Tag: venetië

Bolt…

 

 

 

 

 

 

Bolt…

 

Het is een verrassende vaststelling, maar sinds ook in ons land serieus gesnoeid wordt in het subsidiëren van het culturele leven, ontvang ik meer dan ooit uitnodigingen om vernissages bij te wonen. Ik heb na enig gemijmer vastgesteld dat het bloed kruipt waar het niet gaan kan. Dat bepaalde kunstenaars het anders aanpakken (er worden al dan niet eenmalige samenwerkingsverbanden gesmeed en heel wat interessante panden worden plots intrigerende locaties om beeldend werk te tonen) en zodoende toch de nodige aandacht weten te trekken en uiteraard heeft het er alle schijn van dat ook hier de middenklasse is weg gewalst. Wie er warm in zit, kan uitpakken. We gaan ons van voorbeelden onthouden.

Aan kwaliteit is niets ingeboet. Ook niet wat de invitaties betreft. Ik vis met zorg en respect de mooiste uitnodigingen uit mijn brievenbus en ook op het net lijkt de creativiteit amper te stoppen.

Alleen, een paar weken geleden kreeg een virus me te pakken en nog een week later brachten een paar buisjes deskundig afgetapt bloed (wat kan dokter Jan dat goed!) en een kleine flacon met wat urine aan het licht dat de verhoudingen binnen mijn bloedhuishouding helemaal niet meer klopten, terwijl het virus nog eens mijn waterkanaalstelsel had aangetast ook. Rustig aan, luidde dokter Jans advies. Ik ben verdomme nog sneller moe dan ik al was sinds ik 8 jaar geleden met iets soortgelijks werd geconfronteerd. Toen kwam er een ziekenhuisopname bij te pas. Ik mocht die verrekte fabriek pas verlaten wanneer de koorts uit mijn lijf was verdreven. Het heeft een volle week geduurd. Het kan natuurlijk ook dat ik ondertussen nog trager ben geworden en nog langzamer het leven (en de kunst) absorbeer.

Zo ben ik de voorbije dagen twee keer naar het Brugs Sint-Janshospitaal getrokken – ik laat me brengen, omdat de kasseien in mijn geboortestad voor mij een ware kastijding zijn – om me te verdiepen in het werk van de Zuid-Afrikaanse kunstenaar William Kentridge. ’s Mans oeuvre had al twee keer een onuitwisbare indruk op me nagelaten: op Documenta X en in… Watou. Op dit plekje aan de Schreve meer bepaald in het jaar 2003, toen daar nog iets georganiseerd werd dat naar de naam “Poëziezomer” luisterde.

“Smoke, Ashes, Fable”. Ik kan de tentoonstelling in het oude ziekenhuis in Brugge ten zeerste aanbevelen. Ik twijfel of er in mijn geboortestede ooit iets straffers te zien is geweest.

Ik ben de voorbije weken dus wel enigszins actief gebleven. Zo ben ik gaan lunchen met een oud-student. Die had daar zo’n slordige 200 kilometer retour voor over. Een onvergetelijke, gemoedelijke ontmoeting. Als het een beetje gaat, dan zeg ik niet neen tegen unieke momenten.

Op een zaterdag ben ik dan een TANK binnengestapt. “De” TANK. Die bevindt zich op de Burg. Het is de naam van de zielloze achterkant van het gouvernementsgebouw. Het ding staat leeg en een 60-tal creatieve medeburgers, jong en wat ouder, hebben er tijdelijk een atelier. Tot de eigenaar beslist dat het over en uit is en er wellicht appartementen komen. Voor de happy few. Misschien kunnen ze in die omgeving ondertussen nog wat misbaksels tegen de grond leggen. Ik tuurde naar de overkant en zag het zielloze Crown Plaza Hotel. Met heimwee dacht ik terug aan “St. Georges” dat er voordien zijn plaats had. Precies omwille van die miskleunen (de stad staat er vol van, maar Brugge kan blijkbaar veel hebben) gelijkt mijn geboortestad absoluut niet meer op Venetië. Ik had het er onlangs op Facebook nog over met regisseuse Hilde Van Mieghem.

Wel, in aanloop naar de tweede Brugse triënnale nieuwe stijl (die van Renaat Landuyt, dus) was er een panelgesprek voorzien. Een aantal mensen die een organisatie omtrent actuele beeldende kunst leiden zou er uit de doeken komen doen hoe ze jonge beeldende kunstenaars kansen geven en begeleiden. In deze tijden. De meesten hadden een organigram gemaakt en behielpen zich met een powerpoint, zodat het relatief makkelijk volgen was, hoewel twee en een half uur luisteren toch wat lang leek. Er was nauwelijks publiek opgekomen. Als ik maar mijn werkstek heb, zullen de meesten wel gedacht hebben. Kunstenaars? Einzelgängers! Performer en internationaal gelauwerd kunstenaar William Kentridge had even ervoor het concertgebouw vol laten lopen voor iets wat vijftig minuten duurde. Klasbak, natuurlijk.

Michel Dewilde deed uit de doeken wat het Brugs cultuurcentrum met weinig middelen had gepresteerd sinds hij zo’n kwarteeuw geleden in functie was getreden. Het is aanzienlijk, maar doorgaans komt geen kat kijken naar wat er in “De Bond” gebeurt. Voorts een dame uit Schotland, iemand uit Den Haag en een jonge kerel die zei hoe het Brugs Entrepot functioneert. Frank Maes liet verstaan hoe “Emergent” (Veurne) zo’n succes is geworden. Terecht, want daar zag ik de laatste jaren niets dan knappe, intrigerende tentoonstellingen. Er werden ook beelden getoond.

Het meest opvallende – voorts was hij naar zijn doen kort van stof – kwam van Stef Van Bellingen, de man van WARP uit Sint-Niklaas. Hij liet een beeld zien van een 100 metersprint. Niet verwonderlijk dit uitje naar de sport, want Stef was ooit tienkamper. Hij riep – wellicht voorbereid – de jongen die voor de techniek instond bij zich en die moest het getoonde beeld even corrigeren. Tja, Bolt, Usain Bolt, stond er immers niet op. Die lag aan de finish zo’n drie meter voor. Van Bellingen toonde dus net wat de kranten niét hadden getoond. Die hadden alleen het beeld van Bolt gepubliceerd met wellicht als commentaar dat de anderen niet eens op de foto waren geraakt. Hij vroeg de luttele aanwezigen ook of ze een enkele naam konden noemen van een atleet uit het groepje dat zo ver achter Bolt finishte. Niemand! Wel, zei hij, die hadden nochtans ook allemaal de 100 meter in minder dan 10 seconden gelopen! WARP gaat voor die groep, net onder de absolute top. Mooie, duidelijke metafoor. En ik kan me er in vinden. Niet Kentridge en niet Bolt, maar die vele anderen er net onder. Velen. Hoe je daar dan in selecteert? Ook dit had ik nog graag van hem gehoord. Helaas.

 

Terwijl ik hoopte dat we na het gesprek naar de tijdelijke ateliers zouden worden geleid en er ruimte zou zijn voor een babbel, liep het gedoe met een sisser af. Jammer. Waarom al die moeite? Eigenlijk een behoorlijk triestige bedoening de manier waarop het Brugs cultuurcentrum zaken rond actuele beeldende kunst organiseert. Ik weet dat het budget minimaal is en dat er in theater en dans zo veel meer geïnvesteerd wordt. Ook voor de laatste “In/out” (nationale wedstrijd voor jong talent) zouden de inzendingen van een erg matig niveau zijn geweest. Wel, het Brugse CC zou zich dan beter alleen op theater focussen.

Kijk, ook dat muurschilderinggedoe met Mieke Teirlinck en Marec is een mager beestje, om nog maar te zwijgen van het piepkleine pleintje achter het CC dat sinds kort elk jaar naar een Bruggeling wordt genoemd. Onnozel, dit laatste. Teirlinck had nog de moeite gedaan om op een verrassende manier een actueel thema (vluchtelingen) in de kijker te plaatsen (de respons erop van kunstenaars was wel quasi nihil), maar wat Marec op de muur neerzette is louter clichébevestigend: boogbruggetjes en zwanen. Jammer. We houden nochtans van zijn cartoons. Wat actuele beeldende kunst betreft is het bij het CC Brugge momenteel meer dan ooit huilen met de pet op. Naar verluidt gaan ze de exporuime De Bond” kwijtspelen en het Algemeen Nederlands – ik was getuige de laatste keren dat ik er voor een evenement kwam – wordt er schaamteloos verneukt. In die buurt frequenteer ik – als ik er al passeren moet – alleen nog dingen als “Fresh”, “Leeloo” en een koffiehuis.

 

JOHAN DEBRUYNE, november 2017

 

 

 

 

 

 

Venetië, kreunende stad

    

 

 

Venetië, kreunende stad

Meer nog dan de nachtelijke terugreis uit Venetië, eisen de vele digitale berichten (waarop ik – ongeveer pas thuis – reageer) hun tol. Het is als een wonde die ik bewust een week heb laten etteren. Pijn deed het immers niet. Integendeel: de jeuk die ze veroorzaakte gaf een fijn gevoel. De tastbare drukte in de dogestad veroorzaakte dan weer geen hoofdpijn. Alleen de zwaar gehavende enkels hadden te lijden onder het vele staan en stappen. In de late middag van onze laatste biënnaledag, geraakte ik nog nauwelijks de trappen van het Museo Correr op. Hoewel ik besefte hoeveel we die week niet hadden kunnen zien, wilde ik daar toch nog een tiental werken en wat tekeningen (alle uit 1954) van Anthony Caro bekijken. Eindigen in en met eenvoud zowat.

Om twee uur ’s nachts het hotelbed uit. Kamer 203. De kristallen luchter voor het laatst gedoofd. Achter de balie een Italiaan. De knapste uit de reeks. De meest arrogante ook.  Hij vertikt het om de overdaad aan kristal wat bij te lichten. Pas wanneer ik – des morgens altijd een tikkeltje humeurig – aandring, wordt het enigszins klaarder. En er schuiven zowaar twee kopjes onder de koffieautomaat. Was afgesproken, dit laatste. Met een collega van hem. Een belofte om het nachtelijke afscheid te verzachten. Maar het blijft donker. De balieman weet niet hoe te reageren als mijn vrouw hem oprecht bedankt. Zo is zij nu eenmaal: met weinig tevreden. Vermoedt hij cynisme?

Met onze koffers achter ons aan stappen we het San Marcoplein over. Langsheen de basiliek en het Dogenpaleis. Tot mijn verrassing toch nog wat mensen op de stoelen van verlaten terrassen. Zo meteen gaan we een dik uur klotsen op het water van de lagune. Het hotel waar we logeerden bevindt zich op een boogscheut van de eerste halte.

Tegen vijven daagt Marco Polo, de luchthaven. Ook die ontwaakt na een te korte nacht. Mondjesmaat draaien luifels de hoogte in. Eetstalletjes maken hun verschijning. Het lekkers wordt zichtbaar. Komt binnen mondbereik.

Stipt om twintig over zes gaan we de lucht in om anderhalf uur later hopeloos te verzanden in een Belgische file. Die Crevits! Met een gebeitelde glimlach legt ze verdomme het hele land open.

Ik hunker nu echt naar het (eigen) bed. Zoals ik eerder zei heb ik een volle week  alle digitale contacten gebannen. Op een paar mobiele berichtjes na. Hoe het op het thuisfront was? Met onze katers. Ondermeer. Voorts zat mijn kop vol van een stad die kreunt onder het water en een onvoorstelbare toevoer van toeristen. Een overvolle stad. Overvol mensen, overvol kunst en kunstigheid. Overdaad op tal van vlakken.

Zo heeft een kunstenares haar stek veroverd in een mooi oud gebouw. Die houten zoldering! Een immense bloem, uit glazen delen opgetrokken, trekt bovenaan de trappen alle aandacht. Het ruikt er naar olieverf. De dame schildert niets dan bloemen. Op een scherm roept ze – in Amerikaans Engels – haar hele staff voor de camera. Ook de kleine man die haar elke dag verse bloemen brengt. Allen groeten ze de kunstenares (te) nederig (naar mijn zin) en mogen dan opkrassen. Kutkunst, denk ik.

Een week is veel te kort om de 55ste Biënnale van Venetië en alle collateral damage en/of exhibitions te bereiken en te bekijken. Er zijn de landspaviljoenen in de Giardini (de tuinen), het Arsenale (gigantisch gebouw waar ooit wapens werden gestockeerd, vermoed ik) en voorts de vele kerken, kerkjes, kloosters en pallazi, waar landen en lieden met poen hun ding doen. Het begint een beetje op het Eurosongfestival te gelijken, maar dan voor (actuele, nou ja) beeldende kunst. Ondertussen banen we ons, in een temperatuur waar we ten onzent alleen maar van kunnen dromen, door- en langsheen drommen van ongeloof en uitzinnig geluk kirrende Japanners, een weg. Zij komen in hoofdzaak voor de stad zelf. Wellicht de mooiste van de wereld. Niet voor de hedendaagse kunst.

Het Arsenale hebben we morgen geprogrammeerd. Het zal een sterke indruk nalaten. Maar we beginnen met de tuin vol zogenaamde paviljoenen waarin (te) veel landen met hun topkunstenaar(s) uitpakken. Daar pakt de Belgische Berlinde De Bruyckere bijzonder sterk uit. Er ligt een immense boom in een met doeken verduisterde bakstenen rechthoek geveld. “Cripplewood”. Het werk verwijst ook naar Sint Sebastiaan. De wonden van deze wassen (!) reus zijn met doeken omwikkeld. Een suppoost moet met regelmaat zeggen dat de bezoekers er met hun fikken af moeten blijven. “Neen, geen hout, mevrouw. Hol van binnen. Allemaal van was.” Nauwelijks te geloven: nerven, wonden, huid en littekens.

Het doet me denken aan de stad zelf. Ook daar de sporen van het niets ontziende water. Oerkracht uit de lagune. Gelukkig trekt het zich doorgaans tijdig terug en lijken de wonden vanzelf te helen. Maar ze zijn overal. Zichtbaar aanwezig. Eigenlijk maken zij deze stad zo mooi.

Venetië kreunt onder het beukende water en de mensenmassa’s. Een vierde van de tijd ook nog eens onder de kunst. Maar ze kan veel hebben. Haar marmer glooit en blinkt. Zoals het vele bladgoud en de jonge leeuwtjes naast de basiliek.

Het is heet. Niet alleen Berlindes boom krijgt verzorging. Ook wij, mijn vrouw en ik, voorzien onze gekwelde voeten van pleisters. De medicijnendoosjes gaan met regelmaat open.

Vreemd. Plots ik denk aan… Scheveningen. Jaren ‘70. Ik was daar toen met collega’s op studiereis. Daar waren alleen Zee, Zand en Kuhrhaus. En vele, vele jaren later logeren we met zijn tweetjes in Den Haag. We willen er even uitwaaien. In de buurt. Scheveningen, dus. Het werd de grootste ontgoocheling uit mijn hele leven: de brede zandstrook was er volgebouwd met lelijkheid! Mensen maken alles kapot.

Ook in Venetië, op weg naar de tuin der kunsten, stoor ik me niet aan de vele bruggen en brugjes die mijn enkels pijnigen, evenmin aan de hitte, maar aan de talloze kraampjes met niets dan identiek dezelfde rotzooi. Een kilometer lange sliert mobiele toestanden met T-shirts en souvenirs. Schabouwelijker nog dan het aanbod in de vele winkeltjes van de stad: glas uit Murano. Mijn voeten! Uit China, praatte een winkeljuf haar mond voorbij. Schandelijk hoe commercie ook een stad als Venetië naar de haaien helpt. En overal gitzwarte medemensen, de handen vol  imitatie Vuitton-tassen. Ze hollen  je achterna en zijn op hun hoede voorde lokale politie. Ik erger me aan de kakofonie van maar liefst drie orkestjes op het San Marcoplein. Ze moeten toeristen lokken. Een jonge meid speelt viool terwijl ze beaat lacht. Klantvriendelijk heet zoiets.

Wat duiven niet meer mochten (overal ijzeren pinnen om de dieren van daken en vensterbanken weg te houden), mogen mensen wel. Ik zeg tegen een meid  (stadswacht) met oranje T-shirt dat ik de duiven leuker vond dan de mensen. De duiven brachten ziektes mee, antwoordt ze.

Ik geniet ook van Manders’ werk in het Nederlandse paviljoen. Jeremy Deller (Groot-Brittannië) doet intrigerende dingen en bij de Russen kraai ik het uit van de pret: “Danaë”. Acteurs, geld dat uit de lucht komt gevallen, vrouwen, paraplu’s, pindanootjes… Zou Poetin dit weten?

We strompelen verder naar zoveel mogelijk bouwsels met kunst. “Swatch” sponsort. We weten hoe laat het is. Je kan er niet naast kijken. De houten vloer van de stand met horloges wordt continu schoongeveegd.

Terug op San Marco, waar ik nooit ofte nimmer in de ellenlange rij zou willen staan voor een blik in de opgedirkte en ingepakte basiliek, geniet ik van een kleine waterdrager tegen de gevel van het heiligdom. Niemand heeft er oog voor. Voor ik naar het hotel toe ga, om wat later op de avond rust te vinden in veraf straatjes, geniet ik van de kleine marmeren leeuwtjes. Dierenzot! Hier deed de massa haar werk goed. Het marmer van hun sokkels golft heerlijk en de leeuwtjes glimmen. Ze worden gekoesterd. Vooral kinderen worden er gretig op getild. En dan: foto!

       JOHAN DEBRUYNE, zondag 16 juni 2013

 

Fallout

FALLOUT, naar aanleiding van de tentoonstelling met beeldend werk van Thierry Buysse in de Bogardenkapel (Brugge)

*Meer dan een kwarteeuw geleden hebben in Chernobyl/Pripyat overmoedige idioten de klok voorgoed stilgezet. Nadat de overheden zich dan 3 dagen lang in misdadig stilzwijgen hulden, werden 50.000 inwoners er als schurftige honden weggedreven. “Geëvacueerd”, heet dat met een mooier woord.

U bent hier omringd door beelden van het resultaat van zoveel technische betweterigheid of onvermogen en veel wat we nooit zullen achterhalen. De moordende leugen wordt mijns inziens het krachtigst verbeeld in het bijna abstracte beeld “Bridge of Death”, de brug waar mensen samenstroomden om ’s nachts naar het vuur te kijken. Helaas. De wind zat verkeerd…

Mag ik het, in het aanschijn van zoveel gruwel en dood, hier dan nog hebben over het wereldje van de actuele beeldende kunst? Over de artistieke biotoop vol ego’s, die het voorts zelden met elkaar eens zijn? Over een bronzen buste die ik bij momenten liever de Groene rei zou in kieperen? Het is heel, heel relatief. Maar toch.

Het doet pijn aan het kunstige hart dat de tijd verleden en voltooid is dat Brugge een 15-tal kunstgaleries telde. Als criticus kon je nauwelijks alle vernissages volgen, om daar dan steevast collega’s aan te treffen met wie je ter plekke de tentoonstelling kon analyseren. Discussie. Debat. Boeiende tijd. Idem voor toneel. Maar sinds tijden worden recensies VOOR het spelen geschreven. VOOR het tentoonstellen. En vaak bepalen macht, centen en vriendschappen de aard van het relaas.

In een cultuurstad als Brugge, waar nu al decennia lang lui die zich in OUDE KUNST hebben verdiept en/of mensen met INVLOED bepalen wat aan zogenaamde hedendaagse beeldende kunst de stede mag aandikken, is het weinig hoopgevend dat ook “Raaklijn” het 50 jaar geleden amper 7 jaar heeft uitgezongen.

Dat in 2005 een immens zeildoek voor even van het Belfort diende geschraapt, omdat de Bloedprocessie er zou passeren, vind ik vandaag nog beschamend. Op het doek stond de titel van de daar lopende tentoonstelling “Tussen Huid & Orgasme”. Over mijn eigen project met gevelnissen wil ik het zelfs niet meer hebben. Kunstenares Berlinde De Bruyckere, die daarin een hoofdrol zou spelen, gaat dit jaar ons land vertegenwoordigen op de Biënnale van Venetië. Maar hier vond cultuurschepen Moenaert Kamagurka interessanter…  Leuker in elk geval.

*Hoewel ik de regionale berichtgeving mede wegens de royale vergoeding (ik ben nu even ironisch) na 26 jaar vaarwel heb gezegd, worden me nog met regelmaat zaken gesignaleerd. Ik lees het blad nooit meer, maar iemand belde me vorige week op omtrent een roze EXIT, wat Brugges cultuurmagazine zou moeten zijn, maar bij nader inzien niet meer is dan een cultureel reclameblad. Interessant voor de programma’s van de cultuurhuizen, krijg ik vaak als tegenwind. Maar toch doodjammer voor een stad die ook vaart en allure schijnt te willen. Schijnt te willen… Een paar jaar geleden al had EXIT de lezer om suggesties voor vernieuwing gevraagd. Behulpzaam als ik ben deed ik mijn duit in het zakje. Ik suggereerde zachter papier. Vooral omdat zoiets beter zou rijmen met het ontbreken aan enige kritische reflectie. Een blad als EXIT bevordert in grote mate het vaak misplaatste Brugse euforisch sfeertje. Het maakte mede de tenen van de bewindslieden langer en langer.

FALLOUT

*Men heeft me gevraagd om mijn toelichting op dit verhoog te houden. Het is knap gemaakt en het heeft iets van een preekstoel zonder franje. U mag er straks allemaal ook even op. Een voor een wel te verstaan. Van hieruit heb je zicht op een gedicht dat ik in weinig tijd heb neergepend. En op deze piëdestal sta je voorts verder van het graf, maar dichter bij de dood. Een creatieve, gekooide suggestie ervan.

Het doet iets met je:  een publiek toepreken van op een hoogte. Niet meteen mijn katholiek verleden. Maar toch: herinneringen. Schoolse. Als jonge leerkracht moest ik wel eens – steevast met verse walg – studie houden. Eind jaren ‘70 vond zoiets nog wel eens plaats in een immense zaal. Een massale, luidruchtige invasie was dan je deel , lawaai, gestommel, en dan uiteindelijk: stilte. Dat was de bedoeling. Als “surveillant” zat je op een trappenverhoog. En daar hoorde je streng te kijken. Ik bevocht mijn binnenpretjes  en keek met vernietigende blik in het rond. Een mens heeft iets dierlijks. Ook dàt was immers over-leven. Want al deed je het in je broek,  het hoorde stil te zijn. Een minimale toegift of een summier moment van zwakte konden een sneeuwbaleffect ressorteren. En dat was uit den boze. Daar werd je mondjesmaat gek van. Voorbeelden legio van murw gepeste collega’s. Je speelde dus het spel. Als ik nu stilte wil, dan is het omdat ik ernaar snak. Op dat schools verhoog  was het een kwellende stilte. Een geregisseerde. Een valse. Een laffe stilte. Een smeerlapje was boswachter geworden.

Wat heeft dit allemaal met Buysse te maken? Alles. Het leven. Het leven zoals het is. Ik ben ongeveer dubbel zo oud, maar toch delen Thierry en ik  vaak een mening, stappen we kritisch door het leven, houden we van een uitdaging en blikken we net zo graag in de toekomst als in het verleden.

Deze Buysse is een amper 30-jarige Bruggeling. Ooit en al heel vroeg was hij in de ban van fotografie. Met “ooit” wil ik zeggen en vermoed ik: meer dan vandaag. Hij was in de ban geraakt van verloederde gebouwen en van plaatsen waar nooit nog iemand komt.  In wat verrot, geroest of met mos is begroeid , volkomen verlaten, opgegeven en vergeten, zag en ziet hij schoonheid.

Hij werd Urban Explorer. Zijn foto’s tonen wat WAAR is. Het verval dat in het leven kadert. Hoe het soms wordt afgebakend, opdat niemand nog getuige zou zijn van zoveel gebrek aan respect voor het leven, dat zo al kreunt en lijdt onder de pijn van de vergankelijkheid en onder de wanhopige strijd eraan te ontsnappen, zoals Buysse het zelf ooit raak formuleerde.

Hij trekt op avontuur. Zwaar beladen. Riskeert lijf en leden, tart wilde honden, hongerige ratten en verschalkt uit de kluiten gewassen veiligheidsagenten. Hij gaat “illegaal”. “Werkt” in de marge. Er is volk dat liever heeft dat je daar wegblijft.

De fotografische resultaten van zijn escapades worden geprezen. Zijn verschroeid Chernobyl-theater (met piano en nadrukkelijke lichtinval)wordt stilaan een iconisch beeld. Het meest treffende compliment kwam van een kompaan, want zo’n “shooting” is te gevaarlijk om in je eentje te doen. Die zei: “Thierry, ik zie je nooit fotograferen!”  Buysse voelt en ziet en reageert bijzonder alert.

Twee keer zou hij naar Chernobyl trekken. Zijn jongensdroom.  En zo ver van hier is dat niet. Het is huiveringwekkend dichtbij. Tot in de puntjes voorbereid, maar op het gevaar af tot een Siberische “vakantie” te worden veroordeeld en zijn gezondheid in die “Verboden Zone” om zeep te helpen, trok hij er heen. Hij maakte er unieke foto’s. Beelden uit de krochten van een hel.

Maar Buysse heeft meer in zijn mars. De fotografie zal belangrijk blijven, maar hij kickt op uitdagingen. Omdat vandaag busjes met ramptoeristen Pripyat doorkruisen, zette hij er een punt achter. Omdat iedereen kraakpanden fascinerend begint te vinden, ze infiltreert en fotografeert, hield hij het voor bekeken. Urban Photographer. Dat is, maar vooral: dat WAS hij. Feit is dat hij nog steeds schoonheid ziet in zaken waar menigeen een afkeer van heeft.

Onlangs kwam ik erachter dat hij op zijn 12de – de sfeer in vader-zaligers atelier moet indruk hebben gemaakt – al een schaakspel had gemaakt met bronzen olifantjes van zijn hand. Wat later liet hij de grote beesten in het klein copuleren… Soms valt met die jongen geen land te bezeilen, moet zijn moeder wel eens vaker gezucht hebben.

Nooit kennen zijn creatieve kop en kritische geest rust. Buysse is bijvoorbeeld van poppen gaan houden. Hij kan ze manipuleren en er dingen mee vertellen. Zonder woorden. Buysse houdt ook van dieren. Bij leven en bij dood. Hij koestert skeletten. Het karkas van wat ooit leefde fascineert hem. Niets wordt weggemoffeld. En nooit neemt hij afscheid, denk ik wel eens. “Morbide” is een woord dat wel eens valt wanneer men het over zijn oeuvre heeft. In zijn fantasie blijft het allemaal leven. De dood hoort bij het leven. Veel tijd is ons niet gegund. De dingen mogen dus best snel gaan. Buysse laat zien wat een jonge gast drijft. Niet zozeer de waan van de dag. Maar onrecht.

Hij adoreert het oeuvre van de Amerikaanse tekenaar, filmregisseur en producent, Tim Burton (°1958). Buysses momenten van tederheid verrassen nog het meest.  Zoals de foto waarop hij zijn petekind tegen de borst aandrukt. Tegen zijn hart als het ware. De stilte is oorverdovend. Ze verraadt alleen het zachte bonken.  Het bloed dat pompt. De broosheid. Het leven zelf. Die foto hangt hier niet. Maar ook in de gruwel die er wel is, moet u straks maar tederheid zoeken!

Kinderen. Daar blijf je met je fikken af. Ook dat schreeuwt deze tederheid uit.  Daarom gruwt hij van mannen in habijten of met mijters en hun nimmer te vertrouwen woorden. “Het was maar…”

Populisme, fundamentalisme, racisme, voyeurisme… Het langzaam wurgen van elk kritisch geluid. Het zijn uitdijende kankers.

Je neemt Buysse zoals hij is. Wat hij vastlegt met zijn camera, wat hij assembleert, in elkaar doktert, koestert… en hier laat zien heeft met aanleg, kunde en vooral passie te maken. Met authenticiteit, met drift, met woede, met aversie. Het gaat om liefde en tederheid voor wat vergankelijk is en nog amper leeft of al dood is.

Kunst kan de wereld niet redden. Ook in de kunstwereld is het te veel “ons kent ons”. Ook in de kunst leidt macht tot corruptie.

JOHAN DEBRUYNE

Venetië

Venetië

Eergisteren, in de herfstzon;  gisteren, in de gietende regen: in onze tuin samen een perceeltje varens opgeruimd. Jaren brachten ze schoonheid en was het er voor de katers heerlijk toeven en stoeien. De nukken van de voorbije zomer hebben ze danig verziekt. Al meteen waren ze bruinig, slap en misten ze hun gebruikelijke frisse buigbaarheid. We hebben er nu siergras aangeplant. Het moet nog struiken en op zijn beurt een avontuurlijk terrein worden voor de beesten. Ik bekijk het vanuit het bureau terwijl ik aan het schrijven ben.

Omdat haar rug minder aankan dan de mijne, ben ik vanmorgen om boodschappen gereden. Ook eens het te lang opgespaarde glazen leeggoed meegenomen. Door de ronde gaten laat ik het glas de containers in kletteren. Ik leef me uit als een kwajongen. Hoe harder het galmt hoe leuker. Als hier maar geen GAS-boetes van komen…

Nadien, in het warenhuis, pluk ik wat kranten uit het rek. In DS zie ik een vensterraam met kanten gordijnen. Ervoor: een houten kantwerkstertje. Dit moet Brugge zijn! Ook deze krant “bevraagt” in verkiezingstijden. Het beeld, dat het oubollig cliché van mijn geboortestad bevestigt, prijkt prominent aan het begin van een bijdrage over de politieke toestand in de provincie West-Vlaanderen.

Wat zouden Anne en Mercedes, beiden kandidaat-burgemeester, hiervan denken? De voorbije legislaturen werd weinig ondernomen om dat bestofte  imago weg te werken. Dagjespolitiek. Toevalstreffers, zoals “De Treurenden”. Nee, meneer de burgemeester, ook jouw “Kamarama” kon het imago niet opfrissen. Pure poenschepperij, suggereerden velen. Vriendjespolitiek. Zei u zelf. Evenmin de door u aangezogen Gwij Mandelinck. Beeldend culturele willekeur was het en het heeft helemaal niet gewerkt. Het fonteintje op  het Stationsplein? Plassertjes. Meer niet! Zelfs niet het nieuwe concertgebouw met enkele topwerken tegen de binnenmuren. En al zeker niet de nieuwe glazen koterijen op ’t Zand. Het verloederde Ito-paviljoen hou ik nog buiten beschouwing. Er is een potje van gemaakt. Maar, ik zei het vaker: Brugge kan heel wat hebben!

Met mijn vrouw spreek ik af op het terras van “De Middenstand” (’t Zand). En kijk, net nu ik me na 10 jaar met het concertgebouw heb verzoend, staat zo’n joekel van een parkeertickethok in de weg. Ik zie amper nog de helft van wat vele Bruggelingen ongenuanceerd “De Bunker” noemen. De terrassen er vlak achter gapen van leegte: daar geen straaltje eindejaarszon!

Omdat ze wat langer wegblijft dan verwacht, stap ik maar eens tot bij de beeldengroep in het midden van het plein. Het water dat het geheel feeëriek moet maken is even het zwijgen opgelegd. Brons en water? Da’s om problemen vragen, zei me ooit een vakman. Van achter werfhekkens kan ik het werk van dichtbij observeren. Ik kom tot het besluit dat vooral de dieren meevallen: vogels en een enkele hond. Ik ga naar het terras terug, verlangend naar de klasse van iets als “Les bourgeois de Calais“ van Rodin.

Zoals wel vaker gebeurt neem ik plaats naast een Bruggeling die ik ken. Of ik weet wie België volgend jaar op de “Biënnale van Venetië” zal vertegenwoordigen. Berlinde De Bruyckere! De wereldvermaarde kunstenares uit Gent die zich bereid had verklaard een centrale rol te spelen in het nissenproject dat ondergetekende hier uit de grond wilde stampen. Helaas, al wat Brugs en paaps is werkte tegen. Bij gebrek aan respect haakte de kunstenares na diverse bezoeken aan Brugge af. Einde verhaal.

Wie weet had de stad zich hiermee wel op de kaart van de actuele beeldende kunst kunnen zetten. Met chocolade – hoe lekker ook – is het niet gelukt. En koken en lekker eten terwijl elders mensen creperen van de honger… Als Christenmens zou ik me schamen. Ik blijf er weg.

Ik ben maar een Bruggeling. Ik moet aan Geeraerts denken. Het voelt voor mij vaak een beetje aan als: Ik ben maar een neger. Toen in “2002” de Langestraat in zicht kwam, mijn geboortestraat notabene, waar ik elk huis en zijn geschiedenis ken, werd doodgemoedereerd niet aan deze jongen gedacht. Nee, daar waren… Gentenaars voor. Het mocht wat kosten. En waarom is die schreeuwlelijke buste van zoon V.A. nu nog niet in de Groene Rei gesukkeld? En waarom is dat marmeren tuinversiersel in Groeninge er alsnog bijgekomen? Willekeur!!! Het zal wel nooit veranderen. Elk doet hier zijn zin en iedereen houdt zijn mond. Mobiliteit is prioritair!

Vreemd, dacht ik vanmiddag. Altijd wanneer er lokale verkiezingen zijn, hangt aan verre buur J.-P. zijn raam een affiche met Moenaert op, “zijn” burgemeester. Nu is het er zoeken naar diens gedoodverfde opvolger…

Soit, onze tickets voor Venetë zijn er. Het hotel is geboekt. In juni trekken we een wijle naar het echte Venetië.

JOHAN DEBRUYNE, oktober 2012