Category: Sint-Jozef 2001-2011

Johan Debruyne leest voor in bibliotheek De Garve

Mijn Sint Jozef

Johan Debruyne met zijn project Wijk up in Sint Jozef

Bezieler marmotten in Sint-Jozef stopt

Vriendschap

 

Vriendschap

Ik loop (nou, ja) tegen de 59 aan en hij moet zoetjesaan de 80 naderen: klein van stuk, geblokt, sterk, een niet uit te wissen blos op de wangen. Ingetogen zelfverzekerd. Eigenzinnig ook wel, denk ik. Zin in (het) leven…

Met regelmaat ontmoeten we elkaar in de gym. Wanneer ik er – tegen de middag – met een portie tegenzin (er zijn zaken die ik liever doe dan me fit houden door ijzeren machines in beweging te brengen…) binnenstap voor een rist “opwarmingsoefeningen” – waar het ook noodgedwongen bij blijft – is hij klaar met trainen. Vroege vogel. Aan de bar staat hij te socialiseren. Fris als een hoentje. Biljarttafel in de rug. Joviale man.

Tja, ik doe mijn oefeningen liever hier dan bij de kine. Ik zie en beleef hier van alles, ik kan jennen en word gejend, ik zie zweet parelen op loopbanden en geniet van het stampend geluid van de cadans van een serieuze menselijke galop, schud met mannen handen op tal van manieren, kus wat dames een goedemorgen, spreek diverse talen, loop jong en oud tegen het lijf, gewone stervelingen als ik, maar ook binken voor wie er altijd spiegels tekort zullen zijn. En op een fitnesstoestel uitpuffend (nou, ja) wordt al eens gefilosofeerd. Over de multiraciale samenleving, de mislukking ervan (hier valt het wonderwel mee), de Ramadan, de kasseien, de kwaaltjes, de bruggenmiserie in Brugge die Scone… Als de muziek het toelaat tenminste. Of nog: het aantal decibels dat de luidsprekers doet trillen. Kijk, bij de kine doe je alles in je eentje. Maar af en toe moet deze Einzelgänger – ooit een sociaal dier – eens uitbreken.

Vanmorgen weer. Gisteravond in het PAK, een nieuwe, tot de verbeelding sprekende locatie voor kunst in… Gistel, de Engelse kunstenaar Thom Puckey ontmoet. De man woont sinds 1978 in Amsterdam. Ook veel knap werk gezien van Johan Tahon. Nooit was die beter dan vandaag. En ook Frans Gentils sloeg me met verstomming. Ook hoe hij zijn creaties met het frame laat versmelten.

Vanmorgen hoorde ik dus de stramheid weg te oefenen. Een uur stilzitten of slenteren breekt me zuur op. Het fysiek oefenen is me opgelegd. Befehl! Door kenners. Eerst naast het bed, op het rubberen matje (door poezennagels danig uitgedund),  daarna – eerst nog voor Daans katten gezorgd (de “sans papiers” niet vergeten, Johan!) – naar de gym. Het is snoeiheet. En toch liever in deze voormalige patattenopslagplaats dan aan zee. Een grote, loodzware achterdeur staat open. Ik zie bomen en de vaart. De wind fantaseer ik erbij.

Ik vraag G. of hij volgende week langsloopt op de buurtfeesten op de Brugse wijk Sint-Jozef. Hij woont er. Op een boogscheut. En met het schooljaar in zicht zijn die feesten er vaste prik. Ik weet het, omdat ik me 10 jaar benevool voor de wijk heb ingezet. Ongevraagd! Doorgaans met veel plezier en resultaat. Intussen werd ze “de Marmottenwijk” gedoopt. Tiens, van de week vroeg nog iemand om een glazen exemplaartje (voor in de kerstboom) en op onze schoorsteenmantel staan twee kaartjes uit Frankrijk met een… marmot als absolute protagonist. Het blijft aan me kleven. Tien jaar dus zowat, tot ik moe werd, de verveling de overhand nam en ik voelde dat er niet echt meer progressie werd gemaakt. Er stond nauwelijks opvolging klaar en men nestelde zich knus in het status quo. Abrupt stoppen deed ik toen een van de Tsjeven die me altijd achter de schermen had gedwarsboomd tot schepen van de stad Brugge werd gebombardeerd.

Ik heb ook nooit echt begrepen waarom in een wijk van een goeie 5000 mensen zowel een Feestcomité als een Buurtraad binnen de 2 maand een groot feest moeten organiseren. Bundel die krachten, durfde ik al eens te denken. Een merkwaardige wijk, een enclave met een niet te wissen schisma.

Het antwoord van G. verbaasde me. Hij keek me recht in de ogen en zei: “Sinds jij er niet meer bent, ga ik niet meer. Ik zal hier zijn! En nu ga je iets van me drinken, Johan!” Veel meer dan een paar woorden per ontmoeting wisselen we doorgaans niet. Hoeft ook niet. Zijn handdruk “zegt” genoeg en zijn stevige poot zindert lang na. Mijn schouder, G.! Ik heb het er voor over. Zou dit vriendschap kunnen zijn?

JOHAN DEBRUYNE, augustus 2012

 

Sint-Jozefs bekendste inwoner in… chocolade!

“Nestbevuiler” nam op de wijk Sint-Jozef een onbezonnen start

“Nestbevuiler” nam op de wijk Sint-Jozef een onbezonnen start

In 1995 ondernam ondergetekende in een Brugse galerie een poging om de lokale overheid (helaas, alleen de geïnteresseerde Bruggeling kwam er op af) te laten zien dat je op straten en pleinen ook nog iets anders kan neerpoten dan bronzen verhaaltjes als dankbaar voer voor een meute gidsen. Hij had o.m. ook al een paar prikkelende culturele debatten op zijn conto en een stapel recensies over artistieke en andere stadsgenoten.

Enige jaren later sleepte Brugge de titel van “Europese culturele hoofdstad 2002” in de wacht. Omdat de jeugd zich ten onzent alleen maar gedeisd mag houden en naar de stadsrand werd verbannen én omdat het beleid als de dood bleef voor actuele beeldende kunst, liet hij zich in het dagblad De Morgen negatief uit over het veroveren van de Europese nominatie. De burgemeester haalde uit met “nestbevuiler”.

Als ik vandaag het schepencollege, de Vlaamse en de federale regering bezig zie, voel ik me almaar minder eenzaam. Wanneer een nest vol kontlikkers zit, valt het natuurlijk op als er iemand in begint te schijten… Ondertussen ligt dat Europese cultuurfeest al 10 jaar achter ons en blijft Brugge ondanks alles zijn oubollig imago meesleuren. Je eet er lekker, het concertgebouw zit doorgaans behoorlijk vol met keurig gepakte mensen, maar de kleine stad met 2 voetbalclubs in de hoogste regionen beschikt niet eens over een behoorlijk stadion. Straten en pleinen kregen nog meer brons  op hun kasseien en gazons en de eindelijk vernieuwde stationsbuurt werd volgestouwd met banale architectuur…

Maar ik wilde mijn tomeloze energie niet louter in “anger” investeren. Een bizarre droom kwam ter hulp. Ik koos de wijk en zou me onbezonnen smijten in wat ooit als een te mijden Brugse wijk werd omschreven: Sint-Jozef.

Mijn vrouw verklaarde me gek toen ik mijn droom aan de ontbijttafel verwoordde. Aanvankelijk zou het iets met… vlaggen worden. Kunstenaar Eric Colpaert had me geïnspireerd. Maar de dame die het aanvankelijk voor het zeggen had in aanloop naar het Europese cultuurjaar, moest plotseling opkrassen. Ik kreeg vervolgens Pierre Muylle (nu MadMusée/Luik) op mijn boterham (we zouden goed samenwerken), de plannen namen uitbreiding en ondertussen was de wijk ook een Feestcomité rijker. Ik enquêteerde en wist me welkom bij het gros van de inwoners. Nietsvermoedend verzeilde ik bij de Buurtraad. Ik vroeg me meteen af waarom in een wijk 2 organisaties (Buurtraad en Feestcomité) elk jaar een feest van 3 dagen dienden te organiseren. De krachten bundelen, suggereerde ik in een kranteninterview. Ik werd op het matje geroepen. Eind veertiger, toen. Als een schooljongen. Maar zo was het daar al decennia: het water tussen rood en oranje (lees: socialisten en tsjeven) was er veel te diep.

We begonnen, je ziet het op de foto, met een door een kliek lokale christen medemensen gecontesteerde novelle (gratis in alle brievenbussen) van Brusselaar A. Geronnez en een… vierkante bal van de internationaal vermaarde Franse kunstenaar Hybert. Die kwam ervoor speciaal uit Parijs!

We konden dus al meteen spelen en lezen, en op een bank genieten van kleine Georges, die ik in ondanks veel christene tegenwerking in brons had laten gieten. Vervolgens zijn we er 10 jaar actief geweest. Hyperactief, knarsen nu de hersens van mijn eega. Tientallen initiatieven werden genomen en vaak tegen de bierkaai gevochten. Maar ik bezit dozen vol leuke krantenartikels, waar de wijk in mijn en veler herinnering voorheen vooral op negatieve wijze het nieuws haalde.

Na 10 jaar leek de opdracht min of meer volbracht. Zowat alles wat gebeuren kon, was gebeurd, wat kon uitgevonden was uitgevonden, wat kon gemaakt en uitgedeeld, gecreëerd en uitgedeeld. En ook: mijn bobijn was een beetje af. Ik zou het vandaag niet meer kunnen. Speciaal voor het vrijwilligerswerk had ik een Vespa gekocht en was alomtegenwoordig. Altijd bereikbaar ook. Zelfs in de weekends en op reis. Van wijkwerkers die wél voor hun werk betaald werden kon bezwaarlijk hetzelfde beweerd…

Soms doet het wat pijn, het einde van een mooi verhaal. Maar Maria en Etienne, 2 artistiekelingen die me écht een warm  hart toedroegen, zijn er niet meer, en café “Ter Loy”, waar je steevast werd gezegd waar het op stond, is nu een riante brillenzaak.

Voor het spel met de vierkante bal, “Push Corner” (radio en tv hadden er indertijd nationale ruchtbaarheid aan gegeven!) werd een heerlijk grasveldje aangelegd achter het gemeenschapshuis De Garve. Een zekere mevrouw Matthys (CD&V), ondertussen tot Brugs schepen bevorderd, liet het kunstig terrein onlangs vernietigen. Een kille strook beton een nog koelere ijzeren kooi voor hangjongeren maakten een einde aan het malse groen en het zachte, uitdagende hout.

JOHAN DEBRUYNE, juni 2012

 

 

Project ” Brugge 2002/Wijk Up” : Sint-Jozef 2001-2011

 

 

 

 

 

 

 

Het is mooi geweest

Het ontkiemde uit onvrede. Vooral de schrik die mijn geboortestad a.h.w. verstikt wanneer het over actuele beeldende kunst gaat. Ikzelf en een paar trawanten hadden het ondertussen uit pure noodzaak, met veel tegenkanting en geringe bijval in… nissen geprobeerd. Straten en pleinen waren de laatste decennia volgestouwd met  bronzen en koperen anekdotiek en toen een journalist van De Morgen me vroeg of Brugge de kandidatuur van “Europese Culturele Hoofdstad 2002” verdiende, antwoordde ik zonder aarzelen: Nee! Een louter politieke beslissing, trouwens, die aanduiding. Mijn motivering? Geen schijn van een actueel beeldend kunstbeleid, geen dialoog, geen kleur in de stad, de jeugd naar de rand verbannen… Het kostte me nogal wat banbliksems en de burgemeester catalogeerde me bij de “nestbevuilers”.

En nu? Al altijd had ik dingen georganiseerd (ik kon/kan het blijkbaar niet laten): in kranten en tijdschriften over kunst en mensen schrijven, op school theater en muurschilderingen realiseren, projecten met collega’s uit andere scholen en/in andere steden op poten zetten, samenwerken met collega’s die een volslagen ander vak geven, een toneelvereniging en een basketbalclub uit de grond stampen… Dus, kwam de vraag wat ik van plan was in het fameuze Brugse cultuurjaar 2002 niet uit de lucht vallen.

Ik was van plan de wijk te nemen, maar dat ik dat zo letterlijk zou doen, had ik nooit kunnen vermoeden.

Ik stak gewoon de ringvaart over en trok naar Sint-Jozef, de eerste sociale wijk uit de Brugse geschiedenis, een plek waar je als kind niét kwam. Ook als volwassene niet, eigenlijk, tenzij je er woonde of werkte. Zelfs ik niet, straatrakker uit het volkse Sint-Anna. Te gevaarlijk, werd je diets gemaakt. De verhalen zijn legio en de bijnamen spreken boekdelen: van “Klein Korea” tot “De Vleesblok”.

En toch. Op een ochtend, heel erg vroeg, word ik wakker en besluit ik in 2002 op… Sint-Jozef de handen uit de mouwen te steken en ideeën vorm te geven. Mijn vrouw verklaart me gek. Het feit dat ik er in mijn jeugdjaren stiekem toch een paar keer was geweest en behoorlijk recent nog enkele keren, telkens om er vlakbij de kerk de tot ver buiten de stad Brugge populaire dwerg Georges Vantieghem te interviewen, stimuleerde. Die verrassend strakke straten en straatjes. De vele knotwilgen. “’t Boantjie”. New York in het heel, heel klein. Het leek ook telkens mooi weer als ik er was… En niets dat in de weg stond: geen standbeeld, geen sculptuur, niets. Ook geen toeristen. Relatief kleine huisjes, veel groen, 2 appartementsgebouwen waar toen nog de stenen uit de gevel vielen en door netten dienden opgevangen, een buurthuis, een bieb en meteen “thuis” bij een paar mensen…

Via het NICC, de vakbond van de beeldende kunstenaars, zeg maar, kreeg ik een 7-tal kunstenaars ter plaatse. Twee jaar zouden ze zich in de wijk en/of de bewoners verdiepen. Dra liet ik mijn zaterdagochtendvoetbal voor wat het was. Ik wilde en moest de bewoners bevragen. Of ze het goed vonden dat er ook in hun wijk iets zou gebeuren in “2002”. Dit en andere vragen. Snel kreeg ik hulp bij het enquêteren, want overal waar ik aanbelde moest ik ook gaan zitten en vaak iets drinken. Ik was welhaast overal meer dan welkom.

Ik had me totaal onvoorbereid en dus naïef in een avontuur gestort, was met blinde passie aan het project begonnen. Maar op de lange weg van het polsen van de mensen dook er plots 1 obstakel op: een zekere A.G. Een wat oudere,  intelligente man, die aan de rand van de wijk woonde, dicht bij de vaart tussen Brugge en Damme. De man, zei men me, zou ooit een hoge functie hebben bekleed bij het OCMW en had nog veel invloed binnen de katholieke zuil. Een tweede onverwachte hinderpaal was eigenlijk het schisma dat de wijk verdeelde tussen katholieken en anderen. Er was ook een Feestcomité opgericht.

In geschriften en nog schaarse activiteiten hamerde G. vooral op de geschiedenis van de wijk, terwijl bijna 90% van de populatie (de enquête werd  aan de Universiteit Gent verwerkt) duidelijk liet blijken: Kom maar af man, hier gebeurde én gebeurt nooit wat! Ik vermoedde snel dat G. het vuil speelde. Hij wreef me zelfs aan dat ik bepaalde mensen onder druk zette. Ik heb de briefjes van die mensen die het tegendeel bewijzen goed bewaard. De vele enquêtes (vaak met commentaren) eveneens…

G. was in zijn jongere jaren wel degelijk actief geweest, ook binnen de wijk, maar dan vnl. voor de eigen paapse kring. Voor mij, indringer, geen uitgestoken hand, noch enige duiding of een voorstel tot samenwerking. Nee, op z’n Brugs: het gat van de timmerman! Van een ouder iemand en van een Christenmens mag je meer verwachten, dacht ik. Ondertussen weten we allemaal beter.

Later zou hij nog – zij het onrechtstreeks – van zich laten horen. Toen ik voor het maken van een bronzen beeld van de kleine Georges alleen maar het beeld even wilde ontlenen voor het maken (in Gent) van een mal, klopte “De Gilde” 50.000 frank (€1250) uit mijn zakken… Wat later zou een nicht van hem, die in het naburige Koolkerke resideert en ondertussen schepen van de stad Brugge  is geworden, de eerste zijn om openlijk het nieuwe symbool van de wijk op de korrel te nemen. Dat was met name een gestileerde marmot, een creatie van Anton Cotteleer, rond dat moment bekroond tot beste beeldhouwer van de provincie Antwerpen! Ik zou met name de snel populair wordende marmot hebben ingevoerd (wat al helemaal lulkoek is/A.C. had daarvoor gezorgd) om met de mensen van de wijk de spot te drijven. Ja, een marmot slaapt inderdaad de helft van het jaar. Maar de omstandigheden waarin het dier leeft geeft het geen andere keus. Slimme beesten, dus, die in gemeenschap leven en mekaar bij gevaar verwittigen. Ik ben ze in de Franse Alpen meermaals gaan spotten.

Soit, ondanks heel veel (vooral heimelijke) tegenwerking uit katholieke hoek, zijn we er, samen met de buurtraad en een paar mensen die me snel na aan het hart lagen, in geslaagd (zonder veel stadssteun) de wijk mooier, leuker en aangenamer te maken. Er kwam inderdaad een standbeeld van de kleine Georges op het kerkplein, billboards sierden maanden de steenweg, een kunstenaar schreef een uitzonderlijke novelle, een andere liet een sportveld aanleggen en nog een andere tekende voor het gazon tussen de 2 voormelde flats, lokale kunstenaars konden eindelijk laten zien wat ze in hun mars hadden, er kwam een marmot in  chocolade, een cocktail, ik schreef zelf een kinderboek, er waren balpennen, glazen Kerstmarmotjes, mokken en T-shirts met marmotten, schilderijen, er prijkt een marmot in een nis, er was een winterse soepbedeling, activiteiten en gigantische muurschilderingen in een school, nog 2 sculpturen in de openbare ruimte, een mascotte, een heuse Mister en Miss Marmot-verkiezing, een muurschildering in de bieb, een Café de Marmot… Je kan het zo gek niet bedenken.

 

En ondertussen geef je ook op school nog van katoen, blijf je schrijven over  kunst, publiceer je wekelijks een of meer bijdragen in De Krant van West-Vlaanderen, en doe je nog zo veel dingen meer. En je voelt, na tien jaar, dat je krachten toch wel wegebben, dat een soort burn-out de kop opsteekt, dat de katholieken je alleen “en public” graag blijven zien en je voelt vooral dat de continuïteit een probleem wordt, je steeds weer voor dezelfden organiseert en de jeugd lang niet staat te popelen om het werk over te nemen. Je blijft in rondjes draaien, schakelt over op automatische piloot, er wordt nog georganiseerd omdat men het gewoon is en het centen oplevert en omdat ze het zelf wellicht nog leuk vinden. Maar deze jongen hier houdt van verandering, verrassing, vernieuwing…

Er komt sleet op. Tien jaar. Er zijn er velen, ook van binnen de wijk (ik was al die tijd een indringer), die het veel minder lang uitzingen! Je verliest vertrouwelingen, Etienne en Maria, en je merkt dat ook in die “bijzondere”  wijk ruzie  wordt gemaakt om een… parkeerplaats of een kat die in andermans hof schijt. En het schisma blijft. Wordt zelfs weer groter. Dan toch een wijk als een ander? En je gaat toch nog de scholen even polsen en de jeugdwerking. Niemand staat te dringen. Helaas. Opdracht vervuld?

Wat blijft is de reuzenmarmot op het Ghandi-plein, die er ook ondanks veel gestook is gekomen, en de honderden marmotjes in de huizen en op de vensterbanken, de zgn. raammarmotjes, waar ik dol op ben en blijf. Nee, er is veel meer. Ook de weliswaar slinkende hoop dat anderen nu het werk verder zetten. Anders is het nu al erfgoed. (relatief) Kort, maar intens en goed.

Ondertussen heb ik mijn handige Vespa van de hand gedaan, een proces verloren tegen een van de kunstenaars met wie ik samenwerkte, staat de originele kleine Georges ergens in mijn tuin en is de marmottenhaatster schepen geworden en ben ik blij dat ik dat mens zo weinig mogelijk tegen het lijf loop. Gelukkig, voor actuele kunst moet ik heel vaak buiten het duifgrijze Brugge zijn.

Voor ik het vergeet, een woordje van dank. Aan de kunstenaars en al diegenen die gedurende die 10 jaar met me hebben samengewerkt en vooral zij die van de marmot zijn gaan houden, aan alle Sint-Jozefnaars van wie ik nu nog warmte krijg, en één politicus die me voor die 10 jaar onbaatzuchtige inzet terdege heeft bedankt: schepen Boudewijn Laloo.

JOHAN DEBRUYNE