Tag: watou

Hommage aan de schoonheid van het Nederlands

      

 

 

 

 

 

 

 

 

Hommage aan de schoonheid van het Nederlands

 

Mag ik eens opscheppen? Komaan, Johan, doe het, er zijn immers tal van getuigen. Wel, het komt met regelmaat voor dat wanneer ik een tentoonstelling heb toegelicht, mensen die me niet of alleen maar bij naam kennen me vragen vanwaar ik afkomstig ben. Als ik dan “Brugge” antwoord, geloven ze me amper.

Het ligt er aan dat ik bijna mijn leven lang aan mijn spreektaal heb geschaafd. Ik verwaarloos heus mijn Brugse dialect niet en kijk er ook niet op neer, maar hou zielsveel van het Algemeen Nederlands. In een vorig leven heb ik de taal ook onderwezen. Ik heb er boeiende, prettige en creatieve dingen mee gedaan en laten doen. Wat ik in en met de klas van plan was met taal uit te richten: ik oefende en las het altijd hardop. Bewust.

Of ik me dan erger telkens mijn burgemeester ergens het woord voert. Ik weet dat het bepaalde mensen nog steeds de gordijnen in jaagt. Ik lig er niet meer wakker van. Wellicht – en dat weet hij vermoedelijk – scoort hij met zijn verkrachting van het Algemeen Nederlands zelfs bij een bepaalde groep mensen. Het zou ”volks” overkomen, terwijl ik het gewoon een gebrek aan respect vind. En al zeker voor een burgemeester die tegelijk schepen van cultuur is.

Maar goed. Ik zou het over “mijn” gebruik van onze officiële omgangstaal hebben. Het begon al toen ik nog een puber was. Op zolder (tussen de kamer van mijn oudste broer en die van de bakkersknechten) speelde ik met een behoorlijk indrukwekkend peloton plastieken coureurtjes de “Tour de France” na, terwijl ik het verloop van de ritten van verbale commentaar voorzag. Ik was jong en argeloos en had het lef om niemand minder dan Jan Wauters te imiteren! Ooit een beetje idool van mij. Niet lang voor zijn dood stonden we samen te plassen in de toiletten van een bekend restaurant op de markt van Watou. We waren op hetzelfde moment op de Poëziezomer aanwezig. Ik had al lang een vermoeden dat de man ook van (actuele) beeldende kunst hield. Trouwens, zoals hij wielrenners, voetballers en atleten kon beschrijven. Ook al kende je ze niet, je zag ze voor je, terwijl je naar de… radio luisterde. Meesterlijk. Een fenomeen naar wie terecht een prijs is genoemd. Ik meen me ook te herinneren dat hij betrokken was bij de inhuldiging van een monumentaal werk van Bruggeling Benoît in het stadion van Club Brugge.

Wat later werden de mini-coureurs van Peugeot, Faema, Molteni en andere teams decorstukjes en nog wat later schonk ik ze aan een neefje.

Ik was toen ongeveer rijp voor het Franse chanson, terwijl ook de Nederlandstalige zogenaamde kleinkunst en het cabaret mij intrigeerden. Nederland was toen nog gidsland. Robert Long, Boudewijn de Groot en vele anderen, dus. Toon Hermans, die alleen al met zijn mimiek volle huiskamers liet huilen van het lachen. Met “niemendalletjes”, dus. Wim Sonneveld (“Zij kon het lonken niet laten”…) aapte ik dan weer gewoon na. Wat spelen met taal betreft ging deze er net over en dit vond ik plezant. Ook nogal wat van mijn leerlingen later. Maar deze oefenstof droeg wel een zeker gevaar in zich: ze nestelde zich kousvoetelings heel diep. Ooit was dus ik aan afkicken toe.

Ondertussen speelde ik jeugdtoneel (ooit nog met Marc Van Eeghem) en werd wat later de rechterhand van mevrouw Carmen Schepens-Maerten (waar zouden haar tientallen gele briefkaarten nu zitten?), ooit lerares aan het Brugse lyceum. Deze uitzonderlijk energieke dame had, toen ze net op pensioen was, “Jeugd en Toneel” opgericht. Ook zij hanteerde een aanstekelijk soort Nederlands. En nog later, op wat vroeger de “Normaalschool” heette, werd ik tot een elegant en correct Algemeen Nederlands geïnspireerd door licentiaat, professor, romancier en dichter Paul de Wispelaere (1928 – 2016).

Enkele maanden geleden was het. Ik had net een tentoonstelling in het Nederlandse Den Bosch toegelicht (meer bepaald in tot de verbeelding sprekende architectuur van de Mark Peet Visser Art Gallery) toen ik met een wat oudere Nederlandse man in gesprek kwam. En meteen weer: waar ik vandaan was? Tijdens ons gesprek (de galerie geeft je enerzijds een uniek uitzicht op de stad en anderzijds op een grote lap ongerepte natuur) vroeg ik hem of hij ooit Paul de Wispelaere gelezen had. We waren namelijk op literatuur uitgekomen. Helaas. Nog nooit van gehoord zelfs! Ik was even van mijn melk.

Daarom deed het me een dezer dagen goed te lezen dat De Arbeiderspers binnenkort de Wispelaeres “Het verkoolde alfabet” opnieuw uitgeeft en dat in Brugge “De Reyghere Boekhandel” straks een hommage aan Paul de Wispelaeres oeuvre wijdt.

In 1999 mocht ik hem twee keer interviewen. Eerst voor een vol auditorium (de Blauwe Zaal?) in het gebouw in de Sint-Jorisstraat waar ik ooit ademloos naar hem luisterde (het initiatief ging uit van Collega Dannie Welvaert); vervolgens in de bieb van de stad Blankenberge. 1999. Al bijna 20 jaar geleden. Of ik ook van hem de liefde voor katten heb geërfd, dat weet ik niet.

 

Johan DEBRUYNE, juni 2017

 

 

 

De veranda van de kanunnik

 

 

 

 

 

 

 

De veranda van de kanunnik

Ik denk hier en vooral in deze omstandigheden aan Luk Berghe, kunstenaar met wie ik vorig jaar een allereerste contact had. In “Watou”. We keken samen naar een monumentaal doek van hem. Achter ons stond de jonge Hitler (sculptuur), toen nog op de dool en haveloos, afgewezen aan de academie van Wenen, dacht ik, en lang nog niet de volksmenner en massamoordenaar die hij zou worden. Het was een lang, zinvol, diepgaand gesprek met een gedreven man. Amper 62 en net uit het leven weggerukt. Het was schrikken.

Wordt het niet cynisch wanneer beelden van bombardementen en van honger stervende en gedode kinderen je minder vaak uit je slaap houden dan de niet te stuiten aanwas van een rist dictators, populisten en extremisten? Het piekeren en de onmacht om deze realiteit een halt toe te roepen hebben op mij in elk geval een deprimerende invloed. Enig soelaas mag ik gelukkig onder meer in kunst vinden. Maar hoe horen kunst en kunstenaars (in deze, beeldende kunstenaars) zich tot deze toch beangstigende evolutie te verhouden? Deze vraag komt met regelmaat terug. Ik weet het niet. Ik ben blij dat ik hier ben. Te midden van mensen die van kunst houden. Minder blij ben ik dan weer wanneer ik lees en hoor hoe moeilijk de meeste kunstenaars het vandaag hebben.

De aanleiding tot het feit dat ik hier vandaag een en ander vertel is mijn nog net beheersbare Facebookverslaving. Maanden geleden ben ik aan het scrollen – u ziet: ik beheers al enige PC-terminologie – en stuit op iets markants: een bericht van Frank Demarest, de man die enkele jaren geleden in aanstekelijk Gistels groen het PAK inplantte. Platform voor Actuele Kunst. Een fraaie locatie waar je van kunst kan genieten. Vaak jonge kunst. Maar wat hij post (kijk, weer zo’n PC-term die ik onder knie heb) is niet echt een kunstwerk. En evenmin is het een afbeelding van mogelijks aanstootgevend vrouwelijk naakt, waar hij – volgens kwatongen? – een zwak voor zou hebben. Ik maakte mij meteen de bedenking: misschien heeft hij eindelijk genoeg van al die FB-schorsingen die hem voor dit soort “heiligschennissen” al te beurt zijn gevallen.

Wat hij wel laat zien is een licht verpauperd, tot de verbeelding sprekend groot pand. Maar ik ken het gebouw. Ik heb het altijd gekend, het zogenaamd stadspaleis, een woning met een geschiedenis bijna even lang als die van de stad Brugge zelf. Een journalist is het speuren naar bronnen gewend. Dus bel ik een hartsvriendin op. Haar biotoop is immers “erfgoed”, terwijl ik me doorgaans met nieuwe fenomenen onledig houd. Maar we vullen mekaar wonderwel aan. We zitten meteen in de dertiende eeuw en meer bepaald op de aloude baan tussen Oudenburg en Aardenburg. De “baan” is tot “straat” gemuteerd, tot “Langestraat” meer bepaald, wellicht omdat onze taal “banen” onder meer naar velodrooms en zwembaden heeft verbannen.

Voor de sloophamer er eventueel onheil gaat aanrichten – er zal verbouwd worden – heeft Demarest er een aantal foto’s van laten nemen. Later lees ik op datzelfde digitale gezichtenboek dat hij betrokken partij is en van de bouwheer de toelating heeft gekregen om er voor dat de werken aanvangen een impressionante tentoonstelling te houden.

Het beeld van “De Lombard” op Facebook gooide mij persoonlijk decennia in de tijd terug, naar de Langestraat zoals ik die door en door kende, de straat waar ik geboren en getogen ben. Een inderdaad lange straat met enkele grote en opvallende panden en tijdens mijn puberjaren ook 54 cafés. Ik wist dus zelden met zekerheid waar mijn vader en oudere broers (de zussen deden niet onder), soms in de vroege ochtend, nog wat pittigs stonden te hijsen of hun ondeugendheid botvierden.

Naar de mis ging ik toen al niet meer. Mijn vrome moeder interpelleerde bij de jongste telg alleen nog naar de kleur van de kazuifel van de pastoor. Ik kon kiezen tussen twee kerken en twee missen: ’t Bilkske en Sint-Anna. De zondag en de kerk hebben me dus mede leren liegen. Mijn naïveteit hield behoorlijk stand, maar mijn onschuld vloeide kabbelend weg in “Ter Halle”, waar ik het Franse chanson adoreerde. Ik was adolescent en deed mijn uiterste best om Reggiani te begrijpen. Die man klonk zo intrigerend. Naïveteit en fantasie zouden van pas komen wanneer ik wat later mijn pen mocht laten vloeien over wat kunstenaars deden.

“Ter Halle” was trouwens niet ver van de Langestraat en ik weet nu nog waar tal van generaties hun kostuums lieten maken, waar je je hemd voor je communie ging kopen, waar ze de beste frieten hadden en ik herinner me de braderieën die samenvielen (en dat vandaag nog doen) met Sint-Kruis Kermis.

Zoals “De Lombard” al dat ordinaire rumoer met stille trots heeft doorstaan, zo stoïcijns bleef Demarest dit keer. Hij liet dan wel de foto zien, maar zei niet waar het pand gevestigd was. Ik herkende echter meteen het immense, sobere huis (classicistische stijl, zei mijn hartsvriendin) waar ik als jongeling dag na dag vier keer voorbij passeerde op weg van en naar de school. Vooral de glazen veranda op de verdieping viel me telkens op. De school was uit rond vieren, maar ik bleef “plakken”. Er waren op de weg naar huis nog de Hof van Arents, de Dijver, de Vismarkt en de Botanieken Hof, vier plaatsen waar we eerst wat voetbalden of andere dingen deden eer we huiswaarts tjokten. De boekentas was een zorg voor de volgende ochtend.

Ik kwam bezweet van achter de hoek waar Roger Danneels accordeons aan de man bracht en keek meteen de hoogte in. Die veranda! Ik stak de straat over, vaak net toen kannunik Janssens de Bisthoven het pand binnenstapte. Via een onopvallend deurtje. Wijze man, dacht ik. Maar… grijze muis. Grijze regenjas. Grijs haar. Alles grijs, sober en voornaam. En nooit zwaaide de poort gracieus open. Geen vertoon. Op weg naar huis stapte ik met blijvende verwondering voorbij de andere mastodonten: Meubelen Cools, Elektronica Huyghe (die winkel had Guillaume Bijl ooit moeten zien!), de Vauxhall-garage en recht tegenover ons huis bevond zich de kazerne, vandaag het gerechtsgebouw.

Ik ben blij dat ik nu, een halve eeuw later, “De Lombard” van binnen heb leren kennen. Nooit gedacht dat de illustere bewoners in hun ongetwijfeld schoonste kamer omringd waren door zo veel monumentale schilderijen van Bruggeling Jan Garemijn, de eerste directeur van de Brugse Academie ooit, man naar wie trouwens een van de vier zalen in het Belfort is genoemd. Op die ooit eerbiedwaardige locatie wordt vandaag gekaart, bier en kaas geproefd, heel af en toe tentoon gesteld en gevogelpikt. De 18de-eeuwse schilderijen zouden afkomstig zijn van het huis “Dijver 7”, zei mijn hartsvriendin. In de buurt dus van het Groeninge Museum, dat nogal wat tekeningen van Garemijn bezit.

Pas vanaf 1643 werd het pand door Brugse notabelen bewoond en “De Lombard” werd als huisnaam gebruikt tot in 1561. Het werd omschreven als “Den Lombaert” met een plaetse van een lande, een tuin, dus. De naam “lombard” verwijst naar “woekeraars”, vandaag gewoon” bankiers”. In dit verband verwees mijn erfgoedvriendin ook nog naar iets dat “De Woeker” heette en zich langs de Langerei bevond. In de ME werden Italianen wel vaker Lombarden genoemd, omdat velen betrokken waren bij de internationale geldhandel. En “woekeren”, zoals u ongetwijfeld weet, betekent oncontroleerbaar groeien… Dat het gebouw er uitziet zoals vandaag zou te danken zijn aan een meester-metselaar en bouwpromotor, Eugenius Goddyn, die het in 1767 had gekocht.

En vandaag zijn we hier samen voor een tentoonstelling met werken van 40 kunstenaars. Aangezien het om een hommage aan Willy Van den Bussche gaat terecht veel kunst dus, want onze helaas te vroeg ontvallen conservator was genereus en pakte altijd uit met een overvol museum. Het was een van zijn handelsmerken.

Het belang van de man, door intimi wel eens “Black Willy” genoemd, naar zijn compleet zwarte outfits waarin hij zich steevast hulde, was dat hij in een periode waarin concept en minimalisme aan zet waren, het opnam voor de schilderkunst en zodoende, vooral in België, een soort revival ervan inluidde. In 1992 maakte zijn statement “Mondernism in Painting” school. Hij zou bewijzen dat schilderkunst altijd belangrijk en vernieuwend zou zijn. Zijn verdiensten zijn heel aanzienlijk. Denken we maar aan zijn spraakmakende tentoonstellingen zoals “Van Ensor tot Delvaux”, “Beaufort”, met beelden in de publieke ruimte van de Belgische badsteden, zijn inbreng in de Brugse Triënnales, waar toen nog onbekende kunstenaars als Raveel, Panamarenko, De Keyser, Lohaus, Van Severen, Verstockt en Roobjee aan bod kwamen.

Daar is helaas te vroeg een eind aan gekomen. Botsende karakters. Zei “Black Willy” niet dat hij met kunst bezig was en Jan Hoet vooral met zichzelf? Het waren pittige tijden. De conservatoren, een beetje keizer of paus op hun domein, hadden dan ook lang en stevig moeten knokken eer ze nog maar een museum voor hun verzameling (actuele) kunst ter beschikking kregen. Voor Willy werd dat dan nog een, zij het heel bijzonder, voormalig… warenhuis. Naïef als ik ben gebleven, heb ik lange tijd gehoopt dat Koningin Paola de twee kunsttenoren wel door één (brede) paleisdeur zou krijgen. Helaas. Van beiden heeft ze ongetwijfeld heel wat opgestoken. Meer alvast dan van haar leerkracht Nederlands.

Nu we toch over fenomenen uit de kunstwereld praten, wil ik nog wel eens de verdiensten van ene Roland Patteeuw onder de aandacht brengen, de van actuele kunst bezeten heremiet die zich in Loppem-bij-Brugge vestigde en daar jaren lang een spraakmakende Kunsthalle runde, want ik moet toegeven dat ik vandaag werken als die van Netzhammer, Hybert, Geys en Airo wel mis. Zijn incubatieproject… En wat gezegd van Frank Demarest? Voormelde heren hadden personeel en werden – zei het ondermaats – gesubsidieerd, maar al zeker iemand als Frank Demarest moet het in zijn eentje rooien. Dit keer gelukkig gesteund door Sofie Van den Bussche, dochter van Willy.

De verwijzingen naar de kunstgeschiedenis zijn legio, er wordt volop “geparafraseerd” en eigenlijk is het best heerlijk om zien wat Willy Van den Bussche had voorspeld: het zich laven aan de geschiedenis van de beeldende kunst, het oeverloos putten uit de rijkdom van vroeger.

Musea, weet u. Meer dan twintig jaar geleden heb ik Willy meegetroond naar de “Weylerkazerne” in de Hugo Losschaertstraat. Ook hij vond het niet kunnen dat Brugge tot op die dag (en tot op vandaag) niet eens een museum voor hedendaagse kunst had. De stad leek niet geïnteresseerd in een immens gebouw – een juweel – dat voor amper € 50.000 van de hand werd gedaan. Een antiquair ging ermee lopen en het gebouw werd meteen doorverkocht.

“Between Earth & Heaven I”. Waarom niet tussen “Aarde en Hemel I” vroeg in die tijd een collega zich af. Wat later liep in de aloude stede een tentoonstelling die “Tussen Huid & Orgasme” heette. De titel werd op een immens spandoek geprint en aan het Belfort bevestigd. Helaas moest daar toen nog de Heilig Bloedprocessie passeren. U kent wellicht het vervolg. Ook in deze is amper iets veranderd.

Om geen enkele participerende kunstenaar voor het hoofd te stoten ga ik geen namen noemen. Ik heb stille werken gezien die veel zeggen, wezens die van je wegkijken en toch om aandacht vragen, er zijn monumentale, enigszins pompeuze werken waar je de essentie in een detail moet zoeken. Een van de kunstenaars geeft aanwijzingen voor hoe je je op het strand hoort te gedragen. Op een erg klassieke manier steekt hij de draak met het actuele thema van de regelneverij. Een ander laat dan weer met guitige beelden zien hoe erg het met de wereld is gesteld. Er zijn ingetogen werken en er zijn exuberante. De enen verkiezen licht; anderen een enigszins decadent donker. Hoe ga je met deze wereld om? Hoe overleef je ze? Er is werk dat oud en nieuw versmelt. Er zijn verstilling, er is leven en dood, er zijn ambacht en droom. Er is een lange tafel waar je niet aan mag zitten. Ga niet argeloos aan het kleinere werk voorbij. De meeste werken roepen vragen op. Zo hoort het. En kunstenaar schrijft: “Eyes open and dream on”. Deze zin heeft mij het diepst geraakt.

Al wat me rest is de beide curatoren en de kunstenaars feliciteren en veel succes toe wensen, de bezoekers een intrigerende beleving. Voor een betere wereld lijkt de kunst niet te kunnen zorgen. Laat ons bescheiden blijven. Of raakt u – zoals Lawrence Weiner vindt dat het hoort – toch “fucked up” van wat hier allemaal te zien is?

 

Johan DEBRUYNE, 23 april 2017

(toespraak n.a.v. de tentoonstelling “Between Earth and Heaven II” (hommage aan conservator Willy Van den Bussche) in “De Lombard” (Langestraat, Brugge)

 

Omran

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Omran

 

Gisteren was de pijn tussen mijn schouderbladen draaglijk. Ik kon dus weer wat langer achter de computer zitten. Tegen de middag reed ik met de auto zowaar naar de fitness om met wat vederlichte oefeningen het lijf enigszins soepel te houden. Hoewel ik onderweg de autoradio niet had aangezet en over hét item van de dag – de schandelijke onderbezetting in rusthuizen of zorghotels – dus niet opnieuw berichten hoorde, werd ik onwillekeurig naar de jaren ’90 terug gekatapulteerd.

Als nakomer en jongste van 7 heb ik mijn moeder 5 jaar (!) lang in een rusthuis bezocht. Elke dag was ik op het appel (er waren er die me hierom gek verklaarden). Ik had van het bestuur van de instelling (een non) kunnen bekomen dat de deur van de kamer (aan het eind van een gang) zowat altijd open mocht blijven, opdat mijn moeder nog een beetje voeling met het “gewone” leven zou hebben. Ze had haar hele leven immers een groot gezin én een bakkerij in een volkse buurt gerund. Nu zat ze gevangen in een kleine kamer. Ze had een kamergenote die alleen nog in staat was om af en toe enig geluid voort te brengen. Fysiek voorts even hulpbehoevend als zij.

Die open deur was voor moeder ontzettend belangrijk. Ik nam mijn werk voor school, krant en tijdschriften en wat ik nog allemaal bekokstoofde gewoon mee. Ach, als kind had ik ook altijd  het liefst aan een met toile cirée bedekte keukentafel gezeten. Wanneer de glanzende tafelbescherming ten onzent er door overvloedig gebruik te “artistiek” begon uit te zien werd hij vervangen door een nieuwe lap uit de Franco-Belge.

Bij een tafel aan het raam keek moeder vanuit haar rolwagen uit op de gang en op de tuin. Af en toe zei ze wat over de vogels. Ik (het kan ook een zus van me zijn geweest) had ook voor een koffiezet gezorgd. Het met regelmaat zetten van koffie gaf de kamer een huiselijke geur. Heel af en toe kraaide de kamergenote wat. Moeders gezondheid was heel precair na een operatie aan de rand van de hersenen, niet uitgevoerd door de chirurg van wie ze gezegd hadden dat hij de ingreep zou uitoefenen, maar door een assistent. Eenmaal verdoofd en in het O.K. van een ziekenhuis ben je nog slechts een ding. Ik heb toen, als veertigjarige, het woord “oedeem” goed leren kennen. En tegelijk ervaren hoe ingrijpend het is in een rusthuis terecht te komen. Ik heb het nu over meer dan 20 jaar geleden en toen was de situatie er al schrijnend. Ik had ook snel in de gaten dat wanneer een van de meest corpulente zusters met regelmaat langs wiegelde, er in de onmiddellijke omgeving dra een dode te betreuren zou vallen. Elk (rust)huis heeft zo zijn gewoontes…

Ik denk er aan, nu die jonge verpleegster uit de biecht heeft geklapt en haar terechte aanklacht zowat alle dagbladen heeft gehaald, en ik zopas het vers gebouwde zorghuis “Ter Potterie” (Brugge) voorbij ben gereden.

In de fitnessruimte ben ik zwijgzamer dan gewoonlijk. Het is bijna middag, het zomert volop en er is amper volk. Aanvankelijk zit ik nog wel met het ochtendnieuws in mijn kop. We worden dan ook dagelijks meermaals om de oren geslagen met steekpartijen in allerhande variaties, met dreigingsniveaus, bommengordels waarmee nu ook kinderen doden maken, met onschuldige mensen die met machetes of messen worden aangevallen, met flikken die zelfs thuis niet meer veilig zijn, met ziekenhuizen die gebombardeerd worden en met presidenten en andere gezagsdragers die liegen dat ze zwart zien. Niemand – al zeker in Syrië niet – weet soms nog wie met wie in oorlog is. Hoe houden al die milities in die puinhopen van wat ooit prachtige steden waren het overzicht? Intussen lijkt het allemaal te wennen. Je wordt er niet gelukkig van, maar je doet voort.

Af en toe slaagt een beeld, doorgaans van een kind dat werd gedood of net van de dood gered, er in om toch wat langer op het netvlies te kleven. Zoals van de week: het iconische beeld van een jongetje dat tijdens luchtaanvallen in de Syrische stad Aleppo aan het eten was en daardoor gered kon worden. Zijn oudere broer Ali, die op dat ogenblik op straat aan het spelen was (gelukkig spelen kinderen nog tijdens de oorlog) kwam om, samen met nog 141 andere kinderen. Niet echt “nieuws” meer, maar de kleine Omran maakte een diepe indruk. In de armen van een volwassen man werd het kind naar een soort ambulance gebracht en helemaal versuft, het gezichtje deels onder het bloed,  op een oranje stoel geplaatst. Het leek beschroomd om het stuitend wangedrag van volwassenen die bommen gooien alsof het niets is. Het wreef na enige tijd behoedzaam aan zijn slapen om te voelen hoe erg het was geraakt en het schaamde zich wellicht ook voor de fotografen die op zulke momenten hun werk blijven doen (fotograferen, dus) en veegde voorzichtig het bloed aan het oranje stoeltje waarop het was achtergelaten.

Levend van onder het puin gehaald! Het leek om een feestelijke gebeurtenis te gaan. En nu? En straks? En morgen? En dan? Ik vroeg het me af. Al enkele dagen laat Omran me niet los. Er was blijkbaar nog een reden waarom het beeld van dit kind in mijn hoofd bleef hangen. De Belgische kunstenares Maen Florin heeft de laatste maanden en jaren een meute mensjes/wezens gemaakt die totaal in zichzelf zijn gekeerd. Intens en blijkbaar onherroepelijk getroffen als ze zijn door een of ander trauma. Momenteel is Florin’s werk nog heel even uitgebreid te bezichtigen in het Kunstenhuis van Watou, maar het kan geen toeval zijn dat ik, toen ze haar sculpturen van volslagen introverte en/of getraumatiseerde wezens in het kunstenhuis van Harelbeke tentoon stelde, het langst bleef hangen bij een jongen die me nu voortdurend aan de kleine Omran doet denken. Het zou een veel oudere broer van hem kunnen zijn. Ouder nog dan Ali. Die was amper 10.  Het beeld van die kerel moet me heel erg hebben geïntrigeerd toen, want ik had iemand gevraagd om een foto te nemen, terwijl ik hem voorzichtig koesterde. Met koesteren moet je in deze context opletten. Het was eigenlijk amper aanraken. Meer niet. In de hoop wat troost te bieden. Aan een beeld! Hoe kan je zo in kunst opgaan? Hoe kan een kunstenaar je zo diep raken?

Kijk, Omran, er is nog een broer van je. Maar wat heeft Omran aan een beeld?

Ik heb de foto’s naast elkaar gelegd. Vooral hun haartooi vertoont veel gelijkenis, maar voorts hun hele houding waarmee ze zich ogenschijnlijk pantseren tegen een wereld vol fysiek en/of mentaal geweld.

Ik wilde Florin’s beeld, dat laat zien hoe – in zijn ruimste betekenis – lelijk ook mooi kan zijn, graag in huis, maar mijn vrouw, mentaal nog veel brozer dan  ondergetekende, zou de dagelijkse confrontatie niet aan kunnen. Kunst stemt me wel vaker melancholisch. Ik kan er tegen. Denk ik. Een beetje ongelukkig zijn, zoals de TV-psychiater beweert. Ik lijk het aan te kunnen.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

JOHAN DEBRUYNE, eind augustus 2016

 

 

 

 

 

 

 

 

Watouweg?

Watouweg?

Weer ben ik op weg naar Watou. Ik vind het blindelings, het dorp nabij de Franse grens. In rijd alleen. Dit keer vrouw noch vriend(en) in de auto. Zoals tijdens de voorbije zesendertig (!) zomers sleep ik me straks opnieuw voort (ik heb de onuitwisbare indruk dat het altijd warm tot heet is wanneer ik er het Kunstenfestival bezoek) van zolders naar kelders, van een verlaten hoeve naar een vervallen woninkje of een in onbruik geraakte basisschool… Overal geurt het naar vochtige warmte. Tussen onbewoonde en des winters nimmer verwarmde muren nestelt zich gauw een kleffe geur. Nooit eerder aan gedacht: het “Kunstenfestival Watou” heeft zowaar zijn eigen geur.

Die hoort bij de festivallocaties, net als het zicht op de Mont Noir (en de gedachte aan Marguérite Yourcenar), de gammele trapjes, de verweerde muren en de nadrukkelijk aanwezige leegte tussen verre bomen en golvend groen. En ergens, net buiten de bewoonde kern: de as van een te jong gestorven dichter.

Op deze prille julidag kijk ik vooral uit naar een weerzien met aparte wezens. We gaan blikken ruilen in een volstrekte stilte. Het zijn de geesteskinderen van de Spanjaard Juan Munoz en van de Gentse kunstenares Maen Florin. Omdat Florins wezens op deze editie zo nadrukkelijk aanwezig zijn en zich naadloos inpassen in het thema “mededogen” van deze editie heb ik in <H>ART-magazine behoorlijk ongebreideld de lof gezongen. Niet het vele is goed, maar het goede is veel. Er zijn voldoende argumenten om nog eens een persconferentie bij te wonen, hoewel ik dit soort “officiële” aangelegenheden het liefst aan me voorbij laat gaan.

In de parochiezaal luister ik naar de zware, vermoeide en moedeloos klinkende stem van intendant Jan Moeyaert. Hij houdt een microfoon in de hand. Op de tafel voor hem staat een ongebruikte blauwe gieter. Klein formaat. Mooi ding. “Fier als een gieter” of “afgaan als een gieter”. Het kan met “Watou” beide kanten uit, alludeert hij op het object voor hem, maar ik vermoed dat hij op dit moment al meer weet. Een selectiecommissie is vastbesloten het festival in Watou te begraven. De moedeloosheid in zijn doorrookte stem neemt almaar toe. Hij spreekt lijzig. Ook zijn stem hoort bij “Watou”. Ze past bij de verslagenheid die zich ook van vele aanwezigen meester heeft gemaakt. Pas wanneer iets dreigt te verdwijnen beseffen we de waarde ervan.

Onderweg spookte nog van alles door mijn hoofd. Is dit mijn laatste rit op automatische piloot naar deze plek? Gaat dit unieke festival van beeldende kunst en poëzie nu werkelijk verdwijnen? Moet ik Moeyaert waarschuwen voor het avontuur dat hem straks in Damme wacht? Ik denk ook aan de jaren dat Jan Hoet voor het beeldende aanbod zorgde en aan de avond dat hij probleemloos met mijn vrouw op de foto ging. Aan een tafel, te groot voor een kamer, een gigantisch in elkaar gestuikt kruis, een paardenmolen die nooit meer zou draaien…

Na de woorden van Moeyaert eet ik een enkel exquise bordje “Hommelhof” en begin meteen aan mijn zoektocht naar schoonheid en zin in deze uithoek van West-Vlaanderen. Ik sta versteend te midden een invasie reuzenmieren: “Casa Tomada” van de Columbiaan Rafael Gomezbarros. Bij nader toezien bestaan de mieren uit twee mensenschedels, hun poten zijn takken en om hun lijf zit stof gewrongen van kapot gescheurde kleren. In het Festivalhuis kijk ik verrast hoe Florin haar introverte wezens heeft opgesteld, hoe ze zich samen wapenen tegen de toekomstige blikken van duizenden bezoekers en hoe een kleine meid de handen voor de ogen slaat. Ik aai de bolle kopjes van de Munoz-wezens.  Ze wiebelen op hun eigen kleine wereldbol. Ik lees Hertmans en schrik wanneer de Nederlandse kunstenaar Villevoye me in een gangetje confronteert met de jonge, haveloze Adolf Hitler. Ik zie een geschilderde, beklijvende Frankenstein én een imposant schilderij : “(KOCMOC) – we have never been modern”- van Luk Berghe. De kunstenaar is in de buurt. We maken kennis en op zijn aanraden zet ik een koptelefoon op, kijk ondertussen naar een Zeppelin boven moerassig oorlogsgebied, lees een flard tekst en luister naar marsmuziek. Wat haat ik dit soort gezang, maar nu geeft het me bijna een euforisch gevoel. Ik voel me wat schuldig. Is dit dan toch zingen om de angst te overwinnen? Iets zoals fluiten in het donker?

Ik lees de vergankelijkheid in een beschimmelde… broden kop. Giuseppe Licari. Lees teksten op spiegels. Over “ismen” en over hoe anderen wel zullen nadenken. Gedichten van de jarige Patti Smith. En duidelijker dan Eckart Hahn (“One World”) kan je het niet maken: de hele wereld staat in brand. Triest en enig mooi tegelijk.

Vloeken in de kerk mag niet, maar Samson Kambalu laat er me voetballen. Van op een miniveld trap ik ballen naar een heilig verklaarde doelman. Hij pareert moeiteloos. Op de ballen kleven uitgescheurde Bijbelbladen. Buiten, aan de muur van de dorpskerk, hangt een apothekerskruis. “Cross Reference”. Een doordenker van Peter de Meyer.

Deze “Watou” is straf! Ik krijg er niet genoeg van. Net zoals van de laatste Documenta. Niet omdat de kunst me vrolijk maakt – integendeel -, maar omdat ze zo vaak op een verrassende wijze de rotzooi in de wereld in beeld brengt.

Laten ze Watou straks helemaal inslapen? Op het marktplein laat ik me in het Wethuys verleiden door een bord zoetigheid met koffie. Op het kasticket staat € 13. Dit kan geen toeval zijn. In twee bekertjes naast gettoblasters laat ik een muntstuk vallen. Piketty. Waarom is dit zo anders dan iets voor de voeten van een bedelaar droppen?

Traditiegetrouw lees ik thuis pas de catalogus. Over “De kracht van Mededogen”. Poëzietijd. Geen medebezoeker die me afleiden kan. Er zitten parels tussen. Blij ben ik met dat ene woord van wijlen Jan (van der Hoeven): “AmerIKa”. Voorts al die “ik”-jes her en der.  Het betere werk van kleppers als Hertmans en Verhelst. Maar toch is het weer Wislawa Szymborska die met haar gedicht “Een bijdrage tot de statistiek” alles perfect weet samen te vatten. Daarom dat ik het hierna helemaal overneem. Bijna 90 jaar was Wislawa toen ze in 2012 stierf. Ze had heel veel gezien en met regelmaat een vlijmscherpe poëtische synthese afgeleverd. Er is niets veranderd, schreef ze ooit. Enfin, nauwelijks iets. Alleen de schone schijn is toegenomen, de leugen opgeblazen en “Watou” kwijnt weg in een diepe slaap.

EEN BIJDRAGE TOT DE STATISTIEK

Op elke honderd mensen

 

zijn er tweeënvijftig

die alles beter weten,

 

onzeker van elke stap –

bijna de hele rest,

 

bereid om te helpen,

als het niet te lang duurt

–         wel negenenveertig,

de goedheid zelve,

omdat ze niet anders kunnen

–         vier, nou, misschien vijf,

in staat tot bewondering zonder afgunst

–         achttien,

leven er in voortdurende angst,

voor iemand of iets

–         zevenenzeventig

hebben er talent om gelukkig te zijn

–         ruim twintig, hoogstens,

 

zijn als individu ongevaarlijk,

maar slaan los in de massa

–         in elk geval meer dan de helft

 

zijn wreed,

als de omstandigheden hen, dwingen,

–         hoeveel kun je beter niet weten,

ook niet bij benadering,

 

verstandig als het te laat is

–         niet veel meer

dan voor het te laat is,

 

willen er van het leven alleen dingen

–         veertig,

hoewel ik me hier liever vergis,

 

duiken, een en al pijn, in elkaar,

zonder lantaarn in het donker,

–         drieëntachtig,

vroeg of laat,

 

verdienen er medelijden

–         negenennegentig,

zijn sterfelijk

 

–         honderd op de honderd.

Een getal dat vooralsnog niet verandert.

Wislawa Szymborska

JOHAN DEBRUYNE, begin juli 2016

 

Een hoek af, maar nog zo mooi!

     

Een hoek af, maar nog zo mooi!

Sinds enkele jaren ben ik meer dan een beetje in de ban van het beeldend oeuvre van Maen Florin. Ik herinner me vaag “klassieke” portretten van haar: grote koppen, bustes in klei. Vakkundig gemaakt, maar ogenschijnlijk doodgewoon. En toch. Het introverte karakter van haar protagonisten intrigeerde me. Ze werden gezien, want je kon er amper naast kijken. Maar wie keek met voldoende aandacht? Wie stond lang genoeg stil?

In 2008, onder impuls van wat Paul Mc Carthy toen in het Gentse S.M.A.K. had aangericht (zelfs muren moesten er aan geloven), is Florin losgebarsten. Zij het minder agressief en provocerend dan Mc Carthy, maar vormelijk en inhoudelijk leek ze bevrijd uit het “klassieke” keurslijf. In het Gentse Caermerklooster zag ik wat later haar eerste verrassende, bizarre figuren. Ik herinner me onder meer een immense kop die met opzet de weg zowat compleet versperde en ik zag bizarre kopjes aan … kapstokken hangen. Of waren het maskers?

Naar aanleiding van het feit dat Florin sinds enige tijd het hele Kunstenhuis in Harelbeke met haar bevreemdende wezens bevolkt, had collega Veerle Van Durme het over mensen “met een hoek af”. Dat net zij het zijn die de kunstenares mateloos intrigeren. Ik herinner me in dit verband de heerlijke laatste jaren van een idool van me: acteur Julien Schoenaerts, volgens velen Vlaanderens grootste acteur ooit en vader van Matthias die het nu waarmaakt op de internationale filmscène. Op het moment van de opnames was Julien “een vijs kwijt”. Of een paar zelfs, beweerde zijn zoon toen. Hij zei het in alle ernst, maar met natte ogen. En dat het de juiste vijzen waren die hij kwijt was geraakt, besloot Matthias. Een onvergetelijk vader-zoonportret.

Ik moest aan dit “gouden” Canvas-moment denken, toen ik het Kunstenhuis betrad. Een vijs kwijt of een hoek af. Ik voel ook wel wat voor mensen met een hoek af. Voor zij die uit de band durven springen, buiten de lijntjes kleuren: ongewild  heimelijk of (h)eerlijk open en zichtbaar. Uiteraard hebben de wezens die Florin creëert hier niet voor gekozen. Ze zijn in zekere zin “onvolmaakt” en alleen zij, Maen Florin, is daar verantwoordelijk voor. Zij schept ze.

In al die tijd is de kunstenares technisch zo bedreven geraakt en ze kan met zo veel verschillende materialen overweg dat het lijkt of ze neer kan zetten wat ze wil. Rubber, epoxy, klei, keramiek, polyurethaan… Het maakt haar niets meer uit.  Ze neemt weg, vult aan, rijt doormidden, zet aaneen… Ze zet de dingen en de wezens geheel naar haar hand. Ze verhult helemaal niets meer in iets wat uitmondt in een confrontatie met onszelf. Wat/wie vroeger door en voor de maatschappij werd weggestopt en liefst vergeten of opgesloten, geeft zij vandaag een (bescheiden) forum. Nu is ook een artistieke “geboorte” geen lachertje. Al zeker mentaal niet.

Bekend zijn haar grote creaturen: koppen met een verlengde varkensneus. Ik zie voorts wezens zonder handen, eenogen, hoofden die uitmonden in een soort bloempot, een wezentje dat een paradijsvogeltje achter de rug verstopt. Hij wil het lang gekoesterde kleinood geven aan de meid die het dichtst bij hem staat. Maar bij nader toezien heeft die geen armen… Ik had dit laatst in eerste instantie niet gezien. Bij wat Florin aan wezens creëert moet je goed kijken, maar het went verdomd snel. Bij een van haar figuren had ik niet gezien dat de ene hand groter was dan de andere. We kijken, maar zien we nog wel? En evenmin dat die relatief struise vrouw eigenlijk een mannenhoofd heeft. Maen Florin zal het ook wel een beetje leuk vinden de toeschouwer even op het verkeerde been te zetten.

De maatschappij zet zich door in het werk van Maen Florin. Ook de genderproblematiek. Geen opgestoken vingertje, maar ze houdt ons een spiegel voor. Een dikke dwerg heeft zich als ballerina verkleed. Compleet in het wit. Hij, het is een jongen, een man eigenlijk, houdt een dun wit koordje in de handen en draagt een al even wit masker.

We herkennen continu trekken van onszelf. Kleine kantjes. Vooral het introverte is heel opvallend. Zo aanwezig ook dat het eigenlijk gewoon is geworden. Alle communicatie is weggevallen. Heel herkenbaar en ook al niet verrassend. Tal van kleine en grote schermpjes brengen de wereld vandaag immers tot bij ons. Ook wij, “gewone” mensen, hebben elkaar nog nauwelijks nodig. We kennen elkaar niet meer, we zijn digitaal verslaafd en drie letters, G, P en S, leiden ons overal naartoe.

In de kelder van het Kunstenhuis in Harelbeke zit “Wrong Face” koning of keizer te wezen. In het halfduister heb ik het weer niet meteen in de mot: een best knap kereltje, onvolgroeid, behalve zijn hoofd. Maar de ene kant van zijn gezicht vertoont gezwellen die hem vroeg of laat zijn laatste beetje fierheid zullen ontnemen. Hier speelt zich eigenlijk een drama af. En toch, zijn aankleding, zijn fierheid en wilskracht zijn opvallend. Een verdieping hoger zit “Remade 2”. Een jongen uit tal van materialen samengesteld, maar zijn wat grote hoofd is van keramiek, nog eens grillig met pigmenten behandeld. Ik wil hem troosten en ga even bij hem zitten.

“Hug”, “Screem”, “Helmet”… je moet ze gezien hebben. Het zal allemaal kunnen op de volgende “Poëziezomer” van Watou, waar het werk van Florin nadrukkelijk in de kijker zal worden geplaatst.

Op zolder van het Kunstenhuis kom ik in mijn meer vertrouwde wereld. Op een grote tafel staan keramieken hoofden, ook deze zijn finaal met pigmenten bewerkt. Florin gaat uit van een krantenfoto of een gezicht dat ze op tv of nog ergens anders heeft gezien. Terwijl ze met klei geduldig de koppen, die ze graag karakters noemt, verder afwerkt, kruipen weer nieuwe eigenschappen in het hoofd dat langzaam vorm krijgt. Het levert soorten prototypes op. Ik herken ze bijna allemaal, terwijl ik ze nooit eerder zag. Al wie ik ’s zondags bij de bakker zie, heeft er wat van. Tot en met het introverte. Het is er – in de bakkerij – even stil als op die zolder van het Kunstenhuis. Een zomer lang, zoals ik eerder zei,   zullen de bizarre wezens, die mededogen opwekken, maar die je eigenlijk beter met rust kunt laten, hun verschijning maken in een huis op de Markt van Watou. Ze zullen nadrukkelijk aanwezig zijn op wat hopelijk dus niet de laatste Poëziezomer wordt.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

JOHAN DEBRUYNE, mei 2016

 

 

 

Een heel kleine grote hond

Een heel kleine grote hond

Als niet-ingewijden weten dat (actuele) beeldende kunst een van je passies is, word je geregeld en met venijnig genoegen met de irriterende vraag geconfronteerd of een bepaalde creatie al dan niet in aanmerking komt om onder het epitheton “kunst” te worden gecatalogeerd. Je leert er mee leven. Je bent op je hoede en je probeert lastposten te ontlopen.

Je hebt behoorlijk wat gezien – de laatste tijd nog zo veel als mijn enkels (95 kilo en dus minstens 3 te veel) dragen kunnen – en – toegegeven – je hebt je ook wel eens afgevraagd of bepaalde “kunstenaars” nu met je voeten aan het rammelen waren of niet.

Een vriend-criticus, gepokt en gemazeld in de muziek- en theaterwereld, kan het vaak niet laten de spot te drijven met wat als “actuele beeldende kunst” wordt omschreven, terwijl hij zich – vaak terecht – ergert aan het talig gezwets dat erom heen wordt gewikkeld. Het komt mij voor dat vooral in de wereld van de beeldende kunst critici er moeiteloos in slagen om zelfs drek goed te laten rieken.

Onlangs nog liet hij zich overwegend denigrerend uit over de “Brugge Triënnale”, die ik dan weer goed vind. Omdat ik weet dat hij van poëzie geen al te hoge pet op heeft wil ik hem niet suggereren eens naar het “Kunstenfestival Watou” te trekken. In het gehucht aan de “Schreve”, de grens met Frankrijk, heb je weinig meer dan plukjes huizen, straten en steegjes, een marktplein, een oude brouwerij, een verlaten school en een kerk. Vaak oude, verlaten en verlepte vochtige huisjes, bouwsels die vaak uit gewoonte rechtop lijken te blijven staan, poëzie (in het groot afgedrukt en/of voorgedragen) en actuele beeldende kunst. (Hoe zou het hier des winters zijn?) Het enige wat mijn vriend er leuk aan zou vinden is dat hij Moby, zijn Yorkshirterriër, zou kunnen meenemen. De vinnige viervoeter zou er zijn hartje ophalen en hij zou er zijn scherts kwijt kunnen. Ik zie het al voor me. Ergens aan een muur hangt een kleine foto (zo’n 10 bij 15 cm), vakkundig tussen drager en glas geprangd: blauwe lucht en centraal een wolk. Niets meer, niets minder. Ik hoor het hem zuchtend vragen of dit ook kunst is. Terwijl ik net graag bij dit soort subtiele dingen verwijl.

Al vijfendertig edities oud is Watou’s zomerfestival! Ik rij er jaarlijks, welhaast uit louter gewoonte, heen. Een soortement artistiek bedevaartsoord, zeg maar. Een dichter, Gwij Mandelinck, startte er ooit mee en sinds jaren zetten nu al anderen zijn levenswerk verder. De dichter zou het na het afscheid van zijn geesteskind – plots declameerde (de man spreekt altijd alsof hij sombere gedichten voordraagt) hij zijn vertrek – zijn beproefd artistiek recept nog eens in de stad Brugge proberen, maar dat viel behoorlijk tegen. Wie het plekje Watou, het zicht op de Mont Noir en de vele krotjes gewoon is, is niet tevreden met alleen maar gedichten en beeldende kunst. De locatie hoort bij dit festival. Alleen dààr wil je het allemaal zien, lezen en horen: in oude, vochtige huisjes, in schuren en stallen, op zolders, in vergeten kelders. Hoe je daar in huizen die elders binnen de kortste keren met de grond zouden worden gelijk gemaakt poëzie aan de muren hangt en beeldende kunst plaatst, hangt of legt, het maakte deel uit van de charme van “Watou”. Mandelinck had zich misrekend: in het opgepoetste Brugge krijgt verkrotting amper een kans.

Als stadsmens die zijn hele jeugd des zomers op de buiten ravotte, zowel in Vlaanderen als Wallonië, hou ik wel van die jaarlijkse confrontatie. Ik ben verzot op poëzie en beeldende kunst maakt mijn meest droevige dagen al eens veel leefbaarder. Ja, ook dat wolkje in het blauwe zwerk.

Maar de jaren van Hugo Claus en Jan Hoet, die zich dan uiteraard met de beeldende selectie moeide, liggen al een wijle achter ons en je hebt de indruk dat men onnoemlijk zijn best doet om deze traditie in ere te houden, maar een beetje aan het einde van zijn Latijn lijkt geraakt of het in elk geval met veel minder centen moet rooien.

Het was een broeierige zaterdag, dit keer. Voor mij de allereerste keer op zo’n weekenddag. Normaliter ga ik op de dag van de persvoorstelling of ik kies een weekdag. Snikheet was het. Zoals wel vaker wanneer ik “Watou” bezoek, maar het publiek en de sfeer waren dit keer duidelijk ànders. Het was te warm en ook te druk, vond ik, al zeker voor het thema van het festival “In de luwte van de Tussentijd”. En de leutigheid van ladderzat volk op  paardentrams irriteerde me mateloos. In Watou kom je de stilte opzoeken.

Ik heb ook de indruk dat er van langsom meer nevenactiviteiten in het leven worden geroepen. Je auto kon je nergens kwijt, want er zou iets zijn met een stand-upcomedian. Wouter Deprez trad er op. Ik had ook het gevoel dat nogal wat mensen in “Watou” toefden, omdat ze zich anders stierlijk vervelen of om het bezoekje op hun agenda te kunnen afvinken. Zoals je naar “Brugge zingt” gaat, of bij Benenwerk moét zijn of het Cactusfestival niet mag missen, terwijl je staat te kletsen in plaats van naar de muziek te luisteren. En valt het tegen dan zijn er terrassen zat om je te amuseren. Veel jonge ouders met hun kroost, viel me op. “Watou” marcheert dus nog, dacht ik, ondanks de vele smalende commentaren die ik kon opvangen.

Het lijkt me vooral beeldend al jaren wat minder in Watou. Ik herinner me dat ik de laatste jaren toch nog geregeld met enige verwondering weer de auto in stapte nadat ik de locaties (zo’n tiental) had bezocht.

Maar deze editie liet me verrassend onverschillig. Niet ontroerd, nauwelijks bevraagd noch gecharmeerd. Ik miste zowel het subtiele kleine als het indrukwekkende grote. Neem nu dat stuk donkere schuur met die gecrashte auto op zijn dak. Een bedenksel van Peter Verhelst, Brugs schrijver, dichter en theaterman, alluderend op zijn roman “De kunst van het crashen”. Enkele mensen verdrongen zich rond een paar koptelefoons, wellicht om Peter met zijn mooie stem stukken uit zijn boek te horen reciteren. Ik dacht met pijn in het hart terug aan een grotere en veel indrukwekkender donkerte waarin je ooit een gesloten paardenmolen kon ontwarren. Mijn hele jeugd kwam me toen voor de geest.

Ik zag werk van stadsgenoten Mieke Teirlinck en Robert Devriendt. De twee schilderijen van Mieke waren  opgehangen in een… gang, zodat je geen afstand kon nemen, terwijl de luciferdoosgrote fijnschilderijtjes van Devriendt van op grote afstand kon aanschouwen. Wie bedenkt zoiets? Het getuigt, vind ik, van een gebrek aan respect voor het werk van Teirlinck.

Een hommage was er ook aan Herman Van Veen. Geen probleem met Herman. Ik hou van zijn stem, zijn taal, zijn teksten, zijn blik, zelfs van zijn schilderijen. Maar deze laatste moet je dan tenminste wat licht geven. En mag ik Van Veen met theaters associëren? “Toch mooi”, zei een dame tegen haar man. “Al zo vaak gezien, dit soort schilderijen”, antwoordde hij laatdunkend en stapte terug de wei in. En ik dacht aan Jan Mulder. Ja, ook die schildert. En ik dacht aan al die acteurs en BV’s die plastisch ook enigszins uit de voeten kunnen. Mensen met naam en faam. Het helpt…

In de kerk van Watou stond een unieke bollenkerstboom. Te vroeg op het jaar, dacht ik. Ik keek naar de oude relieken in de kerk. Hier stond vorig jaar het werk van Nathan Coley. Het staat nu op de Brugse Burg (“Place beyond Belief”). Weinig werk lijkt “in situ” gemaakt. Jammer.

En de poëzie? Die lees ik thuis wel, in de voortreffelijke catalogus. Wat ik van deze “Watou” onthoud? Vooral die grote kleine hond van Robert Devriendt en dit gedicht, van mijn favoriete dichteres:

RECLAMEFOLDER

Ik ben een tranquillizer.

Ik ben bruikbaar in huis,

werk op kantoor, leg examens af,

getuig voor de rechter,

lijm zorgvuldig mijn kapotte bekers –

neem me toch in,

los me op onder de tong,

en slikken maar,

spoel na met water.

 

Ik weet wat ik met ongeluk aan moet,

hoe je slecht nieuws opvangt,

de onrechtvaardigheid verkleint,

Gods afwezigheid verlicht,

de juiste rouwhoed kiest bij je gezicht.

Waar wacht je op –

heb vertrouwen in mijn chemisch mededogen.

 

Je bent nog jong (m/v),

je moet iets van het leven maken.

Wie heeft gezegd

dat het moedig moet worden geleefd?

 

Sta mij je afgrond af –

ik zal hem bekleden met slaap,

je zult me dankbaar zijn,

want je kruipt ongebroken uit het dal.

 

Verkoop me je ziel.

Niemand anders zal er iets voor bieden.

Er is geen andere duivel meer.

Wislawa Szymborska

 

Terwijl ik het gedicht las, was mijn vrouw er vanonder gemuisd. Zowat een uur later vonden we elkaar terug. Achter de Douviehoeve. Ze had een versperring genegeerd om in kort, karig en stoffig gras een kleine pony en een ezeltje te voeren en te aaien. Wij spreken met de dieren. Ik genoot middelerwijl van het landschap. Haar pollen waren gitzwart en toen de beesten zich van blijdschap in het zand begonnen te wentelen, stapten we richting auto. De kunst was haar beginnen vervelen, zei ze. Omdat ook zij een onvoorwaardelijke dierenvriend is was haar dag toch nog goed geweest.

           

JOHAN DEBRUYNE, bijna half augustus 2015