Tag: paul de wispelaere

Hommage aan de schoonheid van het Nederlands

      

 

 

 

 

 

 

 

 

Hommage aan de schoonheid van het Nederlands

 

Mag ik eens opscheppen? Komaan, Johan, doe het, er zijn immers tal van getuigen. Wel, het komt met regelmaat voor dat wanneer ik een tentoonstelling heb toegelicht, mensen die me niet of alleen maar bij naam kennen me vragen vanwaar ik afkomstig ben. Als ik dan “Brugge” antwoord, geloven ze me amper.

Het ligt er aan dat ik bijna mijn leven lang aan mijn spreektaal heb geschaafd. Ik verwaarloos heus mijn Brugse dialect niet en kijk er ook niet op neer, maar hou zielsveel van het Algemeen Nederlands. In een vorig leven heb ik de taal ook onderwezen. Ik heb er boeiende, prettige en creatieve dingen mee gedaan en laten doen. Wat ik in en met de klas van plan was met taal uit te richten: ik oefende en las het altijd hardop. Bewust.

Of ik me dan erger telkens mijn burgemeester ergens het woord voert. Ik weet dat het bepaalde mensen nog steeds de gordijnen in jaagt. Ik lig er niet meer wakker van. Wellicht – en dat weet hij vermoedelijk – scoort hij met zijn verkrachting van het Algemeen Nederlands zelfs bij een bepaalde groep mensen. Het zou ”volks” overkomen, terwijl ik het gewoon een gebrek aan respect vind. En al zeker voor een burgemeester die tegelijk schepen van cultuur is.

Maar goed. Ik zou het over “mijn” gebruik van onze officiële omgangstaal hebben. Het begon al toen ik nog een puber was. Op zolder (tussen de kamer van mijn oudste broer en die van de bakkersknechten) speelde ik met een behoorlijk indrukwekkend peloton plastieken coureurtjes de “Tour de France” na, terwijl ik het verloop van de ritten van verbale commentaar voorzag. Ik was jong en argeloos en had het lef om niemand minder dan Jan Wauters te imiteren! Ooit een beetje idool van mij. Niet lang voor zijn dood stonden we samen te plassen in de toiletten van een bekend restaurant op de markt van Watou. We waren op hetzelfde moment op de Poëziezomer aanwezig. Ik had al lang een vermoeden dat de man ook van (actuele) beeldende kunst hield. Trouwens, zoals hij wielrenners, voetballers en atleten kon beschrijven. Ook al kende je ze niet, je zag ze voor je, terwijl je naar de… radio luisterde. Meesterlijk. Een fenomeen naar wie terecht een prijs is genoemd. Ik meen me ook te herinneren dat hij betrokken was bij de inhuldiging van een monumentaal werk van Bruggeling Benoît in het stadion van Club Brugge.

Wat later werden de mini-coureurs van Peugeot, Faema, Molteni en andere teams decorstukjes en nog wat later schonk ik ze aan een neefje.

Ik was toen ongeveer rijp voor het Franse chanson, terwijl ook de Nederlandstalige zogenaamde kleinkunst en het cabaret mij intrigeerden. Nederland was toen nog gidsland. Robert Long, Boudewijn de Groot en vele anderen, dus. Toon Hermans, die alleen al met zijn mimiek volle huiskamers liet huilen van het lachen. Met “niemendalletjes”, dus. Wim Sonneveld (“Zij kon het lonken niet laten”…) aapte ik dan weer gewoon na. Wat spelen met taal betreft ging deze er net over en dit vond ik plezant. Ook nogal wat van mijn leerlingen later. Maar deze oefenstof droeg wel een zeker gevaar in zich: ze nestelde zich kousvoetelings heel diep. Ooit was dus ik aan afkicken toe.

Ondertussen speelde ik jeugdtoneel (ooit nog met Marc Van Eeghem) en werd wat later de rechterhand van mevrouw Carmen Schepens-Maerten (waar zouden haar tientallen gele briefkaarten nu zitten?), ooit lerares aan het Brugse lyceum. Deze uitzonderlijk energieke dame had, toen ze net op pensioen was, “Jeugd en Toneel” opgericht. Ook zij hanteerde een aanstekelijk soort Nederlands. En nog later, op wat vroeger de “Normaalschool” heette, werd ik tot een elegant en correct Algemeen Nederlands geïnspireerd door licentiaat, professor, romancier en dichter Paul de Wispelaere (1928 – 2016).

Enkele maanden geleden was het. Ik had net een tentoonstelling in het Nederlandse Den Bosch toegelicht (meer bepaald in tot de verbeelding sprekende architectuur van de Mark Peet Visser Art Gallery) toen ik met een wat oudere Nederlandse man in gesprek kwam. En meteen weer: waar ik vandaan was? Tijdens ons gesprek (de galerie geeft je enerzijds een uniek uitzicht op de stad en anderzijds op een grote lap ongerepte natuur) vroeg ik hem of hij ooit Paul de Wispelaere gelezen had. We waren namelijk op literatuur uitgekomen. Helaas. Nog nooit van gehoord zelfs! Ik was even van mijn melk.

Daarom deed het me een dezer dagen goed te lezen dat De Arbeiderspers binnenkort de Wispelaeres “Het verkoolde alfabet” opnieuw uitgeeft en dat in Brugge “De Reyghere Boekhandel” straks een hommage aan Paul de Wispelaeres oeuvre wijdt.

In 1999 mocht ik hem twee keer interviewen. Eerst voor een vol auditorium (de Blauwe Zaal?) in het gebouw in de Sint-Jorisstraat waar ik ooit ademloos naar hem luisterde (het initiatief ging uit van Collega Dannie Welvaert); vervolgens in de bieb van de stad Blankenberge. 1999. Al bijna 20 jaar geleden. Of ik ook van hem de liefde voor katten heb geërfd, dat weet ik niet.

 

Johan DEBRUYNE, juni 2017

 

 

 

“Triënnale Brugge”: 3-jaarlijks wat minder Bokrijk!

         

“Triënnale Brugge”: 3-jaarlijks wat minder Bokrijk!

Omdat nogal wat verwanten met de gezondheid op de sukkel zijn – de enen fysiek; de anderen mentaal – blijven fraaie boeken ongelezen op de salontafel liggen. De ervaring leert me dat wanneer net dié tafel onder stapels leesvoer kreunt, mijn bovenkamer de dingen niet echt op een rijtje krijgt. Alles gaat wat moeizaam. Noem het een dipje. Het enige waar ik nog aan toekom, op mijn onontbeerlijke ochtendgymnastiek op het door de katers gemassacreerde rubber matje na, is het schrijven van wat recensies en met regelmaat ontplooi ik enige activiteit op Facebook. Deze handelingen halen me uit mijn gepieker.

Ik doe ook wel eens boodschappen, pijnig mijn stramme lijf met kortstondige tuinkarweitjes (wat groeit alles snel dezer dagen!) en probeer af en toe wat kunstigs te gaan bekijken. Bergen/Mons, dat dit jaar Europa’s culturele eer hoog moet houden, is niet ver en ik heb een nauwe band met de streek en wat mensen aldaar, in Brussel lunch ik even buiten het station in “Cap d’Argent” en stap ik alleen maar het ING-gebouw binnen voor het werk van Helmut Stallaerts of ik sluip (in Brugge) kousvoetelings de kinderwereld van Eric VandePitte binnen.

Voorts voel ik me eindelijk wat beter in mijn geboortestad. Vluchten hoeft niet zo vaak meer. De voorbije decennia groeide (als fervent liefhebber van actuele beeldende kunst) met de stad Brugge alleen maar mijn haat-liefde-verhouding. Maar kijk, nu heeft de stad – meer dan 40 jaar na datum – zowaar nog eens een Triënnale op poten gezet. De laatste weken liep ik er mijn kraakbeenarme enkels helemaal voor naar de knoppen. Morgen neem ik de trein naar Namen om met enig uitstel te zien of en hoe de heren Fabre en Rops elkaar alsnog weten te vinden. De Citadel opklauteren zal ik aan anderen laten.

ONGENUANCEERD POSITIEF

Boodschappen. Als mijn eega zich te beroerd voelt voor een confrontatie met de buitenwereld en eventuele aanvallen van smalltalk, spring ik spontaan in de bres.  Zodoende stapte ik met mijn Jan De Cock-boodschappentas (nuttig souvenir uit het Middelheim-museum/Antwerpen) onlangs de deur uit en werd meteen door een verre buur tot de orde geroepen. Dat hij het allemaal toch wat vreemd vond. De man had van horen zeggen dat ik de recentste versie van de “Brugge Triënnale” in geschriften ongenuanceerd had bejubeld (in <H ART>-magazine had ik dat inderdaad gedaan), terwijl ik het samen met hem en een rist buren maanden geleden toch had opgenomen voor de laan waarin we wonen. Ik woon in de Leopold-I-laan. Deze strekt zich uit van de “Buffelbrug” tot de Scheepsdalelaan. Terwijl alle zijstraten pareltjes zijn geworden (gitzwart asfalt geflankeerd door kasseien parkeerstroken), bevinden de laan waar al die beauty’s op uitkomen en zijn trottoirs zich in een schabouwelijke toestand. Van de trottoirs ben ik het wel heel zeker: je zal ver moeten zoeken om er lelijker te vinden. Waaraan deze abjecte lelijkheid te wijten is, zou ons te ver voeren, maar ze heeft met politiek dienstbetoon te maken. Het geheel heeft iets van een mislukte “Escher” en her en der ontkiemen kleine tuintjes. De trottoirs zijn zo lelijk dat ik ze eigenlijk mooi begin te vinden. Karaktervol. Eigenzinnig. Dit soort ervaringen ken ik uit de wereld van de kunsten. Niet te vlug (ver)oordelen.

“Weet jij wel, Johan, hoe ontzettend veel geld naar die “Triënnale” gaat, naar dat onnozel ding op het water (ponton “Canal Swimmer’s Club/Carmersbrug) bijvoorbeeld, terwijl onze huizen ondertussen kreunen onder het gedaver van het zwaar en snel verkeer?” Dit was de teneur van buurmans boodschap. Ik heb uitgelegd dat het één eigenlijk niets met het andere maken heeft en dat we toch op reis gaan om net die dingen te zien die door de band erg duur zijn en eigenlijk volkomen overbodig. Nu heb ik nog makkelijk praten, natuurlijk. Ons huis schudt af en toe wel en zit vol barsten, maar – en dit gebeurde her en der in de laan al wel – er is nog geen enkel plafond integraal bezweken.

Terug naar de “Brugge Triënnale”. Deze vierde editie gaat over beeldende kunst en architectuur. Ik vind ze geslaagd. In kringen waar men met actuele kunst is begaan klinkt het woord “triënnale” vertrouwd. Zoals “biënnale” als vanzelf aan Venetië wordt gelinkt en een periode van 5 jaar aan de Documenta in het Duitse Kassel, zo gaat het ook met Brugge en de triënnales. Zelfs zo lang na datum. Over deze Brugse culturele evenementen wordt nog altijd lyrisch gedaan. Er waren Brugse triënnales in de jaren ‘68 en ‘71 (in de Stadshallen) en in ‘74 diende de… Beurshalle als locatie.

Er was in die tijd nog geen sprake van een Provinciaal Museum voor Hedendaagse Kunst (nu “Mu.Zee”) in Oostende en op de Normaalschool zat ik nog met open mond naar Paul de Wispelaere te luisteren. Zo wilde ik ooit ook  klinken, want mocht ik ooit in het onderwijs stappen, dan zouden ze dan zelfs luisteren, ook wanneer ik niets te zeggen had. Het klinkt wellicht pretentieus, maar het is allemaal een beetje uitgekomen.

Ik wil maar zeggen dat de triënnales een beetje aan mij voorbij zijn gegaan. Ze brachten nochtans het kruim van de Belgische kunst samen. Ik ben een gelukkig bezitter van de catalogi. Ik zit er graag in te grasduinen en telkens valt me op hoe weinig mensen – ook in de kunstwereld – het nog over de participanten hebben. De Triënnale belangijker dan zijn inhoud? Van veel kunstenaars heeft het werk de tijd getrotseerd, maar toch is het oorverdovend stil rondom de oeuvres van van Severen, Poot, Duchateau, De Keyser, Gentils,  Verstockt, Copers, Dries… De namen van Panamarenko, Peire, Geys, Broodthaers, Raveel, Alechinsky en Lohaus klinken vandaag wat meer vertrouwd. Ook buiten de landsgrenzen. Ze waren er allemaal bij. In Brugge. Ook Jan Hoets oud-leraar, Marcel Maeyer, de man die hij later tot veler verrassing mee zou nemen naar “zijn” Documenta. Ik denk ook aan een zekere Schwind, die onlangs nog een kleine tentoonstelling kreeg in een hoekje van het Gentse S.M.A.K.

ZWANEN

Wat ik ondertussen ben gaan vermoeden is dat de mensen die de Triënnales mogelijk hebben gemaakt (“Raaklijn” en de toenmalige schepen van cultuur, Fernand Traen, hadden een groot aandeel) en de kunstenaars geselecteerd, jaren na datum (toen er meer prangende creaties op de “kunstmarkt” te vinden waren) wellicht nog een ferme vinger in de pap hebben gehad toen sculpturen in de stede werden ingeplant. Voor dit soort zaken heeft een stad als Brugge een bevoegde commissie nodig.

De Triënnales van toen refereren ook nog altijd aan de enige kunstenaar die zijn ding vooral graag buiten deed, met name Roger Raveel. “De zwanen van Brugge” heette zijn creatie en de dieren zorgden voor heel wat controverse in het conservatieve Brugge. In de catalogus lees ik van zijn vriend en lijfdichter Roland Jooris: “…Het werk van Roger Raveel streeft naar de integratie en naar de aanwezigheid van het volle leven…”)

Al na drie edities is de Brugge Triënnale doodgebloed. Ik heb me laten wijsmaken dat de samenwerking tussen de stad Brugge en de Provincie niet meer je dat was. Dat diverse ego’s botsten. De stad Brugge werd ondertussen – de reien stonken niet langer – een toeristenfuik en overal werd bronzen figuratie neergepoot, zodat liefhebbers van actuele beeldende kunst, die wél voor wat beroering en discussie zou kunnen zorgen, jaren op hun honger zouden blijven.

Toen Brugge in 2002 Europese culturele hoofdstad werd, kwam er enig soelaas. Het (in hoofdzaak kerkelijk) erfgoed werd grondig aangepakt en de toenmalige burgervader zou om de 5 jaar een groot cultureel feest organiseren. Helaas draaide altijd alles weer omheen de Brugse collectie Vlaamse Primitieven. De stad werd telkens weer bevestigd in zijn kortzichtigheid.

Twee jaar geleden werd Renaat Landuyt burgemeester. Een koppig man die alles anders zou doen dan zijn voorganger(s). Adieu 5-jaarlijks kunstevenement en groots opgezette tentoonstellingen met werk van bevriende kunstenaars. De man die als Vlaams minister “Beaufort” mee had geleid, dacht met heimwee terug aan Brugge en zijn triënnales en zie: editie 4 was in de maak! Het is zijn grote verdienste, absoluut, ook dat hij voor het thema heeft gezorgd: “Wat, indien de 5 miljoen toeristen die Brugge per jaar bezoeken er ook eens bleven?” Het zoeken naar kunstenaars kon beginnen. En vooral die zoektocht vind ik geslaagd.

De vierde Triënnale Brugge, de eerste ook die internationaal gaat, loont de moeite. Voor wie graag eerst terugblikt: begin bij de Poortersloge (Academiestraat). Daar krijg je een terugblik op de oude triënnales: teksten, artikels, affiches, interviews… Er is ook de film “Masquerade” (Vermeir & Heiremans). Met hun “Art House Index” leggen ze het gedoe en het gesjoemel omtrent (actuele) beeldende kunst bloot. Geestig en goed in beeld gebracht. Je kan ook op het stationsplein beginnen. Daar geeft Bruggeling Daniël Dewaele elke toerist de kans Bruggeling te worden. Inburgering? Een makkie!

 

 

 

 

 

 

 

 

CANAL SWIMMER’S CLUB

De meeste commotie is tot op heden veroorzaakt door de inbreng van de Japanse architectengroep Bow-Wow. Yoshiharu Tsukamoto, aanwezig op de allereerste persconferentie, was zo onder de indruk van het feit dat het water in de Brugse reien zuiver genoeg is om in te zwemmen, dat hij besloot tot het bouwen van de “Canal Swimmer’s Club”: een overdekt, sober en elegant ponton op het water. Toen de plannen in de kranten verschenen werden de bewoners van de Lange- en andere reien in de buurt nerveus. Een opstoot van een soort averechts NIMBY-effect. Al die wellicht behoorlijk gefortuneerde bewoners wilden geen gedoe op het water… voor hun statige huizen. Inderhaast prutsten ze een zielige protestaffiche in elkaar, maar het ponton is nu al een groot succes.

Zei ik niet eerder dat Landuyt een doordrijver is? Er wordt en er zal nog meer gezwommen worden in de Lange Rei – rode vlag of niet -, passanten komen er zonnebaden en leraars van het nabije college durven al eens een uurtje les komen geven op het ponton. Het is er heerlijk! In het begin werd ik door een “ponton-buur” aangesproken. Ja, als criticus ken ik ook wel wat gefortuneerde stadsgenoten. Die kopen al eens kunst, hé? Ik suste de man door te zeggen dat het ding op 18 oktober a.s. alweer verdwenen zal zijn en Brugge dan weer een beetje meer Bokrijk. Hij strubbelde nog even tegen en verwees naar het paviljoen van Toyo Ito op de Burg dat er zo lang heeft staan verkommeren. Ik maakte hem duidelijk dat ik ervan overtuigd ben dat Landuyt die Moenaert-flater niét zal herhalen.

Er zijn nog meer “buitendingen” die de moeite waard zijn. Zo heb je langs de Groene Rei een brug, een staaltje vakmanschap van de Indiase Studio Mumbai, die gewild niet overbrugt, maar voor tal van andere zaken kan dienen. Er is het typisch Brugs huis, “Cataract Gorge” (Romy Archituv), dat bij het sas aan de Dampoort aan golven (gevolgen van opwarming van de aarde) in het water moet proberen te weerstaan, er is het werk van de Chinees Song Dong bij de Sint-Salvatorkathedraal. Ik kan me niet herinneren hoe vaak ik al heb uitgelegd wat Dong (kijk naar de neonletters “Doing Nothing Doing”, een verwijzing naar het Taoïsme) daar verbindt. Zijn  constructie is gemaakt van ramen en deuren uit Peking en afkomstig van huizen die meedogenloos  met de grond gelijk zijn gemaakt. Hij confronteert zijn Bonzaï-bouwels met een opgepoetste kathedraal in een stad waar alles scrupuleus wordt bewaard. Ook de DiamondScope van de Noorse Vibeke Jensen op de Grote Markt is doordacht en knap. Zowel binnen als buiten valt heel wat te beleven. Ze verwijst uiteraard ook naar de Brugse diamantgeschiedenis. Vergeet ook de constructies van lampen en woorden van de Schot Nathan Coley niet: op de Burg (“A Place Beyond Belief”) en tegen de oude muren van de binnenkoer van het Belfort. Vijf woorden die bovendien gebaseerd zijn op basisbehoeften van de Islam. Voorts heb je het Urban Egg Café op de havensite Dupont (“Gold Guides me”), een unieke plek waar je zicht hebt op de ringvaart.

BOOMHUTTEN

Veel was ook te doen om de boomhutten van de Japanner Tadashi Kawamata in het Begijnhof. De rust zou er verstoord worden en de priorin onder druk gezet om het evenement toch maar geen strobreed in de weg te leggen. Kawamata’s poëtisch werk komt er schitterend tot zijn recht. Ik ben zo’n fan dat ik er zelf  de plooien tussen de priorin en Kawamata plat ben gaan strijken.

Brugge is een bijzonder stadje. Dat vindt alvast ook het Oostenrijks-Amerikaans duo Odland-Auinger. Uit ervaring weten ze dat geen stad van het formaat als Brugge nog zo veel stille plekken telt. Met hun zwevende, glimmende luidsprekers, die aan de boogbrugjes en hun weerspiegeling in het water appelleren, capteren ze het geluid van onder andere muren en vensters. “Quiet is the New Loud” is de naam van hun initiatief.

De Triënnale… Het is behoorlijk wat. Drie clusters, voor wie het boekje volgt. Niet vergeten ook eens langs Oud Sint-Jan te struinen. “HeHe” (het artistieke duo Helene Evans en Heiko Hansen) liet er met “Undercurrent” hoogspanningskabels en pylonen in het water vallen. Ook achter deze ingreep zit een relevant verhaal.

Onverwacht begint nu ook het chocoladen huisje (miniatuurreplica van het “Huis ter Beurse”) met bovenop het roterende “Uber Capitalism” van Rainer Ganahl (US) almaar vaker de pers te halen. Chocolate addicts zetten er immers almaar vaker hun tanden in. Ze weten natuurlijk niet dat het werk na deze Triënnale naar een Zwitsers museum verkast. Kapitaal, cacaoproductie, corruptie, kinderarbeid, kasseitjes, rijkdom, armoede, vereringen van materie en/of personages die niet blijken te kloppen… Brugge wordt een almaar meer intrigerende plek waar het welhaast volslagen onmogelijk wordt fake van echt te onderscheiden.

En ook de binnententoonstellingen lonen de moeite. Zonde dat de gedigitaliseerde stad van Stanza (UK) al terug naar Londen is en dat “De Geschreven Stad” (in een veredelde banketzaal van het Belfort, zei curator De Wilde) op zijn einde loopt. Maar in de kerk van Abdij ter Duinen (Potterierei) krijg je een interessante theoretische les: “Vertically Integrated Socialism” (Grenier/Ca). In het Arentshuis leer je dat indien de overheid naar een modernistisch architect als Huib Hoste had geluisterd we al decennia lang een concertgebouw hadden gehad! Ook zijn collega Ungers (D) maakt er indruk, niet in het minst met beelden en woorden (“City Metaphors”/New York, 1976) die verrassend met architectuur en samenleven worden geassocieerd. Geniaal. Meer hiervan in het stadhuis op de Burg (“Imaginaire steden”). In De Bond gaat het dan weer over “onvoltooide steden” en komen het Midden- en Verre Oosten in beeld.

Toch nog een bedenking: Brugge blijft ondanks alles een provinciehoofdstad zonder museum voor actuele beeldende kunst. Misschien moet de komende drie jaar ook hier eens worden over nagedacht. Zo wilde Jan Fabre niet uitpakken in “De Bond” (de Brugse plaats bij uitstek waar actuele beeldende kunst wordt getoond), terwijl hij wel het curatorschap van “December Dance” (Concertgebouw) aanvaardde… Voorts bewijzen Michel Dewilde (Brugs Cultuurcentrum) en Till Holger Borchert (Brugse Musea) en hun teams en medewerkers dat we geen curatoren uit den vreemde van doen hebben.

Ik vrees tenslotte, want alles is eigenlijk met veel te weinig mankracht gerealiseerd, dat het weer bij maximaal drie triennales gaat blijven. Komaan, straks naar het andere, echte Venetië voor de 56ste biënnale, die niét onder superlatieven wordt bedolven.

 

 

 

 

 

 

 

JOHAN DEBRUYNE, juni 2015