens een werk van hem, maar steeds dacht ik: ik heb het al gezien. Het is – hoewel super fijn, technisch outstanding en oogstrelend mooi – variëren op één thema. Op twee eigenlijk: het paard en de vrouw. En Kobe, die zat – werd me later duidelijk – ondertussen al lang waar hij wilde zijn: in Zuid-Europa. Dichter bij de zon en de blauwe luchten, een wereldvermaarde steengroeve en een culinaire traditie die zijn absolute voorkeur wegdroeg.

Het was zijn zoon, Albin, die in zijn huis in Pietrasanta teksten van mij had gevonden. En het was een uitgeverij van vooral kunstboeken die me contacteerde. Ik kwam te weten dat Kobe twee jaar geleden danig met zijn gezondheid op de sukkel was geraakt, hierdoor ternauwernood nog een tekening op papier kreeg en dat in dit geval het leven voor hem niet meer hoefde. 2014.

Op een zekere dag stond zijn zoon voor mijn deur. Meer zoon van je vader kan je uiterlijk amper zijn. Dat haar, die doordringende ogen, de zuiderse look. Albin, zesentwintig ondertussen. Hij had een bvba opgericht om het werk van zijn vader eer aan te doen. Ik vernam dat ook voor hem Pietrasanta en Carrara geen geheimen meer hebben. Het werk van zijn vader, bij wie hij geregeld op visite was, evenmin. Terwijl ik als criticus gewoon was geworden om me week na week in andere kunstwerken te verdiepen en erover te recenseren, kwam Kobe weer in mijn leven. In die tweeëntwintig jaar was zijn werk nog meer naar de technische perfectie toegegroeid en daarom – vóór nader toezien – misschien wat koel. Duidelijker werd het keurslijf waarin hij zijn oeuvre gemanoeuvreerd had: breed en dun en dan nog eens gevangen in een geometrisch karkas.

Kobe en een keurslijf… Onmogelijk, behalve wanneer het om zijn werk ging en hij zich gewild in dat lijf had gewrongen. Voorts had hij immers al zijn hele leven gecontesteerd tegen al wat gezag was en had hij de pest aan uiterlijk vertoon. Koppig, eigenzinnig en kort van stof. Ik was ooit opvallend vaak verwittigd.

Ik zag foto’s van werken die ik uiteraard niet kende, maar waarin ik meteen Kobe’s hand zag. Ik merkte hoe hij, die ooit zo’n afkeer had van abstractie, deze toch zijn artistieke territorium had binnengelaten. Ik denk dat er geen andere uitweg meer was. Als je binnen zo’n strak kader gaat creëren…  Meer en meer werd de essentie nagestreefd en af en toe eisten details een hoofdrol op. Het verwondert me geenszins dat Kobe er met zijn werk in geslaagd is heel wat mensen gelukkig te maken. Naar zijn publiek toe was dit zijn enige betrachting. Voor hem moest een werk dan weer puntgaaf zijn. Af.

Kobe is niet meer en toch lijkt hij meer dan ooit terug van weg geweest.

Johan DEBRUYNE, augustus 2016