Tag: johan creten

“Thelma en Louise”

 

 

 

 

 

 

“Thelma en Louise”

 

Lang geleden zat ik aan een lange tafel. Een communiefeest bij verre buren. Het was druk in het kleine huis. Omdat voor haar toen al twee mensen als een groep aanvoelden, was L. wijselijk thuis gebleven. In het overvol interieur zag ik toch meteen een kleine vogelkooi. Er was ook een cavia-biotoopje. Ik dacht meteen: zo’n gedruis is nefast voor beestjes. Ik dacht aan onze poezen. Hoe die al de vlucht nemen voor een enkele stille gast. Ik kreeg een glas aangeboden en koutte met onbekenden.

Er was een druilerige ochtend aan vooraf gegaan, maar plots klaarde de hemel op en verkaste de luidruchtige meute naar een groot terras, palend aan een verrassend diepe tuin. In het gras werd gevoetbald (een kleine houten doelmond maakte dit duidelijk en naarmate de middag vorderde zouden almaar zatter wordende grote mensen in de buurt van een houten rechthoek hun voetbal(on)kunde demonstreren). Je kon er ook basketbal spelen (een korf, bevestigd aan de achtergevel van de buren liet hier geen twijfel over). Een oude, obese buldog lag te midden gehavende tennisrackets naar adem te happen. De paaskuikens waren kippen geworden. Ze liepen vrijelijk, maar behoorlijk doelloos en onrustig rond. Her en der lagen ballen.

Omdat ik na amper twee glazen alcohol de leukste van de meute ben en heel wat rotzooi vergeet, en na een derde compleet loss, hield ik het bij “verblijd” en zat ik behoorlijk scherp te observeren. Ik keek hoe mensen met elkaar, met de dieren en met de dingen omgingen. Als dierenvriend was ik op dat soort reünies al altijd alert, al was het maar om de aanwezige dieren – die de meeste mensen nog altijd als inwisselbaar speelgoed aanzien – voor mogelijk onheil te vrijwaren.

Op zeker ogenblik is de zich stierlijk vervelende, gevierde kornuit nog in z’n eentje een balletje aan het trappen. Wat moet een kind immers met al die grote, half en geheel zatte mensen? Ik speel even met hem mee, maar gooi me na een klein kwartier uitgeput op mijn stoel. De verveling bij de jongen culmineert. Terwijl mijn tafelgenoten verder lallen, volg ik zijn doen en laten. Nog twijfelend of hij enig voetbaltalent heeft. Het dringt snel het tot me door dat hij de bal met regelmaat richting kippen trapt. Zij zijn een mikpunt. Hij wil ze raken. En dus pijn doen. Ik moet denken aan Wislawa en haar fameuze “Bijdrage tot de Statistieken”. Ikzelf, een watje, zou – op die leeftijd en onder die omstandigheden – naar de winkelhaak hebben gemikt, of naar de lat, of mijn verveling op trillende netten hebben uitgewerkt. Helaas, de kippen moesten het vergelden. Meteen na het dessert bedacht ik een uitvlucht en verliet het feest, te laf om een opmerking te maken.

Sindsdien zijn feesten minder nog dan ooit aan mij besteed. Ik moest er onlangs opnieuw aan denken. Tijdens een van de tentoonstellingen die ik dit jaar bezocht: “The Beauty of the Beast”.

Ik was er als de… kippen bij. Al op de vernissage, dus. Ik zag levende varkens (de resultaten van een kweekprogramma van kunstenaar Koen Vanmechelen), schapen-met-stamboom en de gasten werden verwelkomd door een immense wolf en een impressionante uil. De eerste maande tot voorzichtigheid aan; de tweede nodigde je uit om je een wijle in zijn schoot te nestelen. Voor deze laatste twee kunstwerken tekenden Stief Desmet en Johan Creten. Een en ander speelde en speelt zich af op en rond het Kasteel d’Ursel (Hingene). Achter het kasteel zet de ingetogen (het gebouw heeft iets huiselijks) rust zich voort in het rimpelloos oppervlak van een vierkante vijver, waarachter twee reuzenhonden van Sweetlove de wacht houden. Roze en rood. Een verrassend duet. Hoe enig mooi lelijk kan zijn.

Wat er van tientallen kunstenaars geëxposeerd wordt is van hoog niveau. De tentoonstelling loopt in samenwerking met het voor vele jaren in stellages gekooide KMSK Antwerpen, waardoor ook van oudere werken met dieren als protagonisten kan worden genoten. De vindingrijkheid, de verscheidenheid en de enscenering zijn verbluffend. Mijn liefde voor dieren wordt ruimschots gevoed. Een roedel honden vind ik te eng behuisd. Voorts niets op aan te merken.

Wanneer we aan het slot van een lange avond met ijsjes worden verwend terwijl we bij de vijver staan te praten, vraagt iemand wat me het meest heeft getroffen. Ik had ontzettend veel knap werk gezien, maar bij een enkel moest ik bijna letterlijk naar adem happen: een foto (op dibond) van Henk van Rensbergen. Een monumentaal ding. Een verlaten huis, oud behang met een diepe scheur, twee openstaande bruine deurtjes en voorts onpeilbare stilte. Twee kippen zoeken er zich een weg. Vriendinnen, zo zou later blijken, luisterend naar de namen Thelma en Louise. Een verwijzing ook naar een bekroonde misdaadfilm uit 1991, “een feministische roadmovie”, zou ik – thuisgekomen – lezen.

Ik kwam de kamer binnen waar die foto hing en meteen had ik het gevoel dat er iets ingrijpends was gebeurd. Dat de mens compleet verdwenen was (wat me, vreemd genoeg misschien, enigszins opluchtte) en dat de twee kippen er het beste probeerden van te maken. Ogenschijnlijk rustig, gedecideerd, nieuwsgierig. Op overlevingstocht. Sublieme foto. Ik bleef lang kijken. De stilte was oorverdovend.

Het toeval wil dat twee maand later van de hand van dezelfde kunstenaar, in hoofdzaak bekend als “urban photographer”, een monografie (Lannoo) verschijnt: “No Man’s land”. Het voorwoord is van de hand van de wereldvermaarde zoöloog Desmond Morris en voor de epiloog kroop auteur Peter Verhelst in de huid van de laatste nog levende homo sapiens.

Ik heb Morris’ tekst twee keer gelezen. Dat er ten tijde van Christus 255 miljoen mensen op aarde leefden, tijdens Morris’ jeugd al zo’n goeie twee miljard en vandaag, ondanks ontelbare oorlogen, epidemieën en andere wantoestanden, maar liefst 7,5 miljard. De aarde kan dit niet aan en Morris legt uit waarom. Koop het boek, geniet en huiver. Van de schoonheid van de natuur, die opnieuw ongeremd zijn plaats inneemt, en leer wat voor dieren de ramp zullen overleven. Flora en fauna zullen er wel bij varen. Ik denk aan de klimop in mijn eigen tuin: nauwelijks in te tomen.

Van Rensbergen moet hebben gedacht: als ik nu eens alleen de dieren een plaats geef in mijn compleet verloederde en verlaten locaties. Pas dan begon de tweede fase van het monnikenwerk: het inpassen van de dieren. Meesterlijk digitaal werk. Een boek vol verrassingen en vaak spectaculair, terwijl ik eigenlijk nog het meeste hou van de kleinere dieren die hij, zoals alle andere, schitterend heeft neergezet in zijn unieke biotopen. En laat “Thelma & Louise” mijn lievelingsfoto zijn. Twee vriendinnen, dat zie je zo.

Zeg, dierenvriend, zegt mijn Binnenstem (heb net Van Dis’ nieuwste gelezen): je zo dierbare honden en katten, hoe gaan die het redden? De hond wordt kattiger (wolf, dus weer) en de katten groter. En ook voor minder aaibare beesten wordt het een reuzentijd: ratten, muizen, vleermuizen…

Johan DEBRUYNE, 22 juli 2017

 

Jardin cultivé: eigenzinnig met kleur

Jardin cultivé: eigenzinnig met kleur

Zaterdagmorgen heb ik in wat een “weekkapel” blijkt te heten (een soort smalle zaal  in de flank van een kerk) afscheid genomen van Liliane. Wat me bij haar vooral fascineerde was hoe ze je mee kon trekken in een enigermate gecontroleerde frivoliteit. Hoe ze graag en ook wel een beetje ondeugend haar gedachten de vrije teugel liet in de marge van wat triviaal was. Het eigenzinnige, haar zo eigen. Hoe ze je bijna uitzinnig opmerkzaam maakte op de schoonheid van een regenboog. Het niet te duiden blijde gemoed en de verrassende ideeën, gevoed door een grenzeloze, bijna kinderlijk onbezoedelde fantasie.

Ik was een nog onervaren schoolcollega toen zij er de brui aan gaf. Ze zou voorts gewoon zichzelf zijn. Van kunst, schoonheid, mensen en de stilte genieten. En voor haar ouders zorgen. Ze is nooit getrouwd, had geen kinderen en werd 83.

Het aantal mensen in de kale weekruimte bedroeg zowat de helft van haar leeftijd. Ik betrap me wel vaker op dit soort bedenkingen. De dag voordien had ik flarden gezien van Fabiola’s uitvaart. Een groep Spaanse vrouwen uit Vilvoorde had me ontroerd en tegelijk aan het lachen gebracht. Net niet aan het swingen. Lachen. Maar met een krop in de keel. Het vele zeer was geleden, dus mocht het ook een beetje feest zijn. Het had ook in de weekkapel wat vrolijker gemogen. Maar goed, Liliane was af en toe ook graag alleen geweest. Met regelmaat zocht ze de stilte op en vooral dit aspect was aan bod gekomen. Ik sus mezelf. Haar bruinhouten kist stond niet op de grond zoals die van Fabiola, maar wel op een lelijk metalen vehikel. De (klassieke) muziek kwam uit een minuscuul apparaatje aan de rand van het altaar. Ergerlijk aandoenlijk dilettantisme voor een vrouw met zoveel talent. Het bidprentje was mooi.

Na de middag ga ik wat kleur opsnuiven. Ik weet sinds enige tijd dat Nico Van Dale, leeftijdsgenoot, eindelijk vrijuit is gaan schilderen. De man, die naam maakte als restaurateur, heeft zijn hele leven lang, als een soort alchemist, doffe, verpauperde en doorgaans oude schilderijen opnieuw tot leven gewekt, “gezond” gemaakt, een nieuwe drager voor ze getoverd, opnieuw kleur gegeven. Met houten stokjes en watjes en producten uit vaak obscure, bestofte flesjes. Brood op de plank.

Ik weet dat zijn werk kleurrijk is. Anderhalf jaar geleden had ik er eentje gezien. Verrast had ik opgekeken van de dikte van de materie, de bijzondere manier van aanbrengen, het genot van de zoektocht.

Hij stelt zijn schilderijen voor het eerst tentoon en ik ga ze opzoeken langs de vaart. Langs een kaai met bijna niets dan waren- en handelshuizen, een autodealer, een oud politiekantoor en daartussen een reeks grote, hoge, diepe huizen. In een van die panden hangt zijn werk. Boven het atelier van zijn vriend Nico Lannoo, ten onzent zeer bekend graficus en gewaardeerd leraar aan de academie. Ik stap de “Kaaigalerie” binnen.

Een beetje perplex sta ik te kijken naar vier langwerpige schilderijen, de dikke, met spiegelglas afgewerkte zijkanten. Samen: “De 4 jaargetijden”. Vooral in de zomer lijkt het alsof alles onbeheersbaar aan het groeien slaat. Dit is wellicht het wonderlijke aan dit werk, dat het wellustig lijkt te groeien, terwijl het om gestolde materie gaat.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Ik neem de zomer voor de lente. En in mijn hoofd zingt Julien Schoenaerts-zaliger, toen hij kort voor zijn overlijden zijn doorwrochte grafiek in zijn dikke schetsboek aan de cameraploeg liet zien en van commentaar voorzag: “Dit is de lente, dit is de herfst…” Een heerlijk moment. Ik vergeet het nooit meer!

Ik denk aan het PAK (Platform voor Actuele Kunst) in Gistel, waar onlangs boven de tekeningen van Karl Mechnig een enkele klimopstriem zich doorheen een gaatje in de muur had gewrongen. Of dit ook een kunstwerk was, werd gevraagd. Een soort installatie misschien? Met kunst weet je maar nooit.

Ik denk ook aan Nico’s eega, zijn muze, zegt ze telkens weer met terechte fierheid. En ik hoor Nicko te zeggen, want zo luidt zijn artiestennaam. Ik denk aan de kleine binnenkoer van het huis waar ze lange tijd woonden: een kleine groene oase net buiten de poorten van de aloude stad. Onvermoeid gedoe, gesjouw, gepruts met groen en bloemen, kaarsjes en lichtjes tot het er aangenaam toeven was.

Het zijn behoorlijke massa’s verf die hij vorm weet te geven. Van verf heeft Nicko bij momenten flarden natuur gemaakt. Als restaurateur heeft hij natuurlijk – met vallen en opstaan –  gedurende tientallen jaren alle materialen uitgeprobeerd. Hij kent alle truken van de foor. Ook daardoor is hij in staat dit soort werk te maken.

Op houten panelen zuigen zich dikke lagen verf vast. Laag voor laag. Laagje boven laagje. Toets na toets. En als de natuursuggestie heel dicht in de buurt komt: blaadje voor blaadje. Zijn verf maakt hij zelf, de kleuren ook. De glacislaag doet zijn werk. Hij hoeft het me niet allemaal uit de doeken te doen. Laat ook mijn verwondering maar woekeren. Het is wel duidelijk dat hij afwijkt van al die schilders die vandaag overwegend figuratief bezig zijn en vooral het lijden en de condition humaine in hun werk ver-beelden. Dit hier is vrolijkheid. Maar tegelijk broosheid en vergankelijkheid. Aan seizoenen valt niet te ontkomen…

De meeste kunstwerken refereren vandaag aan het leven, meer bepaald aan de wereld die met rasse schreden naar de knoppen gaat. Net gelezen hoe de nieuwe Vlaamse cultuurminister Gatz zich een bult schrok van dat bronzen Muller-jongetje alleen op de gang, treurend tegen de muur. In Nicko’s wereld is het ozongat gedicht. Is er geen fijn stof. Het verdriet is overgroeid. Een droomwereld. Het doet eens deugd.

De kunstenaar wil schoonheid brengen. De kritiek dat het werk daardoor inhoud mist, zal hem worst wezen. Ook zijn vrienden en bij uitbreiding “zijn” publiek” kijken uit naar dit soort werk. Of de handelsgeest hier nog de hand in heeft, weet ik niet. Omdat ze wellicht vlot van de hand gaan. Het zou kunnen. Hoe dan ook, ik geniet. En wanneer ik L. thuis wat fotomateriaal laat zien, voel ik bewondering.

Eigenlijk is Nicko’s werk abstract. Zelden gaat hij overigens naar andere kunstenaars kijken. In de “Kaaigalerie” voel ik dat ook deze jongen af en toe behoefte heeft aan weinig meer dan kleur, de suggestie van natuur, van groen dat leeft, sterft, maar altijd weer tot leven komt. Aan een portie vrolijkheid. In sommige werken lijkt het alsof het – door de glacislaag – om keramisch werk gaat. Ik moet heel even aan de bustes van Johan Creten denken. Creten de vorm, Nicko de huid. Een nieuw leven nadat de bustes eeuwen op de zeebodem hebben gelegen.

En weer denk ik aan Liliane en aan het bos, waar ik ze ooit toevallig op een bank zag zitten, volop genietend van de natuur en van de stilte. Van de kleine geluiden, van de kleuren. Tiens, er zit ook een “Pollockje” tussen. Ja, heel wat precieuze werken kwamen ooit in handen van de restaurateur.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

JOHAN DEBRUYNE, half december 2015

cr foto Liliana: Roel Lauwaert

cr foto’s Nicko: Nico Van Dale