Tag: van dis

De dingen

 

 

 

 

 

 

 

 

DE DINGEN

In zijn roman “In het buitengebied” zegt de protagonist uit het recentste werk van Adriaan Van Dis: “Ik woon met de dingen”. De zin valt in een dialoog en voelt aan als een soort verontschuldiging.

Je leest het relatief dunne boek in één ruk uit, dus ik las meteen verder, maar de cijfers van de pagina met deze zin bleven hangen: 130. Op die bladzijde loopt het boek trouwens al naar zijn einde: de som van korte verhalen, ervaringen, ontmoetingen en herinneringen waarin ik de hele tijd karaktertrekken van de auteur, die ik me levendig herinner van vroegere televisieoptredens, meende te herkennen. Een vreemd gevoel. De hoofdfiguur had, net als de auteur zelf, de grootstad definitief verlaten en was naar het platteland, zijn roots, teruggekeerd. Een beweging die me had verrast. Van het licht naar het donker. Blijkbaar had het stadsleven hem toch in overdreven mate vervreemd van de plek waar hij ooit was opgegroeid. Misschien was Van Dis te veel “buitenkant” geworden. Wat nog vreemder was is dat, terwijl ik las, ik de hele tijd zijn stem hoorde. Zacht. Alsof hij me dit boek voorlas. Ik hield altijd van zijn spreektaal en zijn stem, dus het ergerde niet. Dit deed zich ook wel vaker voor toen ik boeken van Paul De Wispelaere las. Nu had Van Dis de hele tijd over mijn schouder meegelezen. Ik had hem bij manier van spreken kunnen vragen wat nu echt was en wat verzonnen.

Leven met de dingen… Ik moest al eens denken dat ik als jongste van zeven een eigen kamer wilde, zeurde tot ik die kreeg en die dan zelf aankleedde. Aan de muren post-Expo ‘58-behangsel, afkomstig uit een winkel in mijn geboortestraat. Ik was er kind aan huis, bij Herman en Simonne. Mijn jongste zus ook. Ik zie de winkel nog voor me: de poort in de zijstraat van de Langestraat, de immense koer, het atelier, de hond… In mijn kamer belandde een antieke tafel waaraan ik zou studeren. Ik had ze gekregen van mevrouw Van de Voorde. “Madame” eigenlijk. Bij haar thuis werd in hoofdzaak Frans gesproken. Ook daar kwam ik met grote regelmaat. Een donkere woonkamer, één hoog, brandglas en een papagaai.

Als kleine jongen was ik zelden thuis en op heel wat plaatsen welkom. Die twee kanten, hé, Van Dis? De buiten- en de binnenkant. Noem het geen verdienste. Ik paste me moeiteloos aan. Van madame Dujardin, de vrouw van een behoorlijk hoge pief uit het leger, kreeg ik niets. Ik mocht er graag komen. Een stil, kraaknet rijhuis in de Rodestraat. Rue Rouge klinkt beter. Het was er zo veel stiller dan bij ons. Ik kon er even aan het lawaai ontsnappen.

Een goede halve eeuw later, gehuwd, geen kinderen, in een stijlvol, oud huis, hou ik de woonkamer overzichtelijk. Kunstwerken die ik doorgaans zelf heb gewild en gekozen. Maar mijn werkkamer puilt uit van de dingen en dingetjes. Van prullaria waarvan ik moeilijk afscheid kan nemen, omdat er een verhaal aan verbonden is. En toch weet ik: je neemt niets mee. Je gaat dood en laat alles achter.

Nu mijn werkkamer – na de waterschade waren schilderwerken aan de orde – helemaal is gerenoveerd, heb ik tal van pogingen ondernomen om het wat luchtiger te houden. Kartonnen dozen stonden klaar en raakten mondjesmaat gevuld. Met ongewone opvallende regelmaat, op mijn stoelgang kan je normaliter absoluut geen klok gelijk zetten, rende ik naar het toilet. Het selecteren (de vele verhalen die de dingen ressorteerden) gaf buikkrampen! Het is uiteindelijk behoorlijk afgelopen. Ik mis wel wat dingen, maar ruimte heeft ook iets.

Buiten, met niets dan groen als decor, kijk ik nog op een knalrode bever van een bekend kunstenaar. Links voor me, op het bureau, staat een beertje en rechts een gipsen marmotje onder een stolp: een souvenir van wat ik sinds 2002 een tiental jaar heb uitgespookt in een Brugse wijk. Voorts een overzichtelijk aantal kunstwerken. De pakken oude foto’s die naast me lagen om me te inspireren bij het schrijven zitten voorlopig in een kast. Voorts zijn uiteraard de boeken gebleven. Een kleine stapel bracht ik naar de Kringloop. Maar inderdaad, Van Dis, ook ik leef hier, op die zestien vierkante meter althans, met de dingen. Schijnbaar waardeloze dingen waarvan ik amper afscheid kan nemen. Het beertje kijkt me op dit moment in de ogen. Het is net alsof Maria kijkt. Maria is te jong gestorven. Ze gaf me het beertje.

Of het kleinood-in-de-maak hier nog bij komt, weet ik niet. Toen ik drie jaar geleden met mijn jongste zus, die meer kanker in zich droeg dan we allemaal dachten, voor een paar dagen naar London trok, leerde ze me iets kennen. Een paar jaar voor mijn moeder stierf had ik het woord “oedeem” geleerd; van mijn zus en andere kankerpatiënten het vreselijke “portacat”: een gat in de zone van het sleutelbeen waar ze om de zo veel tijd rotzooi in kunnen gieten die je hoort te genezen, terwijl het tuig zo veel andere dingen in je lijf vernietigd.

Het gaat om een kleine tube handgel. Je kunt het kopen – dat deed zij ook – bij Kruidvat, een winkel waar ik nooit een voet binnen zet. Ik verdraag dit soort lelijkheid niet. Wel, de tube die ik in Londen van haar kreeg, koester ik in een kastje in de badkamer. Op mijn vraag heeft steenkapper Pieter er al een stolpje voor gevonden. Het is nu wachten op een glazen vierkantje voor eronder en twee staafjes, zodat het aan de muur kan worden bevestigd. Ik heb wel wat foto’s van mijn zus, en een fraaie ronde marmeren steen (met wat as van haar in) waarin ik kaarsjes kan branden, maar dit ding incarneert mooie momenten met haar. In Londen duwde ze met regelmaat en ongevraagd, vlak voor we iets zouden eten bijvoorbeeld, een portie op mijn handen. Die moest ik dan goed uitsmeren en ook tussen de vingers gaan. Als jongste van zeven kreeg ik altijd les.

Leven met de dingen.

Johan Debruyne, eind augustus 2017

 

 

“Thelma en Louise”

 

 

 

 

 

 

“Thelma en Louise”

 

Lang geleden zat ik aan een lange tafel. Een communiefeest bij verre buren. Het was druk in het kleine huis. Omdat voor haar toen al twee mensen als een groep aanvoelden, was L. wijselijk thuis gebleven. In het overvol interieur zag ik toch meteen een kleine vogelkooi. Er was ook een cavia-biotoopje. Ik dacht meteen: zo’n gedruis is nefast voor beestjes. Ik dacht aan onze poezen. Hoe die al de vlucht nemen voor een enkele stille gast. Ik kreeg een glas aangeboden en koutte met onbekenden.

Er was een druilerige ochtend aan vooraf gegaan, maar plots klaarde de hemel op en verkaste de luidruchtige meute naar een groot terras, palend aan een verrassend diepe tuin. In het gras werd gevoetbald (een kleine houten doelmond maakte dit duidelijk en naarmate de middag vorderde zouden almaar zatter wordende grote mensen in de buurt van een houten rechthoek hun voetbal(on)kunde demonstreren). Je kon er ook basketbal spelen (een korf, bevestigd aan de achtergevel van de buren liet hier geen twijfel over). Een oude, obese buldog lag te midden gehavende tennisrackets naar adem te happen. De paaskuikens waren kippen geworden. Ze liepen vrijelijk, maar behoorlijk doelloos en onrustig rond. Her en der lagen ballen.

Omdat ik na amper twee glazen alcohol de leukste van de meute ben en heel wat rotzooi vergeet, en na een derde compleet loss, hield ik het bij “verblijd” en zat ik behoorlijk scherp te observeren. Ik keek hoe mensen met elkaar, met de dieren en met de dingen omgingen. Als dierenvriend was ik op dat soort reünies al altijd alert, al was het maar om de aanwezige dieren – die de meeste mensen nog altijd als inwisselbaar speelgoed aanzien – voor mogelijk onheil te vrijwaren.

Op zeker ogenblik is de zich stierlijk vervelende, gevierde kornuit nog in z’n eentje een balletje aan het trappen. Wat moet een kind immers met al die grote, half en geheel zatte mensen? Ik speel even met hem mee, maar gooi me na een klein kwartier uitgeput op mijn stoel. De verveling bij de jongen culmineert. Terwijl mijn tafelgenoten verder lallen, volg ik zijn doen en laten. Nog twijfelend of hij enig voetbaltalent heeft. Het dringt snel het tot me door dat hij de bal met regelmaat richting kippen trapt. Zij zijn een mikpunt. Hij wil ze raken. En dus pijn doen. Ik moet denken aan Wislawa en haar fameuze “Bijdrage tot de Statistieken”. Ikzelf, een watje, zou – op die leeftijd en onder die omstandigheden – naar de winkelhaak hebben gemikt, of naar de lat, of mijn verveling op trillende netten hebben uitgewerkt. Helaas, de kippen moesten het vergelden. Meteen na het dessert bedacht ik een uitvlucht en verliet het feest, te laf om een opmerking te maken.

Sindsdien zijn feesten minder nog dan ooit aan mij besteed. Ik moest er onlangs opnieuw aan denken. Tijdens een van de tentoonstellingen die ik dit jaar bezocht: “The Beauty of the Beast”.

Ik was er als de… kippen bij. Al op de vernissage, dus. Ik zag levende varkens (de resultaten van een kweekprogramma van kunstenaar Koen Vanmechelen), schapen-met-stamboom en de gasten werden verwelkomd door een immense wolf en een impressionante uil. De eerste maande tot voorzichtigheid aan; de tweede nodigde je uit om je een wijle in zijn schoot te nestelen. Voor deze laatste twee kunstwerken tekenden Stief Desmet en Johan Creten. Een en ander speelde en speelt zich af op en rond het Kasteel d’Ursel (Hingene). Achter het kasteel zet de ingetogen (het gebouw heeft iets huiselijks) rust zich voort in het rimpelloos oppervlak van een vierkante vijver, waarachter twee reuzenhonden van Sweetlove de wacht houden. Roze en rood. Een verrassend duet. Hoe enig mooi lelijk kan zijn.

Wat er van tientallen kunstenaars geëxposeerd wordt is van hoog niveau. De tentoonstelling loopt in samenwerking met het voor vele jaren in stellages gekooide KMSK Antwerpen, waardoor ook van oudere werken met dieren als protagonisten kan worden genoten. De vindingrijkheid, de verscheidenheid en de enscenering zijn verbluffend. Mijn liefde voor dieren wordt ruimschots gevoed. Een roedel honden vind ik te eng behuisd. Voorts niets op aan te merken.

Wanneer we aan het slot van een lange avond met ijsjes worden verwend terwijl we bij de vijver staan te praten, vraagt iemand wat me het meest heeft getroffen. Ik had ontzettend veel knap werk gezien, maar bij een enkel moest ik bijna letterlijk naar adem happen: een foto (op dibond) van Henk van Rensbergen. Een monumentaal ding. Een verlaten huis, oud behang met een diepe scheur, twee openstaande bruine deurtjes en voorts onpeilbare stilte. Twee kippen zoeken er zich een weg. Vriendinnen, zo zou later blijken, luisterend naar de namen Thelma en Louise. Een verwijzing ook naar een bekroonde misdaadfilm uit 1991, “een feministische roadmovie”, zou ik – thuisgekomen – lezen.

Ik kwam de kamer binnen waar die foto hing en meteen had ik het gevoel dat er iets ingrijpends was gebeurd. Dat de mens compleet verdwenen was (wat me, vreemd genoeg misschien, enigszins opluchtte) en dat de twee kippen er het beste probeerden van te maken. Ogenschijnlijk rustig, gedecideerd, nieuwsgierig. Op overlevingstocht. Sublieme foto. Ik bleef lang kijken. De stilte was oorverdovend.

Het toeval wil dat twee maand later van de hand van dezelfde kunstenaar, in hoofdzaak bekend als “urban photographer”, een monografie (Lannoo) verschijnt: “No Man’s land”. Het voorwoord is van de hand van de wereldvermaarde zoöloog Desmond Morris en voor de epiloog kroop auteur Peter Verhelst in de huid van de laatste nog levende homo sapiens.

Ik heb Morris’ tekst twee keer gelezen. Dat er ten tijde van Christus 255 miljoen mensen op aarde leefden, tijdens Morris’ jeugd al zo’n goeie twee miljard en vandaag, ondanks ontelbare oorlogen, epidemieën en andere wantoestanden, maar liefst 7,5 miljard. De aarde kan dit niet aan en Morris legt uit waarom. Koop het boek, geniet en huiver. Van de schoonheid van de natuur, die opnieuw ongeremd zijn plaats inneemt, en leer wat voor dieren de ramp zullen overleven. Flora en fauna zullen er wel bij varen. Ik denk aan de klimop in mijn eigen tuin: nauwelijks in te tomen.

Van Rensbergen moet hebben gedacht: als ik nu eens alleen de dieren een plaats geef in mijn compleet verloederde en verlaten locaties. Pas dan begon de tweede fase van het monnikenwerk: het inpassen van de dieren. Meesterlijk digitaal werk. Een boek vol verrassingen en vaak spectaculair, terwijl ik eigenlijk nog het meeste hou van de kleinere dieren die hij, zoals alle andere, schitterend heeft neergezet in zijn unieke biotopen. En laat “Thelma & Louise” mijn lievelingsfoto zijn. Twee vriendinnen, dat zie je zo.

Zeg, dierenvriend, zegt mijn Binnenstem (heb net Van Dis’ nieuwste gelezen): je zo dierbare honden en katten, hoe gaan die het redden? De hond wordt kattiger (wolf, dus weer) en de katten groter. En ook voor minder aaibare beesten wordt het een reuzentijd: ratten, muizen, vleermuizen…

Johan DEBRUYNE, 22 juli 2017