Tag: langestraat

De dingen

 

 

 

 

 

 

 

 

DE DINGEN

In zijn roman “In het buitengebied” zegt de protagonist uit het recentste werk van Adriaan Van Dis: “Ik woon met de dingen”. De zin valt in een dialoog en voelt aan als een soort verontschuldiging.

Je leest het relatief dunne boek in één ruk uit, dus ik las meteen verder, maar de cijfers van de pagina met deze zin bleven hangen: 130. Op die bladzijde loopt het boek trouwens al naar zijn einde: de som van korte verhalen, ervaringen, ontmoetingen en herinneringen waarin ik de hele tijd karaktertrekken van de auteur, die ik me levendig herinner van vroegere televisieoptredens, meende te herkennen. Een vreemd gevoel. De hoofdfiguur had, net als de auteur zelf, de grootstad definitief verlaten en was naar het platteland, zijn roots, teruggekeerd. Een beweging die me had verrast. Van het licht naar het donker. Blijkbaar had het stadsleven hem toch in overdreven mate vervreemd van de plek waar hij ooit was opgegroeid. Misschien was Van Dis te veel “buitenkant” geworden. Wat nog vreemder was is dat, terwijl ik las, ik de hele tijd zijn stem hoorde. Zacht. Alsof hij me dit boek voorlas. Ik hield altijd van zijn spreektaal en zijn stem, dus het ergerde niet. Dit deed zich ook wel vaker voor toen ik boeken van Paul De Wispelaere las. Nu had Van Dis de hele tijd over mijn schouder meegelezen. Ik had hem bij manier van spreken kunnen vragen wat nu echt was en wat verzonnen.

Leven met de dingen… Ik moest al eens denken dat ik als jongste van zeven een eigen kamer wilde, zeurde tot ik die kreeg en die dan zelf aankleedde. Aan de muren post-Expo ‘58-behangsel, afkomstig uit een winkel in mijn geboortestraat. Ik was er kind aan huis, bij Herman en Simonne. Mijn jongste zus ook. Ik zie de winkel nog voor me: de poort in de zijstraat van de Langestraat, de immense koer, het atelier, de hond… In mijn kamer belandde een antieke tafel waaraan ik zou studeren. Ik had ze gekregen van mevrouw Van de Voorde. “Madame” eigenlijk. Bij haar thuis werd in hoofdzaak Frans gesproken. Ook daar kwam ik met grote regelmaat. Een donkere woonkamer, één hoog, brandglas en een papagaai.

Als kleine jongen was ik zelden thuis en op heel wat plaatsen welkom. Die twee kanten, hé, Van Dis? De buiten- en de binnenkant. Noem het geen verdienste. Ik paste me moeiteloos aan. Van madame Dujardin, de vrouw van een behoorlijk hoge pief uit het leger, kreeg ik niets. Ik mocht er graag komen. Een stil, kraaknet rijhuis in de Rodestraat. Rue Rouge klinkt beter. Het was er zo veel stiller dan bij ons. Ik kon er even aan het lawaai ontsnappen.

Een goede halve eeuw later, gehuwd, geen kinderen, in een stijlvol, oud huis, hou ik de woonkamer overzichtelijk. Kunstwerken die ik doorgaans zelf heb gewild en gekozen. Maar mijn werkkamer puilt uit van de dingen en dingetjes. Van prullaria waarvan ik moeilijk afscheid kan nemen, omdat er een verhaal aan verbonden is. En toch weet ik: je neemt niets mee. Je gaat dood en laat alles achter.

Nu mijn werkkamer – na de waterschade waren schilderwerken aan de orde – helemaal is gerenoveerd, heb ik tal van pogingen ondernomen om het wat luchtiger te houden. Kartonnen dozen stonden klaar en raakten mondjesmaat gevuld. Met ongewone opvallende regelmaat, op mijn stoelgang kan je normaliter absoluut geen klok gelijk zetten, rende ik naar het toilet. Het selecteren (de vele verhalen die de dingen ressorteerden) gaf buikkrampen! Het is uiteindelijk behoorlijk afgelopen. Ik mis wel wat dingen, maar ruimte heeft ook iets.

Buiten, met niets dan groen als decor, kijk ik nog op een knalrode bever van een bekend kunstenaar. Links voor me, op het bureau, staat een beertje en rechts een gipsen marmotje onder een stolp: een souvenir van wat ik sinds 2002 een tiental jaar heb uitgespookt in een Brugse wijk. Voorts een overzichtelijk aantal kunstwerken. De pakken oude foto’s die naast me lagen om me te inspireren bij het schrijven zitten voorlopig in een kast. Voorts zijn uiteraard de boeken gebleven. Een kleine stapel bracht ik naar de Kringloop. Maar inderdaad, Van Dis, ook ik leef hier, op die zestien vierkante meter althans, met de dingen. Schijnbaar waardeloze dingen waarvan ik amper afscheid kan nemen. Het beertje kijkt me op dit moment in de ogen. Het is net alsof Maria kijkt. Maria is te jong gestorven. Ze gaf me het beertje.

Of het kleinood-in-de-maak hier nog bij komt, weet ik niet. Toen ik drie jaar geleden met mijn jongste zus, die meer kanker in zich droeg dan we allemaal dachten, voor een paar dagen naar London trok, leerde ze me iets kennen. Een paar jaar voor mijn moeder stierf had ik het woord “oedeem” geleerd; van mijn zus en andere kankerpatiënten het vreselijke “portacat”: een gat in de zone van het sleutelbeen waar ze om de zo veel tijd rotzooi in kunnen gieten die je hoort te genezen, terwijl het tuig zo veel andere dingen in je lijf vernietigd.

Het gaat om een kleine tube handgel. Je kunt het kopen – dat deed zij ook – bij Kruidvat, een winkel waar ik nooit een voet binnen zet. Ik verdraag dit soort lelijkheid niet. Wel, de tube die ik in Londen van haar kreeg, koester ik in een kastje in de badkamer. Op mijn vraag heeft steenkapper Pieter er al een stolpje voor gevonden. Het is nu wachten op een glazen vierkantje voor eronder en twee staafjes, zodat het aan de muur kan worden bevestigd. Ik heb wel wat foto’s van mijn zus, en een fraaie ronde marmeren steen (met wat as van haar in) waarin ik kaarsjes kan branden, maar dit ding incarneert mooie momenten met haar. In Londen duwde ze met regelmaat en ongevraagd, vlak voor we iets zouden eten bijvoorbeeld, een portie op mijn handen. Die moest ik dan goed uitsmeren en ook tussen de vingers gaan. Als jongste van zeven kreeg ik altijd les.

Leven met de dingen.

Johan Debruyne, eind augustus 2017

 

 

De veranda van de kanunnik

 

 

 

 

 

 

 

De veranda van de kanunnik

Ik denk hier en vooral in deze omstandigheden aan Luk Berghe, kunstenaar met wie ik vorig jaar een allereerste contact had. In “Watou”. We keken samen naar een monumentaal doek van hem. Achter ons stond de jonge Hitler (sculptuur), toen nog op de dool en haveloos, afgewezen aan de academie van Wenen, dacht ik, en lang nog niet de volksmenner en massamoordenaar die hij zou worden. Het was een lang, zinvol, diepgaand gesprek met een gedreven man. Amper 62 en net uit het leven weggerukt. Het was schrikken.

Wordt het niet cynisch wanneer beelden van bombardementen en van honger stervende en gedode kinderen je minder vaak uit je slaap houden dan de niet te stuiten aanwas van een rist dictators, populisten en extremisten? Het piekeren en de onmacht om deze realiteit een halt toe te roepen hebben op mij in elk geval een deprimerende invloed. Enig soelaas mag ik gelukkig onder meer in kunst vinden. Maar hoe horen kunst en kunstenaars (in deze, beeldende kunstenaars) zich tot deze toch beangstigende evolutie te verhouden? Deze vraag komt met regelmaat terug. Ik weet het niet. Ik ben blij dat ik hier ben. Te midden van mensen die van kunst houden. Minder blij ben ik dan weer wanneer ik lees en hoor hoe moeilijk de meeste kunstenaars het vandaag hebben.

De aanleiding tot het feit dat ik hier vandaag een en ander vertel is mijn nog net beheersbare Facebookverslaving. Maanden geleden ben ik aan het scrollen – u ziet: ik beheers al enige PC-terminologie – en stuit op iets markants: een bericht van Frank Demarest, de man die enkele jaren geleden in aanstekelijk Gistels groen het PAK inplantte. Platform voor Actuele Kunst. Een fraaie locatie waar je van kunst kan genieten. Vaak jonge kunst. Maar wat hij post (kijk, weer zo’n PC-term die ik onder knie heb) is niet echt een kunstwerk. En evenmin is het een afbeelding van mogelijks aanstootgevend vrouwelijk naakt, waar hij – volgens kwatongen? – een zwak voor zou hebben. Ik maakte mij meteen de bedenking: misschien heeft hij eindelijk genoeg van al die FB-schorsingen die hem voor dit soort “heiligschennissen” al te beurt zijn gevallen.

Wat hij wel laat zien is een licht verpauperd, tot de verbeelding sprekend groot pand. Maar ik ken het gebouw. Ik heb het altijd gekend, het zogenaamd stadspaleis, een woning met een geschiedenis bijna even lang als die van de stad Brugge zelf. Een journalist is het speuren naar bronnen gewend. Dus bel ik een hartsvriendin op. Haar biotoop is immers “erfgoed”, terwijl ik me doorgaans met nieuwe fenomenen onledig houd. Maar we vullen mekaar wonderwel aan. We zitten meteen in de dertiende eeuw en meer bepaald op de aloude baan tussen Oudenburg en Aardenburg. De “baan” is tot “straat” gemuteerd, tot “Langestraat” meer bepaald, wellicht omdat onze taal “banen” onder meer naar velodrooms en zwembaden heeft verbannen.

Voor de sloophamer er eventueel onheil gaat aanrichten – er zal verbouwd worden – heeft Demarest er een aantal foto’s van laten nemen. Later lees ik op datzelfde digitale gezichtenboek dat hij betrokken partij is en van de bouwheer de toelating heeft gekregen om er voor dat de werken aanvangen een impressionante tentoonstelling te houden.

Het beeld van “De Lombard” op Facebook gooide mij persoonlijk decennia in de tijd terug, naar de Langestraat zoals ik die door en door kende, de straat waar ik geboren en getogen ben. Een inderdaad lange straat met enkele grote en opvallende panden en tijdens mijn puberjaren ook 54 cafés. Ik wist dus zelden met zekerheid waar mijn vader en oudere broers (de zussen deden niet onder), soms in de vroege ochtend, nog wat pittigs stonden te hijsen of hun ondeugendheid botvierden.

Naar de mis ging ik toen al niet meer. Mijn vrome moeder interpelleerde bij de jongste telg alleen nog naar de kleur van de kazuifel van de pastoor. Ik kon kiezen tussen twee kerken en twee missen: ’t Bilkske en Sint-Anna. De zondag en de kerk hebben me dus mede leren liegen. Mijn naïveteit hield behoorlijk stand, maar mijn onschuld vloeide kabbelend weg in “Ter Halle”, waar ik het Franse chanson adoreerde. Ik was adolescent en deed mijn uiterste best om Reggiani te begrijpen. Die man klonk zo intrigerend. Naïveteit en fantasie zouden van pas komen wanneer ik wat later mijn pen mocht laten vloeien over wat kunstenaars deden.

“Ter Halle” was trouwens niet ver van de Langestraat en ik weet nu nog waar tal van generaties hun kostuums lieten maken, waar je je hemd voor je communie ging kopen, waar ze de beste frieten hadden en ik herinner me de braderieën die samenvielen (en dat vandaag nog doen) met Sint-Kruis Kermis.

Zoals “De Lombard” al dat ordinaire rumoer met stille trots heeft doorstaan, zo stoïcijns bleef Demarest dit keer. Hij liet dan wel de foto zien, maar zei niet waar het pand gevestigd was. Ik herkende echter meteen het immense, sobere huis (classicistische stijl, zei mijn hartsvriendin) waar ik als jongeling dag na dag vier keer voorbij passeerde op weg van en naar de school. Vooral de glazen veranda op de verdieping viel me telkens op. De school was uit rond vieren, maar ik bleef “plakken”. Er waren op de weg naar huis nog de Hof van Arents, de Dijver, de Vismarkt en de Botanieken Hof, vier plaatsen waar we eerst wat voetbalden of andere dingen deden eer we huiswaarts tjokten. De boekentas was een zorg voor de volgende ochtend.

Ik kwam bezweet van achter de hoek waar Roger Danneels accordeons aan de man bracht en keek meteen de hoogte in. Die veranda! Ik stak de straat over, vaak net toen kannunik Janssens de Bisthoven het pand binnenstapte. Via een onopvallend deurtje. Wijze man, dacht ik. Maar… grijze muis. Grijze regenjas. Grijs haar. Alles grijs, sober en voornaam. En nooit zwaaide de poort gracieus open. Geen vertoon. Op weg naar huis stapte ik met blijvende verwondering voorbij de andere mastodonten: Meubelen Cools, Elektronica Huyghe (die winkel had Guillaume Bijl ooit moeten zien!), de Vauxhall-garage en recht tegenover ons huis bevond zich de kazerne, vandaag het gerechtsgebouw.

Ik ben blij dat ik nu, een halve eeuw later, “De Lombard” van binnen heb leren kennen. Nooit gedacht dat de illustere bewoners in hun ongetwijfeld schoonste kamer omringd waren door zo veel monumentale schilderijen van Bruggeling Jan Garemijn, de eerste directeur van de Brugse Academie ooit, man naar wie trouwens een van de vier zalen in het Belfort is genoemd. Op die ooit eerbiedwaardige locatie wordt vandaag gekaart, bier en kaas geproefd, heel af en toe tentoon gesteld en gevogelpikt. De 18de-eeuwse schilderijen zouden afkomstig zijn van het huis “Dijver 7”, zei mijn hartsvriendin. In de buurt dus van het Groeninge Museum, dat nogal wat tekeningen van Garemijn bezit.

Pas vanaf 1643 werd het pand door Brugse notabelen bewoond en “De Lombard” werd als huisnaam gebruikt tot in 1561. Het werd omschreven als “Den Lombaert” met een plaetse van een lande, een tuin, dus. De naam “lombard” verwijst naar “woekeraars”, vandaag gewoon” bankiers”. In dit verband verwees mijn erfgoedvriendin ook nog naar iets dat “De Woeker” heette en zich langs de Langerei bevond. In de ME werden Italianen wel vaker Lombarden genoemd, omdat velen betrokken waren bij de internationale geldhandel. En “woekeren”, zoals u ongetwijfeld weet, betekent oncontroleerbaar groeien… Dat het gebouw er uitziet zoals vandaag zou te danken zijn aan een meester-metselaar en bouwpromotor, Eugenius Goddyn, die het in 1767 had gekocht.

En vandaag zijn we hier samen voor een tentoonstelling met werken van 40 kunstenaars. Aangezien het om een hommage aan Willy Van den Bussche gaat terecht veel kunst dus, want onze helaas te vroeg ontvallen conservator was genereus en pakte altijd uit met een overvol museum. Het was een van zijn handelsmerken.

Het belang van de man, door intimi wel eens “Black Willy” genoemd, naar zijn compleet zwarte outfits waarin hij zich steevast hulde, was dat hij in een periode waarin concept en minimalisme aan zet waren, het opnam voor de schilderkunst en zodoende, vooral in België, een soort revival ervan inluidde. In 1992 maakte zijn statement “Mondernism in Painting” school. Hij zou bewijzen dat schilderkunst altijd belangrijk en vernieuwend zou zijn. Zijn verdiensten zijn heel aanzienlijk. Denken we maar aan zijn spraakmakende tentoonstellingen zoals “Van Ensor tot Delvaux”, “Beaufort”, met beelden in de publieke ruimte van de Belgische badsteden, zijn inbreng in de Brugse Triënnales, waar toen nog onbekende kunstenaars als Raveel, Panamarenko, De Keyser, Lohaus, Van Severen, Verstockt en Roobjee aan bod kwamen.

Daar is helaas te vroeg een eind aan gekomen. Botsende karakters. Zei “Black Willy” niet dat hij met kunst bezig was en Jan Hoet vooral met zichzelf? Het waren pittige tijden. De conservatoren, een beetje keizer of paus op hun domein, hadden dan ook lang en stevig moeten knokken eer ze nog maar een museum voor hun verzameling (actuele) kunst ter beschikking kregen. Voor Willy werd dat dan nog een, zij het heel bijzonder, voormalig… warenhuis. Naïef als ik ben gebleven, heb ik lange tijd gehoopt dat Koningin Paola de twee kunsttenoren wel door één (brede) paleisdeur zou krijgen. Helaas. Van beiden heeft ze ongetwijfeld heel wat opgestoken. Meer alvast dan van haar leerkracht Nederlands.

Nu we toch over fenomenen uit de kunstwereld praten, wil ik nog wel eens de verdiensten van ene Roland Patteeuw onder de aandacht brengen, de van actuele kunst bezeten heremiet die zich in Loppem-bij-Brugge vestigde en daar jaren lang een spraakmakende Kunsthalle runde, want ik moet toegeven dat ik vandaag werken als die van Netzhammer, Hybert, Geys en Airo wel mis. Zijn incubatieproject… En wat gezegd van Frank Demarest? Voormelde heren hadden personeel en werden – zei het ondermaats – gesubsidieerd, maar al zeker iemand als Frank Demarest moet het in zijn eentje rooien. Dit keer gelukkig gesteund door Sofie Van den Bussche, dochter van Willy.

De verwijzingen naar de kunstgeschiedenis zijn legio, er wordt volop “geparafraseerd” en eigenlijk is het best heerlijk om zien wat Willy Van den Bussche had voorspeld: het zich laven aan de geschiedenis van de beeldende kunst, het oeverloos putten uit de rijkdom van vroeger.

Musea, weet u. Meer dan twintig jaar geleden heb ik Willy meegetroond naar de “Weylerkazerne” in de Hugo Losschaertstraat. Ook hij vond het niet kunnen dat Brugge tot op die dag (en tot op vandaag) niet eens een museum voor hedendaagse kunst had. De stad leek niet geïnteresseerd in een immens gebouw – een juweel – dat voor amper € 50.000 van de hand werd gedaan. Een antiquair ging ermee lopen en het gebouw werd meteen doorverkocht.

“Between Earth & Heaven I”. Waarom niet tussen “Aarde en Hemel I” vroeg in die tijd een collega zich af. Wat later liep in de aloude stede een tentoonstelling die “Tussen Huid & Orgasme” heette. De titel werd op een immens spandoek geprint en aan het Belfort bevestigd. Helaas moest daar toen nog de Heilig Bloedprocessie passeren. U kent wellicht het vervolg. Ook in deze is amper iets veranderd.

Om geen enkele participerende kunstenaar voor het hoofd te stoten ga ik geen namen noemen. Ik heb stille werken gezien die veel zeggen, wezens die van je wegkijken en toch om aandacht vragen, er zijn monumentale, enigszins pompeuze werken waar je de essentie in een detail moet zoeken. Een van de kunstenaars geeft aanwijzingen voor hoe je je op het strand hoort te gedragen. Op een erg klassieke manier steekt hij de draak met het actuele thema van de regelneverij. Een ander laat dan weer met guitige beelden zien hoe erg het met de wereld is gesteld. Er zijn ingetogen werken en er zijn exuberante. De enen verkiezen licht; anderen een enigszins decadent donker. Hoe ga je met deze wereld om? Hoe overleef je ze? Er is werk dat oud en nieuw versmelt. Er zijn verstilling, er is leven en dood, er zijn ambacht en droom. Er is een lange tafel waar je niet aan mag zitten. Ga niet argeloos aan het kleinere werk voorbij. De meeste werken roepen vragen op. Zo hoort het. En kunstenaar schrijft: “Eyes open and dream on”. Deze zin heeft mij het diepst geraakt.

Al wat me rest is de beide curatoren en de kunstenaars feliciteren en veel succes toe wensen, de bezoekers een intrigerende beleving. Voor een betere wereld lijkt de kunst niet te kunnen zorgen. Laat ons bescheiden blijven. Of raakt u – zoals Lawrence Weiner vindt dat het hoort – toch “fucked up” van wat hier allemaal te zien is?

 

Johan DEBRUYNE, 23 april 2017

(toespraak n.a.v. de tentoonstelling “Between Earth and Heaven II” (hommage aan conservator Willy Van den Bussche) in “De Lombard” (Langestraat, Brugge)

 

Wensen

WENSEN

 

“Wensen zijn alleen maar mooi wanneer ze onvervulbaar zijn.” Het zou ooit door Herman Van Veen geciteerd zijn.

Het was Sabine die me dit schreef. Als een soort reactie op mijn wenskaart voor 2017. Veel te wensen had ik overigens niet. Hopend dat het nog niet allemaal naar de wup(pe) is, had ik voor een indringend beeld van de hand van Maen Florin gekozen met daarrond een citaat van Epicurus. Een vingerwijzing voor zij die nooit genoeg hebben of schandalig veel verdienen, terwijl ik voor de buis zit te janken wanneer twee broers, fans van “mijn” Club Brugge, tijdens “De Warmste Week” met een slordige 2000 euro (opgehaald tijdens de begrafenis) naar De Schorre in Boom trekken, nadat hun oudste broer zich van het leven had beroofd. Ik slaag er almaar moeilijker in de vrolijke Jan uit te hangen. Ik woon nochtans heel dicht bij een kleine stede die ze wel eens een pretpark noemen…

Ik heb enige tijd met de idee gespeeld om voor het eerst in jaren geen wenskaart in mekaar te (laten) knutselen. Ik doe mijn stinkende best om er elk jaar opnieuw iets bijzonders van te maken. Ik veranderde pas van gedacht toen ik het dunne boekje van de Franse schrijver Daniel Klein las: “De wijsheid van een tandeloze glimlach”. Het komt er op neer dat de auteur op zijn 72ste te horen krijgt dat zijn niet meer zo frisse gebit aan een implantaat toe is. Dit “bijschaven” van lijf en leden wordt van dan af een gespreksthema onder vrienden en vriendinnen, waarbij het Klein opvalt dat nogal wat vrienden en vriendinnen al (veel) eerder hun lichaam hebben laten verbouwen en dit bovendien de normaalste zaak van de wereld vinden. Klein verwijlt op zeker ogenblik op het Griekse eiland Hydra, waar zeventigers samen linzen eten, het leven onnoemlijk eenvoudiger lijkt, niet van implantaten wordt gesproken en monden waarin nogal wat tanden ontbreken heel wijze dingen zeggen.

Sinds nieuwsberichten en journaals me meer dan ooit deprimeren, volg ik ze minder rigoureus. Eufemismen zijn leugens geworden. Ik lees nog wat kranten, blijf me vermeien in beeldende kunst en literatuur, maar vooral ’s avonds prefereer ik de absolute stilte. Ik wil niet langer ononderbroken naar mensen kijken die lijden, gebombardeerd worden, verdrinken, achter hekkens worden gedreven en als beesten behandeld. Ik wil geen liegende politici meer horen. En ik voel – mede door de toenemende artrose waaraan ik onderhevig ben – niet veel zin meer om (al was het maar) even het hele zootje te ontvluchten. Om op een trein of in een vliegtuig te gaan zitten. Ik heb de moed niet.

Er is almaar minder comfort en alles om je heen wordt hectischer. Ik zie opnieuw beelden van vliegtuigen die neerstorten, van drukke Japanse straten die bezwijken onder het gewicht van overhand toenemend verkeer, ik ben op mijn hoede voor zogenaamde “lone wolves” die niet in hun dooie eentje naar het Paradijs willen, nooit zie ik nog het eindeloos perspectief van treinsporen waar géén mensen op lopen, en zelfs wanneer ik de trein naar pakweg een stad als Antwerpen neem, twijfel ik continu of het ding er ooit wel zal arriveren. De auto, dat gaat nog, maar je staat vaker stil dan je rijdt.

Hoe kommerloos anders was het niet toen ik op de trein naar Marseille zat? In 2003. Mijn weinig ontwikkeld oriënteringsvermogen had me nog maar eens in de steek gelaten, net als de nonchalante Fransen achter hun balies, want ik moest eigenlijk talloze kilometers noordoostwaarts terugkeren om marmotten te gaan spotten. Die rakkers vind je trouwens niet beneden de 1500 meter. Maar ik was niet nerveus, hoewel ik er pas tegen middernacht zou aankomen. Ik had me gezellig geïnstalleerd, schreef af en toe wat en genoot van het landschap.

Spelen mijn 63 lentes en het feit dat ik in de vroege ochtend amper op een aanvaardbare manier in mijn kleren geraak een rol? Deels wellicht. Voorts – dit heb ik leren aanvaarden – neemt de routine het stilaan over, net zoals de ongemakken. En bovendien gaat de tijd almaar sneller. Zo lijkt het toch.

Dus, wat kan ik mijn schaarse vrienden en talloze kennissen nog wensen? Iets van Epicurus. Een soort late journalistieke reflex. Ik geef toe: dat belerende krijg ik er moeilijk uit. En nu schrijft Sabine dit. Dus toch maar weer wensen volgend jaar. Bij leven en welzijn. En het liefst zo onhaalbaar mogelijk!

Over mijn lang geleden overleden vader schrijf ik aan een wat langer verhaal. Een soort novelle. In brokken en stukken, met horten en stoten. Een beetje gelijkend op de Langestraat, waar ik ben opgegroeid en bijna alles van het leven heb geleerd. Ook die is met horten en stoten verrassend indringend veranderd. Alleen de structuur is gebleven. De ruime bochten. Ook nog wat gevels. Sterrenrestaurants hebben zich naast volkse kroegen geïnstalleerd. Polarisering is men zoiets geen noemen. Een mooi, wreed woord.

JOHAN DEBRUYNE, eind december 2016

 

 

Strook

                           

 

 

STROOK

Ik woon in een Brugse laan, waarlangs je de stad verlaat via een brug. Een beschermd monument dat door bronzen bizons geflankeerd wordt. De imposante beesten, van de hand van Octave Rotsaert (1885-1964), zijn op sokkels gehesen. Een eerbetoon aan Canadese soldaten die de stad, in 1944, precies op deze plek triomfantelijk binnen zijn gemarcheerd. Nu dezer dagen het aantal activiteiten dat aan de wereldoorlogen wordt gelinkt amper nog te tellen valt, zou je verwachten dat een cultuurstad als Brugge er op zijn minst voor zou zorgen dat deze site er fraai uitziet. Niets is minder waar. De brug, de laan en de trottoirs liggen er schabouwelijk bij! Maar de bizons zijn sterk. Zij houden stand.

Als je over de brug rijdt en je kruist de brede weg die later “Bevrijdingslaan” is gaan heten, ben je quasi meteen in een randgemeente. Sint-Andries. Vroeger, toen ik in het centrum van de stad Brugge opgroeide, associeerde ik deze gemeente in eerste instantie met “De Klokke”, het ondertussen verdwenen legendarische voetbalstadion van mijn favoriete club. Pas veel later met “De Platse”, het kloppend hart van de gemeente, waar na voetvalwedstrijden van Club Brugge hooligans en andere kuddebeesten al eens hun duivels ontbinden. Ik zou nog de Zandstraat vergeten. Schande! Daar woonde een tante van me. Na de vroege dood van haar man had ze Charleroi voor een wat doods uiteinde van die straat ingeruild. Ze woonde er nog lang.  Alleen. Tante had geen kinderen. In het eenvoudig huisje was het gezellig toeven. Was ze op stap, dan had ze de rolluiken half neergelaten. Een tuinstrook gaf groente en meiklokjes (in overvloed) en in de pluktijd klommen we de immense kersenboom in. In de kleine woonkamer stond een kast met een glazen schuifraam. De snoep lag er voor het grijpen. Aan het keukentje paalde een kleine kelder. Daarin kregen de ham en de worstjes, die ze twee huizen verder bij de slager haalde, de tijd om te drogen en almaar lekkerder te worden.

Er is ook nog de steenweg naar Gistel, die “De Platse” doormidden snijdt en Sint-Andries met Varsenare, een meer groene en residentiële rand, verbindt. In mijn sportieve nadagen ging ik daar shotten.

Omtrent meetkunde werd ik lang na mijn schooltijd nog door nachtmerries gekweld, een GPS bezorgt me klamme handen en gênant uitdijende okselvijvers, dus weet ik nog niet zo lang hoe dicht ik eigenlijk wel bij Sint-Andries woon. Ons scheidt alleen een laantje met een rotonde, waar gelukkig nog geen sculptuur op is neergezet. Op het einde buigt de laan zich en rest nog een handvol huisjes. Geen shoppingcentrum in deze buurt, maar toch regeert de leegstand.

Vorig jaar was het daar feest. Een handvol handelaars had besloten om die rij verkommerde woninkjes wat leven in te pompen. Ik ben even langs gelopen. Aan de overkant stond ik me te vergapen aan twee monumentale menselijke figuren die tegen verlepte geveltjes waren aangebracht. Knap en intrigerend. Ze keken mekaar aan en waren gevormd door stroken en spieën  gerecupereerd hout.  Een eenvoudig en tegelijk ingenieus lijnenspel, leek het me. Hoewel de twijfel me vaak in haar macht heeft, had ik iets van: hier was een klassenbak aan het werk. Maar ik had kunst zat om me onledig mee te houden en liet de figuren voor wat ze waren. Vergeten zou ik ze echter niet.

Pas veel later, vraag me niet hoe dit komt, kwam ik er achter dat het om kunstwerken ging van een zekere “Strook”, pseudoniem van Stefaan De Croock, een stadsgenoot. Onlangs trok zijn werk opnieuw mijn aandacht. Hij stelde tentoon in de Kortrijkse Budafabrieken. Ik nam de tijd om een en ander van het internet te plukken, nam contact op en reed naar Kortrijk, waar “Taxixylogy” op zijn laatste benen liep.

Voor het eerst kreeg ik een overzicht te zien van Strooks werk. In grote ruimtes stond ik een hele rist figuren aan te staren. Hoe hij te werk gaat werd duidelijk bij een soort felverlichte, witte passage met zwarte buitenwanden. Hiertegen leunden oude deuren, latten, houtafval. Getaand wachtend op een nieuw bestaan in het oeuvre van Strook. Binnenin: reeksen vierkante blokjes uit het verpauperde hout gezaagd. Voorts onaangeroerd. Merkwaardig wat “tijd” vermag! Ze liet me ondermeer wolken, zeeën en een weg ontdekken.

Strook tekent veel, vertelt hij, wat naar Sint-Lucas (Gent) leidde. Maar hij is voor alles een graficus, iemand die combineert, creëert en bouwt met lijnen. Fragmenten “vergeten” hout gaat hij ingenieus combineren tot verrassende bustes. De figuren hebben geen ogen en toch kijken ze naar je. Of net niet. Is het mede door het leven dat de materie achter de rug heeft dat ik bijna steevast een zekere melancholie voel? Of ligt het ook aan de aard van de maker? Een gevoel van melancholie beroert ook zijn ziel. Strook zet als het ware archetypes neer. Gevoelsmatig en doordacht speelt hij met tal van factoren.

Terwijl vandaag zowat elke kunstenaar figuratief in de weer is, durft Strook het aan om ook met een ruime reeks abstracte werken uit te pakken. Meer nog dan bij het figuratieve werk, dat – vraag me niet waarom – makkelijk verleidt, speelt hij hier in op bestaande structuren, tekeningen en kwetsuren in het hout. Hij combineert met vlakken die hij in beton afgiet en zelf beschildert. Ook met verf kan hij uit de voeten. De kunstenaar weet ook verdomd goed wanneer je met je fikken van de dingen af moet blijven. Tijdig stoppen met een creatie is ook een kunst. Strook verliest zich niet in getuttel. Geen franje.

In de Rodestraat, op het nummer 66, heeft hij zijn atelier. Ik woonde om de hoek. In de Langestraat. Op 66 woonde lang, denk ik, ene Malvina. Zat zij niet altijd op een stoel in het deurgat? De Rodestraat… Ik kende er de bakkers, Van Belle en Tavernier. Bij struise Lina ging je om vis. En bij Cyrille en Maria was ik kind aan huis. Hoe Strook dus ook een beetje mijn jeugd terugbrengt.

JOHAN DEBRUYNE, december 2015

 

 

11.11.11.

11.11.11.

 

Zoals elke weekdagochtend stap ik argeloos en eigenlijk nog niet volkomen wakker naar de voordeur. Voor de poezen is al gezorgd. Hun buikjes zitten vol en hun pesterijtjes kunnen beginnen. Ja, na zo veel jaar heb je ze door. Zo gaat onze zwart-wit gevlekte kolos zijn volle lengte en gewicht over het deurmatje spreiden, zodoende dat de toegang tot de tuin mogelijke andere viervoeters (lees: zijn halfbroer) absoluut ontzegd wordt. In den beginne trad ik wel eens als scheids op, maar die rol is nu welhaast uit het script geschreven. Ik heb er me bij neergelegd: de kleinste van de twee moet dan maar de slimste zijn. Wat doorgaans ook het geval is. Maar het duurt zijn tijd, hun ochtendritueel.

De voordeur… Met het sleuteltje waaraan een mals zeehondje bungelt open ik de brievenbus: geen dagblad! Het valt serieus tegen wanneer je ochtendlijke routine zo wordt geabrupteerd. Al sinds mijn pubertijd lees ik ‘s ochtends de krant en gisteren stond op die van ons heel duidelijk alleen “dinsdag” vermeld. De krantenboer? Of dan toch geen krant op 11 november? Ik zou nog drie keer gaan kijken. Het kan ook vijf keer geweest zijn.

Thuis, waar we met 7 waren, was het vechten voor dat kleinood. En sluw zijn, soms. Zoals de katten. Boeken waren er niet. Genieten konden we wel van de geur van brood en koffiekoeken. Het was wachten tot de oudere broers er klaar mee waren. Ik herinner me dat de “jongste” (drie jaar ouder dan ik) vooral de sportpagina’s uitvogelde. Tomeloos lang duurde dat, vond ik toen. Mocht er een quiz hebben bestaan omtrent sport in lagere afdelingen… Elke uitslag zat in zijn hoofd gebeiteld! Ik was al tevreden met de titels en de cartoons. Mijn fantasie was gevoed.

Het is me vanmorgen ook opgevallen hoe stil het buiten is. Er is amper verkeer op de Leopold I-snelweg hier in Brugge. Ik zit rustiger dan anders te typen: geen  gedaver van 10-tonners dat me uit mijn concentratie haalt en me met enige angst naar de muren doet kijken om te zien of er geen barsten zijn bijgekomen.

11.11.11. Ik ben klaar met ontbijten en zit in de zetel. Op Twitter post ik een foto van een tekening van Karl Mechnig, begenadigd kunstenaar uit het Aalsterse. Wat ochtendlijk moois voor mijn medemens… Ik lees vervolgens wat in een kunstenmagazine. Beperk me tot een recensie van collega Hans Theys. Hij heeft het over Louise Bourgeois. De bijhorende foto toont twee stoffen hoofden uit één nek. Blauw. In het artikel vermeldt hij stadsgenoot en kennis Wily Vinck. Deze weet zelfs van hoeden af. Bizarre man. Heerlijk eerlijk. Soms even heerlijk naïef. Maar altijd authentiek.

Ik denk aan mijn jeugd in de Langestraat. Toen was er tegenover onze bakkerij de kazerne. Vandaag is het een gerechtsgebouw. Een klein deel van het soldatengebouw bleef onaangeroerd. Daarin ook het zogenaamd oorlogsmonument. Op die plaats wordt op 11 november nog op de trompet geblazen, denk ik, en behoedzaam en ingetogen bloemen neergelegd. Ik heb het nooit anders geweten. Onze bakkerij was open op 11 november. Pas kort voordat mijn vader er doodvermoeid de brui aan gaf en een jaar later zou sterven, durfde hij een dag de winkel sluiten. Al die tijd was hij bang geweest klanten te verliezen. Ik begrijp hem wel. Als je zo veel monden moet voeden.

De bloemenkrans werd op de grond gelegd of aan een haak gehangen en hield het een paar dagen vol. Merkwaardig in een straat met wel 60 cafés en dus tal van dronken lui die er ’s avonds voorbij laveerden en poogden om een aanvaardbaar recht pad te trekken. Toen M. passeerde hoorde je hem altijd babbelen. Al wat de man dacht, zei hij hardop.  Zeker wanneer hij dronken was.

11.11 was een dag vol bevreemding. Het deed me iets, het was even stil en dat bleef het de ganse dag ook wel een beetje. Zelfs in een bakkerij. Pas veel later werd 11.11. voor mij een soort nachtmerrie. Jaren heb ik les gegeven in de Brugse middenschool, waar op de speelplaats een mooi stenen beeld staat, een soort bas-reliëf. Het stelt een gewonde soldaat voor. Het vermoeide hoofd van de gewonde jongen nijgt naar zijn schouder. Het beeld was afkomstig van de vroegere Ecole Moyenne (Verwersdijk), waar tijdens WOII leerlingen door Duitse soldaten uit de klas waren geplukt. Het fraaie beeld, gekapt door een Brugs kunstenaar, denk ik, werd op zeker ogenblik (de Ecole Moyenne had toen opgehouden als middenschool te functioneren) overgebracht naar de andere middenschool. Onze directeur had iets met het leger. Hij stierf veel te jong en met zijn opvolger had hij bitter weinig gemeen. Alleen dit: beiden hielden ze van strakke rijen en beduimelde evenementen. Voor elke plechtigheid, die elk jaar krak dezelfde regie had, werd door leerlingen en het voltallig personeel even geoefend. Een tweetal ochtenden ervoor gebeurde dit. Je hoorde je klas van 13-jarigen strak te begeleiden. Elke klas kreeg zijn stek op de speelplaats. In de buurt van het monument stond een microfoon. Bij de trappen een luidspreker. Er rond kranige, fiere en uitbundig gedecoreerde oud-strijders voor wie er nadien een receptie in de mediatheek was. Na het volkslied, de toespraken en wat gedichten mochten we “beschikken”. Terug naar de klas: stil, sommigen zelfs wat verdoofd door het bevreemdend gebeuren, maar stappend als waren we soldaten. Het beeld diende gegroet. Een terecht eresaluut, vond ik. En die stilte voor een keer kon ook geen kwaad. Maar hadden de pubers voeling met dit soort toestanden?

Ergerlijk was (de leerlingen vonden dit ongetwijfeld het grappigste moment) dat de voorzitter van de oud-strijders zijn tekst in een schabouwelijk Nederlands voorlas. De jonge gasten droegen op hun beurt hun verbale steentje bij. Drie gedichten. Eentje in het Nederlands, het Engels en het Frans. Vooral het Franse exemplaar deed doorgaans mijn tenen krullen. Het lag niet aan de leerkracht die het had gekozen en wat tijd had genomen om het met zijn of haar adept in te oefenen. De zogenaamde eindtermen voor het vak Frans bleken immers lachertjes en de tijd van het Franse chanson ligt heel ver achter ons. Wie van die pubers had ooit met Moustacki, Brasssens of Françoise Hardy meegezongen? Hun Frans klinkt schabouwelijk en je kan het ze amper kwalijk nemen.

Erger nog vond ik het om – op marsmuziek – marcherend via de straat de andere kant van  het gebouw weer binnen te stappen op weg naar je klas. Kaarsrecht keek de directeur neer op zo veel massale discipline en glunderde. Mocht zijn snor hebben kunnen krullen, we zouden wat beleefd hebben.

Ik heb niets tegen herdenken en heb met mijn leerlingen nog uitstappen georganiseerd naar het Treurend Ouderpaar en diverse oorlogskerkhoven. Goed voorbereid, uiteraard. Naar passende muziek met ze geluisterd. Maar ik heb nachten wakker gelegen van dit behoorlijk zinloze gedoe. Het moest toch anders kunnen. Minder archaïsch. Meer inhoud. Maar ik hield mijn mond. Ik organiseerde al veel op school en dan word je door collega’s al eens scheef bekeken. Ik vroeg onlangs nog aan een verstandige oud-leerling wat hij, zo’n 20 jaar na datum, van dat gedoe op de speelplaats vond. De jonge man omschreef het als “Vertier van gezag en gebruik van macht onder de noemer van 11.11.11”.

Enkele dagen geleden zag ik in de krant dat diezelfde plechtigheid alweer achter de rug was. Dag en uur spelen blijkbaar al lang geen rol meer. Al waren de pubers maar dààrvan op de hoogte. Ze zouden net zo goed een oude foto kunnen hebben gebruikt. Niets is veranderd. En wanneer wordt op radio en televisie eens tijd uitgetrokken voor grondige debatten, op zoek naar enig inzicht in fenomenen als IS en zinloos geweld? Wanneer eindelijk wat nuance?

 

JOHAN DEBRUYNE, 11.11.2015

 

Rookverbo(n)d in Langestraat…

Rookverbo(n)d in de Langestraat

Het is meer dan eens beweerd: de Langestraat (van de Brugse vesten tot het centrum, zowat 1 kilometer lang) is géén straat als een andere. Ik ben er opgegroeid. Tegenover de kazerne. Nu gerechtsgebouw. Dat zich dààr mijn roots bevinden is iets waar de ingehuurde cultuurbonzen van “Brugge 2002” niet van op de hoogte waren. Helaas, ik had toen dolgraag aan het Langestraat-project meegewerkt!

Ik heb er 27 jaar geleefd, nu en dan in mijn eigen kleine wereldje, maar het gros van de   tijd samen met andere gezinnen uit vertrouwde winkels. Ik herinner me er geen huizen die geen winkel of café waren. Je wist er voor eens en altijd wat je waar moest halen. Het leven was behoorlijk eenvoudig. Een handelszaak stopte nooit. Zo bleef een groentezaak een groentezaak. “De Rape” was voor altijd “De Rape”! Zo simpel was dat. Zoon of dochter sprongen in de bres of namen over. Of iemand anders zette de zaak verder. Vernieuwen ging mondjesmaat. Voor een paar nagels bijvoorbeeld kon je terecht in ’t Ijzerwinkeltje, tegen de Kruispoort. Die dingetjes werden in een handpalm geveegd en gewogen. Een flard krantenpapier erom heen. Voor je communie ging je naar “Netjes” of naar de “Norma”. Je kwam de straat nauwelijks uit. Dat hoefde ook niet, tenzij om naar school te gaan of eens royaal te gaan ravotten. En er was een voorzitter. Een man naar wie de mensen opkeken. Een elektricien. August Vandenberghe heette hij. Een imposante man die het woord kon voeren. Een stem als een klok. Doorrookt? Dat herinner ik me niet.

Op de jaarlijkse braderie bijvoorbeeld. Geen lettergreep te veel. Spijkers met koppen. Weinig politici die dat vandaag nog kunnen. Vooral in “Den Grooten Hert” kwam hij geregeld. Daar werd op de liggende wip geschoten, gebold, getroumadamd, vergaderden de aquariumvrienden (!), kwamen de schaarse Brugse carnavalisten samen en zaten de oudjes te kaarten, te drinken en te roken. Patron Robert, gepensioneerd militair, zag dat het goed was, de “kortendrank” verhulde zich handig in de glooien van een draperie en knappe gastvrouw Olga zorgde dat de zaak gesmeerd liep, discussies nooit uit de hand liepen. Een kunst!

Vandaag is de Langestraat nog steeds een bijzondere straat en toch is ze  nog nauwelijks herkenbaar. Beetje bij beetje is ze de meest… exotische straat van  Brugge geworden. Heel verscheiden in haar aanbod en minder opgetut dan de rest van de stede. De degelijkheid lijkt verdwenen, het goede nabuurschap, dat weet ik niet, veel huizen lijken in belabberde staat of staan nu toch leeg en worden opgevuld door iets wat zich Quartier Bricolé noemt. Een beetje oneerbiedig, zeker in het licht van de Kwaliteit van Toen. Ik denk nog maar aan de versgemalen koffie van “Brésil”. Die geurde van Kruispoort tot Molenbrug! Voorgoed dicht ondertussen: tal van volkse kroegen zoals Papaatje, ’t Velootje, Den Bierboom, Bonanza, Ville de Courtrai, Café du Sport… En ik vergeet de frieten en de voorgebakken worsten van “’t Slecht Ventje”… Plat schaaltje voor de patat. ’s Avonds schoof een ruit de hoogte in. En af een toe mikte hij een fluim de straat in! De middendeur er vlak naast kende ik als geen ander: daar haalde ik de Mervils voor mijn vader. Natuurlijk zonder filter!

Vandaag her en der exotische voeding, meeneemeten, de halve straat een soort jeugdherberg, cafés waar je eigenlijk alleen maar een peer op je smoel kan verwachten en dan – heel bizar – een paar bijna-sterrenrestaurants in het zog van De Karmeliet. De Franco-Belge houdt stand! Beetje bizar allemaal.

Ah, ja, en de vrouw van meneer August, Jeanne… Over haar werd als eens geroddeld. Omdat zij (ze hadden een wagen) in de jaren ‘60 al eens boodschappen deden buiten “hun” straat, met name ergens in een warenhuis. Dat was toen nieuw, een warenhuis. Terwijl de voorzitter, toch de man van de middenstanders, in “zijn” straat hoorde te winkelen. Je kon er toch alles krijgen, spaarzegeltjes incluis?

En kijk, als het die huidige voorzitster niet is die om een of ander van haar tak maakt – er is aldaar zeker een parkeerprobleem -, dan is het de unieke brouwerij “’t Hamertje” die tegen de vlakte moet en verkaveld, natuurlijk. Die dingen halen nu het nieuws. Maar dit keer was er in de gazet plaats voor de gewone man, eigenlijk voor 4 mannen, voor 4 als Turken rokende kerels van ferm uiteenlopende leeftijden. De foto was genomen in “ Café De Muppets”. Met z’n vieren illustreerden ze hoe cafébaas Patrick zijn kloten veegt aan het rookverbod en dat hij lang niet de enige is in de Langestraat. Dus, rokers, allen naar de Langestraat! Daar heerst naar ’t schijnt een rookverboNd! Liever hiervoor een boete betalen dan ene (die duurder is) voor nachtlawaai en op dit laatste let de Brugse politie wel… Voorts, hoorde ik fluisteren, zouden de flikken terecht op hun hoede zijn voor een woede-uitbarsting van Miss Piggy… Maar die kwam niet in de gazet.

Of de 4 burgerlijk ongehoorzamen nu echt reclame maken voor het roken, durf ik te betwijfelen. De gasten zien er niet echt goed uit. Gezond kan het dus blijkbaar niet zijn. Daar vormen zij het alsnog combatieve bewijs van.

 

JOHAN DEBRUYNE