Tag: new york

Zinvol brons in Brugge (deel 2)

                      

 

 

 

 

 

 

 

 

HOMELESS JESUS (deel 2)

Sinds een week of iets meer word ik gebriefd omtrent een bronzen sculptuur bij de Magdalena-kerk (Astridpark/Botanieken Hof). Het beeld – zo las ik naderhand – was officieel ingehuldigd – maar opnieuw was ik niet uitgenodigd. Links voor en bijna tegen de kerk staat een bronzen zitbank waarop een bronzen figuur op zijn zijde ligt, de knieën opgetrokken: “Homeless Jesus”. Wanneer ik ga kijken sneeuwt het en op het beeld heeft zich een laag sneeuw gevormd. Het doet me wat. Maar of het een goed kunstwerk is, valt op dat moment niet uit te maken. Ik voel wel meteen dat het op die plaats functioneert.

Ik keer terug wanneer de sneeuw modder is geworden. Nu kan ik het beeld met aandacht monsteren. Ik zie dat het inderdaad om Jezus gaat: de wonde in elk van zijn voeten. Ik kan ook een glimp van zijn gezicht opvangen. De deken waarmee de dakloze zich tegen de kou beschermt laat een opening. Het is een vakkundig gemaakt beeld. De glooiingen zitten goed. Prima sculptuurwerk.

Er komen mensen rondom me staan. Weer denk ik: het functioneert. Of het nu Jezus moest zijn of een naamloze dakloze… Hoe dan ook, de man is dakloos. Het is bar koud en de man moet buiten slapen. Ik zal me later duidelijk laten maken dat er in Brugge vandaag zo’n 50 mensen dakloos zijn! Ik heb wat foto’s genomen. Rond het plein zijn winkels die bekend staan om hun exquise marchandise. Vooral een slagerij en een bakkerij genieten grote bekendheid om de kwaliteit van hun producten. Rijen dik schuiven er aan. Ik word bekeken. En maar vreten, terwijl anderen creperen van honger en kou! Mij bekruipt hetzelfde gevoel als wanneer ik van mijn huis in de Leopold I-laan naar de bushalte net voorbij de Carrefour stap: ook daar zitten en liggen mensen, in de kou, op vermolmde “tuinversierselen”, een bierblik in de verkleumde hand. Inderdaad, ook hier is het leven lang niet voor iedereen een feest. Het geeft me telkens een wrang gevoel, omdat ik bij elke veeleer schaarse uitstap naar het pretpark dat mijn geboortestad is geworden het nuttige aan het aangename paar. Doorgaans ga ik in een van de boekhandels lectuur halen en het kaft wordt gelezen terwijl ik in een van de vele koffiehuizen geniet van wat lekkers. Wat mis ik op die momenten nog steevast mijn jongste zus. Het zal straks twee jaar geleden zijn dat ik ze plots ben verloren, dat al haar organen, moe van een lange strijd tegen kanker, elke functie weigerden. Met haar kon ik over dit soort zaken praten en van mening verschillen.

Terug naar “Homeless Jesus”: geen zinloos brons, dus, tot spijt van wie het benijdt. De maker is een katholieke Canadees: Timothy Schmalz. Deze “Jesus” vind ik zijn beste werk. Er zijn tien exemplaren van. Onder meer het Vaticaan en de steden New York en Madrid bezitten er een. Een sponsor heeft het allemaal bekostigd. En YOT, een vereniging die mensen van alle strekkingen en gezindten, die zoeken naar zin, bij elkaar wil krijgen en dus doen nadenken waar we met deze snel veranderende wereld naar toe kunnen en welke nieuwe functies kerken op zich kunnen nemen (ooit zong een Nederlands duo “Vluchten kan niet meer”), heeft geijverd om het niet in Brussel, maar in Brugge te krijgen. In de Magdalena-kerk is meer kunstigs te zien. De bijzondere schommel voorbij een waterplas trok meteen mijn aandacht. Zelfs met mijn bijna 100 kilo zou ik er op mogen…

Het ware interessant indien ook jonge kunstenaars deze locatie ontdekten.

JOHAN DEBRUYNE, januari 2018

 

Hannelore

HANNELORE

Ik heb (verhalen van) collega’s bij wie je amper nog het bureau of de woonkamer binnen kunt, omdat het verzamelen en koesteren van boeken (bij sommigen ook nog eens van platen, CD’s en andere spullen) er het triviale leven en bewegen zowat onmogelijk maken. Nog voor het digitale tijdperk zijn niet te stoppen opmars zou aanvangen, bouwden zij met tastbare kennis en informatie een soort burcht om zich heen. Iemand die het terrein niet kent tot dit fort van kennis toelaten was en is haast onmogelijk. Wie er wel ooit is binnengeraakt hoorde continu uiterst behoedzaam langsheen ongemeen waardevolle obstakels te laveren. Aanvaringen met al die – vaak eigenzinnig – opeen getaste kleinodiën waren en zijn nauwelijks vermijdbaar. Weinig of geen bezoek, dus.

Het verzamelen van boeken. Ze bezitten. Het zich omringen met op papier gedrukte kennis en taal. Het is een virus dat zich ook in mij heeft genesteld, zij het dat het toch wat minder navrante neveneffecten heeft geressorteerd. In de woonkamer laat ik tenminste de parketvloer ongemoeid. Mede wellicht omdat ik de oude, knap in elkaar gepuzzelde rechthoekjes gewoon mooi vind. De glans van het hout. De krassen. De onuitwisbare sporen. Heel af en toe de geur van boenwas.

De kasten daarentegen zitten barstensvol en de salontafel is geannexeerd terrein. Gelukkig is onze grote vierkante “laagtafel” een stevige constructie: een sober, lapidair houten meubel, dat zowaar moeiteloos ook nog eens mijn gewicht kan dragen. Ik heb het uitgetest. Dat ik hooguit een weltergewicht ben? Schijn bedriegt. Ik heb een scherp gezicht, maar voorts zit ik meer dan behoorlijk in het vlees. Een tijd geleden ging de wijzer van de personenweegschaal nog pijnlijk gezwind over de honderd. Alarmcijfer. Sinds een week heb ik mijn lichaamsgewicht opnieuw onder controle. Ik heb weinig keus: mijn botten lijden danig onder de kilo’s. Minder eten, dus, tijdelijk amper snoepen en veel drinken. En nog meer… plassen. Leuk is anders.

De salontafel ten onzent. Een toch wel heel solide ding! Toen L. eens om boodschappen was, gebruikte ik de tafel als opstap om iets storends van het plafond te pulken. Ik plantte mijn grote kousenvoeten behendig te midden de stapels boeken. Vervolgens plukte ik een langgerekt stofje van het plafond. Zelfs flinterdunne ongenode zaken kunnen me irriteren.

De salontafel… Het is een plek waar mijn vrouw ook wel eens wat voor bedenkt. Iets met groen bijvoorbeeld. Of met keien. Of kaarsen. Het is haar niet gegund. Ik maak misbruik van zijn robuustheid en stapel maar. Ik laat het meubel niet koketteren met zijn mooie, geleefde hout. Ik heb blijkbaar een ziekelijk behoefte aan een uitzicht op boekenruggen. Ooit maak ik tabula rasa. Ik heb het L. meermaals beloofd.

De laatste maanden torent een enkele stapel met niets dan verhalen en brieven omtrent WOI moeiteloos boven alle andere uit. Enkele heb ik uitgelezen, maar ze werden steeds niet naar de boekenkasten (her en der in het huis) verwezen, wat gewoonlijk hun lot is. Hun eindbestemming. Ik maak mezelf wijs dat ik bepaalde passages nog moet herlezen. Maar eigenlijk weet ik dat er niet van komen zal. Er dient telkens weer iets anders aan.

WOI.

Ik volgde de tv-serie “In Vlaamse Velden”. Ik maakte er elke zondagavond tijd voor. Alleen voor de laatste aflevering kon ik dat niet regelen. Deze heb ik dus in “uitgesteld relais” bekeken. Wel op een niet zo’n geschikt moment blijkbaar. De weemoed zat al enige tijd in mij te pieken en ik kreeg het ontzettend moeilijk tijdens de finale editie. Vlaanderen heeft een pak goede acteurs!

Maar die Eerste Wereldoorlog… Mag ik overdaad gebruiken? Of kan het nooit genoeg zijn? En worden er lessen uit getrokken? Uit de vele journaals blijkt van niet. Ik kan me ook niet ontdoen van de indruk dat het oorlogsleed schaamteloos lijkt te worden misbruikt om toerisme en commercie te promoten.

Ondertussen, in een of ander journaal, gezien hoe de meer dan voortreffelijke acteurs van “In Vlaamse Velden”, nog voor de laatste aflevering was uitgezonden, samen met “fans” op de foto gingen. Ik wist niet wat ik zag. Terwijl de meer dan  geloofwaardig gebrachte reeks, waarvan de oorlogsgruwel zich diep onder mijn huid had genesteld, nog liep, gingen de acteurs lallend met de fans op de foto…

De wereld Draait Door. Laat het mensenras toch wat langer voelen hoe onpeilbaar erg het was en is. Oorlog. Hoe vreselijk het moet zijn om te (over)leven in Syrië, Lybië, Afghanistan, Egypte, Turkije…

Op het tafeltje naast de leeszetel ligt “Oorlog en Terpentijn”. De bladwijzer verraadt het: hiermee ben ik bezig. Maar al een wijle geraak ik niet verder in Hertmans’ roman. Net nog had ik vriend Bill aan de lijn. Zoals hij momenteel zijn grote passie (het schilderen) nog maar eens heeft afgezworen, ben ik het oorlogsgedoe zat. Het deprimeert me.

Bill informeert naar wat er in Be-Part (Waregem) te beleven valt. Hij had – even voor een babbel bij de buren – een uitnodiging zien liggen: “The Perfect Wave”. De invitatie toont ook een foto van een jonge kerel, surfend op een immense golf. Hij vraagt het omwille van de zoon des huizes, verwoed watersporter.

Het is de titel van een tentoonstelling, zeg ik. Ik was nog maar net naar de vernissage geweest en vertelde Bill dat het geen spek voor die jongen zijn bek zal zijn. Alleen het werk op de uitnodiging, dat ook “The Prefect Wave” heet, heeft met surfen te maken.

Be-Part toont werk van Nicolas Provost. De prille veertiger is beeldend kunstenaar, cineast, videast, regisseur… en tast op intrigerende wijze de grenzen tussen media af. Zijn perfecte, want oneindige golf, is mooi, maar zegt me weinig. Ik ben geen waterrat.

Verstomd keek ik wel naar wat zich bij het binnenkomen achter mijn rug afspeelde. Een lange rij wachtenden in de metro van New York, stad waar de kunstenaar verblijft. Voor deze opname had hij onnoemlijk veel geduld moeten opbrengen, las ik achteraf. Hij wilde wachten op het moment waarop een heel  zeldzaam soort licht de metro binnen valt. Snijdt. De niets vermoedende figuranten worden protagonisten. Ze maken doodgewone bewegingen die in slow, slow motion worden getoond. Het werk roept associaties op met het oeuvre van Bill Viola. De vaak bijna tergende, verwarrende traagheid, de kwaliteit, het unieke moment, het licht, de sfeer, de uitzonderlijke beleving van en inkijk in iets doodgewoons.

In de tentoonstellingsruimte liep ik een oud-minister tegen het lijf en ik zou er – na lang – nogal wat kennissen uit de kunstwereld ontmoeten. Ook Michaël Borremans, onlangs door iemand tot “Belgiës Rembrandt” gebombardeerd, was op het appel. Naar diens tentoonstelling in Bozar (Brussel) ga ik straks. Nee, geen interview, meneer Borremans. Wat moet je zo iemand trouwens nog vragen?

Ook de West-Vlaamse gouverneur was er. Ik was zelfs op tijd om naar ’s mans toespraak te luisteren. Ik hou blijf doorgaans weg van tentoonstellingen waarop de aanwezigheid van politici is aangekondigd. Al zeker wanneer ze ook nog eens het woord voeren. Ontaal! Wat kan dat soort volk momenten van schoonheid bederven! Ik kan ook na de vernissage gaan kijken. Nauwelijks gestoord. Dit doe ik dan ook gewoonlijk. Maar vrienden hadden me gepraamd: “Laat nog eens je kop zien!”

Wel, ik heb me niét geërgerd. Noch aan de inhoud noch aan zijn West-Vlaams dialect. De man moet geoefend hebben. Zo hoort het ook.

Ik heb buiten, op het terras, genoten. Maar ook binnen, toen het er wat rustiger werd. Van hoe en waar Provost filmt, hoe hij op zijn manier verwijst naar de (kunst)geschiedenis en onder al gefilmde beelden een verrassend scenario schrijft.

Maar het meest indruk heeft “The Invader” gemaakt. Of beter: Hannelore. Hannelore Knuts. Hoe ze stapt, hoe ze kijkt. Een blik die voorbij alles heen lijkt te kijken, maar waarvan je vermoedt dat ze toch registreert wat belangrijk is. Hoe ze zich opricht en naakt langs de zee stapt. In de richting van aangespoelde, uitgeputte kleurlingen. Twee donkere mannen, van wie de sterkste de andere lijkt te gaan redden. Erin slaagt hem op het droge te sleuren. De blik die hij – als het redden van een leven bijna een feit is – met de ranke, blanke vrouw wisselt is onvergetelijk! Een beeld dat zowel het verleden als het heden in zich draagt. En nog veel meer. Het is de  beginsequentie van de film “The Invader” (2011).

Op de vernissage was Hannelore aanwezig. Nog groter, want op hoge hakken liep ze rond. Gewoon. Gekleed in een soort gordijnstof, stijl jaren 60, schat ik. Daar had zowat iedereen op het terras van het kunsthuis het over. Mannen zowel als vrouwen. Elkaar waard in de roddel. Ze keken zich (heimelijk) de ogen uit. Wat is ze groot. En mager. En dat haar… Die commentaren. Het hoort er bij. Van de kunst naar de smalltalk en terug. Hannelore Knuts heeft een beklijvende indruk op mij gemaakt. Straks zie ik haar als engel in het oeuvre van Borremans.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

JOHAN DEBRUYNE, april 2014

 

PAK – Bij de geboorte van een kunstenplek

         

 

PAK – Bij de geboorte van een kunstenplek

PAK is beauty!

Mijn huis staat in de rij. Langs een drukke, drukke laan. Net buiten de Brugse stadspoorten. Er ligt een relatief kleine tuin achter. In functie van mijn bleekgroene vingers een meer dan behoorlijke rechthoek. Maar als ik zie wat mijn geboortestad aan tuinen rijk is – en dan heb ik het niet eens over de groene enclaves waarin een handvol geestelijken het privilege geniet om zich te bezinnen – dan moet ik het bijwoord “relatief” schrappen.

In de jaren 70-80, toen in zowat elk dorp een gedegen beeldhouwer woonde, verwierf ik 2 abstracte sculpturen, die – zo blijkt vandaag – de tijd hebben getrotseerd. Wie mijn woonkamer de rug toekeert en mijn kleine tuin aan de rand van de aloude stede aanschouwt, neemt gauw het woord “mooi” in de mond. Niets zeggen valt moeilijk.

Zo veel jaar later aai ik nog wel eens een marmeren glooiing. En aan de keramiek, door de ondertussen overleden schepper dermate kundig bewerkt dat de klei al minstens 30 winters heelhuids is doorgekomen, wil ik al eens voelen. Ik leg er en passant eens mijn hand op. Als de zon ook maar even  doorheen het wolkendek geraakt, willen vooral duiven er zich graag aan verwarmen. Schijten doen ze niet. Niet meteen uit respect voor de kunst, denk ik, maar uit alertheid voor mijn katers en hun vele soortgenoten in de buurt.

Natuur en cultuur. Natuur en beeldende kunst. Het heeft me altijd gepassioneerd. Mijn bescheiden privaat beeldend tuinarsenaal kreeg vorm in de diepe voren, getrokken door kunstenaars als Octaaf Landuyt en Henry Moore.

Of ik liever een “Tahon” zou hebben? Johan Tahon is een van mijn favoriete beeldhouwers. Maar wat hij creëert wordt door lieden met meer vermogen verworven. “Gerecupereerd” . Het is van alle tijden. De waarheid mag hier alsnog gezegd, hoop ik. In Rusland bijvoorbeeld ligt dat moeilijker. En of ik het kan appreciëren dat in het Citadelpark (Track/Gent) kinderen turnles krijgen te midden de grafstenen? Leren koprollen tussen de rijen zerken waarmee Copers de musea ten grave heeft gedragen? Eigenlijk niet. Wij dansen niet om de dood. Ook niet van musea. Dat kinderen in Nieuwpoort op een reuzenschildpad klauteren deert me dan weer niet. Utopia blijft een verlokking en wie zich god waant, moet niet flauw doen om wat kindervoetjes…

Wat later brak een periode aan dat tuinen en parken als fora voor kunsten blijkbaar hadden afgedaan. Park Hap (Brussel), Park Sebrechts (Brugge) en Tuin de Brabandere (Tielt) waren vertrouwde locaties waar je des zomers als kunstenliefhebber plots niet meer heen kon. In het Nederlandse Sonsbeek duldde het groen geen concurrentie meer en in Antwerpen lag Midddelheim op apegapen. En toen Michel De Wilde, toen een erg pril curator, me diets maakte dat de combinatie van groen en beeldende kunst zijn beste tijd had gehad, nam ik dat voor waarheid aan. Mijn naïveteit gaat er nooit helemaal uit! De jonge kerel had langer over kunsten gedaan dan ik en sprak eigenlijk een soort wartaal die behoorlijk klonk. Als je lang over kunsten hebt gedaan, dan verdraagt het wereldje dat je onzin uitkraamt. Dan worden je dikke of net heel dunne boeken gekocht of mag je curator spelen. Sommigen wanen zich dan zelf bijwijlen kunstenaar. “Als ik kon toveren!” zingt Van Veen. Wel, later zou de jonge curator een heel bos be-toveren! Proberen, atlhans.

Ik was blij toen ik in Kassel (D) vaststelde dat het immense park bij de Orangerie nog maar eens deel uitmaakte van de documenta, dat Middelheim een nieuw elan kreeg en dat ik in 1996 in New York de bus nam en me zo’n 100 kilometer noordwaarts begaf. De Hudson-rivier vergezelde ons de hele kronkelweg! Een kenner had me voor de afreis de naam van een “center” én een telefoonnummer gegeven. In diverse New Yorkse musea had ik al naar het immense kunstenpark gepolst. Maar toen ze zelfs in het MOMA de schouders ophaalden, geraakte ik even in paniek. Op mijn hotelkamer draaide ik het nummer. Een dame aan de andere kant van de lijn. Ze lachte ondeugend: “Storm King Art Center”, sir? That’s the best kept secret in new York!”

Ik zou er uren wandelen. Tientallen jaren hadden landschapsarchitecten en beeldende kunstenaars er de handen er in elkaar gelagen. Ik liep langs, onder en op werken van Nevelson, Di Suvero, Moore, Calder, Serra en vele, vele anderen.

Ik moest eraan denken toen vorige week Frank Demarest, geestelijke vader van het PAK (Platform voor Actuele Kunsten: 2 hectare groen, met vijver, brugje, 2 exporuimten…) in Gistel, de pers had samengeroepen: Dullaertweg. Net buiten het centrum. Okay. Of zo. Dààr afslaan. Er was geen kat. Wel een rist verdomd knappe, eigenzinnige, subtiele “Tahons”, 3 “Gentils”, Jan Deconyncks anonieme wezens waren verdwaald in een eindeloze donkerte en er was verrassend werk van jonge kunstenaars. Thom Puckey was er in levende lijve.

Pers en beeldende kunst? Al zeker geen vanzelfsprekendheid in ons gewest, laat staan in die uithoek. Tenzij het zou gaan om blote madammen op een rotonde of een reeks immense naakte bronzen vrouwen wier pose aan porno appelleert. Ik suggereer maar.

Het PAK is een BEAUTY! Een zeldzaamheid.  Vooralsnog in het weekend opengesteld. Zij die erheen willen: Dullaertweg 80 in 8470 Gistel. Tel.:  0495/144332.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

JOHAN DEBRUYNE, 27 augustus 2012

Foto’s: Daniël de Kievith en J.D.