Category: Dieren

Serendipiteit

        

Omtrent de kunst van “Strook”

SERENDIPITEIT

Het moet zo’n jaar of twee geleden zijn. Van enige puur artistieke “aanwezigheid” ben ik niet op de hoogte gebracht. Ik ben uitgenodigd op een soort happening die plaatsvindt in een straat waar de leegstand schrijnend is. Een aantal gerenommeerde Brugse handelszaken heeft de handen in elkaar en aan de ploeg geslagen. Ze zouden er een wijle een leuke, levendige buurt van maken: een verrassend “eindje” straat aan de rand van het centrum waar hun kwaliteitsspullen jou in een geheel andere context kunnen verleiden.

Ik ga er naartoe, maar stap de nu met leven gevulde bakstenen kneusjes niet binnen. Ik ben een beetje aan het trottoir genageld. Ik toef een hele poos aan de overkant van de straat. Daar is niets te doen. Hoewel ik nu denk dat het zomer was of hooguit zachte aanlooptijd naar de herfst, krijg ik het koud. Aan de gevel van een heel oud huisje (of waren het er twee?) hangt iets wat ik nooit eerder heb gezien: twee monumentale, “huisjesgrote”  koppen. Twee bustes. Soorten portretten,  samengesteld uit stukken hout. Het werk intrigeert. Al zeker het onmiskenbaar vakmanschap.  De hoofden zijn gaaf en expressief tegelijk. Niet schreeuwerig. Ik voel zelfs een zekere melancholie. De creatieve geest die dit heeft gerealiseerd ken ik niet.

Ik denk enigszins verward – aan de overkant wordt ondertussen getoast, gekletst en uitbundig gedaan – aan kunstenaars die doorgaans (of een enkele keer) met hout aan de slag gaan. Balkenhol is de eerste die ik me voor de geest haal. Hoewel diens bas-reliëfs op de meest recente Documenta (in een kerk naast de Friedrichsplatz/Kassel) en zijn monumentale menselijke figuur vlak voor het CAC Malaga me in een nabij verleden hebben ontgoocheld, hou ik van zijn oeuvre.  Gewoonlijk tovert de man menselijke figuren uit boomstammen: verfijnd, vertederend, verstild.

Geheel anders dan de “Goden met geschonden gelaat” van Kader Attia. Die grijpen je bij de strot. Ik denk uiteraard ook aan Vic Gentils. Voor mij een van onze grootste kunstenaars ooit. Onnavolgbaar hoe die houten elementen op ingenieuze manier kon assembleren. Maar waar ik nu op straat naar sta te gapen, is geheel nieuw: geometrische vlakken (gerecupereerd) hout die koppen vormen. Er is amper reliëf.

Ik blijf de hele tijd met “houten kunst” in mijn kop zitten. Met werken van Lohaus, Penone en Brancusi. Allemaal zo anders. En van die Duitse kunstenaar, ik kan maar niet op zij naam komen, die met een kettingzaag en in luttele tijd figuren uit bomen zwoegt. Of zwoegde. Zou hij het nog doen? In de jaren ’90 stond ik oog in oog met wat van zijn bomen was overgebleven. Heel knap! Het was in de Brugse Galerie Hugieia.

Dit hier is weer volkomen anders. Ik zou in de late avond op zoek gaan naar meer van en over dit oeuvre. Wanneer ik dan uiteindelijk toch een deurtje binnenstap, laat ik me vertellen dat de maker amper dertig is en al heel wat op zijn artistieke actieradius heeft. “Strook” is zijn naam, pseudoniem voor Stefaan Decroock. Volgens de Amerikaanse nieuwswebsite “Hufftington Post” behoort zijn werk al tot de meest invloedrijke Street Art ter wereld!

De menselijke figuren die hij tegen muren aanbrengt zijn samengesteld uit verzaagde stukken wrakhout. Hout dat volgens de een of de ander voldoende tijd, leven en functie heeft gehad. Lui die vinden dat het goed is geweest met dit hout. Deze “opgegeven” materie brengt Strook op ideeën. Ze wakkert verhalen in hem op. Hij gaat op zoek naar oude, verpauperde panden en speurt er naar bruikbare houten elementen, stuk voor stuk veel ouder dan hemzelf. Hout dat levens heeft geleefd.

Hoe lang leeft hout überhaupt? Hoe lang gunnen wij een deur? Een raam? En wat hebben verf, mensen en tijd met het hout gedaan? Wat door velen aan de kant wordt gezet, is voor hem basismateriaal om mee te scheppen. In wat hij creëert zitten levens; hebben natuur en mens hun deel gehad.

Op een tentoonstelling in de Kortrijkse Buda-fabrieken (deze ervoor, in de leegstaande ruimtes van de voormalige Brugse drukkerij “Die Keure”, had ik gemist) waren velen in de ban van zijn werk. Het verrast. Het oude hout, de elementen en na enige tijd het vermoeden van een kunstenaar die ook erg goed kan tekenen.

Inderdaad: Strook is grafisch geschoold. Onderlegd. Bedreven. Hij herleidt zijn figuren tot (hoofd)lijnen. Lijnen die vlakken omvatten en dan een wezen vormen. De tentoonstelling laat ook abstract werk zien. Daarin laat hij her en de houten elementen weg en vervangt ze door beton dat hij schimmig figuratief beschildert.

Op de site van de kunstenaar kijk ik ook met verbazing naar zijn allereerste murale werken. Verf. Uit een spuitbus, vermoed ik. Een gigantisch, ingenieus werk, ergens in Antwerpen: een immense, verticale strook.

Van “Young Primitives” heeft hij nog gehoord. Dat was 2005, geloof ik, n.a.v. een Brugs stadsfestival. Graffiteurs van over de gehele wereld (ook acteur Matthias Schoenaerts was erbij) werden als het ware een wijle opgesloten in het Groeninge Museum. Daar dienden ze zich te laten inspireren door de werken van de Vlaamse Primitieven. Nadien maakten ze vaak gigantische werken die overal in de stad werden aangebracht. Dit knappe initiatief, dat jong én oud wist aan te spreken, kreeg helaas geen vervolg. Het leverde verbluffend werk op. Reveleerde ook talloze onvermoede manieren waarop kunstenaars met spuitbusverf omgaan. Een paar elementen zijn Brugse gevels blijven sieren. Zo hangen er vandaag nog drie in de Hof van Arents. Na de tentoonstelling werd het gros van de werken – onder grote belangstelling – in het voormalig Leerhuys per opbod aan de man gebracht. Ik was erbij. Was mijn huis maar groter geweest, heb ik toen vaak gevloekt. Stefaan herinnert zich iets van het evenement. Hij was toen een prille twintiger en had er wellicht net Sint-Lukas Gent op zitten, waar hij zich voor zijn eindwerk in de “écriture automatique” van Breton had verdiept.

Met stijgende verbazing kijk ik naar zijn tekeningen. De klasse van de vrije hand. Het gebaar.  De losse pols. De “poot”. Ik zie de kop van Eddy Merkcx. Bij nader toezien een onvoorstelbare kluwen van lijnen. In het hoofd zit de hele carrière van “de Kannibaal” vervat. Overwinningen, trofeeën… Je moet alleen verdomd goed kijken. De tijd nemen. Wonderbaarlijk is vooral dat de veelheid aan verwerkte gegevens geenszins het totaalbeeld stoort. Ik vermoed dat al zijn werken een lange weg hebben afgelegd. Soms mentaal en fysiek.

Hij gaat niet over één nacht ijs. Het speuren naar “intrinsiek artistiek” hout neemt heel veel tijd in beslag. Ook wanneer hij niet daadwerkelijk aan het zoeken is. Zijn leven is er vervuld van geraakt. Gestaag groeien de ideeën, terwijl ook het gedreven en bedreven droedelen tot beelden leidt die hij naderhand vereenvoudigt. Het is een uitdaging voor Strook, zegt hij zelf: met minder vlakverdeling toch expressie genereren. Kijken hoe vlakken en andere materialen met elkaar gaan communiceren. Het is zowat zijn leven geworden. Het zoeken naar wat lijn en materiaal met elkaar kunnen bereiken. Ik moet denken aan de term “serendipiteit”. Ik leerde het woord ooit van Jan Hoet: iets vinden zonder dat je eigenlijk concreet zoekt. Wat kort door de bocht. Er komt ook intelligentie bij kijken.

Strook sluit in de toekomst de pure abstractie niet uit. Ook de derde dimensie kriebelt in zijn onderbewuste. Er liggen al “toonmomenten” in de VS en in Canada in het verschiet.

          

 

JOHAN DEBRUYNE, begin januari 2016

 

 

 

Geluk

GELUK
Het donkert verdomd snel dezer dagen en ik ben gauw moe. Is het de overvloed aan rotzooi in kranten, journaals en op nieuwssites die me afmat? Of ligt een nieuwe burn-out op de loer? Ik heb geen verklaring. Sinds ik jaren geleden figuurlijk tegen een muur aan liep, waak ik behoorlijk streng over mijn actieradius. Mijn eega is aan dezelfde slepende moeheid ten prooi gevallen. Maar bij haar maakte een scan onlangs duidelijk dat een van haar nieren het sinds enige tijd niet naar behoren doet. Zoiets vreet aan je vitaliteit. Maanden geleden zijn we voor “La Biennale” als bij wonder nog samen in een ondergelopen Venetië geraakt, maar sindsdien kwam ze amper de deur uit. Onlangs nog kreeg ze van de huisarts een reprimande: “Straks komt je vitamine D-voorraad in het gedrang!”

Die D zal ons een zorg zijn. Het is een geïnfecteerde nier die niet wil ontzwellen en voor extreme vermoeidheid zorgt. Misschien verstopt zich in haar waterkanalen ergens een steen, waardoor de medicijnen niet naar behoren kunnen bijdragen tot het helingsproces. Al twee keer deze week waren we voor dag en dauw in het ziekenhuis. Haar pijn is ook mijn zeer. Dat gaat zo als je bijna veertig jaar samen bent. Er samen eens op uit? Even maar. Zelfs dit lukt momenteel niet. Ook niet voor het goede doel. Mijn rode Barbato’s (“fatto a mano in Italia/maat 45), laarzen die ambachtelijke parels zijn en die ik ooit kreeg omdat ik een exquise schoenenzaak van een kunstliefhebber – ze heropende na ingrijpende verbouwingen –  met een artistieke tekst nieuw leven had willen in blazen, blijven in de kast. Een enkele keer gedragen. Mijn voeten, kampend met kraakbeentekort, verteren de hoge hak niet. Ik kan me de Antwerpse “Empty Shop” (waar je tegenwoordig met merkspullen het goede doel kan dienen) dus ook niet voorstellen. Heb dan eens een paar peperdure schoenen waarmee je iemand zou kunnen plezieren!

Ik betrap me er op dat ik mezelf af en toe wat troost koop. Meer boeken dan gewoonlijk, bijvoorbeeld. Maar ik lees ze niet. Een paar hoofdstukjes “Pointl”. Pareltjes. Na een tiental bladzijden lig ik zo te snurken dat onze katten zich nog vreemder gaan gedragen. Onze viervoeters zijn uit zichzelf al niet bijster rustig en sociaal. En ook de beeldende kunsten onttrekken me niet aan een vorm van zwaarmoedigheid, wat ze gewoonlijk wel doen. In de stad, tussen boodschappen in, proef ik wel eens wat lekkers.

Net toen die heerlijke Javanais (een hoofdletter uit respect!) op mijn tong aan het smelten was, vloog Mourinho bij Chelsea de laan uit. Zoiets vergeet een voetbalfreak nooit meer… Ik was amper thuis en de I-phone lag klaar voor eventueel nieuws van het Urologisch Hoofdkwartier. Maar wat een getwitter over “The Special One”! Het is ook de dag dat oud-leerling Rob, die al heel jong begonnen is met het opsporen en verzamelen van zeldzame… tegels en nu een heuse antiekzaak runt, dertig is geworden. De moeder van de bazin van mijn nichtje vloog me rond de hals en verkocht me voor een paar euro een klein poppetje voor het kinderkankerfonds. “In Peru gemaakt”, tierde ze tot drie keer toe in mijn oor. Omdat ik van dieren hou, koos ik een elandje. Ik kan het eventueel op mijn jas spelden.

Het was ook de dag dat een mevrouw – in haar eentje aan een tavernetafel de krant aan het lezen – opkeek en vroeg: “Jij bent toch Johan Debruyne?”  Nadat ik bevestigend had geantwoord, zei ze dat ze de schoondochter was van Etienne (Dickx)-zaliger. “Je hebt mijn schoonvader heel gelukkig gemaakt!”

Een mooier compliment is nauwelijks mogelijk: ik heb een mens gelukkig gemaakt! Ik dacht meteen aan Daan, de vriend die altijd voor onze katers zorgt als we op reis zijn. Ooit stond op een van zijn kattenbellen: “Ik ben een tevreden mens. In mijn hele leven heb ik minstens al zes katten gelukkig gemaakt. Een bilan dat vele wereldleiders niet kunnen voorleggen.”

Wie is Etienne? Toen ik voor het evenement “Brugge, Europese cultuurstad 2002” besloot om mijn krachten en creativiteit op de Brugse wijk Sint-Jozef los te laten, ben ik met talloze mensen uit de wijk gaan praten. Dat was in 2001. Bij Etienne en zijn vrouw, zeldzaam goeie mensen, bleef ik “plakken”.  Ik mocht er meteen royaal plaats nemen in zijn Jori (zetel) en was er meteen thuis. Etienne was een gepensioneerd arbeider die met klei boetseerde. Hun vier kinderen hadden ongeveer mijn leeftijd en waren lang het huis uit.

Het koppel woonde in de… Sint-Jozefstraat. Op de vensterbanken van de kleine woning stonden altijd een paar van zijn creaties. Figuren. Voor de glasgordijnen. Sober. Ingetogen. Langs de trappen: tekeningen van de kleinkinderen. Achterin was er een veranda, net voor een kleine tuin. Daar zag ik meteen het betonnen beeld van iemand die in heel de stad Brugge bekend was geweest: de kleine Georges (Van Tieghem). Zijn vermaardheid had hij te danken aan zijn kleine gestalte, zijn lef, zijn radde tong en zijn positieve ingesteldheid. Hij liep wat moeilijk, moet ongetwijfeld veel pijn hebben geleden, maar klagen deed hij nooit. Hij was graag onder de mensen, was een moppentapper en dronk pintjes. Meteen groeide bij mij de idee om van dit betonnen beeld een mal te laten maken en het levenswerk van Etienne vervolgens in brons te laten gieten. Dan zouden de Brugse culturele feesten op de wijk kunnen starten met het onthullen van een bronzen beeld van de kleinste, maar ongetwijfeld meest prominente inwoner van de wijk, de stad. Het beeld, op een hoge marmeren sokkel – droomde ik – zou op het Kerkplein komen, want daar vlak bij had Georges altijd gewoond. Bij zijn ouders. Later bij zijn moeder.

De al dan niet gelogen verhalen over Georges zijn legio. Naar een “normale” school mocht hij niet, dus verbleef hij in een pensionaat aan de kust. Bij de nonnen. Later leerde hij paternosters maken en nog later zouden zijn bekendheid en populariteit ongekende hoogten bereiken toen hij als een soort bode én curiositeit functioneerde bij de ingang van “De Gilde”. De Gilde was de volksschouwburg. In Brugge had je in die tijd een stadsschouwburg en een volksschouwburg. Als uk kende ik vooral deze laatste. Ze lag in de nabijheid van mijn school, ik ging er al vroeg kijken naar “den boks” en de revue “Stiene en Stance”. Naar de optredens van die twee als vrouw vermomde mannen ging ik met mijn moeder.

Ook de diensten van de katholieke ziekenkas waren daar gevestigd. Voor die paapse dames en heren en hun ruime clientèle lette Georges op de fietsen en de kinderwagens. Hij deed  boodschappen en regelde een en ander, want hij was een kleine, lepe lefgozer die overal de weg kende… Alleen kinderen hadden het soms niet zo op Georges begrepen. Dit lag deels aan zijn wat bizarre, zware stem, zijn volwassen hoofd op dat kleine lijf, én aan de ouders die hun kroost wijs maakten dat ze, indien ze hun bord niet leeg aten, ze zo klein als Georges zouden blijven. Dat was dus 1 meter en 20 centimeter. Op de duur kwam Georges met regelmaat op televisie en ooit speelde hij mee in een film. Hij zou 76 jaar worden.

Georges was fier. Niet in het minst op zijn weelderige haardos. Meer dan eens trouwens had hij Etienne gevraagd om een beeld van hem te maken.

Samen met Etienne (ook een broer van me heeft nog geholpen) en na vele tegenkantingen uit katholieke hoek, ben ik naar een bronsgieterij in Merelbeke gereden. De zware, in beton gegoten G. op de achterbank. Daar, in Oost-Vlaanderen, is bronzen Georges geboren. Omdat ik voor het brons en een knappe sokkel centen van doen had, deed ik een beroep op een serviceclub en een steenhouwerij. Veel had de stad Brugge voor zijn meest populaire inwoner niet over…

Vandaag staat de kleine volksmens op “zijn” Kerkplein, in een hem erg typerende houding. Geflankeerd door twee zitbanken. Hij staat er sinds februari 2002. Een enig mooi moment beleefde ik toen ik eens kaarten met nieuwjaarswensen uit de brievenbus haalde. Ertussen deze foto: Etienne en zijn lieve Lieve, poserend bij het bronzen beeld op het Kerkplein!

 

JOHAN DEBRUYNE, eind december 2015

 

 

 

Strook

                           

 

 

STROOK

Ik woon in een Brugse laan, waarlangs je de stad verlaat via een brug. Een beschermd monument dat door bronzen bizons geflankeerd wordt. De imposante beesten, van de hand van Octave Rotsaert (1885-1964), zijn op sokkels gehesen. Een eerbetoon aan Canadese soldaten die de stad, in 1944, precies op deze plek triomfantelijk binnen zijn gemarcheerd. Nu dezer dagen het aantal activiteiten dat aan de wereldoorlogen wordt gelinkt amper nog te tellen valt, zou je verwachten dat een cultuurstad als Brugge er op zijn minst voor zou zorgen dat deze site er fraai uitziet. Niets is minder waar. De brug, de laan en de trottoirs liggen er schabouwelijk bij! Maar de bizons zijn sterk. Zij houden stand.

Als je over de brug rijdt en je kruist de brede weg die later “Bevrijdingslaan” is gaan heten, ben je quasi meteen in een randgemeente. Sint-Andries. Vroeger, toen ik in het centrum van de stad Brugge opgroeide, associeerde ik deze gemeente in eerste instantie met “De Klokke”, het ondertussen verdwenen legendarische voetbalstadion van mijn favoriete club. Pas veel later met “De Platse”, het kloppend hart van de gemeente, waar na voetvalwedstrijden van Club Brugge hooligans en andere kuddebeesten al eens hun duivels ontbinden. Ik zou nog de Zandstraat vergeten. Schande! Daar woonde een tante van me. Na de vroege dood van haar man had ze Charleroi voor een wat doods uiteinde van die straat ingeruild. Ze woonde er nog lang.  Alleen. Tante had geen kinderen. In het eenvoudig huisje was het gezellig toeven. Was ze op stap, dan had ze de rolluiken half neergelaten. Een tuinstrook gaf groente en meiklokjes (in overvloed) en in de pluktijd klommen we de immense kersenboom in. In de kleine woonkamer stond een kast met een glazen schuifraam. De snoep lag er voor het grijpen. Aan het keukentje paalde een kleine kelder. Daarin kregen de ham en de worstjes, die ze twee huizen verder bij de slager haalde, de tijd om te drogen en almaar lekkerder te worden.

Er is ook nog de steenweg naar Gistel, die “De Platse” doormidden snijdt en Sint-Andries met Varsenare, een meer groene en residentiële rand, verbindt. In mijn sportieve nadagen ging ik daar shotten.

Omtrent meetkunde werd ik lang na mijn schooltijd nog door nachtmerries gekweld, een GPS bezorgt me klamme handen en gênant uitdijende okselvijvers, dus weet ik nog niet zo lang hoe dicht ik eigenlijk wel bij Sint-Andries woon. Ons scheidt alleen een laantje met een rotonde, waar gelukkig nog geen sculptuur op is neergezet. Op het einde buigt de laan zich en rest nog een handvol huisjes. Geen shoppingcentrum in deze buurt, maar toch regeert de leegstand.

Vorig jaar was het daar feest. Een handvol handelaars had besloten om die rij verkommerde woninkjes wat leven in te pompen. Ik ben even langs gelopen. Aan de overkant stond ik me te vergapen aan twee monumentale menselijke figuren die tegen verlepte geveltjes waren aangebracht. Knap en intrigerend. Ze keken mekaar aan en waren gevormd door stroken en spieën  gerecupereerd hout.  Een eenvoudig en tegelijk ingenieus lijnenspel, leek het me. Hoewel de twijfel me vaak in haar macht heeft, had ik iets van: hier was een klassenbak aan het werk. Maar ik had kunst zat om me onledig mee te houden en liet de figuren voor wat ze waren. Vergeten zou ik ze echter niet.

Pas veel later, vraag me niet hoe dit komt, kwam ik er achter dat het om kunstwerken ging van een zekere “Strook”, pseudoniem van Stefaan De Croock, een stadsgenoot. Onlangs trok zijn werk opnieuw mijn aandacht. Hij stelde tentoon in de Kortrijkse Budafabrieken. Ik nam de tijd om een en ander van het internet te plukken, nam contact op en reed naar Kortrijk, waar “Taxixylogy” op zijn laatste benen liep.

Voor het eerst kreeg ik een overzicht te zien van Strooks werk. In grote ruimtes stond ik een hele rist figuren aan te staren. Hoe hij te werk gaat werd duidelijk bij een soort felverlichte, witte passage met zwarte buitenwanden. Hiertegen leunden oude deuren, latten, houtafval. Getaand wachtend op een nieuw bestaan in het oeuvre van Strook. Binnenin: reeksen vierkante blokjes uit het verpauperde hout gezaagd. Voorts onaangeroerd. Merkwaardig wat “tijd” vermag! Ze liet me ondermeer wolken, zeeën en een weg ontdekken.

Strook tekent veel, vertelt hij, wat naar Sint-Lucas (Gent) leidde. Maar hij is voor alles een graficus, iemand die combineert, creëert en bouwt met lijnen. Fragmenten “vergeten” hout gaat hij ingenieus combineren tot verrassende bustes. De figuren hebben geen ogen en toch kijken ze naar je. Of net niet. Is het mede door het leven dat de materie achter de rug heeft dat ik bijna steevast een zekere melancholie voel? Of ligt het ook aan de aard van de maker? Een gevoel van melancholie beroert ook zijn ziel. Strook zet als het ware archetypes neer. Gevoelsmatig en doordacht speelt hij met tal van factoren.

Terwijl vandaag zowat elke kunstenaar figuratief in de weer is, durft Strook het aan om ook met een ruime reeks abstracte werken uit te pakken. Meer nog dan bij het figuratieve werk, dat – vraag me niet waarom – makkelijk verleidt, speelt hij hier in op bestaande structuren, tekeningen en kwetsuren in het hout. Hij combineert met vlakken die hij in beton afgiet en zelf beschildert. Ook met verf kan hij uit de voeten. De kunstenaar weet ook verdomd goed wanneer je met je fikken van de dingen af moet blijven. Tijdig stoppen met een creatie is ook een kunst. Strook verliest zich niet in getuttel. Geen franje.

In de Rodestraat, op het nummer 66, heeft hij zijn atelier. Ik woonde om de hoek. In de Langestraat. Op 66 woonde lang, denk ik, ene Malvina. Zat zij niet altijd op een stoel in het deurgat? De Rodestraat… Ik kende er de bakkers, Van Belle en Tavernier. Bij struise Lina ging je om vis. En bij Cyrille en Maria was ik kind aan huis. Hoe Strook dus ook een beetje mijn jeugd terugbrengt.

JOHAN DEBRUYNE, december 2015

 

 

11.11.11.

11.11.11.

 

Zoals elke weekdagochtend stap ik argeloos en eigenlijk nog niet volkomen wakker naar de voordeur. Voor de poezen is al gezorgd. Hun buikjes zitten vol en hun pesterijtjes kunnen beginnen. Ja, na zo veel jaar heb je ze door. Zo gaat onze zwart-wit gevlekte kolos zijn volle lengte en gewicht over het deurmatje spreiden, zodoende dat de toegang tot de tuin mogelijke andere viervoeters (lees: zijn halfbroer) absoluut ontzegd wordt. In den beginne trad ik wel eens als scheids op, maar die rol is nu welhaast uit het script geschreven. Ik heb er me bij neergelegd: de kleinste van de twee moet dan maar de slimste zijn. Wat doorgaans ook het geval is. Maar het duurt zijn tijd, hun ochtendritueel.

De voordeur… Met het sleuteltje waaraan een mals zeehondje bungelt open ik de brievenbus: geen dagblad! Het valt serieus tegen wanneer je ochtendlijke routine zo wordt geabrupteerd. Al sinds mijn pubertijd lees ik ‘s ochtends de krant en gisteren stond op die van ons heel duidelijk alleen “dinsdag” vermeld. De krantenboer? Of dan toch geen krant op 11 november? Ik zou nog drie keer gaan kijken. Het kan ook vijf keer geweest zijn.

Thuis, waar we met 7 waren, was het vechten voor dat kleinood. En sluw zijn, soms. Zoals de katten. Boeken waren er niet. Genieten konden we wel van de geur van brood en koffiekoeken. Het was wachten tot de oudere broers er klaar mee waren. Ik herinner me dat de “jongste” (drie jaar ouder dan ik) vooral de sportpagina’s uitvogelde. Tomeloos lang duurde dat, vond ik toen. Mocht er een quiz hebben bestaan omtrent sport in lagere afdelingen… Elke uitslag zat in zijn hoofd gebeiteld! Ik was al tevreden met de titels en de cartoons. Mijn fantasie was gevoed.

Het is me vanmorgen ook opgevallen hoe stil het buiten is. Er is amper verkeer op de Leopold I-snelweg hier in Brugge. Ik zit rustiger dan anders te typen: geen  gedaver van 10-tonners dat me uit mijn concentratie haalt en me met enige angst naar de muren doet kijken om te zien of er geen barsten zijn bijgekomen.

11.11.11. Ik ben klaar met ontbijten en zit in de zetel. Op Twitter post ik een foto van een tekening van Karl Mechnig, begenadigd kunstenaar uit het Aalsterse. Wat ochtendlijk moois voor mijn medemens… Ik lees vervolgens wat in een kunstenmagazine. Beperk me tot een recensie van collega Hans Theys. Hij heeft het over Louise Bourgeois. De bijhorende foto toont twee stoffen hoofden uit één nek. Blauw. In het artikel vermeldt hij stadsgenoot en kennis Wily Vinck. Deze weet zelfs van hoeden af. Bizarre man. Heerlijk eerlijk. Soms even heerlijk naïef. Maar altijd authentiek.

Ik denk aan mijn jeugd in de Langestraat. Toen was er tegenover onze bakkerij de kazerne. Vandaag is het een gerechtsgebouw. Een klein deel van het soldatengebouw bleef onaangeroerd. Daarin ook het zogenaamd oorlogsmonument. Op die plaats wordt op 11 november nog op de trompet geblazen, denk ik, en behoedzaam en ingetogen bloemen neergelegd. Ik heb het nooit anders geweten. Onze bakkerij was open op 11 november. Pas kort voordat mijn vader er doodvermoeid de brui aan gaf en een jaar later zou sterven, durfde hij een dag de winkel sluiten. Al die tijd was hij bang geweest klanten te verliezen. Ik begrijp hem wel. Als je zo veel monden moet voeden.

De bloemenkrans werd op de grond gelegd of aan een haak gehangen en hield het een paar dagen vol. Merkwaardig in een straat met wel 60 cafés en dus tal van dronken lui die er ’s avonds voorbij laveerden en poogden om een aanvaardbaar recht pad te trekken. Toen M. passeerde hoorde je hem altijd babbelen. Al wat de man dacht, zei hij hardop.  Zeker wanneer hij dronken was.

11.11 was een dag vol bevreemding. Het deed me iets, het was even stil en dat bleef het de ganse dag ook wel een beetje. Zelfs in een bakkerij. Pas veel later werd 11.11. voor mij een soort nachtmerrie. Jaren heb ik les gegeven in de Brugse middenschool, waar op de speelplaats een mooi stenen beeld staat, een soort bas-reliëf. Het stelt een gewonde soldaat voor. Het vermoeide hoofd van de gewonde jongen nijgt naar zijn schouder. Het beeld was afkomstig van de vroegere Ecole Moyenne (Verwersdijk), waar tijdens WOII leerlingen door Duitse soldaten uit de klas waren geplukt. Het fraaie beeld, gekapt door een Brugs kunstenaar, denk ik, werd op zeker ogenblik (de Ecole Moyenne had toen opgehouden als middenschool te functioneren) overgebracht naar de andere middenschool. Onze directeur had iets met het leger. Hij stierf veel te jong en met zijn opvolger had hij bitter weinig gemeen. Alleen dit: beiden hielden ze van strakke rijen en beduimelde evenementen. Voor elke plechtigheid, die elk jaar krak dezelfde regie had, werd door leerlingen en het voltallig personeel even geoefend. Een tweetal ochtenden ervoor gebeurde dit. Je hoorde je klas van 13-jarigen strak te begeleiden. Elke klas kreeg zijn stek op de speelplaats. In de buurt van het monument stond een microfoon. Bij de trappen een luidspreker. Er rond kranige, fiere en uitbundig gedecoreerde oud-strijders voor wie er nadien een receptie in de mediatheek was. Na het volkslied, de toespraken en wat gedichten mochten we “beschikken”. Terug naar de klas: stil, sommigen zelfs wat verdoofd door het bevreemdend gebeuren, maar stappend als waren we soldaten. Het beeld diende gegroet. Een terecht eresaluut, vond ik. En die stilte voor een keer kon ook geen kwaad. Maar hadden de pubers voeling met dit soort toestanden?

Ergerlijk was (de leerlingen vonden dit ongetwijfeld het grappigste moment) dat de voorzitter van de oud-strijders zijn tekst in een schabouwelijk Nederlands voorlas. De jonge gasten droegen op hun beurt hun verbale steentje bij. Drie gedichten. Eentje in het Nederlands, het Engels en het Frans. Vooral het Franse exemplaar deed doorgaans mijn tenen krullen. Het lag niet aan de leerkracht die het had gekozen en wat tijd had genomen om het met zijn of haar adept in te oefenen. De zogenaamde eindtermen voor het vak Frans bleken immers lachertjes en de tijd van het Franse chanson ligt heel ver achter ons. Wie van die pubers had ooit met Moustacki, Brasssens of Françoise Hardy meegezongen? Hun Frans klinkt schabouwelijk en je kan het ze amper kwalijk nemen.

Erger nog vond ik het om – op marsmuziek – marcherend via de straat de andere kant van  het gebouw weer binnen te stappen op weg naar je klas. Kaarsrecht keek de directeur neer op zo veel massale discipline en glunderde. Mocht zijn snor hebben kunnen krullen, we zouden wat beleefd hebben.

Ik heb niets tegen herdenken en heb met mijn leerlingen nog uitstappen georganiseerd naar het Treurend Ouderpaar en diverse oorlogskerkhoven. Goed voorbereid, uiteraard. Naar passende muziek met ze geluisterd. Maar ik heb nachten wakker gelegen van dit behoorlijk zinloze gedoe. Het moest toch anders kunnen. Minder archaïsch. Meer inhoud. Maar ik hield mijn mond. Ik organiseerde al veel op school en dan word je door collega’s al eens scheef bekeken. Ik vroeg onlangs nog aan een verstandige oud-leerling wat hij, zo’n 20 jaar na datum, van dat gedoe op de speelplaats vond. De jonge man omschreef het als “Vertier van gezag en gebruik van macht onder de noemer van 11.11.11”.

Enkele dagen geleden zag ik in de krant dat diezelfde plechtigheid alweer achter de rug was. Dag en uur spelen blijkbaar al lang geen rol meer. Al waren de pubers maar dààrvan op de hoogte. Ze zouden net zo goed een oude foto kunnen hebben gebruikt. Niets is veranderd. En wanneer wordt op radio en televisie eens tijd uitgetrokken voor grondige debatten, op zoek naar enig inzicht in fenomenen als IS en zinloos geweld? Wanneer eindelijk wat nuance?

 

JOHAN DEBRUYNE, 11.11.2015

 

“Making connections”, weergaloze schilderijtjes in Groeningemuseum

“Making Connections”, weergaloze schilderijtjes in Groeningemuseum

Geen plastische app’s voor mij!

Vrijdag, 30 oktober 2015. Ik heb me in tijden niet meer zo gejeund in het Brugse Groeningemuseum. Het loont er uiteraard altijd meer dan de moeite een blik te werpen op de Vlaamse Primitieven, de illusie bijvoorbeeld dat van figuren die geschilderd zijn je de kledij bijna kunt voelen. Maar vandaag heb ik het werk van deze eeuwenoude klassenbakken eigenlijk grotendeels genegeerd. Altijd een beetje zonde.

Er was behoorlijk wat volk en velen waren op weg naar twee witte boxen waar de komende maanden 80 piepkleine schilderijen van Robert Devriendt (°1955) hangen. Nee, nee, mevrouw, het zijn geen foto’s, maar wel degelijk schilderijen. Ze haalt een leesbril uit haar handtas. Kwam zij dan toch alleen voor de Primitieven? En had zij dan geen enkele van de vele artikels en/of interviews in de media gelezen? De info her en der niet meegepikt? Wie dicht genoeg gaat kijken en dat doen ze uiteraard allemaal – sommige werken hebben de grootte van een lucifersdoosje – ziet het natuurlijk. Bij sommigen duurt het wel meer dan een tijdje. Weergaloos geschilderd! De kunstenaar hangt zijn kleinodiën in reeksen van pakweg minimaal twee tot zo’n 10-tal naast elkaar op een rij. De tentoonstelling heet “Making Connections”.

De bezoekers zijn volgzaam. Je ziet hoe ze hun hersens breken – elkaar zowaar om advies vragen – om er een verhaal van te maken. Slagen ze hier niet in, dan is hun bezoek aan de tentoonstelling immers mislukt. Het gaat om beelden die je zou kunnen/moeten dromen, waartussen een zeker verband bestaat, en jij, kijker, moet er jouw verhaal bij verzinnen.

Het is bijzonder boeiend dat in het museum – net nu – ook kleine, maar fijne tentoonstellingen lopen met werk van Amédée Cortier en Georges Vantongerloo, twee Belgen, net zoals Robert Devriendt, met internationale faam. Devriendt toeft in goed gezelschap. Maar, zoals ik eerder zei, bijna iedereen richting “Making connections”. Slechts een enkeling blijft wat langer bij het wat moeilijker werk van voornoemde twee grootmeesters van het modernisme.

Voor het eerst zie ik zelfs – uiteraard uit zijn beginperiode – uitgepuurd  figuratief werk van A. Cortier (Gent 1921- Gent 1976), om den brode huisschilder. Je wordt geconfronteerd met drie bepalende periodes uit zijn oeuvre. De expressionistische start, de overschakeling naar het kubisme en finaal het volkomen fundamenteel schilderen.

Vreemd, altijd ging het Cortier om de kleur, de kleur die vorm gaf, terwijl deze jongen zich vergaapt aan een klein zwart reliëfpaneel. Een enige, heerlijk sobere, kleine rechthoek. Wellicht wil ik, vooraleer ik de vele subliem geschilderde beelden van Robert Devriendt monster, het absolute niets zien. En dus het alles. Wil ik mijn ogen nog wat laten rusten. Mijn fantasie ongestuurd de teugels laten vieren.

Ook van Georges Vantongerloo (Antwerpen 1886 – Parijs 1965), van wie ik net een beeldhouwwerk bij Peggy Guggenheim (Venetië) zag, krijg je een kort, maar boeiend overzicht van wat de man realiseerde. Van elke stap in zijn oeuvre een of wat meer werken. Vooral zijn schilderijen verbazen me. Die vage vegen. In een verre hoek, groter dan ik, Rik Wouters’ “Huiselijke Zorgen” (1913-1914). Ze lijkt er gerust in, vind ik.

Bij het werk van Robert Devriendt aangeland hoor ik connecties te maken. Geestelijk aan de slag met al wat ik te zien krijg. Maar ik heb er helemaal geen zin in. Wat mij bij Devriendt mateloos intrigeert is hoe hij dieren, mensen en de natuur schildert. Ik kom relatief snel tot het besluit dat ik bij elke reeks eigenlijk meer dan genoeg heb aan een enkel werk, niet alleen om me lang te vergapen aan de kunde of om helemaal in het subject te kruipen, maar tegelijk om er een verhaal bij te verzinnen.

Een vrouw die zich aan een boom vastklampt. Onnavolgbaar wellicht hoe Devriendt die bast met verf weet weer te geven. Zo’n klein ding, terwijl ik spontaan aan een immens bos denk. Die bruine lavabo. Een overjarig attribuut dat heel veel zal hebben “meegemaakt”. Ik kan er me van alles bij voorstellen.  Eerder aanvaardbare, maar ook gore dingen. Het leven, quoi? En als ik in de ogen van zijn dieren kijk, drukt Devriendt me met de neus op de talloze verhalen van hoe het mensdom met dieren solt. Ik wil ze koesteren.

Ik heb dus geen 80 pareltjes van schilderijen nodig. Met een paar kleine werken van Devriendt heb ik meer dan voldoende om verhalen te schrijven, om nachten vol te dromen. Het overige, van hoge dameshakken tot door vuur gevatte dure auto’s… het brengt me te gemakkelijk weer naar buiten, naar het leven op straat, de gazetten, de overdaad aan reclame, de verblindende glitter zonder inhoud.

In de catalogus lees ik snel – het museumpersoneel begint zich op te maken om de boel te sluiten – iets over een vaste, telkens weerkerende structuur. En over een knappe vrouw en een dure auto. Dat net deze “ingrediënten” de basis zouden vormen van iets wat op een sprookje lijkt. Het zal aan mij liggen. Dingen als structuren zijn zo ver mijn bed. Laat me mijn buikgevoel maar. Laat het me bij beelden houden. Ik las, zag en genoot toch al intens van heel wat zaken waar die “ingrediënten” niet in voorkwamen. Een film met een verhaal. Voor de meesten een must. Voor mij hoeft het niet.

JOHAN DEBRUYNE, eind oktober 2015

 

 

Per quanto tempo reggerà ancora Venezia? (Biënnale Venetië)

In het kader van dé Biënnale van Venetië “All the world’s futures”

Per quanto tempo reggerà ancora Venezia?

 

Met Venetië is iets verontrustends aan de hand. Maar dit voor later. Al een hele tijd denk ik met toenemende regelmaat aan wat een ouder kunstcriticus – deze éminence grise moet middelerwijl ferm de tachtig gepasseerd zijn – ooit tegen me zei: “Naar Kassel ga ik niet meer, Johan. En naar Venetië evenmin.” De man bedoelde de 5-jaarlijkse “Documenta” voor actuele beeldende kunst in het Duitse stadje Kassel en de “biënnale” van Venetië. Ik was toen een prille veertiger en wat deze gepassioneerde man zei ontgoochelde me diep. Ik deed er met tegenzin het zwijgen toe. Ik vond de juiste woorden niet. De man leek nog zo fit. Ik begreep het niet. Naar “Kassel” en “Venetië”, dacht ik toen, ga je toch net zo lang je knoken je min of meer naar behoren dragen kunnen?

Twintig jaar later en helaas eigenaar geworden van belabberde en dus hoogst onbetrouwbare  gewrichten, denk ik iets meer genuanceerd over wat hij me ooit had toevertrouwd. Ik heb het trouwens (“Venetië”) net opnieuw ervaren: het is tegelijk (soms/vaak) genieten en afzien. Mijn weg zoekend in beide steden kreeg ik de meest recente keren telkens ook weer een kick wanneer ik zag hoe (nog) oudere liefhebbers van beeldende kunst er hun streng trokken. Ik verhoogde ondertussen draconisch de intensiteit en de duur van mijn ochtendgymnastiek, masseer zo goed en zo kwaad als ik kan dagelijks mijn kuiten, smeer zalfjes (vol teksten met beloftes op beterschap), let op mijn schoeisel en mijn voeding (doorgaans, toch), etc. Ik zet mijn artistiek verantwoorde pillendoos tegenwoordig zelfs ongegeneerd centraal op de ontbijttafel. We gaan niet flauw doen!

Er zijn de voorbije jaren zo veel biënnales bijgekomen dat ik de tel kwijt ben geraakt. Zo had ik wel zin in een bezoek aan de tweejaarlijkse in Istanbul. Maar dit soort kunstreizen eist dus een fysieke paraatheid en is voorts duur. Je moet niet alleen fit zijn, maar tegelijk over een behoorlijk gevulde portemonnee beschikken. En na mijn bezoek van een kleine week aan Venetië vorige week weet ik nu wel zeker dat niet alle grote kunstevenementen de moeite lonen noch hun prijs waard zijn.

Maar Venetië zelf blijft een zalige plek, vooral wanneer je Plazza San Marco kan ontlopen. De Dogenstad vecht al lang niet alleen een ongelijke strijd tegen het water, maar meer nog tegen massa’s (ongedisciplineerde) toeristen. Wie het niet gezien heeft, kan het zich amper voorstellen. Hierbij vergeleken is Brugge een rustig dorp. Het is geen nieuw gegeven. Jaren geleden al had ik oog voor tal van neerwaartse glooiingen in het midden van de marmeren trappen van vaak betreden gebouwen: de massa en de tand des tijds. Ik kon me ermee verzoenen. Bij het bezoek aan deze editie walste het water doorheen straten en pleinen – nooit eerder meegemaakt – en zag ik hoe de commercie als de bliksem in actie schoot: overal werden soorten overtreklaarzen – waarvan ik het bestaan niet afwist – voor je neus gehouden en voor het eerst was er in de gaanderij die het San Marco-plein omgordt (ik moest er toch een paar keer voorbij voor het bezoeken van de tentoonstellingen in de Arsenale en de Giardini (de twee hoofdlocaties), een marmeren tegel vervangen was door een… kwak cement. Een bruin vierkant. Mijn hart bloedde. Niet voor het eerst deze keer.

Vijf jonge kerels, losjes gekleed, maar toch met blazer (behalve één), met witgeschilderde gezichten en zwart gemaakte ogen en neuzen beeldden op de kaaimuur, samen met een doodshoofd, een soort stil protest uit, en de vele gigantische cruiseschepen die de lagune toch moeten teisteren, zo zou later uit korte gesprekken blijken, zaaien tweedracht onder de lokale bevolking. Op de steeds lekkere pizza prosciutto op een terras van het nog behoorlijk rustige Campo San Stefano wint de kaas het overduidelijk van de ham. En je stelt ook vast dat al wat en wie kapitaal heeft een zogenaamd paleis af kan huren of kopen en er – op de kap van de kunst – blijkbaar zonder veel problemen een gigantische advertentie voor mag spannen. Zo kan je nu bij het aanmeren niet naast een gigantische reclame voor het schoenenmerk Geox kijken. Deze wonderschoen, die naar verluidt door zijn zolen kan ademen, zit op de advertentiefoto half onder het water. Een beetje cynisch, vind ik. Zeker wanneer de hele, mooie stad aan het onderlopen is. Maar wat wil je ? Geox sponsort een cultureel evenement in datzelfde gebouw. Zelfs op de Rialto-brug, die in stellages zit verpakt, prijkt een reuzengroot mansmodel dat reclame maakt voor het kledingmerk Diesel. Niets tegen Diesel, hoor. Best verleidelijke T-shirts (en ook horloges ondermeer), maar zo’n joekel van een reclame op deze historische plek? Moeten we ons hiermee verzoenen? Is dit de toekomst? Kan cultuur (waar koken almaar meer geld kost) alleen nog als je dit erbij neemt? Ik vrees ervoor.

“All the world’s futures” is een duidelijk politiek gekleurde tentoonstelling van een bekwaam curator die zijn sporen heeft verdiend: Okwui Enwezor. Binnenin en ook in het centrale paviljoen van de Giardini, de tuinen waarin zich de landspaviljoenen bevinden, kunnen kunstenaars het kapitalisme ongezouten op de korrel nemen. Buiten is daar echter nauwelijks iets van te merken. Het zou wellicht ook weinig zoden aan de dijk zetten. De massa komt naar Venetië voor andere zaken en het wereldje van de actuele beeldende kunst is er eentje voor de happy few. In de gigantisch Arsenale (ooit een munitieopslagplaats) is er bijvoorbeeld een enkele ruimte waar je kan eten. Guitige lampenkappen met groot designgehalte dansen als derwisjen, maar de culinaire rechthoek wordt door een wit koord voor de absolute elite tot een wat kleinere rechthoek gespannen. Je betaalt er schabouwelijk veel voor een belegd broodje en dat mag je dan – als je al plaats vindt – in de marge van deze eetruimte achter de kiezen stoppen. Dat geen enkele kunstenaar zich hieraan stoort noch het gegeven beeldend persifleert… Op de terugweg zie ik in het vliegtuig twee jonge snaken hun roes uitslapen. Het is duidelijk dat een van hen hopeloos aan rotzooi is verslaafd. Ik vraag me af: wat zijn die in Venetië komen zoeken?

En toch, als de poten me nog dragen kunnen, gaan we de volgende keer opnieuw, al geraken we met onze koffer de bruggen en bruggetjes niet meer over (je kan je tegenwoordig laten bijstaan door een “luggage carrier!) en moet een watertaxi ons naar de luchthaven brengen.

En wanneer het avondt blijft de stad uniek. Dan vergeet je de zorgelijke en hopeloze blikken van twee vrouwelijke politieagenten die nog eens moedeloos naar elkaar kijken bij het aanschouwen van de drommen toeristen. En de biënnale zelf?

Hebben L. en ik veel gezien wat een onvergetelijke indruk zal nalaten? Ach, er zijn honderden kunstenaars die er hun ding etaleren en meer dan ooit zien wij het bos door de bomen niet meer. Zoals altijd hou ik me vast aan enkele beelden. Dit keer valt dit althans geweldig mee. Nog steeds de stad zelf, het water, een paar sublieme tekeningen, de rode droomwereld in het Japans paviljoen, de maquettes van Iza Gensken, een zaal met het werk van Bruce Nauman, het Amerikaans paviljoen en vooral – in de Giardini – de schilderijen van Adrian Ghenie (Roemenië). Het werk van een groep kunstenaars uit Azerbeidjan (met ondermeer dat van Fazik Najafov en een schilderij uit de jaren ’70 waarop je meteen Lenin herkent) zal ik niet licht vergeten. Wie zei ook weer dat er na Richter niet meer geschilderd hoefde te worden? Wat zal er nog nazinderen? Misschien wel die miniatuurlandschapjes die me doen denken aan het oeuvre van de jonge Nederlandse klassenbak Tim Breukers.

Heerlijk was het ook om bij “Peggy Gugenheim” (Palazzo Vernier dei Leoni/ Dorsoduro-wijk) langs te lopen en te wrijven, met het blauwe licht van Mario Merz in het groen op de achtergrond, over drie kleine bronzen “Moore”s uit mijn geboortejaar 1953. Peggy’s sobere graftegel. En data: hoe lang haar geliefde viervoeters verwend zijn geworden. Voorts “Walking Woman” van Giacometti, werk van Magritte en Van Tongerloo, Calder, Marini…

Als afsluiter altijd een koffie en wat zoets in Museo Correr, het immens museum op San Marco zelf. Terug naar de middeleeuwen en tal van Vlaamse Meesters. Flamingi. En ergens, een enkele ruimte voor de “War Paintings” van Jenny Holzer. Een ontgoocheling. Ik zou die alvast hier niet hebben laten zien. Nee, het gaat niet zo goed met Venetië. Ik heb het die 5 kerels niet kunnen vragen. Ik zat vast op de bootbus.

 

 

 

 

 

 

 

JOHAN DEBRUYNE, oktober 2015

 

 

 

Een heel kleine grote hond

Een heel kleine grote hond

Als niet-ingewijden weten dat (actuele) beeldende kunst een van je passies is, word je geregeld en met venijnig genoegen met de irriterende vraag geconfronteerd of een bepaalde creatie al dan niet in aanmerking komt om onder het epitheton “kunst” te worden gecatalogeerd. Je leert er mee leven. Je bent op je hoede en je probeert lastposten te ontlopen.

Je hebt behoorlijk wat gezien – de laatste tijd nog zo veel als mijn enkels (95 kilo en dus minstens 3 te veel) dragen kunnen – en – toegegeven – je hebt je ook wel eens afgevraagd of bepaalde “kunstenaars” nu met je voeten aan het rammelen waren of niet.

Een vriend-criticus, gepokt en gemazeld in de muziek- en theaterwereld, kan het vaak niet laten de spot te drijven met wat als “actuele beeldende kunst” wordt omschreven, terwijl hij zich – vaak terecht – ergert aan het talig gezwets dat erom heen wordt gewikkeld. Het komt mij voor dat vooral in de wereld van de beeldende kunst critici er moeiteloos in slagen om zelfs drek goed te laten rieken.

Onlangs nog liet hij zich overwegend denigrerend uit over de “Brugge Triënnale”, die ik dan weer goed vind. Omdat ik weet dat hij van poëzie geen al te hoge pet op heeft wil ik hem niet suggereren eens naar het “Kunstenfestival Watou” te trekken. In het gehucht aan de “Schreve”, de grens met Frankrijk, heb je weinig meer dan plukjes huizen, straten en steegjes, een marktplein, een oude brouwerij, een verlaten school en een kerk. Vaak oude, verlaten en verlepte vochtige huisjes, bouwsels die vaak uit gewoonte rechtop lijken te blijven staan, poëzie (in het groot afgedrukt en/of voorgedragen) en actuele beeldende kunst. (Hoe zou het hier des winters zijn?) Het enige wat mijn vriend er leuk aan zou vinden is dat hij Moby, zijn Yorkshirterriër, zou kunnen meenemen. De vinnige viervoeter zou er zijn hartje ophalen en hij zou er zijn scherts kwijt kunnen. Ik zie het al voor me. Ergens aan een muur hangt een kleine foto (zo’n 10 bij 15 cm), vakkundig tussen drager en glas geprangd: blauwe lucht en centraal een wolk. Niets meer, niets minder. Ik hoor het hem zuchtend vragen of dit ook kunst is. Terwijl ik net graag bij dit soort subtiele dingen verwijl.

Al vijfendertig edities oud is Watou’s zomerfestival! Ik rij er jaarlijks, welhaast uit louter gewoonte, heen. Een soortement artistiek bedevaartsoord, zeg maar. Een dichter, Gwij Mandelinck, startte er ooit mee en sinds jaren zetten nu al anderen zijn levenswerk verder. De dichter zou het na het afscheid van zijn geesteskind – plots declameerde (de man spreekt altijd alsof hij sombere gedichten voordraagt) hij zijn vertrek – zijn beproefd artistiek recept nog eens in de stad Brugge proberen, maar dat viel behoorlijk tegen. Wie het plekje Watou, het zicht op de Mont Noir en de vele krotjes gewoon is, is niet tevreden met alleen maar gedichten en beeldende kunst. De locatie hoort bij dit festival. Alleen dààr wil je het allemaal zien, lezen en horen: in oude, vochtige huisjes, in schuren en stallen, op zolders, in vergeten kelders. Hoe je daar in huizen die elders binnen de kortste keren met de grond zouden worden gelijk gemaakt poëzie aan de muren hangt en beeldende kunst plaatst, hangt of legt, het maakte deel uit van de charme van “Watou”. Mandelinck had zich misrekend: in het opgepoetste Brugge krijgt verkrotting amper een kans.

Als stadsmens die zijn hele jeugd des zomers op de buiten ravotte, zowel in Vlaanderen als Wallonië, hou ik wel van die jaarlijkse confrontatie. Ik ben verzot op poëzie en beeldende kunst maakt mijn meest droevige dagen al eens veel leefbaarder. Ja, ook dat wolkje in het blauwe zwerk.

Maar de jaren van Hugo Claus en Jan Hoet, die zich dan uiteraard met de beeldende selectie moeide, liggen al een wijle achter ons en je hebt de indruk dat men onnoemlijk zijn best doet om deze traditie in ere te houden, maar een beetje aan het einde van zijn Latijn lijkt geraakt of het in elk geval met veel minder centen moet rooien.

Het was een broeierige zaterdag, dit keer. Voor mij de allereerste keer op zo’n weekenddag. Normaliter ga ik op de dag van de persvoorstelling of ik kies een weekdag. Snikheet was het. Zoals wel vaker wanneer ik “Watou” bezoek, maar het publiek en de sfeer waren dit keer duidelijk ànders. Het was te warm en ook te druk, vond ik, al zeker voor het thema van het festival “In de luwte van de Tussentijd”. En de leutigheid van ladderzat volk op  paardentrams irriteerde me mateloos. In Watou kom je de stilte opzoeken.

Ik heb ook de indruk dat er van langsom meer nevenactiviteiten in het leven worden geroepen. Je auto kon je nergens kwijt, want er zou iets zijn met een stand-upcomedian. Wouter Deprez trad er op. Ik had ook het gevoel dat nogal wat mensen in “Watou” toefden, omdat ze zich anders stierlijk vervelen of om het bezoekje op hun agenda te kunnen afvinken. Zoals je naar “Brugge zingt” gaat, of bij Benenwerk moét zijn of het Cactusfestival niet mag missen, terwijl je staat te kletsen in plaats van naar de muziek te luisteren. En valt het tegen dan zijn er terrassen zat om je te amuseren. Veel jonge ouders met hun kroost, viel me op. “Watou” marcheert dus nog, dacht ik, ondanks de vele smalende commentaren die ik kon opvangen.

Het lijkt me vooral beeldend al jaren wat minder in Watou. Ik herinner me dat ik de laatste jaren toch nog geregeld met enige verwondering weer de auto in stapte nadat ik de locaties (zo’n tiental) had bezocht.

Maar deze editie liet me verrassend onverschillig. Niet ontroerd, nauwelijks bevraagd noch gecharmeerd. Ik miste zowel het subtiele kleine als het indrukwekkende grote. Neem nu dat stuk donkere schuur met die gecrashte auto op zijn dak. Een bedenksel van Peter Verhelst, Brugs schrijver, dichter en theaterman, alluderend op zijn roman “De kunst van het crashen”. Enkele mensen verdrongen zich rond een paar koptelefoons, wellicht om Peter met zijn mooie stem stukken uit zijn boek te horen reciteren. Ik dacht met pijn in het hart terug aan een grotere en veel indrukwekkender donkerte waarin je ooit een gesloten paardenmolen kon ontwarren. Mijn hele jeugd kwam me toen voor de geest.

Ik zag werk van stadsgenoten Mieke Teirlinck en Robert Devriendt. De twee schilderijen van Mieke waren  opgehangen in een… gang, zodat je geen afstand kon nemen, terwijl de luciferdoosgrote fijnschilderijtjes van Devriendt van op grote afstand kon aanschouwen. Wie bedenkt zoiets? Het getuigt, vind ik, van een gebrek aan respect voor het werk van Teirlinck.

Een hommage was er ook aan Herman Van Veen. Geen probleem met Herman. Ik hou van zijn stem, zijn taal, zijn teksten, zijn blik, zelfs van zijn schilderijen. Maar deze laatste moet je dan tenminste wat licht geven. En mag ik Van Veen met theaters associëren? “Toch mooi”, zei een dame tegen haar man. “Al zo vaak gezien, dit soort schilderijen”, antwoordde hij laatdunkend en stapte terug de wei in. En ik dacht aan Jan Mulder. Ja, ook die schildert. En ik dacht aan al die acteurs en BV’s die plastisch ook enigszins uit de voeten kunnen. Mensen met naam en faam. Het helpt…

In de kerk van Watou stond een unieke bollenkerstboom. Te vroeg op het jaar, dacht ik. Ik keek naar de oude relieken in de kerk. Hier stond vorig jaar het werk van Nathan Coley. Het staat nu op de Brugse Burg (“Place beyond Belief”). Weinig werk lijkt “in situ” gemaakt. Jammer.

En de poëzie? Die lees ik thuis wel, in de voortreffelijke catalogus. Wat ik van deze “Watou” onthoud? Vooral die grote kleine hond van Robert Devriendt en dit gedicht, van mijn favoriete dichteres:

RECLAMEFOLDER

Ik ben een tranquillizer.

Ik ben bruikbaar in huis,

werk op kantoor, leg examens af,

getuig voor de rechter,

lijm zorgvuldig mijn kapotte bekers –

neem me toch in,

los me op onder de tong,

en slikken maar,

spoel na met water.

 

Ik weet wat ik met ongeluk aan moet,

hoe je slecht nieuws opvangt,

de onrechtvaardigheid verkleint,

Gods afwezigheid verlicht,

de juiste rouwhoed kiest bij je gezicht.

Waar wacht je op –

heb vertrouwen in mijn chemisch mededogen.

 

Je bent nog jong (m/v),

je moet iets van het leven maken.

Wie heeft gezegd

dat het moedig moet worden geleefd?

 

Sta mij je afgrond af –

ik zal hem bekleden met slaap,

je zult me dankbaar zijn,

want je kruipt ongebroken uit het dal.

 

Verkoop me je ziel.

Niemand anders zal er iets voor bieden.

Er is geen andere duivel meer.

Wislawa Szymborska

 

Terwijl ik het gedicht las, was mijn vrouw er vanonder gemuisd. Zowat een uur later vonden we elkaar terug. Achter de Douviehoeve. Ze had een versperring genegeerd om in kort, karig en stoffig gras een kleine pony en een ezeltje te voeren en te aaien. Wij spreken met de dieren. Ik genoot middelerwijl van het landschap. Haar pollen waren gitzwart en toen de beesten zich van blijdschap in het zand begonnen te wentelen, stapten we richting auto. De kunst was haar beginnen vervelen, zei ze. Omdat ook zij een onvoorwaardelijke dierenvriend is was haar dag toch nog goed geweest.

           

JOHAN DEBRUYNE, bijna half augustus 2015

 

 

 

Alliteratie

      

 

 

ALLITERATIE

De uitnodiging van ARTURE bleef langer liggen dan de andere. De tentoonstelling in de oude – en zoals zou blijken – verzorgde pastorie van Ressegem liep amper twee weekends. Er was werk te zien van ondermeer Hervé Martijn. Eerstdaags zou van ‘s mans werk een monografie van de persen glijden, maar ik vermoed dat er die vroege julidag andere culturele evenementen geprogrammeerd zijn. Het werk verleidt. Het verraadt kunde en fantasie. De eerdere uitnodiging tot een bezoek aan het atelier van de kunstenaar had me aangetrokken, maar mijn rug liet me in de steek. Alweer.

Martijn zet personages neer. Ze hebben iets alledaags en theatraals, iets menselijks en onaantastbaars tegelijk en ze geven de indruk te appelleren aan situaties en emoties die we (her)kennen. De schilder ensceneert. Zet ze neer in interieurs. Ogenschijnlijk worden ze te kijk gezet, maar toch. Het gaat om een tip van de sluier. Lang niet alles wordt prijsgegeven. Ik heb de indruk dat ze je nimmer in de ogen kijken. Het maakt me benieuwd.

Het figuratieve, narratieve schilderen. Het zwermt vele kanten uit. Nogal wat schilderkundige oeuvres liggen dicht bij elkaar, zodat ik wel hunker naar een werkje van iemand als Raoul De Keyser. Naar alleen maar verf, vlak en lijn… Een summiere suggestie. Het is een slingerbeweging.

Maar nooit geraakte ik op (beeldende) kunst uitgekeken. Het is en was vaak wellicht ook een vlucht. Toch stoor ik me almaar vaker mateloos aan de praatjes die er omheen worden gesponnen. Het paraderen met de (recente) kunstgeschiedenis, het theoretisch en kunsthistorisch geëmmer… Voor mij liever een knap gedicht of een kort persoonlijk verhaal dat aansluit bij het beeldend werk. Een enkele zin desnoods. Wat muziek. Of gewoon: stilte. Beeldende kunst? Leg het woord aan banden en verdwaal in wat de kunstenaars met verf hebben gerealiseerd. Schrijf je eigen verhaal. Er lijkt echter geen ontsnappen aan: er wordt wat afgezeikt!

Ik kon die mooie zondag ook opteren voor het PAK, het kunstenplatform in Gistel. Het is er aangenaam toeven en de natuur omheen de kunstwerken is meer dan verlokkelijk. Ik ontmoet er bekenden en steevast is de hond des huizes van de partij, een prachtbeest: het allermooiste en meest eigenzinnige kunstwerk. Ik keer dan ook zelden ontgoocheld huiswaarts.

Ik was niet alleen wat ziekjes die zondagochtend. Ik had enige moeite met de titel van de tentoonstelling in het PAK: “No more secrets”. En dit terwijl we in een wereld leven waarin we alles lijken te weten en te hebben gezien. Ik heb het nu even niet over de beeldcultuur. Maar nogal naïef, het epitheton. We weten maar al te goed dat we veel niét weten. Niet mogen weten. En nooit zullen weten. En wie zegt nog de waarheid? Als de meest vermaarde economen het al niet eens zijn over hoe we onze Griekse bakermat moeten redden. Een onwezenlijk diepe put, nog enkel met olijven te vullen. Zelfs crowdfunding zal maar tijdelijk soelaas bieden.

Maar in Gistel zou het uiteraard over artistiek naakt gaan en hoe ver/diep we kunnen/mogen gaan eer een en ander als porno wordt aanschouwd en gecensureerd. Ah, dit maak ik zelf wel uit. Mijn zieke lijf genereerde weinig zin tot fysieke, laat staan sensuele inkijk. Vagina’s, tepels, piemels, tongen, lippen… Een vlijm van suggestie zou die dag meer dan volstaan. Maar ik loop het PAK vast nog eens binnen, langs de populieren en de gestrande boten van een artistieke Spaanse armada. Voorts had ik geen zin in “volk”.

“Beaufort” lokte evenmin. Maanden geleden was er nog een B-persconferentie in het Knokse Scharpoord. Niet wat ik in de wandelgangen opving vervulde me met afkeer, maar de praatjes op de conferentie zelf. Zo zou plots de tijd van grote sculpturen achter ons liggen!!! Wie bepaalt dit? De “Brugge Triënnale” bewijst het tegendeel. Geef gewoon toe dat het budget gedecimeerd is en er al helemaal geen geld meer is voor die monumentale ingrepen in de publieke ruimte. Wat niet wegneemt dat net deze editie van “Beaufort” echt wel de moeite kan zijn. Raversijde, het Zwin en Nieuwpoort. Ook daar geraken we nog wel.

Het zou dus Ressegem worden. Misschien mede omdat ik – ooit ook sportfanaat – eindelijk eens de autosnelweg af wilde daar waar Lucien Van Impe, de laatste Belgische Tourwinnaar (1976) – toen althans woonde : Erpe-Mere.  Ressegem: gehucht van Herzele.

Het werk van Martijn houdt me ondertussen in de ban. Terwijl alle verkeer ter hoogte van Wetteren een flinke poos amper vooruitgang boekt, denk ik: is dit werk niet net zo sterk als dat van de alom geprezen Borremans?

Ressegem of all places. Ik zou er ook werk van Peter Weidenbaum zien. Vooreerst zag ik diens werk nog niet zo vaak (ik herinner me wel levendig een in een boom opgehangen bronzen beest met ferme ballen), maar  Weidenbaum is vooral de kunstenaar die me een wijle terug met verstomming had geslagen. Op weergaloze manier had hij Julien Schoenaerts’ portret geschilderd! Mijn enig idool uit theatertijden. Ik heb het niet kunnen kopen, ik zou het wellicht ook niet hebben kunnen kopen, maar als ik in mijn zetel achterover lig om mijn op elkaar gedrukte ruggenwervels wat ruimte te gunnen, zie ik het warempel aan de muur hangen.  De al oude Julien, zijn breekbaarheid, het verval, dat broze, verweerde cocon van zo veel ervaring, het spel, de glinsterende blik, de onmetelijke liefde. Het portret van Weidenbaum herinnert heel sterk aan de manier waarop Schoenaerts zichzelf aan het schminken was voor zijn indrukwekkende apologie van Socrates. Talloze keren bekeken, die Canvas-reportage.

In de pastorie (de file heeft de tijd behoorlijk ingekort) wordt het minder duurzaam genieten van de klasse van Martijn. Ik krijg “Ounce”, de oranje monografie, nog voor ze gepresenteerd zal worden en geniet even later intens van de evolutie. De verhalen. Het verleden van de kunstenaar dat ik aan het mijne koppel. “The tailor of Oudenaarde” en de tweelingen (“Never compare”) zijn werken die lang zullen blijven “hangen”. De kunstenaar is aanwezig. Een man van weinig woorden.

Ik spreek er ook de goedlachse Weidenbaum. Van hem twee werken. Compleet verschillend. Een gladde jungleflard. Bevreemdend en inspirerend. Ik hou afstand. Net zoals dat hotel – in wezen niets dan lapidaire, kleurloze verfstroken – doet het je fantasie op hol slaan. Verrassend uitgebreid repertoire.

Ook het gitzwarte werk van Vadim Vosters maakt indruk. Bijzonder. Beklemmend. Eigenzinnig. Vrolijker word ik er niet van en het neemt tijd om een en ander te ontwarren. Zwart en schimmig is het. Het licht zoekt zich koortsig een weg en soms is er een glimmende dot, wat spiegelend zwart, zoals dat van de enkellaarzen die de kunstenaar die dag draagt. Ik lette erop terwijl we buiten een glas aan het drinken waren. Vadim Vosters. De naam alleen al. Die alliteratie. Waarom hebben ze mij geen Daan gedoopt? Bijvoorbeeld. Daan Debruyne. Johan, verdomme.

Voor het eerst zie ik er ook Caroline Coolen in levende lijve. Weer alliteratie. Ik hou van haar sculpturen. Ik ken en herken ze. Dieren eisen de hoofdrollen op. Een symbiose van ernst en humor. Hoe Coolen met natuur speelt, de dingen met elkaar in contact brengt, hoe ze met leven en dood omgaat, de dingen coupeert en heelt, hoe ze diverse materialen naar haar hand weet te zetten, met beelden weet te benieuwen en verrassen. Twee grote honden liggen te waken op een bijzonder grafmonument. Ik word er stil van. De aluminium vossen, gereduceerd tot het minimum wat nodig is om vos te zijn.

Voorts nog verrassend werk van Lieven Decabooter, die op de bruine kant van het doek schildert en ook weer volslagen andere werelden creëert dan zijn collega’s. Voorts intrigerend werk van Matthieu Ronsse. Nico Vaerewijck en Erik Chiafele wagen zich verhalend dan weer het verst van de realiteit.

“Arture”? Een kunstenplatform. Een handvol kunstliefhebbers die dit alles, onder impuls van Sven Vanderstichelen, samen hebben gebracht.

                    

DAAN J. DEBRUYNE, eind juni 2015

 

 

De donkere schoonheid en eenvoud van de kraai, de schaduwen van de schilder

      

“Ja, je kent haar”, zei W. “Vroeger schilderde ze portretten. Tegenwoordig maakt ze films.” Karolien Soete.

Het is zondagochtend en ik ben al vroeg uit bed. Even vroeg als in de week. Vandaag zelfs iets vroeger. Het is amper over zessen. Van mijn ochtendritueel wijk ik niet af. Moeizamer dan anders slof ik het huis en het leven tegemoet. De smalle zwarte mat wordt ontrold en ik doe wat oefeningen. Therapeutenadvies. Zo trekt langzaam de tergende stramheid weg en wordt mijn kaduke rug niet nog brozer. Na de ochtendlijke aandacht voor een behoorlijk functionerend lijf, rol ik de mat op. Vervolgens ga ik naar beneden. Ga er de ruziënde katers voeden en koesteren. Butler spelen. Ik zet koffie, hou de viervoeters in de gaten en bedien ze op hun wenken, stap de badkamer in en nog wat later wenken de zondagse koffiekoeken. Op naar de bakker. Net omdat ik geen ochtendtype ben, moet ik er zo vroeg uit. Ik heb tijd nodig om de dag aan te kunnen.

L. en ik ontbijten samen. Ongewoon vroeg plof ik me achter het stuur van de auto neer. Om half tien word ik in Knokke verwacht. Op de Kunstacademie hoor ik de zondagse “babbel” in goede banen te leiden. Centraal staan dit keer Karolien Soete en haar bijzonder oeuvre. Van in de verte zal ik zien hoe voortschrijdende rode letters het programma aankondigen.

De hele week heb ik bij momenten in Karoliens oeuvre gegrasduind. Met bewondering heb ik gekeken en geluisterd. In functie van deze academiebabbel hebben we mekaar vooraf ook een enkele keer ontmoet. In Brugge. Aan de rand van de toeristenfuik. Een jonge vrouw met een toch wel eigenzinnige levensloop. Oeuvre en leven: van knappe portretten over talloze jobs om den brode, tot films. In deze laatste duiken steevast kraaien op. Ik denk aan L. Zij heeft het steeds niet op deze vogels begrepen. Hun conglomeraten zijn dan ook het meest indrukwekkend in de buurt van het Sint-Jansziekenhuis, waar we ooit helaas vaak moesten zijn, waardoor je ze snel met onaardige dingen gaat associëren. Ik heb het ook enige tijd gedaan, maar nu hou ik van ze. Dankzij dit oeuvre. Elke dag zie ik er een drietal dicht bij huis. In de laan met de platanen. Vervaarlijk dicht tegen het asfalt. Ze kicken op risico’s, denk ik. Alerte gasten, zijn het. Net vernomen dat hun Australische soortgenoten heel verstandig zijn. Hoe die (letterlijk) harde noten gekraakt krijgen!

Sinds ik Karolien Soetes films meermaals heb bekeken, ben ik zowaar in de ban van deze gitzware vogels. Meer vogel kan je amper zijn. En mooi. En al dragen ze de zwarte veren van de dood, hun tred verraadt hun levenslust.

DAGEN VOL ZWART

Ik heb trouwens een boeiende week achter de rug. Dagen vol zwart nochtans. Het zwart van de dood. Maar geen dood zonder leven. Ik luisterde naar Peter Verhelst (over het boek dat hij schreef na een… doodservaring), de hele week ontsnapte geen enkele kraai aan mijn aandacht, ik sleepte me een uur lang voort in het donkere zog van Christian Boltanski en straks zouden er weer de films zijn, en de kraaien, en de portretten van psychiatrische patiënten en delinquenten. Getekend: Karolien Soete.

De kleine aula loopt aardig vol en ik leg mijn tekst opzij. Sterke portretten van Soetes hand verschijnen op het scherm achter me en ik zwengel de babbel aan. Staande. Ik vertel over mijn recentste autorit naar de mondaine badstad. Langs het smalle weggetje, het vervolg van de steenweg naar het landelijke Koolkerke. Dat ik op dit vroege uur maar door een enkele patser ben opgejaagd en voorbijgestoken. Dat ik een slagveld ben gepasseerd van gerooide bomen, kansloos gesneuveld op de oevers van twee idyllische waterlopen. Wat verder bloeien lelies. Een weg vol leven en dood. De toon was gezet.

Toen de spits er af was, zou het over Karolien Soete gaan. Een absolute Einzelgänger die al van kindsbeen af wist dat ze kunstenaar wilde worden. Ik had me al afgevraagd of dit überhaupt wel mogelijk is in een (kunsten)wereldje waarin je jezelf moet kunnen verkopen. In een entourage waar je met regelmaat je kop moet laten zien. Waar je hoort op te vallen en praatjes moet verkopen. Je hoort immers “ontdekt” te worden. Het liefst door een galeriehouder met invloed, een netwerk en centen, een conservator of een curator met naam en faam. Maar in dit plaatje past Karolien Soete (°1971, Roeselare) absoluut niet. Als ze kon dan vloog ze ver weg. Net als de kraaien die ze nu op muren tot leven tovert. Ons hele gesprek wordt geïllustreerd met werk van haar. Wat ze creëert zweeft ver boven de middelmaat en is uniek.

Talent zat. Maar ook scholing: regentaat plastische opvoeding (Maricolen, Brugge), Vrije Grafiek Sint-Lucas Gent en een bijzonder jaar “Infografie” in Leuven. Voorts volharding, verdieping, oefening. Het leidde tot intrigerende (zelf)portretten. Omdat ze er zich terdege van bewust was dat het vooral de ogen zijn die de menselijke ziel verraden of emoties verhullen, zou ze zich nog eens een jaar in die specifieke materie verdiepen: psychoanalyse. Ik kijk  vooral naar de ogen van wie ze heeft geportretteerd. Die van haarzelf, van geesteszieken (naar foto’s uit het archief van het Gentse Dr. Guislainmuseum) en die van jonge delinquenten (doorgaans mooie mensen, had ze geconstateerd). Wie zijn jullie? Wie ben ik? Wie is Karolien Soete?

Steeds maar portretten. Mede en vooral om zichzelf te doorgronden. Te leren kennen. Tot ze ziek werd. Heel erg ziek: ze vergat dingen, werd depressief. De zogenaamde “schildersziekte” had haar geveld. De producten waarmee ze al die tijd had gecreëerd, hadden haar lever verwoest.

NIEUWE WEGEN

Het klinkt in deze misschien wat cynisch, maar het bloed kruipt waar het niet gaan kan en de creatiedrift bezit deze eigenschap in een nog grotere mate. Langzaam werd Karolien beter en zou ze nieuwe wegen zoeken. Omdat film haar al altijd had gefascineerd dacht ze aan bewegende beelden. En met vallen en opstaan was ze er achter gekomen dat witte acrylverf en Oost-Indische inkt materialen zijn (de enige!) die bij haar slechts weinig fysieke averij aanrichten.

Die bijzondere dag stond ze alleen in een behoorlijk lege kamer. Op de witte muur zou ze een beeld aanbrengen. De fotocamera werd erbij gehaald. Het beeld werd gefotografeerd en meteen weer weggewist. Dan kwam het volgende beeld. Enzovoort. Zo is het begonnen en begint het vandaag telkens weer opnieuw.

Als een animatiefilmer “plakt” ze de beelden aan elkaar. Oeverloos geduld. In amper één seconde film zitten twaalf beelden vervat. Haar eersteling, “Crows”, was in de maak. Anderhalve minuut slechts, maar zo veel schoonheid, zo veel eenvoud, leven en dood. Hoe ze in die korte tijdspanne het artistieke bestaan als het ware hervat. Hoe ze beelden laat ontstaan en met het wegvegen ongemeen knappe schilderingen laat zien. In een paar seconden trekt een brok geschiedenis abstracte schilderkunst voorbij. Af en niet af, er zijn en weer niet, gulheid en leegte.

Ik kijk met evenveel verwondering naar “Prolegomena”, een 7 minuten durende film van haar. 2011. Zo heb ik nog het best haar leven en werk leren kennen. Hoe ze helemaal op het einde een (haar?) kleine wereld neerzet. Er is een ”binnen” en er is “buiten”. Schraal, maar er is plek om te ademen. Binnen ligt een groot ei. Ik denk dat het “hoop” symboliseert. Prolegomena is het Grieks voor “inleidende opmerking”.

TALKING WALLS

De laatste tijd laat Karolien Soete met haar project “Talking Walls” muren spreken. In steden, in bedrijven. En steevast, dit moet ik nog vermelden, werkt ze samen met de wereldvermaarde Amerikaanse musicus Alexander Berne. Ook een absoluut buitenbeen. Kijken en luisteren!

Wat had ze me in Brugge nog verteld? Hoe lang ze het streven heeft moeten volhouden op weg naar het beheersen van een techniek om de dingen weer te geven zoals zij het echt wilde. Verlegen als ze is schuwt ze samenscholingen, maar in een gesprek van persoon tot persoon kan ze focussen en via de mimiek en de ogen proberen te achterhalen wat zich werkelijk afspeelt.

Ik kan haar vroeger werk, van voor haar ziekte, niet vergeten. Het portret was zo lang haar uitgelezen artistieke genre. Heel erg knap ook: van New York Fashion Designers tot die patiënten uit de archieven van het Dokter Guislainmuseum.

“Een twintiger weet nog lang niet wie hij is en waar hij heen wil, vandaar dat de psychoanalyse me zo interesseerde en ik elke dag een zelfportret maakte,” zei ze nog. “Ik wilde, ik moest mezelf leren kennen. Het was voor de profs een verrassend ongebruikelijk afstudeerproject. Daarna ben ik er nog lang mee doorgegaan.”

Als je kunstenaar bent, er alleen voor staat en je wordt maar niet opgemerkt of je geraakt je werk niet aan de straatstenen kwijt, wat doe je dan? Karolien liet Vlaanderen voor wat het was en trok naar de Verenigde Staten. Daar maakte ze ondermeer props (attributen voor films). Ze leefde er in New York en San Diego en leerde een volkomen andere wereld kennen. Op eigen poten staan. Het is ook daar dat ze Berne leerde kennen.

En dan kwam ze naar Vlaanderen, meer bepaald naar Gent, terug. Als je vrijheid heel hoog inschat en je behoort tot geen enkele kunstgroep noch -kliek, dan rest je het aannemen van tal van jobs. Dit is wat Karolien heeft gedaan. Tot en met het verzorgen van MS-patiënten. Een werk dat je sloopt. Ze zong het inderdaad niet zo lang uit en besefte dat ze voortaan eindelijk echt voor zichzelf zou moeten gaan leven. Het is toen dat ze als een bezetene portretten is beginnen schilderen. “Later zijn er ook die “Mug Shots” gekomen, nadat ik in de archieven van het dokter Guislain Museum had mogen grasduinen.”

Haar confrontatie met foto’s van patiënten en delinquenten zou leiden tot het maken van portretten op glas, waarmee Karolien tijdens een bepaalde zomer elke nacht in Gent op stap ging. Ze droeg telkens een portret met zich mee en een sterke zaklamp en projecteerde de portretten van de delinquenten op de muren. Ze gaf ze op deze wijze opnieuw een plek in de maatschappij. Enig. Enig mooi!

Wie naar een film kijkt, verwacht doorgaans een verhaal. Ook de mensen in de aula. Maar dit hoeft niet. Vergeet eens de tijd. Geniet van het beeld. Geniet van de klank. “Ik fotografeerde en besefte dat ik toch weer mijn ding kon vertellen. Ook over mezelf. Over mijn innerlijke wereld. Maar verhalen plan ik niet. Ik droom vaak en bij het ontwaken neem ik notities.”

Af en toe komt er wat tekst in haar films voor. Bij de start van “Prolegomena” bijvoorbeeld: “Hoe voel je je wanneer je compleet afsluit van al je zintuigen?” Je ziet met regelmaat een (nieuwe) ruimte vorm krijgen. Een forum. Een plek. Dan maken menselijke wezens hun verschijning. Even nemen ze de ruimte in. Er is – bij het begin – een foetus, we zien hoe een menselijk lijf tot een geraamte wordt gevreten en mensen waarin langzaam aderen én leven lijkt te groeien. Of zijn het takken om zich vast te harken? En telkens weer is er die vogel, de kraai, die alles aan elkaar fladdert. Het werkt aanstekelijk, want ook een van de personages krijgt op zeker ogenblik vleugels.

“Ik had n.a.v. deze film met wat mensen gepraat. De enen werden angstig; de anderen net rustig. Ik luister en begin dan tamelijk impulsief. De kraai, al altijd mijn favoriete vogel, bindt inderdaad vaak de dingen aaneen.” Inderdaad, een handig dier ook nog. Maar het allermooist vind ik een moment waarop het beeld wordt weggeveegd en er een diversiteit aan soorten abstracte schilderijen ontstaat. Wonderlijk. Al wat overblijft is een houten schap met een enkele kraai. Een dat ik nooit meer vergeet.

Met het project “Talking Walls” laat Karolien in diverse steden muren spreken. Ze was gedurende weken in drie steden in de weer.

”Ik zoek een muur en contact met mensen. Dan ga ik ter plaatse aan het werk en laat ik de muren over de stad of de plaats spreken. Op mijn manier. Dit doe ik nu ook in bedrijven (ik blijf er anderhalve maand) en het project loopt goed. Met steden ligt dat nu wat moeilijker gezien de budgetten voor cultuur gedecimeerd zijn. Je zal het misschien vreemd vinden dat ik als eenzaat toch met wat mensen praat. Maar dat gaat. Ik heb een doel. Ik heb hierdoor ook ervaren dat Jan-met-de-pet absoluut geen idee heeft van wat het is om kunstenaar te zijn. Ik zeg dan dat zoiets in de genen zit. Maar ik kan niet alles uitleggen. Wanneer ze me dagen, weken na elkaar aan het werk zien, elke dag opnieuw van 9 tot 18u., dan voel ik dat ze respect krijgen. Dit creëren is ook werken. Het liefst werk in op locaties waar de mensen nog eerlijk hun gedacht zeggen. Heel graag zou ik op Brusselse plaatsen aan de slag gaan.”

Tot slot nog iets over Alexander Berne.

“We zijn elkaars muze. Hij woont in Florida en maakt muziek voor al mijn films. Weet je, als je goed luistert, ik kan (mag ik eens pochen?) goed zingen, dan hoor je ook altijd mijn stem.”

Het oeuvre van Karolien Soete onderga je. Kijk en luister en er gaat een wereld voor je open. Stukjes van haar wereld heb ik ondertussen in die van mij geïntegreerd.

       

JOHAN DEBRUYNE, maart 2015

 

 

Jan en het kraam

    

Jan en het kraam

 

Ik was nog een kleine jongen. De weg te voet naar school duurde een klein halfuur. Wellicht mede omdat weinig “meesters” me konden boeien, heb ik vaak door het raam naar buiten gekeken. Nog altijd kijk ik graag naar buiten. Weg van datgene waarmee de anderen bezig zijn.

Ik praatte ooit met een roodborstje, langs diezelfde weg naar school: voorbij de brug en een muurtje, een kiezelweg en water. De grote mensen deden alsof ze mij geloofden. Pas later werd met mijn jeugdige fantasie de spot gedreven.

Er zijn nog zekerheden in dit aards bestaan. Wanneer ik na vele jaren doorheen het Haags Binnenhof loop, de Ridderzaal en de door politieagenten bewaakte Eerste en Tweede Kamer voorbij, om van op de stenen brug de Hofvijver te bekijken, is Jan de eerste die ik terugzie. Jan is groot. Heel groot. Ontieglijk groot voor een vogel. Hij staat hoog op zijn sterke poten, heeft een grote bek en een sterk lijf.

Hoewel hij weinig of niets met de Vlaamse stad heeft te maken, noemen ze hem Jan van Gent. Met een kleine “v”. Van adel, dus.

Stoere Jan houdt van zotte zeeën. Hij kan duiken als geen ander, kickt op haring en is op dit moment van deze koude dag de enige klant bij het viskraam. Ook het kraam met blauw en wit staat er nog. Alsof het er altijd is geweest. Een gedrocht in deze omgeving, maar ik heb er vrede mee. Jan maakt veel goed. Als hij er is, is het stil bij het kraam. Zijn vaste stek heeft hij sinds kort op de hoogste nieuwe Haagse architectuur. Uniek zicht op de vijver en korte, heerlijk duikvlucht naar de binnenstad.

Ik kan Scheveningen ruiken. Of ik de tram neem? Nee. Nooit ga ik daar nog naartoe. Dit soort koterijen heeft er namelijk het hele strand ingepalmd. Ik parafraseer even de pas gestorven Vlaamse zanger Luc De Vos: De Middenstand regeert het Strand, beter als ooit tevoren… Zonde voor het Kurhaus. In de jaren ’70 zag ik het van honderden meter ver. Een schilderij was het. Toen was er niets dan zand, zee en Kurhaus.

Het is eind november, de avond valt snel en het is ijzig koud. De wind blaast uit volle kracht. Van op de brug kijk naar ik de hoogbouw naast en voor de oude stad. Mooi. ’s Gravenhage.  Oud en nieuw samen. Knappe architectuur en toch niet pocherig. Geen banaal KAM-gedoe zoals bij het station van mijn geboortestad Brugge. Ik reed er vanmorgen nog langs.

Ook in het Mauritshuis, nu museum, maar ooit het stulpje van een graaf, vallen oud en nieuw mekaar in de armen. Langsheen glas en beton en een zacht bochtende trap kom je er ondermeer bij de talloze schilderijen van Rembrandt en andere oude meesters, op de wellicht oorspronkelijke parketvloer en bij het vakkundig bewerkte hout. Ik geniet, maar wil vooral Het Meisje zien. Het Meisje met de Parel. Het Meisje van Vermeer.

Heel wat bezoekers genieten van het oude huis. En toch kijken velen naar buiten. Is het de overvloed aan kunst binnen? Of zijn ze in de ban van dat torentje, daar? Van “het” torentje. Is in hun verbeelding minister-president Rutte daar nu aan het piekeren? Even in afzondering? Op zoek misschien naar vele doekjes voor het bloeden.

In een kleine vierkante plas tussen de ambtswoning en het Mauritshuis amuseert zich een kleine vogel. Geen familie van Jan. De kleine wentelt zich in het koude nat. Een Einzelgängertje.

Het Meisje van V. zal me ontgoochelen. Ik hield sowieso al meer van Vermeers straatje en van dat andere meisje van hem, dat met de melkkan. Maar posters worden tegenwoordig zo knap gemaakt. En voor het echte werk zit glas. Het vertroebelt het aanzicht.

Het Puttertje, dan maar. Een heerlijk werkje uit 1654. Ik lees dat Carl Fabritius het heeft geschilderd. Deze vakman zou er amper 32 worden. Het distelvinkje dat hij meesterlijk op doek vastlegde kon water putten! Vandaar. De ketting aan zijn pootje zie ik niet. Het beestje is zo betoverend mooi!

Een groep keurig uitgedoste Nederlandse dames luistert naar een enthousiaste gids. Ze doet het verhaal van een schilderij uit de doeken. Een anatomische les uit 1632. Ik luister even mee. Vraag me af wat waar is en wat verzonnen.

Vanuit “Barlows”, waar de frietjes en de mayonaise het povere slaatje verteerbaar maken, staar ik naar Het Plein. In het midden troont Willem van Oranje.

Het hotel bevindt zich in de buurt van de ambassades. Het is al bijna donker en toch maakt een politieagent me duidelijk dat daar geen foto’s mogen worden genomen. Ik woon even in de laan van een Groot-Hertogin. Eindelijk vind ik Hotel P. De jonge dame is vriendelijk. De kamer daarentegen donker en somber. Ik hou van gezelligheid. Hier wordt duidelijk bespaard.

Nog wat lezen – als dat lukt -, straks lang slapen en morgen mediteren. Bij en voor Rothko’s grote doeken. En als het daar te druk wordt, neem ik mijn toevlucht tot ’s mans kapel.

 

 

 

 

 

 

 

JOHAN DEBRUYNE, eind november 2014