Tag: moeder

De Prijs “Ignace Bernolet”: die van het stil protest en de pijn?

       

 

 

 

 

 

 

 

 

De prijs “Ignace Bernolet”: die van het stil protest en de pijn?

 

Ik zou het afleren, het snel, enthousiast en haast zonder nadenken op een vraag ingaan. Maar het lijkt zo ontzettend moeilijk als die op een vriendelijke of gemoedelijke manier wordt gesteld of wanneer het over beeldende kunst gaat. Bovendien zit het positief antwoorden op een vraag er bij mij diep in gebakken. De schuld van mijn moeder. Zo ging het bijvoorbeeld toen Koen Scherpereel-zaliger (ik keer nu dertig jaar in de tijd terug) over de middag met zijn gekende nonchalance en schwung bij mijn ma thuis (ik ging er ’s middags eten) kwam vragen of ik morgen (!) in de Gentse Decascoop zijn tentoonstelling wilde toelichten. Zijn vraag was van het zuiverste retorische ras. Ik aarzelde, panikeerde net niet en vond dat zijn vraag op zijn minst heel erg laat kwam, maar mijn moeder zei: “Allez, jongen, doe dit voor Koen!” Dat ik meteen les moest gaan geven en ’s avonds toch nog voor de school te werken had, daar werd geen rekening mee gehouden. Zo was mijn moeder. Zoals ik zei: het zit er in gebakken. De oven was niet ver. Ik ben een bakkerszoon.

Onlangs had ik het weer, toen iemand me zei dat er een prijs in de maak was voor een (de meest beloftevolle?) laatstejaarsstudent van de Brugse Stedelijke Academie. Of ik dit evenement wilde toelichten, want ik had mijn veel te vroeg gestorven leeftijdsgenoot Ignace Bernolet toch goed gekend? Naar hem zou/zal die prijs genoemd worden.

De laatste dertig jaar hebben “Ibern”, zo tekende hij zijn schaarse werken, en ik vaak in de clinch gelegen met de Brugse overheid (waaronder de stedelijke academie ressorteert). Beiden vonden we dat de lokale overheid actuele beeldende kunst al decennia lang stiefmoederlijk behandelde. Brugge was voor ons een mooi dorp met een overdaad aan middelmaat geworden. Een toeristenfuik, alom geliefd om zijn fraaie uitzichten, zijn frieten, roomijs, chocolade en bier. Ben ik iets vergeten? Samen met gelijkgestemden werden we maar liefst 16 (!) jaar aan het lijntje gehouden (van 1995 tot 2011) in verband met het nissenproject dat we “Buitenissig Brugge” hadden genoemd. Je weet wel: nissen, die kleine uitsparingen in gevels waar doorgaans een heiligenbeeld in staat. Omdat men in de stede als de dood was en nog is voor permanente actuele beeldende kunst in de openbare ruimte, zou het in die kleine dingen misschien wél worden toegelaten. Hoopten we. Ignace en ik. Tevergeefs. Uiteindelijk hebben we er van de 100, ook de internationaal bekende kunstenares Berlinde De Bruyckere zou meewerken en de voormalige hoofdconservator, Manfred Sellink, was uitermate enthousiast en kondigde het evenement ooit met onverholen trots “en public” aan,… 2 verwezenlijkt. En dit na een hoop intriges, gemene tackles en een resem vergaderingen met BruggePlus, Musea Brugge en de Brugse Erfgoedcel! Eentje boven de deur van mijn voormalige huurwoning in de Carmersstraat en dan, de meest besproken nis van de stad, die in de Vazquez-gevel (Zilverstraat), waar de “Cafedraal” gevestigd is, op een boogscheut van de Sint-Salvatorkathedraal. Daar werd een oubollig en verloederd Sint-Jozefsbeeld zinvol vervangen door een hedendaagse Bernolet-creatie. De uitbater was in de wolken met het resultaat, maar tegenstanders van actuele beeldende kunst spanden uiteindelijk de eigenaar van het pand voor de kar en er werd zelfs met een proces gedreigd.

De stad Brugge heeft ons helaas niet geholpen en we hebben ondervonden dat paapse verenigingen (er bestaat in deze stad zowaar zoiets als “Het Mariacomité!) met de meest oubollige ideeën omtrent beeldende kunst en waarvan we het bestaan niet eens afwisten in de aloude stede nog veel invloed hebben. Nochtans werd Bernolet (1953-2016) door de stedelijke overheid met regelmaat gevraagd om restauraties uit te voeren. Hij was veelzijdig, beheerst en kritisch. Kunsthistoricus, kunstenaar, restaurateur en lesgever, was hij. De leeuwen van het gelijknamig Brugse brugje heeft hij nog feilloos hun oude glorie teruggegeven en op de Brugse centrale begraafplaats nam hij diverse verpauperde praalgraven met succes onder handen. Ook in de stadsschouwburg heeft hij een ruimte eigenzinnig-sober naar zijn hand gezet en zijn allerknapste ingreep was zijn in situ-installatie in het verloederde stadspaleis “d’Hanins de Moerkerke”. Ik herinner me nog levendig zijn “Zetel voor Mobutu”. Altijd sober, puur, minimaal. Grote fan ook van Yves Klein. Blauw en bladgoud waren zelden ver.

Ik herinner me zijn protest bij een grote solotentoonstelling met zijn werk in het belfort op de Grote Markt. Over al zijn werken had hij zwarte doeken gelegd. Uit protest tegen het Brugs cultureel beleid. En toen we in 2002 in Venetïë (op de biënnale) de kamer deelden, vernam ik meer over zijn frustraties. Ik herinner me ook zijn inbreng in “Brugge 2002”, in het zgn. “off”-programma, door “De Slang” georganiseerd: een gouden zebrapad. Voor de toeristen? Goud, dat met de tijd en onder duizenden voetstappen langzaam zou verdwijnen.

Maar goed, er zijn de twee nissen en ik heb ooit een tweeluik van hem gekocht.

Misschien is die prijs naar hem noemen nog niet zo’n slecht idee. Althans wanneer de studenten aan de academie de waarheid wordt verteld. Dan weten ze hoe moeilijk het alhier gaat om als hedendaags beeldend kunstenaar in je opzet te slagen.

Ik heb dus uiteindelijk “nee” gezegd. En ik dacht daarbij aan mijn vorig jaar overleden zus. Duizend keer assertiever dan ik. Flamboyanter ook. Het doet pijn wanneer ik foto’s zie van familiereünies waar ze bij had moeten zijn. Een zogenaamd moeilijke tante, van wie je altijd vuurwerk kon verwachten.

 

Johan DEBRUYNE, begin juni 2017

Omran

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Omran

 

Gisteren was de pijn tussen mijn schouderbladen draaglijk. Ik kon dus weer wat langer achter de computer zitten. Tegen de middag reed ik met de auto zowaar naar de fitness om met wat vederlichte oefeningen het lijf enigszins soepel te houden. Hoewel ik onderweg de autoradio niet had aangezet en over hét item van de dag – de schandelijke onderbezetting in rusthuizen of zorghotels – dus niet opnieuw berichten hoorde, werd ik onwillekeurig naar de jaren ’90 terug gekatapulteerd.

Als nakomer en jongste van 7 heb ik mijn moeder 5 jaar (!) lang in een rusthuis bezocht. Elke dag was ik op het appel (er waren er die me hierom gek verklaarden). Ik had van het bestuur van de instelling (een non) kunnen bekomen dat de deur van de kamer (aan het eind van een gang) zowat altijd open mocht blijven, opdat mijn moeder nog een beetje voeling met het “gewone” leven zou hebben. Ze had haar hele leven immers een groot gezin én een bakkerij in een volkse buurt gerund. Nu zat ze gevangen in een kleine kamer. Ze had een kamergenote die alleen nog in staat was om af en toe enig geluid voort te brengen. Fysiek voorts even hulpbehoevend als zij.

Die open deur was voor moeder ontzettend belangrijk. Ik nam mijn werk voor school, krant en tijdschriften en wat ik nog allemaal bekokstoofde gewoon mee. Ach, als kind had ik ook altijd  het liefst aan een met toile cirée bedekte keukentafel gezeten. Wanneer de glanzende tafelbescherming ten onzent er door overvloedig gebruik te “artistiek” begon uit te zien werd hij vervangen door een nieuwe lap uit de Franco-Belge.

Bij een tafel aan het raam keek moeder vanuit haar rolwagen uit op de gang en op de tuin. Af en toe zei ze wat over de vogels. Ik (het kan ook een zus van me zijn geweest) had ook voor een koffiezet gezorgd. Het met regelmaat zetten van koffie gaf de kamer een huiselijke geur. Heel af en toe kraaide de kamergenote wat. Moeders gezondheid was heel precair na een operatie aan de rand van de hersenen, niet uitgevoerd door de chirurg van wie ze gezegd hadden dat hij de ingreep zou uitoefenen, maar door een assistent. Eenmaal verdoofd en in het O.K. van een ziekenhuis ben je nog slechts een ding. Ik heb toen, als veertigjarige, het woord “oedeem” goed leren kennen. En tegelijk ervaren hoe ingrijpend het is in een rusthuis terecht te komen. Ik heb het nu over meer dan 20 jaar geleden en toen was de situatie er al schrijnend. Ik had ook snel in de gaten dat wanneer een van de meest corpulente zusters met regelmaat langs wiegelde, er in de onmiddellijke omgeving dra een dode te betreuren zou vallen. Elk (rust)huis heeft zo zijn gewoontes…

Ik denk er aan, nu die jonge verpleegster uit de biecht heeft geklapt en haar terechte aanklacht zowat alle dagbladen heeft gehaald, en ik zopas het vers gebouwde zorghuis “Ter Potterie” (Brugge) voorbij ben gereden.

In de fitnessruimte ben ik zwijgzamer dan gewoonlijk. Het is bijna middag, het zomert volop en er is amper volk. Aanvankelijk zit ik nog wel met het ochtendnieuws in mijn kop. We worden dan ook dagelijks meermaals om de oren geslagen met steekpartijen in allerhande variaties, met dreigingsniveaus, bommengordels waarmee nu ook kinderen doden maken, met onschuldige mensen die met machetes of messen worden aangevallen, met flikken die zelfs thuis niet meer veilig zijn, met ziekenhuizen die gebombardeerd worden en met presidenten en andere gezagsdragers die liegen dat ze zwart zien. Niemand – al zeker in Syrië niet – weet soms nog wie met wie in oorlog is. Hoe houden al die milities in die puinhopen van wat ooit prachtige steden waren het overzicht? Intussen lijkt het allemaal te wennen. Je wordt er niet gelukkig van, maar je doet voort.

Af en toe slaagt een beeld, doorgaans van een kind dat werd gedood of net van de dood gered, er in om toch wat langer op het netvlies te kleven. Zoals van de week: het iconische beeld van een jongetje dat tijdens luchtaanvallen in de Syrische stad Aleppo aan het eten was en daardoor gered kon worden. Zijn oudere broer Ali, die op dat ogenblik op straat aan het spelen was (gelukkig spelen kinderen nog tijdens de oorlog) kwam om, samen met nog 141 andere kinderen. Niet echt “nieuws” meer, maar de kleine Omran maakte een diepe indruk. In de armen van een volwassen man werd het kind naar een soort ambulance gebracht en helemaal versuft, het gezichtje deels onder het bloed,  op een oranje stoel geplaatst. Het leek beschroomd om het stuitend wangedrag van volwassenen die bommen gooien alsof het niets is. Het wreef na enige tijd behoedzaam aan zijn slapen om te voelen hoe erg het was geraakt en het schaamde zich wellicht ook voor de fotografen die op zulke momenten hun werk blijven doen (fotograferen, dus) en veegde voorzichtig het bloed aan het oranje stoeltje waarop het was achtergelaten.

Levend van onder het puin gehaald! Het leek om een feestelijke gebeurtenis te gaan. En nu? En straks? En morgen? En dan? Ik vroeg het me af. Al enkele dagen laat Omran me niet los. Er was blijkbaar nog een reden waarom het beeld van dit kind in mijn hoofd bleef hangen. De Belgische kunstenares Maen Florin heeft de laatste maanden en jaren een meute mensjes/wezens gemaakt die totaal in zichzelf zijn gekeerd. Intens en blijkbaar onherroepelijk getroffen als ze zijn door een of ander trauma. Momenteel is Florin’s werk nog heel even uitgebreid te bezichtigen in het Kunstenhuis van Watou, maar het kan geen toeval zijn dat ik, toen ze haar sculpturen van volslagen introverte en/of getraumatiseerde wezens in het kunstenhuis van Harelbeke tentoon stelde, het langst bleef hangen bij een jongen die me nu voortdurend aan de kleine Omran doet denken. Het zou een veel oudere broer van hem kunnen zijn. Ouder nog dan Ali. Die was amper 10.  Het beeld van die kerel moet me heel erg hebben geïntrigeerd toen, want ik had iemand gevraagd om een foto te nemen, terwijl ik hem voorzichtig koesterde. Met koesteren moet je in deze context opletten. Het was eigenlijk amper aanraken. Meer niet. In de hoop wat troost te bieden. Aan een beeld! Hoe kan je zo in kunst opgaan? Hoe kan een kunstenaar je zo diep raken?

Kijk, Omran, er is nog een broer van je. Maar wat heeft Omran aan een beeld?

Ik heb de foto’s naast elkaar gelegd. Vooral hun haartooi vertoont veel gelijkenis, maar voorts hun hele houding waarmee ze zich ogenschijnlijk pantseren tegen een wereld vol fysiek en/of mentaal geweld.

Ik wilde Florin’s beeld, dat laat zien hoe – in zijn ruimste betekenis – lelijk ook mooi kan zijn, graag in huis, maar mijn vrouw, mentaal nog veel brozer dan  ondergetekende, zou de dagelijkse confrontatie niet aan kunnen. Kunst stemt me wel vaker melancholisch. Ik kan er tegen. Denk ik. Een beetje ongelukkig zijn, zoals de TV-psychiater beweert. Ik lijk het aan te kunnen.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

JOHAN DEBRUYNE, eind augustus 2016

 

 

 

 

 

 

 

 

Bij de dood van een zus

 

 

Uit een rist van zeven kinderen ben ik de laatste. Het kakkernest. En kijk, vandaag sta ik weer helemaal onderaan het rouwbericht. Zo gaat dat. Alles wordt keurig opgelijst. We proberen, zeker in deze momenten van beproeving en verdriet, bijna krampachtig een foutloos parcours te rijden, niemand voor het hoofd te stoten.

Zeven. Ik was altijd fier op dat getal. Ik zal het blijven, denk ik. Hoewel Ghislaine nu volslagen onverwacht is weggerukt uit ons en mijn bestaan en we vandaag tot vier zijn uitgedund, blijf ik de jongste van… 7.

Ook 16 dicht ik een bijzondere betekenis toe. Mijn moeder en ik zijn op die dag geboren. Er zat wel ongeveer een halve eeuw tussen. Maar die 7. Het zal zowaar een heilig getal zijn. Een van de weinige zaken die ik nog geloof, dan. Bovendien moest ik willens nillens naar een katholieke school. Al mijn broers en zussen was trouwens het identieke lot beschoren. Een aantal onder ons zou er revolteren. Belangrijker dan de paapse volgzaamheid van mijn lieve moeder speelden mercantiele redenen een doorslaggevende rol. Vader zweeg doorgaans, spuwde en vloekte als een kermisattractie, maar bakte brood. En dat brood werd in grote mate aan die twee scholen geleverd. Twee katholieke instellingen. Zogenaamd “vrije scholen”. Ik heb dat lang niet begrepen, want bepaald vrij was je daar toch niet? Al zeker niet in wat je dacht.

Ach ja, behalve in brood, was vader ook heel goed in appelflappen. Als ’t braderie was kwamen ze die van heinde en verre kopen. Toen vader de lange lijdensweg tot zijn dood moest gaan, was Ghislaine er vaak om zijn leed te verzachten. En je gaat nooit raden wat ze me vorige week vroeg mee te brengen naar het ziekenhuis, net voor ze die twee fatale hartstilstanden kreeg? Een appelfap!De cirkel dus toch een beetje rond.

Soit. Vier jongens en drie meisjes. Voor de jongens was ik doorgaans een pestkop (7 kan veel zijn wanneer er te eten valt/ik had altijd trek), zodat er al eens wraak werd genomen zonder dat ik het meteen in de gaten had. Voor de zussen was ik het kleine broertje, met wie geparadeerd kon worden. Ik ben het gebleven.

Mijn tweede oudste broer, Robert, stierf op z’n 60ste. Zijn (groot) hart begaf het. Eensklaps. Tijdens een voetbalwedstrijd. Ik schreef op dat moment behoorlijk kritische recensies voor een regionaal blad en hij was in Brugge en omstreken bekend als een slechte kluute. Hij heeft eigenlijk nog geluk gehad, want had men toentertijd ook al dronken fietsers beboet… Hij was mijn grootste fan. Een enkele keer ben ik ook met hem op reis geweest. Tante Wies was mee. En hun dochter, Isabelle. Echt ver wilden we niet echt geraken, maar toch was het een onvergetelijke trip. We dolden vaak en het feit dat mijn broer erg economisch was ingesteld, leidde ertoe dat de maaltijden wel eens op zich lieten wachten: de menukaarten werden grondig geanalyseerd…

Mijn oudste zus, Thérèse,  stierf toen ze 62 was. Ontgoocheld in het leven was ze op de sukkel geraakt, maar ik was ervan overtuigd dat haar vier schitterende kinderen en haar al even aanstekelijke kleinkinderen, die zware dip ooit wel zouden keren. Helaas.

Met haar, haar man en de 4 kinderen ben ik behoorlijk vaak op vakantie geweest. Frankrijk en Spanje. In België leerde ik de glooiingen en de warmte van het Walenland appreciëren en in Spanje – Franco had net het onderspit gedolven –  leerde ik paella eten.

Vorige week heeft Ghislaine totaal onverwacht – ook voor de haar begeleidende dokter-specialist, het tijdelijke voor het eeuwige ingeruild. Van de eersten die ons  verweesd achterlieten had je er geen 13 in een dozijn. En Ghislaine was al helemaal een geval apart.

Over haar zou ik het hier moeten hebben. Wat herinner ik mij van haar? Flarden. Ze komen uit een hoofd dat nog in de war is. Uiteraard de talloze keren dat ze op kerstavond de perfecte gastvrouw was voor een deel van de familie. Ik herinner hoe ze gretig en graag de familie van haar zus uit Wallonië ontving. Maar laat me eens heel ver terugkeren. Kleine broer ving met regelmaat geruchten op. Ik weet dat vriendschap voor haar erg belangrijk was. Ik zie nog levendig het knappe buurmeisje Ann voor me. In een vouwzetel, dicht bij de serres van haar vader. Veel te jong gestorven. Geruchten deden de ronde dat mijn jongste zus flink kon uitgaan, zowaar uit de kluiten gewassen mannen onder tafel dronk, een gen dat ze blijkbaar aan haar twee kinderen heeft doorgegeven. Niet dat ze aan de drank zijn, maar af en toe eens loos gaan. En of ze dat kunnen! Een Bourgondisch gen zeg maar. Een gen van de goede smaak in tal van betekenissen. Ghislaine is koket gebleven tot de allerlaatste dag. Ook toen nog deelde ze bevelen uit en ging ze andere zieken een hart onder riem steken.  Ze was een fiere vrouw: zo koket en gulzig naar het leven, naar wat nieuw is, dat haar dood na drie jaar kanker toch nog een absolute verrassing was.

Dat ze uitmuntende kokkin was, een uitgelezen gastvrouw, met geduld en smaak gigantische kerststukken in mekaar toverde, dat ze tal van kwaliteiten had en dat niet altijd door iedereen werd geapprecieerd. Je kan zo goed zijn in bepaalde dingen dat je frustraties opwekt. De mortuis nil nisi bene. Voor mij geldt dit niet. We maken allemaal fouten. Laat me een keer klinken als een pastoor: we zijn allemaal zondaars.

Die kokette vrouw, toen nog met lang, sluik haar, lokte een Brasschaatse architect-urbanist via Finland en Breda naar Brugge. Ik zie Marc nog in zijn outfit van toen. Er is veel veranderd sindsdien. Luisteren naar de muziek van Cat Stevens doen we al lang niet meer. In Zwevegem zongen we zijn liedjes mee. Daar, te midden de velden, heb ik Antwerps geleerd. Een schitterende plaat van Wannes Van de Velde was daar uiteraard niet vreemd aan. Muziek en poëzie. Dit raapte ik zowat overal op. En dat deed zij ook. In Wallonië leerden we het chanson appreciëren. En toen ik voor het eerst serieus aan mijn Nederlands ging schaven leerde ik met plezier de platen van Wim Sonnevelt van buiten. Ghislaine deed mee. De laatste tijd was samen koffie drinken kijken hoe veel we nog van de teksten afwisten. Het waren leuke momenten. Hoewel het ook gebeurde dat je naast haar zat en dat ze eerst doodgemoedereerd de krant doorbladerde. En toen de kelner een glas cola bracht met te veel ijs, vroeg ze alsof het de gewoonste zaak van de wereld was ze om een… flesje. Zo zat ze in elkaar. Rechttoe rechtaan. Te nemen of te laten. En zo hield ik van haar.

Ik zie de kinderen, Bram en Charlotte, nog spelen, op den buiten in Desselgem, een talud, een koe voor het raam, een rode alaamkast en een Mariëtte op de loer. Ik zie Bram nog op de piano tokkelen, een jongen die je toch eerder in de nabijheid van andere instrumenten verwacht. Ook hij heeft vandaag eigenzinnig zijn weg gekozen. Ghislaine droomde nog van een paar verre reizen en geloofde dat haar ziel aan de vloedlijn van de Eufraat lag. Misschien was het wel de fantasie die ons bond. Ik kon er wel eens mee lachen. Hoe hadden ze mij niet uitgelachen toen ik niet op school was gearriveerd, omdat ik met een roodborstje aan de klap was geraakt? Ik vertelde het met volle overtuiging. En Zuid-Afrika? Daar wilde ze naar verluidt met Gilles en Julie nog naartoe.

Net nadat ze had vernomen dat ze kanker had, deden we samen een paar dagen Londen. Ze was ziek, je wordt niet voor de lol aan de afdeling oncologie afgezet, maar volgen kon ik haar niet. In Regent Street stapte ze doodgemoedereerd en vooral gedecideerd een kledingzaak binnen en paste er gedurende wel een halfuur van alles en nog wat. Ik stond bij een spiegel en speelde voor kapstok. Nummer 7… Nu, misschien was dit een wederdienst voor een lang vervlogen dagje Antwerpen waarin ze mij een dure sjerp van Walter Van Beirendonck cadeau had gedaan.

Laat me besluiten met het allerbelangrijkste: voor alles was Ghislaine een warme, bezorgde, uitstekende moeder en grootmoeder.

Johan Debruyne, midden januari 2016

 

 

 

 

“Yemma” (Stilleven van een Marokkaanse moeder)

“Yemma” (Stilleven van een Marokkaanse moeder)

Televisie kijken? Nog maar af en toe. Rotzooi, leugens, rampspoed. Ik voel dat ik moet doseren. Dezelfde smoelen ook telkens weer. En een clown die in zijn tent mateloos ophemelt wat hij als jurylid ooit genadeloos de grond in boorde.

Naar “Pauw & Witteman” op de Nederlandse televisie wil ik nog wel eens zappen. Een flard. Een wijle. De presentatoren, klassenbakken, maken wel een vermoeide indruk. In hun programma hoorde ik voor het eerst Mohammed Benzakour aan het woord: Marokkaan van de tweede generatie, meermaals gelauwerd om zijn vlotte, scherpe pen. Hij had het die wijle over zijn pas verschenen boek “Yemma”. Wat in zijn moerstaal “moeder” betekent.

Hij vertelde dat het boek het relaas was van hoe hij voor zijn zieke moeder zorgde of had gezorgd. Ik was moe en heel precies weet ik het niet meer. Maar wat hij zei sprak me sterk aan. Veel ervan had ik immers zelf pijnlijk ervaren. Het zich almaar herhalend onbegrip waarop je stuit wanneer iemand die hulpeloos en oud is geworden en je na aan het hart ligt, is overgeleverd aan verzorging door anderen. En ongewild weggeplukt uit de vertrouwde biotoop. Wanneer je iets wat je ontzettend lief is noodgedwongen moet afstaan aan “specialisten”. Aan vaklui. En hoe hemeltergend en breed de kloof dan vaak is tussen kennis en empathie!

Tussen mijn 38ste en mijn 45ste was mijn oude moeder (ik ben het rijkelijk laat gekomen kakkernest uit een gezin van 7) op de sukkel. Hersenletsel door het veelvuldig vallen. Er volgden een operatie en het moeizaam herstel. Ik heb voor haar gevochten. Me krampachtig vastgeklampt aan het leven dat mij ooit het leven had geschonken. Toen men haar zonder enige verwittiging van kamer had verkast was ik woedend. Ik heb bijna de deur van de directie ingestampt. De gezwollen buik waaruit ik ooit tevoorschijn was gekomen heb ik dag na dag gevoeld, omarmd en gekoesterd. De natte zoenen. De ingevallen wangen. Gevochten voor wat nog restte: een zucht “leven”. Was ik een tikkeltje redeloos? Ik durf het me jaren na datum wel eens afvragen.

Vijf jaar geleden had ik “Yemma” niet kunnen lezen. “Sprakeloos” (Lanoye) evenmin. Lang na de dood van mijn moeder, in 1995, heb ik vaak zitten wenen. Vaak, maar kort. Het leven gaat door, weet je wel. Vooral wanneer ik alleen in de auto zat. Mooie stemmen en teksten die me raakten. Ze vloerden me even, maar luchtten ook op.

De dag na de uitzending ben ik “Yemma” meteen gaan halen in de boekhandel (besteld eigenlijk en er twee dagen op gewacht) en ik heb het net uit. Subliem, de taalrijkdom waarmee Benzakour die pijnlijke ervaringen beschrijft.

Een smetje zijn de paar taalfoutjes. Te wijten wellicht aan het ultiem wijzigen van een wending. Bijvoorbeeld. Het ontstemde me. Hebben ze zelfs bij een uitgeverij als “De Geus” dan geen eindredactie meer? Maar voorts: een boek dat beklijft!

We zijn op bezoek. Bij een broer en zijn vrouw. Wij hebben de gebakjes meegebracht. Dat was zo afgesproken aan de telefoon. Ik ben ze voor de middag gaan halen. Dan kan ik zelf kiezen… Mijn broer, germanist, boekenwurm en jazzfreak, wordt  ouder en rustiger. Alleen – zo lijkt het –  wanneer het over politici gaat, steigert hij nog. Schauvliege (minister van cultuur) passeert de revue. Ook de taal van de vrouwelijke Brugse schepen die cultuur zou moeten behartigen, jaagt hem nog wel eens de gordijnen in. Hij ergert zich hoe mensen met een publieke functie met onze moedertaal omspringen. En aan meer van hun streken.

We hebben het even over “taal”. Hij had het bij de eerste plaat van Willem Vermandere gehouden. Tijden geleden. Sindsdien is er dat belerend vingertje bij de bard die ook beeldend kunstenaar wil zijn. Daar moet hij niet van weten. Van dat vingertje. Het katholiek onderwijs heeft hem in zijn jeugdjaren meer dan voldoende leugens op de mouw gespeld. Ook van het neerkijken op het “gepeupel” door zij die Frans praatten is hij nog niet helemaal genezen. Een virus dat al vele tientallen jaren woekert…

Ik breek een lans voor “Het Zesde Metaal” en zanger Wannes Cappelle en vertel over Wyslawa Szymborka, Poolse dichteres. Niet zo lang geleden gestorven. Ooit Nobelprijs literatuur. Ik kan me vastbijten in dingen. Szymborska heeft mijn hart gestolen. Zo veel wijsheid in zo weinig woorden. Haar “Gesprek met een steen”: wonderlijk!

In hun tuin ontwarren we meer vlinders dan in de onze. Omdat zij geen katten hebben, denk ik, en meer bloemen. Na een paar uur praten en vooral door de hitte murw gemaakt ploffen we ons thuis in onze “Jori”. We hebben er elk een. Serieuze investering. Half fauteuil, half bed.

We pruttelen nog wat over vlinders. Als die toch zo kort leven. Van een paar weken tot enkele maanden… Ik denk aan Boudewijn De Groot, aan vleugels van papier. Sterven op het water. Ook wij sterven nu een beetje. In ons bed. En net voor ze inslaapt, hoewel je met die hitte maar nooit weet, vraagt ze: hoe zit dat dan met een eendagsvlieg? Ik blijf het antwoord schuldig, maar ze slaapt al.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

JOHAN DEBRUYNE, juli 2013

 

Lichaamsvocht, zonevreemd en dodend

 

 

 

 

 

 

 

LICHAAMSVOCHT, ZONEVREEMD EN DODEND

Je hebt me niet verlaten toen je doodging, moeder

Niet toen je hart het begaf

Ik moest je eerder loslaten

Vallen heeft het afscheid bespoedigd

Sussende woorden, maar je hoofd viel mee

Er groeide een klonter

Vlijde zich tegen je hersenen aan

Weg evenwicht. Stappen werd moeilijk

En als je zat, zakte je onderuit

Het begin van een schrijdend afscheid

Het einde van een Verticaal Tijdperk

Pretoogjes nog, af en toe

En ondeugend graaien naar verboden zoets

En natte kussen. Maar de tijd…

Klonter was kanjer geworden

Zonevreemd, dus weggehaald

Er kwam een plas. Oedeem genaamd

Vermaledijd vocht, zeker in een hoofd

Je wil werd gedwarsboomd

Nooit deden je botten nog wat je wou.

JOHAN DEBRUYNE, maart 2013