Tag: actueel

Overpeinzingen omtrent een bijna vergeten kunstenaar

Overpeinzingen omtrent een bijna vergeten kunstenaar

 

Een landschap. De onderste helft: drie horizontale stroken. Rood-oranje. Oranje-rood. Uiterst rechts, op de voorgrond, een hooimijt. Donkerbruin. Nog ernaast – een ervan haakt zich nog net aan het doek vast – twee knotwilgen. Knotwilgen zoals alleen Rik Slabbinck ze schilderde: rechtop, weerbarstig. Alsof zelfs het meest gore polderweer deze bakens niet kan deren.

Op verf is niet bespaard, je ontwart sporen van het paletmes, er zijn groen en wit, een en ander lijkt weg geschraapt, het licht zoekt zich een weg doorheen de verfmassa. Erboven: strook vier. De smalste. Ze suggereert, in door een felle zon vervaalde kleuren, een kleine leefgemeenschap. De bovenste helft van het doek: geplamuurd roze. Ook hier zoeken witte stipjes zich een weg. Alles lijkt tot stilstand gebracht. Met verf het zwijgen opgelegd. Het leven wriemelt onderhuids.

“De Mooie Zomer” heet het doek. De titel mist wat pit. Ik zou woorden weglaten. Gewoon “Zomer”. De kunstenaar werkte het af in 1991, het jaar van zijn dood. Het is Slabbinck ten voeten uit: geometrie en abstractie, licht houterig lyrisme, een geheel eigen manier van het aanbrengen van de verf, een ferme scheut Fauvisme, maar vooral het werk van een colorist. Een kleurenzot die suggereert. Het is werk dat je nooit vergeet!

In “Meetkerke”. 1988 zijn welhaast louter vlakken en kleuren huizen geworden. De kerk is blauw. En dit voor een Cercle-fan… Links en rechts flaneren stroken blauwen en gelen het doek.

Net zo knap vind ik “De Hoge Bomen”. 1938. Een halve eeuw eerder geschilderd! Een donkere, dreigende dreef. Van de “Peintre Solaire”, zoals hij later genoemd zou worden, is nog helemaal geen sprake, maar wie goed kijkt, ziet in het duister de kleuren aanwaaien. Ze kiemen. Hier voel je al dat het donkere palet van “leermeester” Constant Permeke het zijn niet is.

Het waren de stillevens van Slabbinck die ik al die tijd nooit heb kunnen vergeten. Om de identieke schilderkundige eigenschappen, de eenvoud, de soberheid, de kleuren. Maar door het grasduinen in zijn oeuvre naar aanleiding van de honderdste verjaardag van zijn geboorte ben ik in de ban geraakt van zijn landschappen. Trouwens, ik zal het maar verklappen, Rik Slabbinck, zijn schilderijen en ikzelf hebben een en ander gemeen dat weinig met zijn schilderkunst an sich heeft te maken: we liepen allebei school bij de “Frères”, waren daar doorgaans met andere zaken dan de lessen bezig, en in 1953, toen ik werd geboren, nestelden – in de Provence – de felle kleuren zich in zijn ziel. Voorts schildert steeds niemand zoals Slabbinck dat deed.

Al meer dan drie decennia is het wereldje van wat “actuele beeldende kunsten” wordt genoemd zowat mijn biotoop. Een plek waar ik vaak ben, ook wel graag ben, maar waar mijn spontaniteit met regelmaat voor gefronste wenkbrauwen zorgt. Alsof er een bordje hangt: “Hier is ernst troef!”

Actuele kunst

Bon, wat zijn dat nu, actuele of eigentijdse beeldende kunsten? Dit definiëren is net zo onmogelijk als formuleren wat “kunst” is. Stapels boeken en talloze tentoonstellingen reveleerden geen dieper inzicht. Ook Jan Hoet wist het niet. Wat ik ondertussen wél zeker weet is dat ik van kunst houd die zijn eigen weg gaat. Die ook nog een zekere esthetiek in zich draagt. Dat ik een boon heb voor al wie en wat eigenzinnig is. Voor “beelden” die me laten dromen of doen nadenken. Of die me aan het twijfelen brengen.

Spektakel hoeft niet. Veel evenmin. Een tijd geleden, in een Londense galerie, was ik meteen helemaal verknocht aan een… uil. Een nachtuil. “Nigt Owl” (Nicola Hicks). Een sculptuur van zo’n 60 centimeter hoog. Meer uil was nauwelijks mogelijk. Meer nacht al evenmin. Ik wist meteen waarvan ik dromen zou. Het beest was zwarter dan het donkerste donker. Ik tastte behoedzaam de geboetseerde klei af. Wist niet eens wie de kunstenaar was. Ik had wel al gezien dat ze (Nicola zou een vrouw blijken te zijn) subliem kon tekenen. Dieren. Met houtskool op bruin inpakpapier.

Ook voor Rik Slabbinck was de tekening onontbeerlijk, schreef collega Fernand Bonneure.  Eten en drinken als het ware. Even onmisbaar, dus, als de luchten. Die van Sint-Pieters Brugge tot aan de Noordzee.

Etiketten. Ik heb vaak het aankopen en inplanten door de Brugse stedelijke overheid van overdadig figuratief en bijwijlen idioot brons bestreden. Doe je dit vele jaren en met een doorgedreven consequentie, dan krijg je een etiket opgekleefd: die houdt alleen van nieuwe, controversiële dingen. Er ontstaat een perceptie die je amper kan bestrijden. Bovendien sta je in een kleine, conservatieve stad als Brugge – meer nog dan elders – alleen. Als er al gelijkgestemden zijn, dan kunnen, durven of mogen ze niet, want ze hebben een band met de stad. Of de stedelijke overheid is broodheer.

Maar goed, ik heb geleerd alleen te vechten. Je contesteert vooral vanuit de wetenschap dat er zelfs in het genre waarvan is aangekocht onnoemlijk veel meer kwaliteit te vinden is. En dat voor een stad die zich cultuurstad wil noemen alleen het beste goed genoeg mag zijn. Niet datgene wat door vriendjes van de volksmenners is gecreëerd…

Ook ik word stil van bewondering voor een werk van Carravagio. Natuurlijk hou ik ook van kunstwerken die de lange kunstgeschiedenis hebben gemarkeerd en overleefd. Creaties die door meer dan alleen maar de zogenaamde kenners gekend zijn, werken die blijven verbazen, die je wil zien en opnieuw wil zien en waarvoor je desnoods een behoorlijke verplaatsing maakt. “Les Bourgeois de Calais”. Rodin. Schiet me nu te binnen. Een Thalys van bij ons verwijderd. Is die beeldengroep actueel of hedendaags? Ik denk het wel. Ik laat het antwoord in het midden.

Géricault. De man schilderde meer dan tweehonderd (!) jaar geleden. Een overzicht van zijn oeuvre was vorig jaar te zien in Museum voor Schone Kunsten van Gent. Aan de overzijde ben ik toen uiteraard ook nog eens in het S.M.A.K. langs gegaan. Ik ben van nature nieuwsgierig, dus kom ik daar wel vaker. Wat ik er toen zag was nog boeiend, geestig en bijwijlen verrassend. Maar het was Géricault, en vooral diens portretten van geestesgestoorde mensen, die beklijfden. Twee eeuwen geleden geschilderd. Actuele kunst? Zonder twijfel!

Overvloed

Ik durf de laatste tijd al eens zuchten en zeggen dat er te veel beeldende kunst is. Ik kan het in elk geval nog amper bijbenen. Het heeft wellicht ook met de onverbiddelijk snel voortschrijdende leeftijd en een ondertussen weliswaar onder controle gekregen burnout te maken. Er is ook onvermoed beeldend werk uit tot voor kort artistiek volslagen onbekende continenten bijgekomen. Er is heus veel meer dan Ai Wei Wei. Hoewel ik het eigenlijk nog allemaal wil gaan bekijken, selecteer noodgedwongen. Deels uit zelfbehoud. Er zijn collega’s die veel meer kunst verwerken. Opslokken als het ware. Ik kan het niet (meer). Ik ben bovendien altijd op mijn hoede voor randfenomenen en het duurt een tijdje eer ik het bos ken. Voor zaken als aankondigingen, locaties, sponsoring, connecties, drukwerk… Ook voor datgene wat we wel eens bij het louter commerciële wegzetten. Kunst die alleen maar koketteert met bravoure. Kunst die vooral wil behagen en vlot over de toonbank gaat. Vooral hier is de grens  flinterdun geworden. Het draait uiteindelijk altijd om geld.

Geen sinecure, dus, om kunst in woorden vatten. Om een kunstenaar correct te duiden. Om in te schatten of de verdiensten terecht zijn. Of faam op kwaliteit en niets dan dat is gebaseerd. Onzekerheid is vaker troef dan me lief is.

Als autodidact met een fanatiek privéleraar werd me snel duidelijk gemaakt: zekerheden hoef je van kunst niet te verwachten. Wie verslingerd is aan (actuele) beeldende kunst moet kunnen leven met meer dan enige onzekerheid. In het andere geval blijf je steken in zekerheden, in wat al was. Je ziet zo veel je (aan)kan en je vergelijkt. Je associeert. Laat de vragen dan maar komen.

Ik vraag me de laatste tijd ook wel vaker af of een kunstenaar vandaag zijn ogen kan/mag sluiten voor het feit dat we de aarde naar de knoppen aan het brengen zijn. Of hij/zij dat mag nu het journaal een soort horrorfilm geworden is? Er zijn er die vinden van niet. Of wil de kunstenaar – en kan dit? – stillevens schilderen of een nachtuil boetseren, met als motivering: alle zekerheden zijn verdwenen, de wereld is een zootje, alles is corrupt, er is al zo veel lelijkheid en wreedheid, ik ga maar eens pure schoonheid creëren? Een mooi, beklijvend beeld. Of een stilleven. Of een rustgevend landschap. Kabbelend water. Nee, geen onstuimige zee. Eens geen Turner.

Twee jaar geleden zag ik van Sam Dillemans in het Kasteel van Gaasbeek (in het rijkelijke groen van Vlaams Brabant), waar geregeld tentoonstellingen plaatsvinden trouwens, een tweehonderdtal geschilderde portretten. Niets dan koppen van bekende auteurs. Frenetiek geborsteld. Dillemans, kunstschilder, zoon van de oud-universiteitsrector. Dillemans leest. Nee, Dillemans verslindt boeken. Dillemans kent de kunstgeschiedenis. Dillemans filosofeert. Ik herinner me, alsof het gisteren was, nog de kop van Godfried Bomans. Een paar onstuimige lijnen. Mooi? Niet echt. Maar raak! Dillemans leeft als een monnik en topsporter. Hij bokst, staat mentaal en fysiek messcherp, is een beeld op zich, zegt al schaduwboksend en in bloot bovenlijf – de camera loopt ondertussen – interessante dingen… De man beheerst niet alleen het beeld, maar ook het woord. Tweehonderd portretten. Waren er dat niet wat overdreven veel voor een relatief klein kasteel? Ik vond van wel. Maar de schilder staat scherp, is veeleisend, vooral voor zichzelf. Hij is tegelijk sterk en gul. Gulzig. De Brugse auteur David Van Reybroeck, onlangs te gast in “Zomergasten” op de Nederlandse televisie, vond ook dat het goed was, onvergetelijk zelfs. De massale toeloop gaf hem gelijk.

We worden met beelden overstelpt. Het woord klampt zich vast en schuilt daar waar het nog kan. Het boek lijdt. Er staan kartonnen bij de ingang van de boekhandels: koopjes! Boksen, een afgetraind lichaam, sterke portretten en volle, zinvolle zinnen. Volzinnen. Het is veel samen. Daar smullen we van. In elk geval.

Ik probeer het oeuvre van Slabbinck een plaats te geven. Slabbinck verkocht geen show. Ik vond hem veeleer een stroeve burgerman. Een eerder nukkig iemand. Koppig overtuigd dat zijn ding het juiste was. De Brugse Musea hebben enkele werken in hun bezit. De honderdste verjaardag van zijn geboortedag zijn ze helaas vergeten. Ik vind het een schande!

De Brugse kunstenaar Robert Devriendt, subliem schilder, maakt kleine schilderijtjes. Niet groter dan een lucifersdoosje. Fragmenten, zegt hij, van een verhaal dat je als beschouwer zelf mag samenstellen. Geen Dillemans-gedender. Geen woorden. En zo klein. Wel, ook dit gaat er bij het (kunst)publiek vlot in. Ik wil maar zeggen dat gimmicks hun rol spelen in de kunsten. Vondsten zijn belangrijk. Maar dit is van vele tijden. Deze week nog geleerd dat zelfs kunstboeken vandaag kunstwerken moeten zijn.

Borremans

En toch. Het is niet omdat er veel kunst is, niet omdat er misschien te veel kunst is (hoe veel goede kunst is nog niet ontdekt?), omdat er almaar beelden bijkomen, dat we een klassenbak en authentiek kunstenaar als Luc Peire mogen vergeten. Knap eigen museum(pje) in Knokke. Maar voorts? En wie kent Dan Van Severen nog? Toen ik een jong recensent was, was deze man in onze kontreien zowaar een beetje God.

Morandi scoort in Bozar. Het publiek verdringt zich. Idem voor Borremans. Of zijn werk voor een tentoonstelling naar Israël mocht? Ik weet het niet. Ik vind Borremans oké. Maar er zijn nog Borremansen. Wat is het dat hij het “maakt” en anderen niet? Louter het werk? Of is het ook de kleine kluizenaar die eindelijk naar buiten is getreden? Het theater dat er rond wordt opgevoerd? Kunstpaus Jan Hoet die zijn zegen heeft gegeven? De locatie? De overdonderende publiciteit?

Kijk eens aan, daar zijn de woorden weer. Of zijn het de centen? De collectioneurs? Ik weet het niet. Ik ben criticus, maar meer nog een liefhebber. Ik ga kijken. Hoop te genieten. Of te twijfelen.

Ik vond de landschappen van Morandi weergaloos. Terwijl haast iedereen, ook ik, voor zijn stillevens naar Brussel was gegaan. Vreemd. Dit had ik nu net ook met Slabbinck. Zoek ik naast de stilte nu ook meer de ruimte? Zou het dit zijn?

Ook van de Bruggeling, die precies 100 jaar geleden werd geboren, herinnerde ik niets dan stillevens. Dikke verflagen en kleur. Kleur die vorm had gegeven en vorm was geworden. Stroef geschilderd. Geen bravoure. De eenvoud van dingen die verdwijnen.

In 1989 was ik te gast bij de toen 75-jarige kunstenaar. Ik ben en was 40 jaar jonger. Met knikkende knieën betrad ik het unieke huis in de Sint-Pieterse Molenstraat. De woning staat vandaag te verkommeren.  Zonde! De biotoop van de man die een leven lang de dingen zo geheel eigen met verf vorm en volume gaf en het licht liet spelen. In dat huis wellicht het enige deed wat hem echt boeide, datgene waarin hij zich kon onderscheiden van vele anderen.

Het vigerend Vlaamse Expressionisme was niet aan hem besteed. Het spoor van Permeke lonkte. Nee. Hij koos evenmin voor de opkomende populariteit van de abstractie. Hij “borduurde” eigengereid voort op wat de kunstgeschiedenis had voortgebracht. Hij bleef de figuratie trouw, maar abstraheerde, soms strak, soms lyrisch. Soms in combinatie. En hij speelde knap met licht. Hij werd “le Peintre Solaire” genoemd. Diverse verblijven in Frankrijk en de Provence hadden hun sporen nagelaten.

Zeg nu zelf, wie een eretitel als “Peintre Solaire” krijgt toebedeeld, tot twee keer toe de Prijs van Rome wint, de Jeune Peinture Belge uit de grond heeft gestampt en geselecteerd is geworden voor belangwekkende internationale tentoonstellingen… Voor iemand met zo’n curriculum en zo’n onnavolgbaar palet moet een stadsmuseum toch een aparte ruimte voorzien?

“Kromme” kunst te vaak rechtgepraat

Ik zocht naar wat ik schreef over onze enige ontmoeting. Ondertussen zag ik weer wat voor kunstigs er dat jaar in mijn geboortestad te beleven viel. Het is met veel schroom dat ik naar oude recensies van mezelf kijk. Hoe ik als gedreven, jonge, onervaren en voortvarende criticus kromme dingen recht schreef of praatte, van stronten parels maakte en heel af en toe het mes in de dingen zette. Maar met de jaren hou je de essentie over. Het werk zelf. Dat wat heelt. Of knelt. Het boek ligt op me te wachten: “Art as therapy”. Ik heb onderhand mijn geloof verloren, ik heb behoorlijk vaker “neen” leren zeggen en ik hou van de stilte en van de eenvoud. Onrecht blijft een moeilijk te verdragen ding.

Mijn Slabbinck-recensie vind ik in de map van de jaren 89/90. Brugge barstte toen van de galeries, waaronder een paar van internationale allure. Rik Slabbinck zou net gaan exposeren bij Emma Rotkiv in de Sint-Jakobsstraat. Het was de tijd dat Mia Tabé, de Brugse Japanse, tot de verbeelding sprekende  poppen maakte, dat een groot deel van de beelden van José Vermeersch door een  aardbeving in Californië schade opliep, dat de stad Brugge een rist werken van Raoul De Keyzer kocht en Hendrik Brugmans lauwerde, dat Jaak Fontier de gedichten van Hölderlin vertaald had, dat de stad met Nyssen en Scherpereel twee fantasten kende, dat de aangespoelde Amerikaanse Linda Salva actief was in haar winkeltje in het Genthof, dat galerie Minotaurus  op volle toeren draaide, dat Innegraeve zich meer dan behoorlijk van “meester” Moore los aan het kappen was en dat de veel te jong gestorven Willie Lambrecht heel goed was. Met waterverf. Ook hij: zo anders dan de anderen.

Dat in Park Sebrechts des zomers sculpturen stonden, dat in de Katelijnestraat iets rond Rainer Maria Rilke gebeurde, dat Baron Mittelfinger met regelmaat shockeerde, dat ik Minnebo te ongebreideld bezong en dat Marc Eyskens liet zien dat hij eigenlijk niet kon schilderen. Theo Wijnhoven was nog speels, jong en ondeugend.

Het Brugge van vandaag appelleert vooral aan musea. Helaas staan deze zelden vol kunst, maar zijn ze met bier, frieten, chocolade en lampen gevuld. Moge het Brugge van grootmeester Rik Slabbinck en van deze jongen iets minder Disney zijn…

 

 

 

Johan DEBRUYNE, oktober 2014

Maria van Middelburg nu ook op youtube!

 

HET GROTE GENIS
Kindermisbruik, corruptie, rotzooi, Kantelberg…
Deze kerk werd ooit nog ingewijd door monseigneur VG.
Of dat grote plakkaat misschien weg mag?
Als signaal naar de talloze slachtoffers?
De kerkfabriek gaat beslissen, meneer. Maar
dat doet ze natuurlijk niet.
De leugen regeert. De fabriek gaat te biecht,
hun vunzigheid met muffe habijten
van katholieke iconen bedekt.
Van zoveel smeerlapperij keert Maria zich af:
Idolen, Iconen, Idioten…
In Middelburg loop ik haar, Maria, in een bloemenzaak tegen het lijf.
Kleurloos, ingetogen, maar glimmend. Pluk de Dag, zingt de baas.
Vanuit de Gortstraat neem ik ze mee naar Brugge, dorp bij de zee.
Als het duister dreigt geef ik haar licht en kleur.
Meer kan deze duifgrijze stad niet wensen.
Ik wou haar bij me, haar sobere, glimmende aanwezigheid. Haar twijfels naast
die van mij. Even ontsnapt ze maar net aan het vuur.
Lezen de haastige passanten de woorden boven haar nis,
ooit gewoon een ruit? Ik denk het niet.
Parels voor de zwijnen.
J.D.

Cultuur?

Johan Debruyne Het wordt politiek alvast een boeiend jaar in Brugge. Benieuwd welke partij in zijn programma zal durven opnemen dat het een groot deel van de beelende rotzooi die door de voorgangers in de publieke ruimte is neergepoot zal weghalen en eventueel mét kennis van zaken (bevoegde commissie) zal vervangen. Werk aan de winkel.