Tag: penone

Wauw, een “echte nazi” in mijn hotelkamer!

    

 

 

 

 

 

 

Wauw, een “echte nazi” in mijn hotelkamer!

Een fervent liefhebber van actuele beeldende kunst heeft een rist vaste afspraken in zijn agenda. En wanneer hij het een beetje verstandig aanpakt, dan is hij meteen ook met grote regelmaat op vakantie. Zo ligt de koffer altijd tijdig klaar voor een 2-jaarlijks trip naar dé Biënnale (die van Venetië, dus), om de 5 jaar wordt de auto leeg gemaakt en dan weer volgestouwd voor een paar dagen artistieke “vakantie” in het Duitse provinciestadje Kassel (de Documenta) en om de 10 jaar wordt de sfeer opgesnoven in het mooie, al even provinciale Münster. In eigen land trekt hij net voor de zomerschoolvakantie op automatische piloot naar een plekje bij de Frans-Vlaamse grens en af en toe komt er nog een “Manifesta” bij. Ik vergeet vast een boel zaken.

Daarnaast is het ook nog wel eens zoeken naar een excuus om deze of gene tentoonstelling toch maar niet te missen. Amsterdam, Parijs, Antwerpen, Gent, Brussel, Den Haag en steden (zoals Bilbao) waar men bijzondere architecturen durft inplanten. Ik moet uiteraard de financiën in de gaten houden, maar ik ben feestneus en geef amper geld uit aan exquise schranspartijen. Irritant is dat de met regelmaat weerkerende manifestaties almaar toenemen en het dus moeilijker wordt om de dingen op de voet te blijven volgen. Er is niet alleen het lijf dat vaker protesteert; het reizen en logeren gebeurt op eigen kosten.

Ik ben het slaafje van een heerlijke, dure passie.

Omdat ik de Documenta al altijd als richtsnoer heb aanschouwd voor wat vandaag hedendaagse beeldende kunst zou horen te zijn, heb ik er al een behoorlijke serie op zitten. Dit keer opteerde ik voor de auto. Het groene Hessengebied strekt zich uit op een goeie vijfhonderd kilometer van mijn kleine heimat. Omdat ik een veel minder gedreven autobestuurder ben, nam ik in het verleden al eens de trein richting Duitsland. Je bent dan wel bijna een volle dag onderweg, maar je kan een boek meenemen. En omdat je op de voormelde manifestaties almaar meer “venues” dient af te lopen, opteer je met het vorderen van de jaren voor een hotel in de buurt van de meest belangwekkende locaties. Zo keek ik ook nu weer, des avonds en in de vroege ochtend, vanuit mijn hotelkamer met liefde naar dat fantastisch Lutherkerkje aan de overkant van de straat. Een oud en enig kunstwerk op een grillig groen heuveltje met her en der een vergeten kruis of verzonken zerk. Ook het uit de gratie geraakte Kulturbahnhof (het oude stationnetje) ligt binnen loopbereik. Op het plein ervoor stapt nog steeds een man naar de hemel. Haast lijkt hij niet te hebben en moe wordt hij evenmin: een kunstwerk van Jonathan Borofsky, kunstenaar die ooit in Brugge te gast was, meer bepaald in Galerie “De Lege Ruimte”. Maar in mijn fraai geboortestadje opteren beunhazen voor compleet andere “artistieke” creaties in de publieke ruimte…

Omdat je nooit alles kan lezen en evenmin alles kan zien, opteer ik in Venetië voor het Arsenale en de Giardini en loop ik eventjes langs bij Peggy Guggenheim. Zoals zij al haar hondjes een laatste rustplaats heeft bezorgd. Respect! De laatste jaren echter werd de Biënnale een zootje: wie zwemt in het geld, huurt een Venetiaans paleis om er zijn of haar kunsten te tonen. Ik weiger ze te bezoeken. Zo kan je er dit jaar bijvoorbeeld heel wat werk van Jan Fabre zien. In groen glas… Ik heb er geen boodschap aan.

Almaar meer locaties, dus. Alle kunstevenementen beginnen aan dit euvel te lijden. In Münster moet je dit jaar naar verluidt voor een enkel werk een uur de auto in. Te gek.

Ik heb intrigerende en onvergetelijke Documenta’s gezien. Doorgaans gestoeld op een visie. Die van 1992, in elkaar gebokst door onze Jan Hoet, ontbeerde die eigenschap. Hoet had van “zijn” Documenta een soort artistieke kermis gemaakt. “Alles kan” zal Jans devies geweest zijn. Of: dat hij het zelf allemaal niet meer wist. Toch was het een vrolijke, onvergetelijke Documenta.

Documenta XIV, deze van 2017 dus, van de jonge Poolse curator Szymczyk, confronteert je met de miserie van zowat de hele wereld, maar vergeet al te vaak dat het om beeldende kunst gaat. Puur beeldend is deze Documenta voor mij een gigantische ontgoocheling geworden. Niet omdat ze in Athene is begonnen en zo voor de eerste keer niet louter Kassel als terechte historische locatie heeft, maar het is zoeken naar beeldende kunst die je naar de keel grijpt. Net nu ik enigszins van mijn deprimerende nieuwsverslaving af aan het geraken was, kreeg ik het allemaal weer op mijn bord. Ik was wel voorbereid, maar wat ik zag was te zelden beeldend knap of verrassend vormgegeven.

Het begint wel veelbelovend en groots. Zo vergeet ik nooit meer het uit duizenden en duizenden ooit verboden boeken opgetrokken “Parthenon of Books” van de Argentijnse Marta Minujin, een “work in progress” want terwijl ik er dagelijks langs liep ging het bouwen van boekenzuilen onverminderd door. Minujins Parthenon neemt het hele grasveld voor het Fridercianum in. Opmerkelijk ook dat de naam “Fridericianum” de plaats had geruimd voor “Beingsafeisscary”. Voorts komt er voortdurend witte rook uit een van de torens van het gebouw. Een Duitse vertelde me dat dit in het prille begin tot geregelde oproepen van de brandweer had geleid… De rook symboliseert de wereld die in brand staat. En toch. Het leven ging ook die week zijn gang. Ik bezocht, las, zag en sprak. Het stadscentrum krioelde van het volk. Terrassen zaten overvol. Ik zag verrassend veel oude mensen en ook jonge. Ik raadde wie er voor de Documenta zou zijn en wie er leefde of boodschappen kwam doen. Ik zag talloze obese soortgenoten, maar ook heel wat sukkelaars, bedelaars en opvallend veel bodybuilders en allochtonen. Een amalgaam.

Op de Königsplatz sprak ik – met uitzicht op een in beton opgetrokken obelisk waarop in 4 talen een boodschap van gastvrijheid staat geschreven – met twee jonge, hardwerkende Afghanen. We hadden het onder andere over “The Kite”, het boek en de film en over hun thuisland dat ze ontvlucht waren. In het hotel vroeg ik aan de balie dan weer hoe het in Kassel met de “multiculti” was gesteld. Een grijnslach was mijn antwoord. In het centrum lijkt alles mee te vallen, maar er zijn wijken waar van integratie geen sprake is. Er zullen dus toch ooit lokale brandjes moeten geblust…

Ondertussen liep ik continu locaties af en werd me telkens door de strot geduwd hoe slecht de mens wel is. Maar ik volg wat er in de wereld gaande is en was dus vooral op zoek naar imponerende (niet in grootte) beeldende kunst, terwijl ik te vaak met goed bedoelde huisvlijt werd geconfronteerd.

Een halve zaal vol prikkeldraad en ijzer. Bijvoorbeeld. U denk er vast ook een muur bij? Een zogenaamd discussieforum was de plek waar mensen verkoeling zochten. Het was de hele week snoeiheet. Op het eind van dag 1 was ik twee keer de adem afgesneden. De ene keer ging het om een groot beeld van een vis die door een harpoen was doorboord. Het dier leefde nog: af en toe een stuiptrekking. Costas Tsoclis. In een andere ruimte keek ik lang naar een immense foto: een massa mensen op een geaccidenteerd terrein. De aarde vol kraters. Pas bij nader inzien zag ik dat alle mensen mekaar aan het fotograferen waren. Panos Kokkinias.

Een tweede vaste stek is de Documenta-halle, die Jan Hoet nog heeft laten bouwen. Hier werd ik helemaal hopeloos en speelde het woord “huisvlijt” het vaakst door mijn hoofd. Ik stond wel een wijle stil bij een blauwig bootwrak tot een muziekinstrument was omgebouwd.

Voor de “Orangerie” moet je een flink stuk naar beneden. Tot bij een uitlopertje van de Fulda, waar ik met plezier opnieuw de boom van Penone en de immense “Spitzhacke” van Klaas Oldenburg zag. In een enkele ruimte van de Orangerie was iets geprogrammeerd. Er stond een groot scherm. Er was behoorlijk wat volk aan het kijken en luisteren vooral naar een 5-tal Russisch-Orthodoxe priesters. Prachtige stemmen! Mochten onze pastoors zo zingen, dan ging ik als agnost wellicht elke zondag naar de mis.

Toen ik op dag drie mijn persaccreditatie ging vernieuwen (ze geldt voor 2 dagen), vroeg ik L. om foto’s te nemen. Mijn lichaam was aan een klaagzang begonnen en wellicht (ik ben 63) zou dit mijn laatste Kassel-accreditatie zijn. Mijn zwanenzang, dus. Geen mooi soort identiteitskaartje-met-foto dit keer, maar een ordinair document. Een Nederlands-Duitse, ongeveer mijn leeftijd, sprak me moed in toen ik haar zei waarom ik dààr per se foto’s wilde. “Oud worden,” zei ze, “is terugkeren naar de kinderjaren, in die zin dat je elke dag bijleert: dat wat je niet meer kunt!” We hebben nog lang staan praten. Ze vond mijn brilmontuur bijzonder.

Al bijna altijd vond ik een bezoek aan de Neue Galerie, een echt museum, lichtjes bergop gelegen en met uitzicht over het royale groen rondom de stad en de Orangerie, de moeite waard. Ook dit keer. Bijzondere en merkwaardige schilderijen, helaas afgewisseld met te veel dilettantisme, een gigantische muur met als titel “Real Nazi’s”, met centraal Adolf Hitler met een rood kruis over zijn gezicht. Niet, dus. Ik kan diverse redenen bedenken. Ik weet dat veel jonge Duitsers destijds onbewust bij de Hitler-Jugend werden ingelijfd. Onderaan herkende ik de jonge Joseph Beuys, toen piloot, later en tot op vandaag een der grootste conceptuele kunstenaars. De voormalige paus Ratzinger kon ik niet vinden. Een verre zaal toonde fantastische, in klei geboetseerde kopjes, en een gigantisch werk waarin je meteen het hoofd van Marine Le Pen herkende. Hier zie ik ook voor het eerst werk van Arnold Bode, kunstenaar-filosoof en stichter van de Documenta. Een groot lyrisch-abstract doek en een reeks tekeningen. Zijn portret, geschilderd door de sterkste Duitse schilder ooit, Gerhard Richter, had ik er eerder gezien. Voorts nog wel enkele bekende namen, ook op deze Documenta, maar of Jan Fabre en Hans Haacke daar nu echt nodig waren durf ik betwijfelen. Verrassend een reeks knappe tekeningen (inkt op papier) “Flood in the Netherlands”, over de watersnood bij de Noorderburen tijdens mijn geboortejaar.

Een nieuwe grote locatie is de Neue Neue Galerie, een voormalig postkantoor, waar weinig werk me in vervoering heeft kunnen brengen.

En wat men onder het oude station wilde laten zien of voelen, is me nog steeds niet duidelijk. Ik had me de vermoeiende trip kunnen besparen. Doodmoe liet ik me de laatste dag op mijn bed neerploffen, waar ik, zoals elke avond en ochtend ook Joseph Beuys in de ogen kon kijken. De Duitse goeroe haal je vandaag ook via behangpapier in huis…

 

JOHAN DEBRUYNE, eind juni 2017

 

 

Territoriumpissers…

         

 

 

Territoriumpissers…

 

Na de middag wandelde ik aarzelend de tuin van Guido Gezelle binnen. Ik had het niet gepland, was gewoon in de buurt en het hek dat toegang geeft tot de tuin stond open. Ik stond al een wijle in het licht hellend groen naar de dichter zijn kleine borstbeeld te kijken, toen een toeristenpaar behoedzaam naderde. Ze hadden het moeilijk om de toegang tot het museum te vinden. Ze hadden al een paar musea in de behoorlijk bejaarde kuiten, vertelde de man, en waren doodmoe. Met een vermoedelijk duur apparaat nam hij meteen wat foto’s van de tuin. De vrouw vlijde zich gefaseerd en hoekig in het gras neer. “Je zat goed”, zei ik. “Tegenwoordig kom je dit museum via de tuin binnen. Gezelle en groen”, weet je. En daar is het echte toegangsdeurtje.” Ik wees in de richting. Hoewel ik op die plek bij de molens en de vesten erg van de stilte kan genieten, dacht ik bij mezelf: het lijkt alsof ze hier helemaal geen bezoek willen. Op een verre stenen bank zat een jonge meid onverstoorbaar een boek te lezen.

Ik dacht aan het glimmende beeld van Jan Fabre dat nu al zo’n zeventien jaar in deze tuin moest staan. Ik zou er tegen het Nederlandse koppel ook wel over zijn begonnen, maar ik deed er het zwijgen toe. Immers, van waar we ons bevonden (even voorbij de ingang, met zowel links als rechts zicht op de hele tuin) zie je het beeld niet eens. Het is goudkleurig, glimt en stelt Jan zelf voor. Het zit echter compleet verborgen achter een gebogen en gevlochten takkenstructuur waarbinnen blijkbaar gewassen worden gekweekt. Een poespas.

Fabre is over een tweetal maanden curator van “December Dance”, het succesvol jaarlijks dansfestival in het Brugs Concertgebouw. Zelf ben ik wel tot bij het beeld geslenterd en heb wat foto’s genomen. Fabre heeft zijn sobere (maar wel gouden) schoenen uitgedaan en ze keurig op een sokkel geplaatst. Deemoedig is hij, tegen de oude tuinmuur, een sigaret gaan aansteken. Dit dacht ik, maar bij nader toezien doet Jan dit niet. (Zal het straks nog mogen, er in de tuin eentje opsteken?) Met zijn jas beschermt Jan het vuur (uit een aansteker) dat hij doorgeeft. Ik was het verhaal achter de creatie even kwijt. Het gaat hier om het vuur van de poëzie. Helaas, niemand kan het zien, en het vuur lijkt bovendien al lang gedoofd.

Als je een Fabre in huis hebt, of in je tuin, dan zorg je er toch voor dat hij… enigszins zichtbaar is. De Gezelle-tuin geeft je hiertoe talloze mogelijkheden.

Nu ik met het Concertgebouw en “December Dance” in mijn hoofd zit, denk ik aan de Brugse auteur Peter Verhelst. Niet zo lang geleden noemde hij burgemeester Landuyt een “territoriumpisser”.  Diezelfde Landuyt had immers een mooi beeldend initiatief van hem afgeblazen. Of zijn uithaal terecht was, weet ik niet. Het kunstenwereldje is er eentje van ons kent ons en daar behoort ook Peter toe. En hebben ze het “Brugge 2002”- gedicht van Peter niet over alle zitjes van het Concertgebouw verspreid?

Onlangs – ik zag een fotootje in een lokale krant – heeft zijn eega, letterkapster Maud Bekaert, een fraaie zin (op een lange en smalle stenen strook wellicht) aan een binnenmuur van het gebouw bevestigd. Wel, Maud, je straal had veel heviger gemogen. Gemoeten. Je tekst had in het beton moeten bijten. Nu heeft het iets van willen, maar niet echt durven of mogen. En sinds die lelijke glazen parkeergevaarten ‘t Zand ontsieren kan in die omgeving toch nog maar weinig ergs meer gebeuren? Een streepje taal, Maud…

Fabre zonder vuur; Bekaert zonder straal… Het beeld van Fabre. Brugge heeft wel meer waarmee het hoge ogen kon hebben gegooid tijdens de nog lopende “Brugge Triënnale”. Ik denk maar aan het sobere werk van Giuseppe Penone op de Oud Sint-Jan-site. En ik hoop dat, eens het Baron Ruzette-park helemaal is opgefrist, de aldaar liggende minimale structuur in cortenstaal eindelijk enige duiding meekrijgt.

J.D., 3 oktober 2015