Category: Projecten

2003: Wijk up (deel 2)

             

                         

Wijk up 2003

                                                                

Georges’tje van de Gilde op muren Middenschool

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Johan Debruyne leest voor in bibliotheek De Garve

Mijn Sint Jozef

Johan Debruyne met zijn project Wijk up in Sint Jozef

Bezieler marmotten in Sint-Jozef stopt

Vriendschap

 

Vriendschap

Ik loop (nou, ja) tegen de 59 aan en hij moet zoetjesaan de 80 naderen: klein van stuk, geblokt, sterk, een niet uit te wissen blos op de wangen. Ingetogen zelfverzekerd. Eigenzinnig ook wel, denk ik. Zin in (het) leven…

Met regelmaat ontmoeten we elkaar in de gym. Wanneer ik er – tegen de middag – met een portie tegenzin (er zijn zaken die ik liever doe dan me fit houden door ijzeren machines in beweging te brengen…) binnenstap voor een rist “opwarmingsoefeningen” – waar het ook noodgedwongen bij blijft – is hij klaar met trainen. Vroege vogel. Aan de bar staat hij te socialiseren. Fris als een hoentje. Biljarttafel in de rug. Joviale man.

Tja, ik doe mijn oefeningen liever hier dan bij de kine. Ik zie en beleef hier van alles, ik kan jennen en word gejend, ik zie zweet parelen op loopbanden en geniet van het stampend geluid van de cadans van een serieuze menselijke galop, schud met mannen handen op tal van manieren, kus wat dames een goedemorgen, spreek diverse talen, loop jong en oud tegen het lijf, gewone stervelingen als ik, maar ook binken voor wie er altijd spiegels tekort zullen zijn. En op een fitnesstoestel uitpuffend (nou, ja) wordt al eens gefilosofeerd. Over de multiraciale samenleving, de mislukking ervan (hier valt het wonderwel mee), de Ramadan, de kasseien, de kwaaltjes, de bruggenmiserie in Brugge die Scone… Als de muziek het toelaat tenminste. Of nog: het aantal decibels dat de luidsprekers doet trillen. Kijk, bij de kine doe je alles in je eentje. Maar af en toe moet deze Einzelgänger – ooit een sociaal dier – eens uitbreken.

Vanmorgen weer. Gisteravond in het PAK, een nieuwe, tot de verbeelding sprekende locatie voor kunst in… Gistel, de Engelse kunstenaar Thom Puckey ontmoet. De man woont sinds 1978 in Amsterdam. Ook veel knap werk gezien van Johan Tahon. Nooit was die beter dan vandaag. En ook Frans Gentils sloeg me met verstomming. Ook hoe hij zijn creaties met het frame laat versmelten.

Vanmorgen hoorde ik dus de stramheid weg te oefenen. Een uur stilzitten of slenteren breekt me zuur op. Het fysiek oefenen is me opgelegd. Befehl! Door kenners. Eerst naast het bed, op het rubberen matje (door poezennagels danig uitgedund),  daarna – eerst nog voor Daans katten gezorgd (de “sans papiers” niet vergeten, Johan!) – naar de gym. Het is snoeiheet. En toch liever in deze voormalige patattenopslagplaats dan aan zee. Een grote, loodzware achterdeur staat open. Ik zie bomen en de vaart. De wind fantaseer ik erbij.

Ik vraag G. of hij volgende week langsloopt op de buurtfeesten op de Brugse wijk Sint-Jozef. Hij woont er. Op een boogscheut. En met het schooljaar in zicht zijn die feesten er vaste prik. Ik weet het, omdat ik me 10 jaar benevool voor de wijk heb ingezet. Ongevraagd! Doorgaans met veel plezier en resultaat. Intussen werd ze “de Marmottenwijk” gedoopt. Tiens, van de week vroeg nog iemand om een glazen exemplaartje (voor in de kerstboom) en op onze schoorsteenmantel staan twee kaartjes uit Frankrijk met een… marmot als absolute protagonist. Het blijft aan me kleven. Tien jaar dus zowat, tot ik moe werd, de verveling de overhand nam en ik voelde dat er niet echt meer progressie werd gemaakt. Er stond nauwelijks opvolging klaar en men nestelde zich knus in het status quo. Abrupt stoppen deed ik toen een van de Tsjeven die me altijd achter de schermen had gedwarsboomd tot schepen van de stad Brugge werd gebombardeerd.

Ik heb ook nooit echt begrepen waarom in een wijk van een goeie 5000 mensen zowel een Feestcomité als een Buurtraad binnen de 2 maand een groot feest moeten organiseren. Bundel die krachten, durfde ik al eens te denken. Een merkwaardige wijk, een enclave met een niet te wissen schisma.

Het antwoord van G. verbaasde me. Hij keek me recht in de ogen en zei: “Sinds jij er niet meer bent, ga ik niet meer. Ik zal hier zijn! En nu ga je iets van me drinken, Johan!” Veel meer dan een paar woorden per ontmoeting wisselen we doorgaans niet. Hoeft ook niet. Zijn handdruk “zegt” genoeg en zijn stevige poot zindert lang na. Mijn schouder, G.! Ik heb het er voor over. Zou dit vriendschap kunnen zijn?

JOHAN DEBRUYNE, augustus 2012

 

Sint-Jozefs bekendste inwoner in… chocolade!

“Nestbevuiler” nam op de wijk Sint-Jozef een onbezonnen start

“Nestbevuiler” nam op de wijk Sint-Jozef een onbezonnen start

In 1995 ondernam ondergetekende in een Brugse galerie een poging om de lokale overheid (helaas, alleen de geïnteresseerde Bruggeling kwam er op af) te laten zien dat je op straten en pleinen ook nog iets anders kan neerpoten dan bronzen verhaaltjes als dankbaar voer voor een meute gidsen. Hij had o.m. ook al een paar prikkelende culturele debatten op zijn conto en een stapel recensies over artistieke en andere stadsgenoten.

Enige jaren later sleepte Brugge de titel van “Europese culturele hoofdstad 2002” in de wacht. Omdat de jeugd zich ten onzent alleen maar gedeisd mag houden en naar de stadsrand werd verbannen én omdat het beleid als de dood bleef voor actuele beeldende kunst, liet hij zich in het dagblad De Morgen negatief uit over het veroveren van de Europese nominatie. De burgemeester haalde uit met “nestbevuiler”.

Als ik vandaag het schepencollege, de Vlaamse en de federale regering bezig zie, voel ik me almaar minder eenzaam. Wanneer een nest vol kontlikkers zit, valt het natuurlijk op als er iemand in begint te schijten… Ondertussen ligt dat Europese cultuurfeest al 10 jaar achter ons en blijft Brugge ondanks alles zijn oubollig imago meesleuren. Je eet er lekker, het concertgebouw zit doorgaans behoorlijk vol met keurig gepakte mensen, maar de kleine stad met 2 voetbalclubs in de hoogste regionen beschikt niet eens over een behoorlijk stadion. Straten en pleinen kregen nog meer brons  op hun kasseien en gazons en de eindelijk vernieuwde stationsbuurt werd volgestouwd met banale architectuur…

Maar ik wilde mijn tomeloze energie niet louter in “anger” investeren. Een bizarre droom kwam ter hulp. Ik koos de wijk en zou me onbezonnen smijten in wat ooit als een te mijden Brugse wijk werd omschreven: Sint-Jozef.

Mijn vrouw verklaarde me gek toen ik mijn droom aan de ontbijttafel verwoordde. Aanvankelijk zou het iets met… vlaggen worden. Kunstenaar Eric Colpaert had me geïnspireerd. Maar de dame die het aanvankelijk voor het zeggen had in aanloop naar het Europese cultuurjaar, moest plotseling opkrassen. Ik kreeg vervolgens Pierre Muylle (nu MadMusée/Luik) op mijn boterham (we zouden goed samenwerken), de plannen namen uitbreiding en ondertussen was de wijk ook een Feestcomité rijker. Ik enquêteerde en wist me welkom bij het gros van de inwoners. Nietsvermoedend verzeilde ik bij de Buurtraad. Ik vroeg me meteen af waarom in een wijk 2 organisaties (Buurtraad en Feestcomité) elk jaar een feest van 3 dagen dienden te organiseren. De krachten bundelen, suggereerde ik in een kranteninterview. Ik werd op het matje geroepen. Eind veertiger, toen. Als een schooljongen. Maar zo was het daar al decennia: het water tussen rood en oranje (lees: socialisten en tsjeven) was er veel te diep.

We begonnen, je ziet het op de foto, met een door een kliek lokale christen medemensen gecontesteerde novelle (gratis in alle brievenbussen) van Brusselaar A. Geronnez en een… vierkante bal van de internationaal vermaarde Franse kunstenaar Hybert. Die kwam ervoor speciaal uit Parijs!

We konden dus al meteen spelen en lezen, en op een bank genieten van kleine Georges, die ik in ondanks veel christene tegenwerking in brons had laten gieten. Vervolgens zijn we er 10 jaar actief geweest. Hyperactief, knarsen nu de hersens van mijn eega. Tientallen initiatieven werden genomen en vaak tegen de bierkaai gevochten. Maar ik bezit dozen vol leuke krantenartikels, waar de wijk in mijn en veler herinnering voorheen vooral op negatieve wijze het nieuws haalde.

Na 10 jaar leek de opdracht min of meer volbracht. Zowat alles wat gebeuren kon, was gebeurd, wat kon uitgevonden was uitgevonden, wat kon gemaakt en uitgedeeld, gecreëerd en uitgedeeld. En ook: mijn bobijn was een beetje af. Ik zou het vandaag niet meer kunnen. Speciaal voor het vrijwilligerswerk had ik een Vespa gekocht en was alomtegenwoordig. Altijd bereikbaar ook. Zelfs in de weekends en op reis. Van wijkwerkers die wél voor hun werk betaald werden kon bezwaarlijk hetzelfde beweerd…

Soms doet het wat pijn, het einde van een mooi verhaal. Maar Maria en Etienne, 2 artistiekelingen die me écht een warm  hart toedroegen, zijn er niet meer, en café “Ter Loy”, waar je steevast werd gezegd waar het op stond, is nu een riante brillenzaak.

Voor het spel met de vierkante bal, “Push Corner” (radio en tv hadden er indertijd nationale ruchtbaarheid aan gegeven!) werd een heerlijk grasveldje aangelegd achter het gemeenschapshuis De Garve. Een zekere mevrouw Matthys (CD&V), ondertussen tot Brugs schepen bevorderd, liet het kunstig terrein onlangs vernietigen. Een kille strook beton een nog koelere ijzeren kooi voor hangjongeren maakten een einde aan het malse groen en het zachte, uitdagende hout.

JOHAN DEBRUYNE, juni 2012