Tag: landuyt

Zinvol brons in Brugge (deel 1)

    

 

 

 

 

 

 

 

 

Zinvol brons in Brugge (deel 1)

 

In de zogenaamde “publieke ruimte” van de gewezen Europese culturele hoofdstad Brugge kwam onlangs een bronzen sculptuur het sinds jaar en dag omstreden conglomeraat vervoegen. Ondergetekende – al zo’n 40 jaar behoorlijk intens met (actuele) beeldende kunst begaan – was niet op de onthulling uitgenodigd. Dit laatste hoeft niet te verwonderen: hij spaart zijn kritiek niet en het is een publiek geheim dat hij het moeilijk heeft met het feit dat zijn aloude geboortestad bang is van vernieuwende kunst of kunst die niet meteen duidt, maar veeleer vragen oproept. Geen probleem, hij wordt doorgaans overdadig ingelicht, getipt en gepolst.

Enkele jaren geleden kwam bij de toegang tot het eerbiedwaardig Groeninge Museum plots een marmeren sculptuur (in de weg) staan. Een grote marmeren, bedreven gekapte abstractie, waarvoor men blijkbaar 200.000 euro had opgehoest. Die plek had helemaal niet om een kunstwerk gevraagd, maar naar verluidt had de toenmalige hoofdconservator een boon voor de kunstenaar en/of zijn oeuvre. Toen een vloed van negatieve commentaar de kop opstak, omschreef hij de aanwinst dan maar als “tuinversiersel”. Weer niet zo lang voordien had de toenmalige schepen van cultuur – tegenwoordig combineert de allround burgemeester de bevoegdheid omtrent culturele aangelegenheden nog met tal van andere verantwoordelijkheden – zich bij de onthulling van weer eens een nutteloze en weinig waardevolle creatie laten ontvallen dat dergelijke calamiteiten in de toekomst niet meer mogelijk zouden zijn in een cultuurstad als Brugge.

De stad Brugge heeft de laatste decennia zo veel goed bedoeld dilettantisme op straten en pleinen neergepoot dat bijna niemand nog de stad bezoekt om actuele kunst te zien. Wat ontzettend jammer is, zeker voor de weinige kunstgaleries die wel in het heden proberen te leven. Een “triënnale voor architectuur en hedendaagse beeldende kunst” zal deze toestand niet veranderen wanneer er in de tussentijd op dat specifieke domein nauwelijks iets gebeurt. Een bevoegde commissie voor sculpturen in de publieke ruimte dringt zich al heel lang op, maar verdelen en heersen, vriendjes maken en géén risico lopen is veel leuker en gemakkelijker.

Brugge, heb ik geleerd, is een stadje dat op dat domein behoorlijk kan incasseren. Je kan – wanneer de toeristenmallemolen is stilgevallen – best nog heerlijke wandelingen maken en je toch met regelmaat storen aan artistieke onzin. Aan wat (veel) beter had gekund. Gedurfder. Ook op het vlak van de architectuur.

Onlangs nog keek ik weg van soorten Giacometti-kopieën bij de schouwburg (omdat zich in deze buurt ook de bieb bevindt staat een van de koploze protagonisten zowaar een boek te lezen!), probeerde ik niet te letten op de bronzen (!) bloemenkorf langs de Dijver, een op zijn zij liggende koets etc., etc. Doorgaans, op de net verdwenen beeldengroep op ’t Zand na, wordt weinig ruchtbaarheid aan die beeldende ingrepen gegeven. Altijd schreef ik eerlijk mijn mening, onder meer gedurende vele jaren in de krant van West-Vlaanderen (waar men best blij leek met zo’n kritische jongen), die ik nota bene nooit meer lees. Ook EXIT, het Brugs cultuurmaandblad dat het beleid bijna immer bejubelt, lees ik niet.

De meeste “aanwinsten” waren bronzen werken (een materie die tegen een stootje kan), zodat men me op de duur verweet iets tegen brons te hebben. Ik heb helemaal niets tegen brons. En ik heb het grootste respect voor vakmanschap. Ten bewijze mijn bewondering voor Rik Poots “Ruiters van de Apocalyps” in de Hof van Arents. Tegen marmer heb ik evenmin iets: wat voor een prachtwerk vind je niet wanneer je doorheen het Oud Sint-Jan-domein laveert? Penone! Een werk van een van ’s werelds grootste kunstenaars van de Arte Povera. Alleen: wie werken in de publieke ruimte neerzet, heeft de verdomde plicht er zorg voor te dragen. In dit laatste geval: ervoor zorgen dat die druppels blijven vallen. Tranen om zo veel leed.

Toen ik in 2001 begon aan een onbezoldigd decennium als “curator”/animator op de wijk Sint-Jozef kreeg ik ook voor de zeven kunstenaars met wie ik zou werken en voor hun creaties een schijntje. Voor het boekje van de ondertussen te jong overleden Alain Géronnez (“Dr. Ox”) ben ik iets bij gaan vragen en wanneer ik – ondanks veel obstakels – kleine Georges in brons (!) op een sokkel kreeg was ik bij de “Erven Ramon” en serviceclub Kiwanis Brugge gaan bedelen. Eeuwige dank! Het heeft de stad niets gekost. Voor de reuzenmarmot (onderhand de mascotte van de wijk geworden) op het Gandhi-plein kreeg ik in 2003 van zowel toenmalig burgemeester Moenaert als van Renaat Landuyt (toen Minister van Toerisme) een beetje geld toegestopt. Een som waarvoor pakweg iemand als Fabre niet eens zijn huis verlaat. Ik werd onderhand het organiseren en schooien gewend. Prestigeprojecten waar vandaag niemand nog van weet gingen ondertussen met pakken geld aan de haal. Maar met enthousiasme en liefde overwin je veel. Mijn nissenproject werd in diezelfde periode, ondanks (soms openbare) beloftes, gekelderd. Alleen de nis boven de “Cafedraal” (Zilverstraat) van mijn vorig jaar overleden vriend en kunstenaar Ignace Bernolet is er nog getuige van.

 

 

PAK – Bij de geboorte van een kunstenplek

         

 

PAK – Bij de geboorte van een kunstenplek

PAK is beauty!

Mijn huis staat in de rij. Langs een drukke, drukke laan. Net buiten de Brugse stadspoorten. Er ligt een relatief kleine tuin achter. In functie van mijn bleekgroene vingers een meer dan behoorlijke rechthoek. Maar als ik zie wat mijn geboortestad aan tuinen rijk is – en dan heb ik het niet eens over de groene enclaves waarin een handvol geestelijken het privilege geniet om zich te bezinnen – dan moet ik het bijwoord “relatief” schrappen.

In de jaren 70-80, toen in zowat elk dorp een gedegen beeldhouwer woonde, verwierf ik 2 abstracte sculpturen, die – zo blijkt vandaag – de tijd hebben getrotseerd. Wie mijn woonkamer de rug toekeert en mijn kleine tuin aan de rand van de aloude stede aanschouwt, neemt gauw het woord “mooi” in de mond. Niets zeggen valt moeilijk.

Zo veel jaar later aai ik nog wel eens een marmeren glooiing. En aan de keramiek, door de ondertussen overleden schepper dermate kundig bewerkt dat de klei al minstens 30 winters heelhuids is doorgekomen, wil ik al eens voelen. Ik leg er en passant eens mijn hand op. Als de zon ook maar even  doorheen het wolkendek geraakt, willen vooral duiven er zich graag aan verwarmen. Schijten doen ze niet. Niet meteen uit respect voor de kunst, denk ik, maar uit alertheid voor mijn katers en hun vele soortgenoten in de buurt.

Natuur en cultuur. Natuur en beeldende kunst. Het heeft me altijd gepassioneerd. Mijn bescheiden privaat beeldend tuinarsenaal kreeg vorm in de diepe voren, getrokken door kunstenaars als Octaaf Landuyt en Henry Moore.

Of ik liever een “Tahon” zou hebben? Johan Tahon is een van mijn favoriete beeldhouwers. Maar wat hij creëert wordt door lieden met meer vermogen verworven. “Gerecupereerd” . Het is van alle tijden. De waarheid mag hier alsnog gezegd, hoop ik. In Rusland bijvoorbeeld ligt dat moeilijker. En of ik het kan appreciëren dat in het Citadelpark (Track/Gent) kinderen turnles krijgen te midden de grafstenen? Leren koprollen tussen de rijen zerken waarmee Copers de musea ten grave heeft gedragen? Eigenlijk niet. Wij dansen niet om de dood. Ook niet van musea. Dat kinderen in Nieuwpoort op een reuzenschildpad klauteren deert me dan weer niet. Utopia blijft een verlokking en wie zich god waant, moet niet flauw doen om wat kindervoetjes…

Wat later brak een periode aan dat tuinen en parken als fora voor kunsten blijkbaar hadden afgedaan. Park Hap (Brussel), Park Sebrechts (Brugge) en Tuin de Brabandere (Tielt) waren vertrouwde locaties waar je des zomers als kunstenliefhebber plots niet meer heen kon. In het Nederlandse Sonsbeek duldde het groen geen concurrentie meer en in Antwerpen lag Midddelheim op apegapen. En toen Michel De Wilde, toen een erg pril curator, me diets maakte dat de combinatie van groen en beeldende kunst zijn beste tijd had gehad, nam ik dat voor waarheid aan. Mijn naïveteit gaat er nooit helemaal uit! De jonge kerel had langer over kunsten gedaan dan ik en sprak eigenlijk een soort wartaal die behoorlijk klonk. Als je lang over kunsten hebt gedaan, dan verdraagt het wereldje dat je onzin uitkraamt. Dan worden je dikke of net heel dunne boeken gekocht of mag je curator spelen. Sommigen wanen zich dan zelf bijwijlen kunstenaar. “Als ik kon toveren!” zingt Van Veen. Wel, later zou de jonge curator een heel bos be-toveren! Proberen, atlhans.

Ik was blij toen ik in Kassel (D) vaststelde dat het immense park bij de Orangerie nog maar eens deel uitmaakte van de documenta, dat Middelheim een nieuw elan kreeg en dat ik in 1996 in New York de bus nam en me zo’n 100 kilometer noordwaarts begaf. De Hudson-rivier vergezelde ons de hele kronkelweg! Een kenner had me voor de afreis de naam van een “center” én een telefoonnummer gegeven. In diverse New Yorkse musea had ik al naar het immense kunstenpark gepolst. Maar toen ze zelfs in het MOMA de schouders ophaalden, geraakte ik even in paniek. Op mijn hotelkamer draaide ik het nummer. Een dame aan de andere kant van de lijn. Ze lachte ondeugend: “Storm King Art Center”, sir? That’s the best kept secret in new York!”

Ik zou er uren wandelen. Tientallen jaren hadden landschapsarchitecten en beeldende kunstenaars er de handen er in elkaar gelagen. Ik liep langs, onder en op werken van Nevelson, Di Suvero, Moore, Calder, Serra en vele, vele anderen.

Ik moest eraan denken toen vorige week Frank Demarest, geestelijke vader van het PAK (Platform voor Actuele Kunsten: 2 hectare groen, met vijver, brugje, 2 exporuimten…) in Gistel, de pers had samengeroepen: Dullaertweg. Net buiten het centrum. Okay. Of zo. Dààr afslaan. Er was geen kat. Wel een rist verdomd knappe, eigenzinnige, subtiele “Tahons”, 3 “Gentils”, Jan Deconyncks anonieme wezens waren verdwaald in een eindeloze donkerte en er was verrassend werk van jonge kunstenaars. Thom Puckey was er in levende lijve.

Pers en beeldende kunst? Al zeker geen vanzelfsprekendheid in ons gewest, laat staan in die uithoek. Tenzij het zou gaan om blote madammen op een rotonde of een reeks immense naakte bronzen vrouwen wier pose aan porno appelleert. Ik suggereer maar.

Het PAK is een BEAUTY! Een zeldzaamheid.  Vooralsnog in het weekend opengesteld. Zij die erheen willen: Dullaertweg 80 in 8470 Gistel. Tel.:  0495/144332.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

JOHAN DEBRUYNE, 27 augustus 2012

Foto’s: Daniël de Kievith en J.D.