Tag: melancholie

Black is the colour of true love

 

 

 

 

 

 

 

Ik heb voor het eerst in weken het huis verlaten. Gisteren passeerden, naar dagelijkse gewoonte, talloze mailberichten. Doorgaans waardeloos en tijdverlies. Bij een ervan vielen de woorden “Rekto Verso” op. Ik heb deze passant even uit de digitale prullenmand gehouden. Het ging dan ook over burn-outs, meer bepaald zowaar in de culturele sector. Over een soort overdrive in dat wereldje. In mijn coconnetje. Er zou sprake zijn van een diepe vermoeidheid. En ik weet dat het waar is. Want ik ken ze, de cultuurmandatarissen die serieus wankelend rechtop blijven.

 

GIOVANNI DANIELLE IEZARD WINNE. Voor zijn werk ben ik hier.

Ik vind het goed klinken, Giovanni, Danielle, Iezard Winne. Voorts twijfelde ik tussen: “Back in Town” en “Black in Town”.

 

Met relatief grote regelmaat ga ik naar kunst kijken. Doorgaans moet ik er nadien iets over schrijven. Het is even schrikken wanneer je vaststelt dat je dit al bijna 40 jaar doet. De ervaring heeft me geleerd dat het beste wat me in dit geval kan overkomen stiekem een galerie binnen stappen is.

Een absurde wens. Want uit gewoonte of noodzaak noteer je wel wat. Je pent cruciale woorden neer die je wat later zullen helpen bij het schrijven. Maar net wanneer ze jou zien schrijven, komen ze op je af en mag je de vrijheid die je jezelf naïef, maar van harte had gegund vergeten. Als compensatie krijg je dan in het beste geval wat informatie, die je anders wellicht zou ontberen en waar je ook wel wat mee aan kan, natuurlijk.

En toch gebeurt het nog behoorlijk frequent dat je gewoon geniet. Zonder stoorzenders. Wanneer je naar een museum gaat bijvoorbeeld. Of in het buitenland bent, waar geen kat die (h)ART-criticus kent. Als Bruggeling hou ik vooral van Gent. Ik haal er makkelijker adem dan in mijn geboortestad. En wat kunst betreft, daar gebeurt wél wat. Lang niet alleen in het museum dat Jan Hoet-zaliger uit de grond heeft gestampt, maar ook en vooral in dat andere, aan de overkant, waar de minzame conservatrice Cathy De Zegher knappe dingen voor mekaar brengt.

Een paar jaar geleden zag ik er de tentoonstelling met werk van Géricault. Théodore Géricault (1791-1824). De tentoonstelling heette “Fragmenten van Mededogen” en toonde mensen met een hoek af, op weg naar de waanzin. Ik hoefde niet te schrijven (althans niet in opdracht) en genoot met volle teugen. Ik verloor mezelf in het portret van een kleptomaan. Het monumentale Vlot van Medusa – centraal opgesteld – was niet aan mij besteed. Ik focuste op dat ene gezicht. Ik zie het vandaag nog voor me. Nooit verdwijnt die man nog uit mijn geheugen. En ik heb – in alle bescheidenheid – ondertussen nogal wat tentoonstellingen afgelopen. Ook dit jaar. Ik heb onder meer “Documenta XIV” in de benen en slenterde onlangs nog een week door Parijs, elke dag een nieuwe voer werken, maar dié Géricault blijft en bleef op mijn netvlies plakken. Voor de tentoonstelling “Portretten van Cézanne” nam ik de houten brug naar Musée d’Orsay. Een behoorlijk overbodige expositie, als je het mij vraagt. En opnieuw naar Venetië trekken om Fabres werk nu eens in glas en in het blauw of groen te zien? Nee, bedankt. Ik laat het deels gedwongen aan de Venetië-lovers, de happy few, de draaikonten, de dwepers, de idolaten, de vermogenden en de simpelen van geest. We moeten uitkijken voor die burn-out!

Het lijkt me nu tijd om naar Winne over te schakelen. Die heeft ook zo’n zwerfkop die je niet snel vergeet, al zeker eens die geschilderd is.

Ik zag al meerdere keren relatief ongestoord zijn donkere marines. Ik droomde weg in het algehele duister zonder dat er van mij woorden, laat staan zinnen werden verwacht. Ik zat onverstoord middenin zijn blauw, zijn bijna zwart. Misschien dat ik het net daarom allemaal beter heb kunnen vasthouden. Of hoort zijn donkerte bij mijn gemoed? Bij mijn latente nostalgie? Melancholie? Is zijn donker mijn basistonaliteit? Zijn doeken vatten mijn verleden, maar ook mijn hunker. Ik, vrolijke jongen, die telkens weer naar die vreselijke, brutale buitenwereld toe moet. Het beetje licht wijst me de weg.

Het komt me ook voor dat ik heel erg van een kunstwerk ga houden – dan ben ik op atelierbezoek – , terwijl de kunstenaar me duidelijk moet maken dat het werk nog lang niet af is. Artistieke liefde op het eerste gezicht, zowat. Ik hou niet altijd van “affe” werken. Soms zijn een paar toetsen treffender. Misschien net omdat je dan nog volop de mogelijkheid hebt om je eigen wereld het werk binnen te loodsen. Abstractie heeft dit wel eens voor op figuratie en kundigheid. Maar toch. Geef me maar zeeën, vergezichten en koppen, Winne. Geef me dieren, geef me alles en laat me dromen, wegzinken in verhalen. Je werk nodigt er toe uit. Het wonder van mensenhanden die met amper wat materie een wereld voor je doen opengaan. Ik kan er alleen maar van genieten en over praten.

 

Ze liggen niet voor het rapen de kunstwerken, de schilderijen en de beelden die niet af zijn en toch intrigeren. En omdat Zierikzee niet vlak bij de deur is, heb ik heel wat werken van Giovanni onafgewerkt gezien. Wat u hier ziet zal wél afgewerkt zijn. En dan nog: wanneer is een werk af? En wie bepaalt zoiets?

Giovanni Winne schildert marines, landschappen, bossen of fragmenten ervan, portretten, een zeldzaam dier… En wat collega Daan Rau ooit kort over hem schreef – ja, die Giovanni zegt wel erg weinig, hé? – is helemaal waar. Net zo waar als datgene waar we hier vandaag allemaal naar kijken eigenlijk zijn ziel is. We kijken naar innerlijke landschappen. Landschappen van de ziel. Zijn ziel. Winne heeft geen prentjes nodig, ook het mateloos veel water van Zeeland niet, misschien dat een grootheid als Corot hem meer diensten bewijst. En dat black the colour of true love is, zal voor hem wel grotendeels kloppen. Hij weet wat zwart is in de meest ruime betekenis van het woord en wie verliefd is, is vaak tegelijk bang om te verliezen en zoekt al eens het donker op. Voorts is er het zwart van die fantastische ogen van zijn vrouw Daniëlle.

Ik reed de tunnel door, de Zeelandbrug over en was toch even weg van het Vlaamse gekronkel. Het lintgedoe. Het heeft iets. Het brengt je ergens tot rust. En onderweg denk je: wat zou ik kunnen vragen?

Anderhalf uur later ben je er al en na geen tijd legt de mooiste hond met de mooiste naam ter wereld en gitzwarte ogen zijn donkere kop op je dij. Je kijkt om je heen en praat wat. We luisteren naar muziek. Het blijkt dat we – ook woordeloos – meer gemeen hebben dan je op het eerste gezicht zou denken. Het werk zit in mijn kop en ik observeer de kunstenaar, die met regelmaat wegkijkt. Over het oeuvre wordt amper gepraat. Het spreekt allemaal voor zich. Er valt een enkele vraag over de vele lagen op elkaar. De hem typerende transparantie. Hij wijst naar een flacon. Het paletmes zie ik niet, wel de borstels. En ik vermoed dat hij zijn handen gebruikt. Ik hoef zijn schildergeheimen niet te kennen. Ik heb zijn ziel afgetast. Ik hoor sindsdien muziek bij zijn werk en weet dat hij een perfectionist is. Weet hoe extreem gevoelig de man met het wat ruige uitzicht is. Ik zou zeggen: geniet van zijn werk!

 

Johan DEBRUYNE, criticus, Torhout, 30 september 2017

Serendipiteit

        

Omtrent de kunst van “Strook”

SERENDIPITEIT

Het moet zo’n jaar of twee geleden zijn. Van enige puur artistieke “aanwezigheid” ben ik niet op de hoogte gebracht. Ik ben uitgenodigd op een soort happening die plaatsvindt in een straat waar de leegstand schrijnend is. Een aantal gerenommeerde Brugse handelszaken heeft de handen in elkaar en aan de ploeg geslagen. Ze zouden er een wijle een leuke, levendige buurt van maken: een verrassend “eindje” straat aan de rand van het centrum waar hun kwaliteitsspullen jou in een geheel andere context kunnen verleiden.

Ik ga er naartoe, maar stap de nu met leven gevulde bakstenen kneusjes niet binnen. Ik ben een beetje aan het trottoir genageld. Ik toef een hele poos aan de overkant van de straat. Daar is niets te doen. Hoewel ik nu denk dat het zomer was of hooguit zachte aanlooptijd naar de herfst, krijg ik het koud. Aan de gevel van een heel oud huisje (of waren het er twee?) hangt iets wat ik nooit eerder heb gezien: twee monumentale, “huisjesgrote”  koppen. Twee bustes. Soorten portretten,  samengesteld uit stukken hout. Het werk intrigeert. Al zeker het onmiskenbaar vakmanschap.  De hoofden zijn gaaf en expressief tegelijk. Niet schreeuwerig. Ik voel zelfs een zekere melancholie. De creatieve geest die dit heeft gerealiseerd ken ik niet.

Ik denk enigszins verward – aan de overkant wordt ondertussen getoast, gekletst en uitbundig gedaan – aan kunstenaars die doorgaans (of een enkele keer) met hout aan de slag gaan. Balkenhol is de eerste die ik me voor de geest haal. Hoewel diens bas-reliëfs op de meest recente Documenta (in een kerk naast de Friedrichsplatz/Kassel) en zijn monumentale menselijke figuur vlak voor het CAC Malaga me in een nabij verleden hebben ontgoocheld, hou ik van zijn oeuvre.  Gewoonlijk tovert de man menselijke figuren uit boomstammen: verfijnd, vertederend, verstild.

Geheel anders dan de “Goden met geschonden gelaat” van Kader Attia. Die grijpen je bij de strot. Ik denk uiteraard ook aan Vic Gentils. Voor mij een van onze grootste kunstenaars ooit. Onnavolgbaar hoe die houten elementen op ingenieuze manier kon assembleren. Maar waar ik nu op straat naar sta te gapen, is geheel nieuw: geometrische vlakken (gerecupereerd) hout die koppen vormen. Er is amper reliëf.

Ik blijf de hele tijd met “houten kunst” in mijn kop zitten. Met werken van Lohaus, Penone en Brancusi. Allemaal zo anders. En van die Duitse kunstenaar, ik kan maar niet op zij naam komen, die met een kettingzaag en in luttele tijd figuren uit bomen zwoegt. Of zwoegde. Zou hij het nog doen? In de jaren ’90 stond ik oog in oog met wat van zijn bomen was overgebleven. Heel knap! Het was in de Brugse Galerie Hugieia.

Dit hier is weer volkomen anders. Ik zou in de late avond op zoek gaan naar meer van en over dit oeuvre. Wanneer ik dan uiteindelijk toch een deurtje binnenstap, laat ik me vertellen dat de maker amper dertig is en al heel wat op zijn artistieke actieradius heeft. “Strook” is zijn naam, pseudoniem voor Stefaan Decroock. Volgens de Amerikaanse nieuwswebsite “Hufftington Post” behoort zijn werk al tot de meest invloedrijke Street Art ter wereld!

De menselijke figuren die hij tegen muren aanbrengt zijn samengesteld uit verzaagde stukken wrakhout. Hout dat volgens de een of de ander voldoende tijd, leven en functie heeft gehad. Lui die vinden dat het goed is geweest met dit hout. Deze “opgegeven” materie brengt Strook op ideeën. Ze wakkert verhalen in hem op. Hij gaat op zoek naar oude, verpauperde panden en speurt er naar bruikbare houten elementen, stuk voor stuk veel ouder dan hemzelf. Hout dat levens heeft geleefd.

Hoe lang leeft hout überhaupt? Hoe lang gunnen wij een deur? Een raam? En wat hebben verf, mensen en tijd met het hout gedaan? Wat door velen aan de kant wordt gezet, is voor hem basismateriaal om mee te scheppen. In wat hij creëert zitten levens; hebben natuur en mens hun deel gehad.

Op een tentoonstelling in de Kortrijkse Buda-fabrieken (deze ervoor, in de leegstaande ruimtes van de voormalige Brugse drukkerij “Die Keure”, had ik gemist) waren velen in de ban van zijn werk. Het verrast. Het oude hout, de elementen en na enige tijd het vermoeden van een kunstenaar die ook erg goed kan tekenen.

Inderdaad: Strook is grafisch geschoold. Onderlegd. Bedreven. Hij herleidt zijn figuren tot (hoofd)lijnen. Lijnen die vlakken omvatten en dan een wezen vormen. De tentoonstelling laat ook abstract werk zien. Daarin laat hij her en de houten elementen weg en vervangt ze door beton dat hij schimmig figuratief beschildert.

Op de site van de kunstenaar kijk ik ook met verbazing naar zijn allereerste murale werken. Verf. Uit een spuitbus, vermoed ik. Een gigantisch, ingenieus werk, ergens in Antwerpen: een immense, verticale strook.

Van “Young Primitives” heeft hij nog gehoord. Dat was 2005, geloof ik, n.a.v. een Brugs stadsfestival. Graffiteurs van over de gehele wereld (ook acteur Matthias Schoenaerts was erbij) werden als het ware een wijle opgesloten in het Groeninge Museum. Daar dienden ze zich te laten inspireren door de werken van de Vlaamse Primitieven. Nadien maakten ze vaak gigantische werken die overal in de stad werden aangebracht. Dit knappe initiatief, dat jong én oud wist aan te spreken, kreeg helaas geen vervolg. Het leverde verbluffend werk op. Reveleerde ook talloze onvermoede manieren waarop kunstenaars met spuitbusverf omgaan. Een paar elementen zijn Brugse gevels blijven sieren. Zo hangen er vandaag nog drie in de Hof van Arents. Na de tentoonstelling werd het gros van de werken – onder grote belangstelling – in het voormalig Leerhuys per opbod aan de man gebracht. Ik was erbij. Was mijn huis maar groter geweest, heb ik toen vaak gevloekt. Stefaan herinnert zich iets van het evenement. Hij was toen een prille twintiger en had er wellicht net Sint-Lukas Gent op zitten, waar hij zich voor zijn eindwerk in de “écriture automatique” van Breton had verdiept.

Met stijgende verbazing kijk ik naar zijn tekeningen. De klasse van de vrije hand. Het gebaar.  De losse pols. De “poot”. Ik zie de kop van Eddy Merkcx. Bij nader toezien een onvoorstelbare kluwen van lijnen. In het hoofd zit de hele carrière van “de Kannibaal” vervat. Overwinningen, trofeeën… Je moet alleen verdomd goed kijken. De tijd nemen. Wonderbaarlijk is vooral dat de veelheid aan verwerkte gegevens geenszins het totaalbeeld stoort. Ik vermoed dat al zijn werken een lange weg hebben afgelegd. Soms mentaal en fysiek.

Hij gaat niet over één nacht ijs. Het speuren naar “intrinsiek artistiek” hout neemt heel veel tijd in beslag. Ook wanneer hij niet daadwerkelijk aan het zoeken is. Zijn leven is er vervuld van geraakt. Gestaag groeien de ideeën, terwijl ook het gedreven en bedreven droedelen tot beelden leidt die hij naderhand vereenvoudigt. Het is een uitdaging voor Strook, zegt hij zelf: met minder vlakverdeling toch expressie genereren. Kijken hoe vlakken en andere materialen met elkaar gaan communiceren. Het is zowat zijn leven geworden. Het zoeken naar wat lijn en materiaal met elkaar kunnen bereiken. Ik moet denken aan de term “serendipiteit”. Ik leerde het woord ooit van Jan Hoet: iets vinden zonder dat je eigenlijk concreet zoekt. Wat kort door de bocht. Er komt ook intelligentie bij kijken.

Strook sluit in de toekomst de pure abstractie niet uit. Ook de derde dimensie kriebelt in zijn onderbewuste. Er liggen al “toonmomenten” in de VS en in Canada in het verschiet.

          

 

JOHAN DEBRUYNE, begin januari 2016

 

 

 

Wat minder “vrienden”…

Wat minder “vrienden”…

Intro: Er wacht fysieke verhuisarbeid en in het huis, dat lijdt onder het te snelle en zwaar verkeer, zal ik stielmannen gedogen. Het zijn dingen die ik ontzettend moeilijk verteer. Ik lig er wakker van. Pantomed binnen handbereik. En er sluimert nog meer. Op advies ben ik op 25 mei dan toch keurig mijn stem gaan uitbrengen. Ik was dit voor het eerst nochtans niét van plan. En nog maar eens heb ik het wrange gevoel dat de dames en heren politici er niets mee aanvangen. Met die stem. Maar ik troost me. Ik ben lang niet de enige. En zelfs uit boeken vol feiten worden geen lessen getrokken.

Gisteren vertelde ik buren, bij wie we bij toeval waren blijven hangen, dat ik – je bent en blijft journalist en dus ook nieuwsgierig (vandaag recenseer ik weliswaar alleen nog over beeldende kunst) – me zowat mijn gehele volwassen leven heb ingezet voor een correcte (?) plaats/kans voor actuele beeldende kunsten. In hoofdzaak in mijn geboortestad Brugge. Het was een slopend gevecht tegen de bierkaai, tegen lieden met veel meer centen, meer macht en invloed, een strijd waarvan ik doorgaans overtuigd ben dat ik (en met mij nog een pak liefhebbers) hem definitief heb verloren. Niet getreurd. We gaan elders genieten en ik heb gedaan wat binnen mijn beperkte mogelijkheden lag.

Het werd een bij momenten gepassioneerd gesprek, dat ons tal van kanten uitstuurde. We hadden het zelfs over godsdienst. Stel je voor! Iemand gooide een citaat van professor Vermeersch op tafel i.v.m. het verwekken van ene Adolf Hitler. Dat, wanneer er echt een God zou bestaan, die zich dan toch wel in dit specifieke geval met een aantal chromosoompjes zou hebben bemoeid. Enfin, precies weet ik het niet meer. We dronken intussen ook wel wat. We fulmineerden over de aarde die we serieus aan het verkloten zijn. Heeft u het daarnet in het Journaal – ik heb toch weer gekeken – gezien van al dat plastic in de oceaan, het lijf van de dieren en dat van ons? Het verhitte danig de gemoederen. We praatten ook over esthetiek, decoratie, vakmanschap, design, over de schrijnende kloof tussen rijk en arm (voorbeelden hoefden we heus niet ver te zoeken), we zochten naar definities, en hadden het net zo goed even over de Vlaamse regering, waarvan voorspeld werd dat die heel snel gevormd zou zijn. Want, CD&V en NV-A (niet zo lang geleden een kartel), dat is nu toch zo ongeveer hetzelfde, opperde een tafelgenoot.

Het verhaal van de jong gestorven en controversiële Amerikaanse stand-upcomedian, Bill Hicks, passeerde de revue. Die zou tijdens een optreden naar God persoonlijk hebben gebeld hebben en Hem nog aan de lijn gekregen hebben ook. Toen de performer Hem vroeg waar Hij was gebleven tijdens een verwoestende orkaan (het ging in elk geval over iets wreeds), antwoordde God hem dat hij op dat moment in Afrika aan de kindjes aids aan het uitdelen was…  Eerlijk, ik kende Hicks niet. Ik werd een wijle stil. In de verte zorgden wat huisdieren in tuinen en op terrassen voor wat beweging.

De gesprekken waren geladen, werden sappig gelardeerd, maar waren ook vermoeiend, zo zou vandaag blijken.

Ik moet node wat meer tijd voor mezelf, mijn hobby’s en mijn dierbaren maken. Al te vaak zit ik aan Facebook gekluisterd. Het scrollen duurt almaar langer. Toen ik na een burn-out met FB begon (ik was vooral benieuwd naar hoe mijn oud-studenten het er af zouden brengen/zo werd Sören zopas ingenieur met grootste onderscheiding), had ik me voorgenomen geen lieden uit de politiek tot mijn virtuele vriendenkring toe te laten. Ik heb als criticus immers altijd afstand tot de macht willen houden.

Maar nogal snel schreef iemand op zeker ogenblik: Johan, Bart Caron behoort ook tot je FB-vrienden.  Inderdaad. Ik had Bart altijd met “Brugge, 2002” en dus met cultuur geassocieerd, niet met politiek. Dus, kon zowat iedereen op de duur mijn FB-vriend worden. Trouwens, dacht ik, waarom mogen de mensen uit de politieke wereld niet weten wat ik denk? Ik heb niets te verbergen. Maar ondertussen, heb ik kunnen constateren, liggen de verkiezingen achter de rug en zijn vooral die mensen heel wat minder FB-actief. Weer misbruikt, dus.

Om niet te cynisch te worden heb ik ondertussen de raad van mijn schaarse echte vrienden opgevolgd: ik kijk veel minder naar de journaals. En iets als Ter Zake bijvoorbeeld bekijk ik af en toe nog eens. Altijd maar diezelfde gezichten, het zich in bochten wringen omheen de waarheid. Ik kan er nog amper tegen. Ik voel meer irritatie dan informatie.

Ik vind tot besluit niet dat iemand zich de pretentie kan aanmeten om mensen een FB-vriendschap te weigeren.  Maar ik moet ook aan mezelf denken. Binnenkort haal ik dus eens flink de borstel doorheen mijn FB-vrienden-bestand.  Inperken.  Alleen kunst kan me redden, het genieten van de tuin, de gasten uit de fitness, wat moois en een boek, samen met een (wellicht aangeboren) vorm van melancholie, die ik zoetjes onder controle kan houden.

J.D., begin juli 2014