Tag: sweetlove

“Thelma en Louise”

 

 

 

 

 

 

“Thelma en Louise”

 

Lang geleden zat ik aan een lange tafel. Een communiefeest bij verre buren. Het was druk in het kleine huis. Omdat voor haar toen al twee mensen als een groep aanvoelden, was L. wijselijk thuis gebleven. In het overvol interieur zag ik toch meteen een kleine vogelkooi. Er was ook een cavia-biotoopje. Ik dacht meteen: zo’n gedruis is nefast voor beestjes. Ik dacht aan onze poezen. Hoe die al de vlucht nemen voor een enkele stille gast. Ik kreeg een glas aangeboden en koutte met onbekenden.

Er was een druilerige ochtend aan vooraf gegaan, maar plots klaarde de hemel op en verkaste de luidruchtige meute naar een groot terras, palend aan een verrassend diepe tuin. In het gras werd gevoetbald (een kleine houten doelmond maakte dit duidelijk en naarmate de middag vorderde zouden almaar zatter wordende grote mensen in de buurt van een houten rechthoek hun voetbal(on)kunde demonstreren). Je kon er ook basketbal spelen (een korf, bevestigd aan de achtergevel van de buren liet hier geen twijfel over). Een oude, obese buldog lag te midden gehavende tennisrackets naar adem te happen. De paaskuikens waren kippen geworden. Ze liepen vrijelijk, maar behoorlijk doelloos en onrustig rond. Her en der lagen ballen.

Omdat ik na amper twee glazen alcohol de leukste van de meute ben en heel wat rotzooi vergeet, en na een derde compleet loss, hield ik het bij “verblijd” en zat ik behoorlijk scherp te observeren. Ik keek hoe mensen met elkaar, met de dieren en met de dingen omgingen. Als dierenvriend was ik op dat soort reünies al altijd alert, al was het maar om de aanwezige dieren – die de meeste mensen nog altijd als inwisselbaar speelgoed aanzien – voor mogelijk onheil te vrijwaren.

Op zeker ogenblik is de zich stierlijk vervelende, gevierde kornuit nog in z’n eentje een balletje aan het trappen. Wat moet een kind immers met al die grote, half en geheel zatte mensen? Ik speel even met hem mee, maar gooi me na een klein kwartier uitgeput op mijn stoel. De verveling bij de jongen culmineert. Terwijl mijn tafelgenoten verder lallen, volg ik zijn doen en laten. Nog twijfelend of hij enig voetbaltalent heeft. Het dringt snel het tot me door dat hij de bal met regelmaat richting kippen trapt. Zij zijn een mikpunt. Hij wil ze raken. En dus pijn doen. Ik moet denken aan Wislawa en haar fameuze “Bijdrage tot de Statistieken”. Ikzelf, een watje, zou – op die leeftijd en onder die omstandigheden – naar de winkelhaak hebben gemikt, of naar de lat, of mijn verveling op trillende netten hebben uitgewerkt. Helaas, de kippen moesten het vergelden. Meteen na het dessert bedacht ik een uitvlucht en verliet het feest, te laf om een opmerking te maken.

Sindsdien zijn feesten minder nog dan ooit aan mij besteed. Ik moest er onlangs opnieuw aan denken. Tijdens een van de tentoonstellingen die ik dit jaar bezocht: “The Beauty of the Beast”.

Ik was er als de… kippen bij. Al op de vernissage, dus. Ik zag levende varkens (de resultaten van een kweekprogramma van kunstenaar Koen Vanmechelen), schapen-met-stamboom en de gasten werden verwelkomd door een immense wolf en een impressionante uil. De eerste maande tot voorzichtigheid aan; de tweede nodigde je uit om je een wijle in zijn schoot te nestelen. Voor deze laatste twee kunstwerken tekenden Stief Desmet en Johan Creten. Een en ander speelde en speelt zich af op en rond het Kasteel d’Ursel (Hingene). Achter het kasteel zet de ingetogen (het gebouw heeft iets huiselijks) rust zich voort in het rimpelloos oppervlak van een vierkante vijver, waarachter twee reuzenhonden van Sweetlove de wacht houden. Roze en rood. Een verrassend duet. Hoe enig mooi lelijk kan zijn.

Wat er van tientallen kunstenaars geëxposeerd wordt is van hoog niveau. De tentoonstelling loopt in samenwerking met het voor vele jaren in stellages gekooide KMSK Antwerpen, waardoor ook van oudere werken met dieren als protagonisten kan worden genoten. De vindingrijkheid, de verscheidenheid en de enscenering zijn verbluffend. Mijn liefde voor dieren wordt ruimschots gevoed. Een roedel honden vind ik te eng behuisd. Voorts niets op aan te merken.

Wanneer we aan het slot van een lange avond met ijsjes worden verwend terwijl we bij de vijver staan te praten, vraagt iemand wat me het meest heeft getroffen. Ik had ontzettend veel knap werk gezien, maar bij een enkel moest ik bijna letterlijk naar adem happen: een foto (op dibond) van Henk van Rensbergen. Een monumentaal ding. Een verlaten huis, oud behang met een diepe scheur, twee openstaande bruine deurtjes en voorts onpeilbare stilte. Twee kippen zoeken er zich een weg. Vriendinnen, zo zou later blijken, luisterend naar de namen Thelma en Louise. Een verwijzing ook naar een bekroonde misdaadfilm uit 1991, “een feministische roadmovie”, zou ik – thuisgekomen – lezen.

Ik kwam de kamer binnen waar die foto hing en meteen had ik het gevoel dat er iets ingrijpends was gebeurd. Dat de mens compleet verdwenen was (wat me, vreemd genoeg misschien, enigszins opluchtte) en dat de twee kippen er het beste probeerden van te maken. Ogenschijnlijk rustig, gedecideerd, nieuwsgierig. Op overlevingstocht. Sublieme foto. Ik bleef lang kijken. De stilte was oorverdovend.

Het toeval wil dat twee maand later van de hand van dezelfde kunstenaar, in hoofdzaak bekend als “urban photographer”, een monografie (Lannoo) verschijnt: “No Man’s land”. Het voorwoord is van de hand van de wereldvermaarde zoöloog Desmond Morris en voor de epiloog kroop auteur Peter Verhelst in de huid van de laatste nog levende homo sapiens.

Ik heb Morris’ tekst twee keer gelezen. Dat er ten tijde van Christus 255 miljoen mensen op aarde leefden, tijdens Morris’ jeugd al zo’n goeie twee miljard en vandaag, ondanks ontelbare oorlogen, epidemieën en andere wantoestanden, maar liefst 7,5 miljard. De aarde kan dit niet aan en Morris legt uit waarom. Koop het boek, geniet en huiver. Van de schoonheid van de natuur, die opnieuw ongeremd zijn plaats inneemt, en leer wat voor dieren de ramp zullen overleven. Flora en fauna zullen er wel bij varen. Ik denk aan de klimop in mijn eigen tuin: nauwelijks in te tomen.

Van Rensbergen moet hebben gedacht: als ik nu eens alleen de dieren een plaats geef in mijn compleet verloederde en verlaten locaties. Pas dan begon de tweede fase van het monnikenwerk: het inpassen van de dieren. Meesterlijk digitaal werk. Een boek vol verrassingen en vaak spectaculair, terwijl ik eigenlijk nog het meeste hou van de kleinere dieren die hij, zoals alle andere, schitterend heeft neergezet in zijn unieke biotopen. En laat “Thelma & Louise” mijn lievelingsfoto zijn. Twee vriendinnen, dat zie je zo.

Zeg, dierenvriend, zegt mijn Binnenstem (heb net Van Dis’ nieuwste gelezen): je zo dierbare honden en katten, hoe gaan die het redden? De hond wordt kattiger (wolf, dus weer) en de katten groter. En ook voor minder aaibare beesten wordt het een reuzentijd: ratten, muizen, vleermuizen…

Johan DEBRUYNE, 22 juli 2017

 

Niet het vele…

Niet het vele…

Zelfs wanneer ik gevraagd ben om “een woordje te doen” of als “inleider” ben geboekstaafd, blijf ik zelden lang op de vernissage van een tentoonstelling. “Ben je daar al???” Het zou niet de eerste keer zijn dat mijn vrouw me – zonder kwade bedoelingen – deze vraag stelt. Ook op andere momenten hou ik het in galeries en musea niet erg lang uit. Ik zoek in deze nu eens geen excuus in mijn (door het lang en veel sporten) gehavende enkels en rug, maar ik focus al jaren – ook uit mentale noodzaak – op hooguit een handvol (ik overdrijf nu enigszins) werken. Deze die me weten te ontroeren, te verrassen. Zaken die me aanzuigen, die ik om een of andere reden bewonder, die meteen mijn fantasie prikkelen of in geen tijd deze capaciteit suggereren. Maar ook dingen die ik bijna onwezenlijk mooi vind. Een verhaal initiëren. Creaties die ik gedurende lange tijd niet meer uit mijn hoofd zal krijgen. Of die gewoon knap zijn gemaakt.

Ooit heb ik een volledige paasvakantie (twee weken lang, voor diegenen die helemaal niet met het onderwijs vertrouwd zijn) in… Keulen gelogeerd. Om van daaruit (met openbaar vervoer) de wijde artistieke omtrek te verkennen. Ik vermoed dat deze weidse regio onder de noemer Noordrijn-Westfalen valt.  Sorry, maar aardrijkskunde was nooit mijn sterkste vak. Keulen zelf uiteraard, Bonn, Düsseldorf, Mönchengladbach etc. We bezochten – aan een voor mij althans verschroeiend tempo – tot de verbeelding sprekende musea en locaties die me getipt waren. “Insel Hombroich”. Ik grabbel nu behoorlijk ver in de tijd terug, maar ik weet nog dat de hele vakantie in het teken stond van de actuele en moderne beeldende kunst. Ik kreeg er niet genoeg van. Alsof ik een groot hiaat diende aan te dikken. Ik was mateloos. Ik was gulzig.

’s Avonds was er “ons” Italiaans restaurant, vlakbij de Kölner Dom en het hotel: meteen na aankomst geproefd en goedgekeurd. En voor beiden betekent een hotel pas echt vakantie: voetjes onder de tafel, het langzame ontwaken en ontbijten. Het was heerlijk! En zo bleef het tot ik thuiskwam en de overdaad zich onverwachts zou blijken te wreken. Mijn kop zat overvol. Barstensvol, zou zowaar blijken. Ik was niet in staat om meteen weer voor de klas te gaan staan, een plek waar ik me op mijn gemak voelde. Ik deed er al eens gek, en peuterde er net zo goed als thuis al eens in mijn neus, kamde er mijn haar en zat en lag er ook al eens.

Mijn ouwe, trouwe huisarts – nu met pensioen – hield me 14 dagen van de schoolpoort weg. Rusten. Fietsen. Of wandelen. Keuze in overvloed… Met enige schroom trok ik na een week voor het eerst de voordeur van ons huis achter me dicht. Voor het eerst in zijn leven had het gewezen straatjochie het moeilijk in zijn oorspronkelijke biotoop.

Sindsdien ben ik – zeker ook wanneer het over beeldende kunst gaat – vaker gaan denken aan de woorden van een oud-inspecteur. Een man die me voorts totaal niet lag. Te oud, vond ik toen, om dandy te spelen. Wat hij volop deed. Een man, bizar genoeg, van zout op tal van slakjes. En toch zei hij plots iets wat totaal niet met zijn voorafgaand en quasi eindeloos gemierenneuk spoorde. We waren meer dan een wijle aan het bekvechten, toen hij zei: “Niet het vele is goed, maar het goede is veel.”

Eindelijk iets wat ik zinnig vond en zelfs nooit meer zou vergeten! Ik dacht er weer aan toen ik op het net een foto zag van een man die vermoedelijk een blinde speelde. Op zijn borst een groot plakkaat. Daarop, in het Duits: “Ik kan geen kunst meer zien!” Virtuele post en illustratie kwamen van een veelzijdig kunstenaar: Peter Weidenbaum. Ik herinner met dat Leo Copers ooit zo’n soort spel speelde. Om te duiden, vermoed ik, dat we wel kijken, maar eigenlijk niet zien. Maar hier zou het om Timm Ulrichs gaan.

Het was een zonnige zondag in Gistel. Het is me nooit eerder overkomen dat ik het drie uur lang op een vernissage uitzong. Gisteren dus wel. Drie uur en twintig minuten om precies te zijn. De voorafgaande dagen twijfelde ik nog of ik er wel naartoe zou gaan.

In het PAK (Platform voor Actuele Kunst), een verlokkelijke lap groen van twee hectare, waar je her en der “buitenkunst” ontwaart, en waar twee meer dan veredelde hangars exporuimten zijn geworden. Dààrin wordt kunst getoond die de natuur niet kan trotseren. Ik had nog maar net “Art Brussels” achter de kiezen. Een sfeervolle, best gezellige beurs, waar echter weinig me echt had getroffen noch verbaasd.  Er valt bij momenten weinig nieuws te beleven in het wereldje van de actuele beeldende kunsten. En toch, suste ik mezelf. Het is toch telkens weer dat beetje anders. Twee dagen later was ik in Mechelen (uitreiking Grote Ernest Albert-prijs) naar het werk van een 15-tal beeldhouwers gaan kijken.

Niet het vele… En toch was ik ruimschoots voor aanvang van de vernissage in Gistel aanwezig. Om rustig en nog niet moegepraat naar de werken kijken.

Ik bleef al haperen bij het betreden van het domein. Ik zag er soorten omgekeerde boten tussen de strakke stammen van bomen liggen. Een bedachtzaam aangespoeld restant van een kleine armada. Geen tsunami was er geweest. Nee. Geen vernieling. Hooguit een serie ferme golfslagen.

Ooit stonden deze kunstwerken/boten centraal te kijk in het PAK-groen. Niet zo geslaagd, vond ik: op een soort houten bühne. Ik herinner me dat de “kapitein” een Spaanse schone was. Haar werken doen denken aan handtassen, maar ze hebben de allure van een koffer en doen aan reizen denken. Ze zijn van klei gemaakt. Ik neem aan dat ze loodzwaar zijn en nadien grondig behandeld. Om zeeën te trotseren. Ze voeren sobere franjes met zich mee. Ik had toen niet meteen door dat deze creaties iets met boten hadden. Het is me verteld. Maar ze fascineerden, ook zonder hun verhaal. Vandaag maakten ze geen deel uit van de tentoonstelling. Maar ze blijven me intrigeren.

Ooit zag ik overvloedig veel “Spaanse” keramiek. Bij Desimpel. Kortemark. Ik was danig onder de indruk. Die formaten en kleuren!

In het PAK was slechts een enkele boot niet aangespoeld. Die was tijdig en stevig voor anker gegaan en bevond zich vereenzaamd in een groene zee. Wat verder een bizarre polyester stronk, een Christus aan het kruis, de holle achterkant van het beeld met witte glazen bollen gevuld, een bronzen dier, bij de poten opgehangen in een boom, een verre toorts, een stapelwerk van Caroline Colen, twee verkeersborden die niet “gelezen” willen worden en dan – binnen – het werk van de vier protagonisten van deze tentoonstelling: Peter Weidenbaum, Jelle Schouppe, Anne Bossuroy en Jo De Smedt.

Behoorlijk ver van het PAK had ik de auto aan de kant gelaten. Ik had zin in een wandeling. Op de weg van Brugge naar Gistel had ik al meteen, vier (!) uur voor de aanvang van een voetbaltopper, langsheen ladderzatte supporters gelaveerd. Wie had ook weer geconcludeerd dat kunstenaars en sporters zieken zijn? Neem er de critici maar bij!

Onderweg besefte ik al dat ik een beetje gedoemd zou zijn om lang in Gistel te blijven. Om drie uur was er de vernissage en om zes uur zou in Brugge het shotten beginnen. Als je weet dat ik niet graag met de auto rijd en aan files een hekel heb…

Frank, de bezieler van het PAK, schudde me de hand. Ik had zijn vorige twee tentoonstellingen aan me voorbij laten gaan. ‘L’art m’emmerde”. Van tijd tot tijd. Eric Satie. Het zwarte rechthoekje met witte letters kleeft thuis aan de koelkast. Ik kreeg het ooit cadeau van een neef…

De veel te vroeg bezopen voetbalsupporters was ik al vergeten, maar de woorden van Thé Lau, ter dood veroordeeld, (ik had tussen 11 en 1 naar Radio 1 geluisterd)  zinderden nog na. “Iedereen is van de wereld en de wereld is van iedereen.” Nu zou prof Willem Elias het woord voeren. Improviseren. Over de tentoonstelling an sich dus niet zo veel zeggen. Daar had hij de tijd niet voor genomen of gehad. Daarom beperk ook ik me – net als hij – liever tot het analyseren van een enkel oeuvre. Maar goed, met zo’n spreker start je in een soort feeststemming. Elias weet als geen ander de toon te zetten. Terwijl hij causeert en toch wat verbanden legt tussen de werken, denk ik aan Jan Hoet en “Black Willy”. Dood, weg. We gaan door.

Ik geniet van de gelaagdheid en de verrassing in de schilderijen van Peter Weidenbaum. Ik verbaas me om het talent van de jonge Jelle Schouppe. Een paar kleine werken van Anne Bossuroy brengen me in de war en Jo De Smedt lijkt bekende tekens en beelden in een nieuwe context te plaatsen.

De zon schijnt, het glas wenkt, de honden zijn los, de staarten kwispelen.

Ik ontmoet kennissen, drink een enkel glas rode wijn. Geniet. Van wijn en mensen. De ontmoetingen zijn hartelijk. Ann en Jo hebben ook bijzondere bloembollen gemaakt. Het lijken eerder bloembommen. We worden gevraagd er straks mee te gooien. Ik zal het vergeten, want had met Bubbels te doen, de hond des huizes. Het mooie dier had wellicht te doortastend zijn territorium willen beschermen. Oorlogsgebied. Willem had nog zo verwittigd! Nu moest hij in zijn eentje binnenshuis tot bedaren komen. Ik verdraag geen hondse blik.

Ik leer nog kort een kunstenaar kennen die me al vaak dingen heeft doen ruiken. Peter. Met een andere, Rem, lijk ik virtueel bevriend. Zo gaat dat. De oudere mannen zeuren over de prostaat en de niet meer zo jonge vrouwen lijken niet echt van medelijden vervuld. Het is hun gegund.

Voor ik het PAK verlaat, ga ik naar het toilet. In de hall staat een indrukwekkende “Jan Deconcinck”, ik zie een kleine sculptuur die aan Tahon appelleert en een staande bronzen figuur, het ene been wat opgetrokken, de armen open. Enig mooi. Philip Van Isacker, gok ik. Ik zie nog een kleine zwarte “Sweetlove”. Gewapend tegen de dorst en de hitte. Met hartenpijn neem ik afscheid van Bubbels.

Rug en enkels hebben het net uitgehouden. Ik vond het fijn. Dit was een tijd geleden. Vergat ik de zorgen even? De rotzooi om ons heen. De kleine kantjes, de naijver…

 

 

 

 

 

 

 

JOHAN DEBRUYNE, 5 mei 2014

 

 

 

 

 

Dromen bij het licht van bomen…

Dromen bij het licht van bomen…

Het was maandagavond. “Breng ik jou?” vroeg ze. Ik kamp al dagen met hevige nekpijn. Bij momenten is het nauwelijks te harden. Als ik met quasi dagelijkse regelmaat mensen ontmoet, met ze aan tafel zit, met ze praat, van opzij kijk naar wat hun laptop aan moois laat oplichten, of ik wil thuis een vakman een handje toesteken… dan heeft mijn wervelkolom het zitten. Of zijn het de spieren eromheen? De spiertjes? De pezen? Ik bezit ondertussen een gigantische collectie röntgenfoto’s van die graat van mij. Maar geen van ze heeft tot blijvend soelaas kunnen leiden. “Slijtage, meneer.” Er is vast ook psychosomatiek mee gemoeid: ik erger me (te) vaak. Aan kunstigheden die lieden met enig politiek gezag in mijn stad neerpoten. Bijvoorbeeld.

Ik rijd alleen naar Oostende. Op het einde van de snelweg bocht ik al mijn halve leven naar links. Een manoeuvre dat ondermeer naar het centrum en het Mu.Zee leidt. Ook naar het atheneum in Stene, waar ik een wijle lesgaf. Leuke tijd. Jonge tijd. In het havengebied, rechts, verwijlde ik sporadisch. Ik zocht er naar kunst en verdwaalde er steevast.

Dit keer zoek ik een gloednieuw ziekenhuis: AZ Damiaan. Fusie van Sint-Jozef en het Heilig Hart. Een vervlechting die ook kunstwerken baarde. De “1%-regel”, weet je wel. Ik wil vooral “Walking to Magdalena” zien, werk van Luk Van Soom, beeldhouwer uit Rijkevorsel.

Op kille, heuvelende en amper verlichte rotondes raak ik in de war. En plots ben  ik er. Dat bevestigt de vrouwenstem aan mijn voorruit, maar ik zie het ook meteen. En  voel het. Paars licht. Voor me staat een rij van 5 bomen. En het is zoals ik dacht: langsheen deze korte dreef kan je wegdromen. Het zijn geen echte. Niet van hout. Geen sappen, geen wortels, geen bladeren. Ze zijn ontsprongen aan de fantasie van Luk Van Soom. De man is  beeldhouwer. Hij koestert het kind in zich en boetseert zijn dromen. Zijn bomen geven licht. Enfin, de knoppen aan het einde van de takken doen dat. Ze roepen een blijvende lente op.

Bij nader toezien zijn ze van staal, maar ze zijn zo sierlijk in hun eenvoud, dat ik me niet erger aan de koele materie. Buitenwerk moet immers tegen een stootje kunnen. De weg (nu nog parking) verlichten ze functioneel. Gewoon wit licht. Maar de takken die aan de kant van het plein voor de lapidaire ziekenboeg naar de hemel reiken lopen uit in ovalen die van kleur veranderen.

Nog voor het ziekenhuis: een rechthoekige plas. Op de rand van het water: een bonkige kerel met gestrekte armen. Deze duwen twee bollen van zich af. Een rode en een groene. Twee sferen. “Tussen waken en slapen” heet deze bronzen narcissus.

Ik kom uit Brugge. Daar ligt op een boogscheut van het centrum het Park Sebrechts. Met aan elke kant een mooie poort. Van smeedijzer.  Je kan het park openen. En je kan het sluiten. Als het donkert bijvoorbeeld. Ooit werden er jaarlijks sculpturen geplaatst. Een zomer lang. “Aspekten” heette het initiatief.  Criticus Fontier selecteerde de kunstenaars. Laat Van Sooms fantasie daar eens de teugels vieren! Het stadspark een zomer lang voor hem alleen.

In het ziekenhuis is werk te zien van nog drie andere kunstenaars. Ik woon de “vernissage” bij: kunstige hapjes. En na verloop van tijd doet de wijn zijn werk. Kwatongen fluisteren dat de commissie die kunstenaars hoorde te kiezen buitenspel is gezet. Men heeft toen “Black Willy” (zo noemen insiders de immer in het zwart gehulde oud-conservator van het P.M.M.K.) aan boord gehaald om de klus te klaren… Naast Van Soom, opteerde hij voor Nick Ervinck, Johan Tahon en Kamagurka.

Tahon trok zich terug in een stilteplek. Witte tegels waarin kwarts is verwerkt. Twee bas-reliëfs. De universele Adam en Eva, zal ik later lezen in een brochure. Damiaan, Heilig Hart, Sint-Jozef, Adam en Eva… De namen voeren me even weg van de kunst. Maar het is mooi. Het werk van Tahon. Het is broos, wat stuntelig en het bevreemdt in al zijn witheid. Ook de steen uit Istanbul op het glanzend wit taboeretje. Het “werkt”. Hier kan je, als je dat wil, even weg uit de drukte.

Terwijl Van Soom zijn dromen heel vakkundig naar zijn hand zet, bouwt en “gipst” Tahon langzaam zijn twijfels weg. Tot wezens tussen “zijn” en “niet-zijn”. Van Soom, de man van wolken en sterren, zegt daarentegen gedecideerd: “Kom mee op die wolk van mij!” Dromen en twijfel.

Als tegenpolen fungeren de “Spiegelei beelden” van Kamagurka. Grote, gele sculpturen. Hij doet lachen in deze “fabriek” van kommer en kwel. Zijn beelden relativeren de pijn, zonder dat ze kwetsen. De naam van “collega”-kunstenaar Sweetlove is niet van de lucht op het inauguratiemoment. Zelfde materie. Zelfde kleur.  Humor.

Nick Ervinck zette dan weer een volledige wachtruimte naar zijn hand. De jonge kunstenaar, die met zijn computer “tekent”, creëerde met zijn “Yaropra” een sculptuur die tegelijk meubel is. Her en der priemen er organische vormen uit. Ze roepen het werk van Hans Arp op.

Op de donkere weg naar huis, mijmer ik. Ik mis een beetje Hans Op de Beeck. Wat had die zijn inbreng kunnen zijn? En David Claerbout. Ik ben op weg naar mijn geboortestad. Mijn slaapstad vol overtollig brons en flauwe anekdotiek. Waar ik Munoz mis. En Schütte. En een luisterende figuur tegen een historisch gebouw. Zoals 10 jaar geleden in Kassel, tegen de muur van de Neue Galerie. Ik denk aan de pagode in de hof van Arents.  Munoz is veel te vroeg gestorven. Net als Menno Meewis (conservator Middelheim Antwerpen). Die had ik in Brugge aan het hoofd van een commissie gewild.

JOHAN DEBRUYNE

Elio on the Radio

Elio on the Radio

Niet gekeken, hoewel het met grote waarschijnlijkheid rechtstreeks zal zijn uitgezonden: de beleidsverklaring van de Federale Regering. Vol huis uiteraard, want camera’s, en Linda hectisch in de weer om parlementsleden spitante quotes te ontfutselen. Maar toch. Ik geraak er op uitgekeken: de overvloed aan halve waarheden, de voorspelbaarheid en het schabouwelijke Nederlands van de meeste Vlaamse parlementsleden. Het doet me denken aan de stad waarin je bent geboren en getogen en waarvan je denkt niets nieuws meer te zullen ontdekken. Mijn grote verrassing kwam later op de dag.

Nog later (op televisie): flarden van het gedoe in het “Federale Monument”! Wat een verschil met die onder verstevigd glas gedempte stek, waar Vlaamse parlementsleden zich met regelmaat bijeenscharen. Waar je de minister-president – doorgaans uitgezakt – obstinaat ziet lachen en je de man meteen voor de geest haalt terwijl hij ergens aan het fietsen is. Of een berg, of een paard beklimt. En waar de kleine voorzitter – met diepe en diepmonotone stem – af en toe iemand de mond snoert omdat hij of zij de toegemeten tijd heeft overschreden. Geef mij maar het spektakel van het Federale: de acteurs, het decor, de gespeelde woede. Hoeveel uur hadden ze zonder slapen rondgemaakt? Een fysieke prestatie om “u” tegen te zeggen. Albert II moest ze stante pede ontbieden voor een medaille.

Na de middag las ik een mooi verhaal over en met Leonard Nolens. De Cordier onder de dichters. Straks naar Beatrix voor een terechte bekroning.

En passant nog even langs bij de virtuele vrienden. Gezien dat journaliste K. Bonneure het “Brugs Historium” (een nieuwe attractie op de Grote Markt waar je  de hele stadsgeschiedenis in amper 30 minuten ziet, hoort en ruikt…) een mager, weliswaar duur beestje, vindt, dat een massa toeristen moet lokken. Na het kijken, luisteren en rieken was ze wat blij dat ze dankzij haar combiticket in Groeninge toch nog de echte Van Eyck had kunnen zien.

Ik vrees dat wat rest van het Brugse journalistenbestand over dit Historium uitsluitend positieve berichten de regio in gaat sturen. Onder dat flink uitgedund pennenlikkersgild ontwar ik amper nog lieden met een kritische geest. Voorts een paar rabiate Brugge-fans… Ze zullen er niet genoeg van krijgen. Maar voor een “Brugse Zot” moeten ze elders naartoe. De Duvel heeft die buitengehouden. Alles draait immers om centen. De Duvel had er meer…

Vervolgens blijven hangen bij het gangnam-dansje van de Indiase, wereldvermaarde beeldende kunstenaar Anish Kapoor. Uitgevoerd met een losgerukte handboei ter vrijwaring van de vrijheid van meningsuiting. En opgedragen aan zijn belaagde collega uit China: struise Ai Wei Wei. Ook die kan dansen. Ja, die kleppers kunnen meer dan we denken!

Zouden ze morgen zaterdag niet eens met z’n allen dat dansje proberen? In Waregem (Be-Part) bijvoorbeeld. Na de voorstelling van het boek van Daniël Dewaele. Dewaele als Wei Wei. Moet kunnen. En geeft hij niet thuis, dan schakelen we Sweetlove in. Dan is Wei Wei héél dichtbij.

Ik muizel nog wat verder: brand boven bekende knopenzaak hartje Brugge, meldt S. Brandladder doet het weer eens niet, maar gelukkig geen doden. Er kwam meteen – het Historium in mijn achterhoofd – een grapje in me op. Maar als je ooit een brand hebt meegemaakt, ga je zo’n idee snel bannen. Toen ik op een Kerstavond mijn ouderlijke huis in vlammen zag opgaan, ook hartje Brugge, wat minder hartje weliswaar (tegen de Kruispoort aan), dan blijven die beelden en vooral die brandgeur jaren in je kop en neus hangen. Nee, dus.

Zag nog net een baby gelukzalig door de lucht zweven en dacht onwillekeurig aan Fabre. Maar bij het zetten van de koffie was er… Elio. Op de radio. Een onvermoede furie! Ah, zo wil ik elke premier op het Kamer-verhoog: bevlogen! Wat een verschil met boze Jambon. Helaas had die wel gelijk: Elio’s bevlogenheid had zich tot de Franse taal beperkt.

Maar toch. Ik heb de man een keer als “Koning van Mons” van heel nabij gezien. ’t Was op een tentoonstelling. Een wassenbeeld van Madame Tussauds. Ik zweer het! Hij gaat dan wel naar de gym, maar voorts wordt die man geleefd. Daarom schrok ik zo van zijn performance op het schavotje in het Monument.  Zou het niet leuk zijn als alle Belgen van jongs af aan de 3 mooie landstalen werden ingestampt? Zelfs nu nog, met uitzicht op het confederale “vaderland”. Voorts zal ik Elio suggereren een “Kapoortje” te doen bij aanvang van “Mons 2015, Europese culturele hoofdstad”.

JOHAN DEBRUYNE