Tag: parijs

Kater

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

KATER

 

We waren net een dag weer thuis, in Brugge, terwijl we ons pas na een kleine week in Parijs opnieuw thuis waren gaan voelen. Je wordt ouder en het gaat wat traagzamer. Er was onder meer (voldoende) tijd voor de Place des Vosges en wijde omgeving, voor het Musée d’orsay, dat we – de hitte trotserend – via het grote plein, de Tuileries en de fraaie houten boogbrug bereikten, het toch wel positief verrassend Hockney-overzicht in Beaubourg, de Fondation Vuitton, het pareltje van architect Gehry aan de rand van het Bois de Boulogne, met werk van Kentridge, Pascale Marthine Tayou en hun Afrikaanse kompanen… Tot meer waren onze voeten, enkels, heupen, knieën en de rest van onze lijven helaas niet in staat. Inbegrepen enkele gesprekken, zoals dat met de kokette en sportieve Nederlandse dame die schoenen aan… Jan Mulder verkoopt.

Een dag weer thuis, dus. Opnieuw stonden, dit keer aan de overkant van de laan – waar plaats was- , verkeersborden waarop met krijt iets stond gekrabbeld dat amper te lezen viel. Ik was moe en dacht: ik neem geen risico en parkeer de auto aan onze kant van de laan. Wel zo’n honderdvijftig meter van ons huis vandaan. Er was amper een parkeerplekje te vinden.

Het gebeurt eerder zelden dat je bij ons op het trottoir iemand tegen het lijf loopt met wie je een praatje slaat. Doorgaans blijft de passage verbaal tot een ‘goeiendag’ beperkt. Ooit voerde ik een vergeefse enquête tegen het alles verpletterende verkeer in de laan, maar het gedoe haalde amper iets uit. Nu, jaren later, suggereert een vriend iets met zwarte vlaggen, maar die plastic dingen in die andere straat, als protest tegen de 423 voorbij denderende autobussen per dag, vind ik absoluut onesthetisch. De laan waar ik woon vind ik eigenlijk een strook met nogal wat lafbekken. Waar de betonplaten de plafonds niét naar beneden laten donderden geeft men niet thuis en de helft van de buurt komt er zijn vleeswaren en bereide maaltijden halen in een slagerij waar vrachtwagens komen bevoorraden die onnoemlijk veel meer dan de 5 toegelaten ton wegen.

Dus sta ik even met Evy en haar hond te praten. Zij doet haar verhaal, een verhuisstory, ik mijn reisverhaal. In het kort. Maar over Parijs geraken we beiden moeilijk uitgepraat. Tot afscheid roept ze me nog na: “Wat lopen wij hier eigenlijk nog te doen?” Tja, ook een beetje laf, zeker? Ik heb al zo vaak met de idee van verkassen gespeeld. Maar goed, als zelfs een Van Dis naar de modder van zijn jeugd terugkeert.

Ik moet in mijn geboortestad (Brugge) een paar boodschappen doen. Willen of niet, dit keer moét ik de stad in. In een kleine nieuwe frisse boetiek (Sint-Jakobsstraat) heb ik een paar T-shirts kunnen laten bedrukken zoals ik het wilde (met dank aan Thomas), in een van onze horloges moet een nieuwe batterij (hiervoor moet ik in de Steenstraat zijn), ik wil altijd wel eens naar boeken kijken en de stad was naar verluidt een muraal kunstwerk van “Strook” rijker. Strook, of Stefaan Decroock, veelzijdig Brugs kunstenaar en blijkbaar beter bekend in verre streken dan in eigen land en stad, is een zogenaamd straatkunstenaar. Aangezien ik een paar keer met hem contact heb gehad en ondertussen ook zijn atelier (een hangar buiten de stad) bezocht, weet ik dat hij zo veel meer is en kan dan van een “straatartiest” wordt verondersteld.

Hij maakt in hoofdzaak portretten van afvalhout dat in se afkomstig is van de omgeving van de locatie waar zijn kunstwerk uiteindelijk wordt aangebracht. Het zijn monumentale werken en zitten knap in elkaar. Een buste, een persoonlijkheid in amper een paar geometrische vlakken: il faut le faire! Dus nu ook in Brugge. Ik sta te kijken vanop de hoek van het Zand waar… werken aan de gang zijn. Ik neem een paar foto’s. Ik vind het niet meteen Stefaans meest intrigerende werk, maar ik ben fan van wat hij doet. Bovendien heeft het werk iets wat ik moeilijk kan duiden, maar het abrupteert enigszins het softe van Brugges koekendozenimago. Naar verluidt maakt het werk deel uit van een reeks werken die, met de komst van een nieuwe Triënnale voor Actuele Beeldende Kunst en Architectuur, de stad zullen verrijken/opsmukken.

Ik ga ook eens naar dat andere werk kijken. Ook monumentaal, geschilderd/gespoten op een hoge strook muur, maar compleet weggestoken eigenlijk. De muur bevindt zich op het Beursplein, daar waar voorheen de politie huisde. Het is een “brave” schildering die Maria van Bourgondië voorstelt. Het werk barst van de verwijzingen naar de geschiedenis van de stad Brugge. Wilde de kunstenaar dit zo of is hem dit opgelegd? Ik vind het in elk geval een kunstwerk dat het zoete, schone Brugge in al zijn clichés bevestigt. Daarentegen straalt het werk van Strook kracht uit. Iets duisters. Die verwering alleen al.

Straks zou Stan Slabbinck aan de beurt zijn. Behalve Strook gaat het hier om twee volwassen kerels, die zeer onderlegd zijn, en die ondergetekende – toen nog leraar – als jong jonge snaken in de Brugse Middenschool aan de slag liet gaan op de muren van de trappengangen. Ik geloof dat ze van mij het verhaal van de Kleine Prins hadden meegekregen ter inspiratie. Ik vind het werk dat ze daar uitvoerden nog altijd heel erg sterk. Wat zat de directeur van toen met een ei: graffiteurs aan het werk in zijn school!!! Nadien was de man terecht fier.

Het is maandag. Ik was met behoorlijke goeie moed vertrokken. De Rode Duivels hadden in Griekenland gewonnen en zich als eerste Europees land geplaatst voor de wereldbeker in Rusland. Voor mij geen Putin, maar met die Oen in Noord-Korea en maffe Trump zou je beginnen twijfelen. En… Sint-Petersburg is een heel mooie stad, vertelde mijn zus nog. En, ik zou het meest heuglijke nieuws nog vergeten: politica Zuhal Demir had laten weten en zien dat ze zwanger was!

Finaal slenter ik almaar misselijker wordend terug naar de parking onder het Zilverpand. Evy had gelijk: wat doe ik hier eigenlijk nog?

 

Johan DEBRUYNE, begin september 2017

 

Bureaublad

Bureaublad…

Het is zondag vandaag en al ver in mei. Derry en zoontje Warre zijn euforisch: een jong Braziliaans voetbalwonder, Neymar genaamd, vervoegt straks de rangen van FC Barcelona. Het dribbelfenomeen heeft zijn zinnen op “Camp Nou” gezet en wil er met Messi spelen.

In Barcelona genieten mijn zus, petekind Charlotte en een vriendin op dit ogenblik van een waterzonnetje. Ik ben op de sukkel met snot en keelpijn en hou me onledig met het sturen van mails. Ik laat een paar lieve mensen weten dat ik ziekjes ben en de komende dagen dus niet op de afspraak zal zijn. Ik ben aan futloosheid ten prooi, maar kan het toch niet laten nu en dan het Facebook-nieuws af te schuimen. En de krantensites. Altijd op zoek naar nieuws en meningen die knap zijn verwoord.

In de woonkamer liggen stapels ongelezen boeken. Bart Steenhaut, journalist bij De Morgen, houdt me vast. In een column rekent hij af met het tv-programma “Café Corsari”. Hij ergert zich aan het hoog scoutsgehalte. Hij vindt het programma voorts zo licht als een onbeschreven wit blad.

Ik kijk zelden en heb ook de bewuste uitzending waarin – naar verluidt – Vlaams cultuurminister Schauvlieghe gemakkelijk weg kon komen met haar “achterpoortmiljoenen” voor de Vlaamse musical niet gezien. Inderdaad, Bart, op de Nederlandse televisie, in pakweg “De Wereld Draait Door” en “Pauw en Witteman” zijn dit soort zaken gewoon ondenkbaar. De ondraaglijke lichtheid van het café van Tony Corsari-zaliger… Maar kun je van een programma dat naar Corsari is genoemd iets anders verwachten? Het bijna prehistorisch tv-icoon vroeg zich in hoofdzaak en zingend af waarom de banaantjes krom zijn. Mij kon dat nooit een reet schelen. Bovendien lust ik geen bananen.

Hoewel ik me mottig voel, was ik opgelucht dat mijn huistechnicus (mijn eega) de dag voordien het bureaublad van mijn pc na jaren een geheel andere look had gegeven. Harige donkerte had de plaats geruimd voor frisse bijna-leegte. Wanneer ik de pc aanzette lichtten jarenlang twee grote (ik heb slechte ogen, dus een royaal scherm) marmotten op. Prachtbeesten. De een al wat groter dan de andere. Neus aan neus. Ik was en ben weg van die slimme Alpenbeesten. Ze herinnerden me enerzijds aan mijn socio-cultureel werk in een Brugse wijk, waar het dier tot mascotte was gekroond,  en aan de moeilijk te omschrijven heerlijke eenzaamheid die ik ervoer toen ik de beesten in mijn eentje ging spotten in de Franse Alpen.

Maar niet zo lang geleden waren we, mijn vrouw en ik, nog eens samen in Parijs. Ik liep er de hele dag te zingen! Bourvil in mijn kop. Geen bananen, maar fruitsalade. Ik kon er op zeker ogenblik een foto nemen van een drietal musjes. Onverstoord kwamen ze bij ons aan tafel. We aten buiten. Op het terras van het Palais de Tokyo. Mooi septemberweer. Ik zie licht, bruinmetalen stoelen en tafels. Wat verderop etende mensen. Betonnen trappen. Ik voel de Seine en kijk op de rug van zo’n klein wezentje. Het is voor een kunstcriticus genieten van de absolute schoonheid van de eenvoud. De andere twee onthullen de verrassende driehoekigheid van hun bekje. En wat hebben ze lange nagels! Mijn pc-icoontjes lijken vrijer te ademen.

Ik glijd langs de berichten op FB en stuit op een oud-student. Jan. Toffe peer. Aan het blokken in Gent. En kijk: ook hij heeft een nieuwe “prent”. Geen mussen, geen bananen, geen fruitsla. Jan is tevreden – wat zeg ik? In de wolken! – met ene Emma Watson, een schoonheid. Ze hangt boven zijn bed, vult achtergrond én beginblad van zijn gsm en laptop. Open boek, die Jan. Voor de komende maand, voegt hij er wel aan toe. Weinig lijkt vandaag een lang leven beschoren. Zelfs mooie Emma niet. Wegwerpmaatschappij. Mila Kunis heeft afgedaan. “Je bent jong en je wild wat.” Waar zag ik die slogan alweer?

Ik hoop van harte dat Emma Jan veel plezier bezorgt. Net genoeg dan weer om nog voldoende te kunnen blokken. Nu hij node het voetbal en het fitnessen moet missen. Jan met knappe Emma. De ouwe met drie musjes. Ik moet er om lachen.

Ik werk nog snel een tekst af, kies een passende foto en ga naar het journaal kijken. Zien of de Buffalo’s (Gent) nu weten wat het betekent het vel van de beer verkopen voor hij geschoten is. Zeker als je naar een vurige stede moet. 7-0. Dat moet pijn doen. Al benijd ik de Gentenaars om hun nieuwe stadion. Ik zag de fundamenten al uit de grond rijzen. Op de terugweg van Gaasbeek.

Ik dommel in na “Melopee” van van Ostaijen. Het is Julien Schoenaerts zaliger die voorleest. Ik deel het bericht van de toen nog jonge acteur. Kan ik er later nog van genieten. Zoals Jan van Emma.

JOHAN DEBRUYNE, eind mei 2013

 

 

Vanuit de lucht

Naar aanleiding van de tentoonstelling

“Fallout” (Thierry Buysse/Bogardenkapel)

 

Vanuit de lucht

 

Zonder gêne stal ik uit borden.

Op terrassen nog het liefst.

Ik heb dikzakken gekend,

Leefloners, mankepoten, zielenpoten…

Een grootstadbeest was ik.

Mijn beste vriendin zat goed in ‘t vlees.

Ze heette Dolly

En roofde als geen ander.

Van koeren, pikken en neuken was ik thuis.

Het zit in onze genen. Ooit viel er een dood

Vlak achter mijn rug. Even schrikken was dat.

Van zo hoog: doffe klop.

Ziek wankelde hij

Uit een goot, boven Ionische zuilen.

Parijs.

Gretig zette ik een hoge borst.

Nu hang ik hier, uitgemergeld.

Mijn bleke veren doen denken

Aan bespottelijke hoeden.

De niet verteerde maïsbollen

Aan een kralen collier.

 

Mijn kleine kop klepelt eruit.

U hoeft het niet.

Het hoort niet bij een feest.

Van op daken zag ik

Zo veel rotzooi. Zag veel te veel.

De kooi bracht soelaas.

Als het touw en het stoeltje.

Ik was die klote wereld moe.

 

JOHAN DEBRUYNE, oktober 2012

 

 

Salade de fruits

Salade de fruits

Maandag de trein opgestapt voor een weekje Parijs. In mijn hoofd een krantenfoto van “dansende” politici. Autorijden was een dag volslagen uit den boze. De Grote Markt van Brugge dansvloer geworden. Verkiezingen in aantocht, dus: nogal wat lokale kopstukken prominent kinetisch. Pijnlijk!!! Moet dit nu echt?

Het beeld vervaagt snel. Gelukkig. Er komt – vraag me niet vanwaar – een speels melodietje aangewaaid. Het nestelt zich gedecideerd tussen mijn oren. Ik zal het de hele week neuriën. Of heel zachtjes zingen. “Salade de fruits, jolie, jolie, jolie…” In een postkantoor van de Franse hoofdstad moet ik iets te hard zijn gegaan. De dertiger achter de balie lacht en zegt: “Bourvil?” Er volgt een kort gesprek.

Het 20ste arrondissement. Het stadhuis is vlakbij. Daar slaap ik. Van daaruit verslind ik metrotickets. Dra kraken en klagen de enkels. Metrostation “Les Invalides” duwt het mes in de wonde. Père Lachaise, het vermaard kerkhof, bevindt zich op een boogscheut. Ik heb mijn vrouw beloofd daar weg te blijven…

Vanuit de tijdelijke habitat, op het bed uitblazend, staar ik naar bomen. Vanuit het raam zie ik een pleintje. Het werd naar Edith Giovanna Gassion genoemd: Piaf. Place Piaf. De straatmus. Allez venez, Milord! Er is ook een Bar Piaf… Naar het schijnt zelfs een museum. Haar bronzen beeld staat er. Gestolde emotie. Even onbeweeglijk is de man-in-nachtjapon. De nog amper gebruikte telefooncel blijkt dra zijn glazen schuiloord. Tegen de avond een 6-tal blikken op het schap. Bier? De buurt bulkt van de bakkerijen, slagerijen, cafeetjes, terrasjes en bloemenwinkels. Overal is het druk, druk, druk. Een drukte waarvan je kunt genieten. “Défense d’afficher”. Grote letters op een beige muur. Een wet van 1881. Je zal het geweten hebben!

Na één passage ban ik de televisie. De Franse zenders brengen het rotnieuws met een perverse, volslagen misplaatste glimlach. Beneden, op straat, is het goed humeur écht. De multicultuur lacht me toe. Of is het schijn? Tijdbom? De miserie (van de grootstad) neem ik erbij. Ik zoek, dwaal en verdwaal. Ik passeer een enkele keer noodgedwongen een zijstraat van de Champs Elysées. Rijke smoelen en toebehoren. Ben op weg naar het Palais de Tokyo. Rechts van de trappen huist nu actuele kunst. Verbouwingen. Iedereen mag er gratis in. Een immens werk van de Belg Peter Buggenhout bengelt er aan de zoldering. Een kadaver van dingen. Nee, meneer, dit heeft niets met de werkzaamheden te maken. Dit is kunst. Voorts is voorlopig alleen verdieping één toegankelijk: foto’s. Beroemdheden. Doorgaans in Parijs. Ik herken de jonge Sting. Maar die 2 gasten naast hem? Z’n broers, zegt iemand me ongevraagd. Jacky Kennedy. Delon. Onasis. Charles Bronson. Jonge Beatles. Diana… Al 15 jaar dood las ik op het rode hart bij de Pont d’Alma. Ik zie nog de rouwstoet. De bloemenmassa. Vandaag nog een handvol tuilen. Tempo Fugit. Gaat het over 10 jaar over naakte Kate en Henry?

Maar ik was vooral voor Richter naar Parijs gekomen. Heel knap wat het Centre Pompidou laat zien. Na de laatste roltrap even Parijs overschouwen. Vaste prik.  Montmartre. Wat onthou ik van Richter? Heel wat. Maar wat vergeet ik nooit? Een boerderijtje, een stoel, een rol wc-papier.

Langs het Beaubourg-plein een geestig poppetje. Karikatuur van “onze” Albert II. Het centre heet “Wallonie-Bruxelles”. Het kleurrijke, frenetieke fontein van Niki en Jean Tinguely werd voor onderhoud het zwijgen opgelegd. Jammer. “Salade de fruits”. Ik neurie vooral als het eens wat tegenzit. De stilte zoek ik op de Place des Vosges. Bij Victor Hugo. Het kunstaanbod gelijkt op dat van Knokke-Zoute. Het stoort me niet. Le Marais. Zelfs de winkels zijn er kunst. Ik kijk mijn ogen uit.

Op het terras van het Palais de Tokyo eet ik een “Grande Salade”. De mussen huppelen er rond je bord. Zelfs de duiven lusten hier sla. Ook voor vinaigrette halen ze de neus niet op. Pendelen tussen “Piaf” en le Marais. Tussen het alledaagse en het bewaarde, nog niet afgelikte. Place Saint-Paul.

In het Louvre wordt een nieuw departement geopend. In de kelder. Islamkunst. Een dier op de affiche. Da’s voor de volgende keer. In Musée Rodin draal ik bij “Les bourgeois de Calais”. De uitdrukking op die gezichten: weergaloos! Bij zijn “Hellepoort” begint het te regenen. De knappe blonde dame van daarnet op het terras is verdwenen. Ze illustreerde weergaloos hoe knap de herfst van het leven kan zijn. Hoe ze die sigaret hanteerde! Nee, daar kan geen foto tegenop. Ik lees dat Rilke 2 jaar lang Rodins secretaris was. En dat schoonheid in alles zit. Ik beaam volop en koop een pin. Mijn vrouw toeft in de rozentuin. Waar “De Denker” troont. De enige echte.

Voor Notre-Dame prijkt een hagelwit Christusbeeld. Armen gespreid. Geschonken door de stad Rio. Een soort verjaardagscadeau. De reclame op de sokkel is een verschrikking. Ik laat me fotograferen. Doe bijna net zo onnozel als de dansende Brugse politici. Op de Pont des Arts verwijl ik in hangslotjes. Namen, lippen, hartjes. Hun klatergoud schittert in de septemberzon. Een vrouw zigzagt haar buggy-met-baby op skeelers vooruit en een donkere atleet, dansend op skeelers, koos de brug als podium. Drie flikken fietsen voorbij.

Morgen terug naar België. Het wordt kouder. Ook voor de mussen. En de man in de telefooncel. Ik eet nog een slaatje rond de Gare du Nord. Op de  terugweg zing ik: “Salade de fruits, jolie, jolie, jolie, tu plais à mon père, tu plais à ma mère…”

JOHAN DEBRUYNE, september 2012