Tag: fabre

Wauw, een “echte nazi” in mijn hotelkamer!

    

 

 

 

 

 

 

Wauw, een “echte nazi” in mijn hotelkamer!

Een fervent liefhebber van actuele beeldende kunst heeft een rist vaste afspraken in zijn agenda. En wanneer hij het een beetje verstandig aanpakt, dan is hij meteen ook met grote regelmaat op vakantie. Zo ligt de koffer altijd tijdig klaar voor een 2-jaarlijks trip naar dé Biënnale (die van Venetië, dus), om de 5 jaar wordt de auto leeg gemaakt en dan weer volgestouwd voor een paar dagen artistieke “vakantie” in het Duitse provinciestadje Kassel (de Documenta) en om de 10 jaar wordt de sfeer opgesnoven in het mooie, al even provinciale Münster. In eigen land trekt hij net voor de zomerschoolvakantie op automatische piloot naar een plekje bij de Frans-Vlaamse grens en af en toe komt er nog een “Manifesta” bij. Ik vergeet vast een boel zaken.

Daarnaast is het ook nog wel eens zoeken naar een excuus om deze of gene tentoonstelling toch maar niet te missen. Amsterdam, Parijs, Antwerpen, Gent, Brussel, Den Haag en steden (zoals Bilbao) waar men bijzondere architecturen durft inplanten. Ik moet uiteraard de financiën in de gaten houden, maar ik ben feestneus en geef amper geld uit aan exquise schranspartijen. Irritant is dat de met regelmaat weerkerende manifestaties almaar toenemen en het dus moeilijker wordt om de dingen op de voet te blijven volgen. Er is niet alleen het lijf dat vaker protesteert; het reizen en logeren gebeurt op eigen kosten.

Ik ben het slaafje van een heerlijke, dure passie.

Omdat ik de Documenta al altijd als richtsnoer heb aanschouwd voor wat vandaag hedendaagse beeldende kunst zou horen te zijn, heb ik er al een behoorlijke serie op zitten. Dit keer opteerde ik voor de auto. Het groene Hessengebied strekt zich uit op een goeie vijfhonderd kilometer van mijn kleine heimat. Omdat ik een veel minder gedreven autobestuurder ben, nam ik in het verleden al eens de trein richting Duitsland. Je bent dan wel bijna een volle dag onderweg, maar je kan een boek meenemen. En omdat je op de voormelde manifestaties almaar meer “venues” dient af te lopen, opteer je met het vorderen van de jaren voor een hotel in de buurt van de meest belangwekkende locaties. Zo keek ik ook nu weer, des avonds en in de vroege ochtend, vanuit mijn hotelkamer met liefde naar dat fantastisch Lutherkerkje aan de overkant van de straat. Een oud en enig kunstwerk op een grillig groen heuveltje met her en der een vergeten kruis of verzonken zerk. Ook het uit de gratie geraakte Kulturbahnhof (het oude stationnetje) ligt binnen loopbereik. Op het plein ervoor stapt nog steeds een man naar de hemel. Haast lijkt hij niet te hebben en moe wordt hij evenmin: een kunstwerk van Jonathan Borofsky, kunstenaar die ooit in Brugge te gast was, meer bepaald in Galerie “De Lege Ruimte”. Maar in mijn fraai geboortestadje opteren beunhazen voor compleet andere “artistieke” creaties in de publieke ruimte…

Omdat je nooit alles kan lezen en evenmin alles kan zien, opteer ik in Venetië voor het Arsenale en de Giardini en loop ik eventjes langs bij Peggy Guggenheim. Zoals zij al haar hondjes een laatste rustplaats heeft bezorgd. Respect! De laatste jaren echter werd de Biënnale een zootje: wie zwemt in het geld, huurt een Venetiaans paleis om er zijn of haar kunsten te tonen. Ik weiger ze te bezoeken. Zo kan je er dit jaar bijvoorbeeld heel wat werk van Jan Fabre zien. In groen glas… Ik heb er geen boodschap aan.

Almaar meer locaties, dus. Alle kunstevenementen beginnen aan dit euvel te lijden. In Münster moet je dit jaar naar verluidt voor een enkel werk een uur de auto in. Te gek.

Ik heb intrigerende en onvergetelijke Documenta’s gezien. Doorgaans gestoeld op een visie. Die van 1992, in elkaar gebokst door onze Jan Hoet, ontbeerde die eigenschap. Hoet had van “zijn” Documenta een soort artistieke kermis gemaakt. “Alles kan” zal Jans devies geweest zijn. Of: dat hij het zelf allemaal niet meer wist. Toch was het een vrolijke, onvergetelijke Documenta.

Documenta XIV, deze van 2017 dus, van de jonge Poolse curator Szymczyk, confronteert je met de miserie van zowat de hele wereld, maar vergeet al te vaak dat het om beeldende kunst gaat. Puur beeldend is deze Documenta voor mij een gigantische ontgoocheling geworden. Niet omdat ze in Athene is begonnen en zo voor de eerste keer niet louter Kassel als terechte historische locatie heeft, maar het is zoeken naar beeldende kunst die je naar de keel grijpt. Net nu ik enigszins van mijn deprimerende nieuwsverslaving af aan het geraken was, kreeg ik het allemaal weer op mijn bord. Ik was wel voorbereid, maar wat ik zag was te zelden beeldend knap of verrassend vormgegeven.

Het begint wel veelbelovend en groots. Zo vergeet ik nooit meer het uit duizenden en duizenden ooit verboden boeken opgetrokken “Parthenon of Books” van de Argentijnse Marta Minujin, een “work in progress” want terwijl ik er dagelijks langs liep ging het bouwen van boekenzuilen onverminderd door. Minujins Parthenon neemt het hele grasveld voor het Fridercianum in. Opmerkelijk ook dat de naam “Fridericianum” de plaats had geruimd voor “Beingsafeisscary”. Voorts komt er voortdurend witte rook uit een van de torens van het gebouw. Een Duitse vertelde me dat dit in het prille begin tot geregelde oproepen van de brandweer had geleid… De rook symboliseert de wereld die in brand staat. En toch. Het leven ging ook die week zijn gang. Ik bezocht, las, zag en sprak. Het stadscentrum krioelde van het volk. Terrassen zaten overvol. Ik zag verrassend veel oude mensen en ook jonge. Ik raadde wie er voor de Documenta zou zijn en wie er leefde of boodschappen kwam doen. Ik zag talloze obese soortgenoten, maar ook heel wat sukkelaars, bedelaars en opvallend veel bodybuilders en allochtonen. Een amalgaam.

Op de Königsplatz sprak ik – met uitzicht op een in beton opgetrokken obelisk waarop in 4 talen een boodschap van gastvrijheid staat geschreven – met twee jonge, hardwerkende Afghanen. We hadden het onder andere over “The Kite”, het boek en de film en over hun thuisland dat ze ontvlucht waren. In het hotel vroeg ik aan de balie dan weer hoe het in Kassel met de “multiculti” was gesteld. Een grijnslach was mijn antwoord. In het centrum lijkt alles mee te vallen, maar er zijn wijken waar van integratie geen sprake is. Er zullen dus toch ooit lokale brandjes moeten geblust…

Ondertussen liep ik continu locaties af en werd me telkens door de strot geduwd hoe slecht de mens wel is. Maar ik volg wat er in de wereld gaande is en was dus vooral op zoek naar imponerende (niet in grootte) beeldende kunst, terwijl ik te vaak met goed bedoelde huisvlijt werd geconfronteerd.

Een halve zaal vol prikkeldraad en ijzer. Bijvoorbeeld. U denk er vast ook een muur bij? Een zogenaamd discussieforum was de plek waar mensen verkoeling zochten. Het was de hele week snoeiheet. Op het eind van dag 1 was ik twee keer de adem afgesneden. De ene keer ging het om een groot beeld van een vis die door een harpoen was doorboord. Het dier leefde nog: af en toe een stuiptrekking. Costas Tsoclis. In een andere ruimte keek ik lang naar een immense foto: een massa mensen op een geaccidenteerd terrein. De aarde vol kraters. Pas bij nader inzien zag ik dat alle mensen mekaar aan het fotograferen waren. Panos Kokkinias.

Een tweede vaste stek is de Documenta-halle, die Jan Hoet nog heeft laten bouwen. Hier werd ik helemaal hopeloos en speelde het woord “huisvlijt” het vaakst door mijn hoofd. Ik stond wel een wijle stil bij een blauwig bootwrak tot een muziekinstrument was omgebouwd.

Voor de “Orangerie” moet je een flink stuk naar beneden. Tot bij een uitlopertje van de Fulda, waar ik met plezier opnieuw de boom van Penone en de immense “Spitzhacke” van Klaas Oldenburg zag. In een enkele ruimte van de Orangerie was iets geprogrammeerd. Er stond een groot scherm. Er was behoorlijk wat volk aan het kijken en luisteren vooral naar een 5-tal Russisch-Orthodoxe priesters. Prachtige stemmen! Mochten onze pastoors zo zingen, dan ging ik als agnost wellicht elke zondag naar de mis.

Toen ik op dag drie mijn persaccreditatie ging vernieuwen (ze geldt voor 2 dagen), vroeg ik L. om foto’s te nemen. Mijn lichaam was aan een klaagzang begonnen en wellicht (ik ben 63) zou dit mijn laatste Kassel-accreditatie zijn. Mijn zwanenzang, dus. Geen mooi soort identiteitskaartje-met-foto dit keer, maar een ordinair document. Een Nederlands-Duitse, ongeveer mijn leeftijd, sprak me moed in toen ik haar zei waarom ik dààr per se foto’s wilde. “Oud worden,” zei ze, “is terugkeren naar de kinderjaren, in die zin dat je elke dag bijleert: dat wat je niet meer kunt!” We hebben nog lang staan praten. Ze vond mijn brilmontuur bijzonder.

Al bijna altijd vond ik een bezoek aan de Neue Galerie, een echt museum, lichtjes bergop gelegen en met uitzicht over het royale groen rondom de stad en de Orangerie, de moeite waard. Ook dit keer. Bijzondere en merkwaardige schilderijen, helaas afgewisseld met te veel dilettantisme, een gigantische muur met als titel “Real Nazi’s”, met centraal Adolf Hitler met een rood kruis over zijn gezicht. Niet, dus. Ik kan diverse redenen bedenken. Ik weet dat veel jonge Duitsers destijds onbewust bij de Hitler-Jugend werden ingelijfd. Onderaan herkende ik de jonge Joseph Beuys, toen piloot, later en tot op vandaag een der grootste conceptuele kunstenaars. De voormalige paus Ratzinger kon ik niet vinden. Een verre zaal toonde fantastische, in klei geboetseerde kopjes, en een gigantisch werk waarin je meteen het hoofd van Marine Le Pen herkende. Hier zie ik ook voor het eerst werk van Arnold Bode, kunstenaar-filosoof en stichter van de Documenta. Een groot lyrisch-abstract doek en een reeks tekeningen. Zijn portret, geschilderd door de sterkste Duitse schilder ooit, Gerhard Richter, had ik er eerder gezien. Voorts nog wel enkele bekende namen, ook op deze Documenta, maar of Jan Fabre en Hans Haacke daar nu echt nodig waren durf ik betwijfelen. Verrassend een reeks knappe tekeningen (inkt op papier) “Flood in the Netherlands”, over de watersnood bij de Noorderburen tijdens mijn geboortejaar.

Een nieuwe grote locatie is de Neue Neue Galerie, een voormalig postkantoor, waar weinig werk me in vervoering heeft kunnen brengen.

En wat men onder het oude station wilde laten zien of voelen, is me nog steeds niet duidelijk. Ik had me de vermoeiende trip kunnen besparen. Doodmoe liet ik me de laatste dag op mijn bed neerploffen, waar ik, zoals elke avond en ochtend ook Joseph Beuys in de ogen kon kijken. De Duitse goeroe haal je vandaag ook via behangpapier in huis…

 

JOHAN DEBRUYNE, eind juni 2017

 

 

Loslaten, een beetje…

 

 

 

 

 

 

 

Loslaten, een beetje…

Ons nieuwe dak was geen luxe en een kelder, waar nu en dan ambtenaren van de gemeenschap je energieverbruik komen notuleren, heb je liever droog dan dat er dan met laarzen moet gesukkeld. Dus… Een dikke maand (het regende vaak en toen lagen de werken aan het dak uiteraard stil) hebben we dus mannen in, op en rond het huis gehad. Onvervaarde, sterke en (v)aardige gasten. Terwijl ze bezig waren, probeerde ik in de woonkamer – op alle andere plekken in het huis voelde ik me volslagen waardeloos – al eens de krant of een boek te lezen. Maar na luttele minuten legde ik het leesvoer steevast aan de kant. Het ging niet. Niet zozeer vanwege het lawaai dat vooral het afbreken genereerde (het storende en lang aanhoudende geluid van de files bij de voordeur was al die tijd zowaar tot achtergrondgeluid gedegradeerd), maar mijn gedwongen fysieke apathie zadelde me op met iets wat naar schuldgevoel rook.

Ik heb niet echt een zittend gat, dus verliet ik wel af en toe mijn cocon en sloeg een praatje. Ik zette ook al eens koffie (vers is toch beter dan wat in die thermos warm wordt gehouden?) en zorgde voor wat zoets, en vooral: ik stak bijwijlen zowaar de handen uit de mouwen! Maar wàt ik deed kun je bij nader inzien catalogeren bij “onnodig/overbodig gepruts”. Het waren “handelingen” waarvan ik dacht: dit kan mijn rug nog net aan. Of: dit houden mijn enkels wel. Of nog: zo erg zal dit nu ook wel niet zijn voor mijn almaar strammer wordende linkerknie. Ik raapte dus wat steengruis op of veegde het bijeen, rommelde wat in de tuin en ’s avonds hielp ik het huis fatsoeneren: stofzuigen en oppervlakkig dweilen van voor- tot achterdeur, de strakke strook die overdag het terrein was van de mannen met enkellaarzen.

Vanochtend vertelde me de dierenarts dat ze vaak met ditzelfde soort schuldgevoel kampt. Ze komt de laatste tijd aan huis voor onze voorlopige enige kater. Wieb eet goed en slaapt ontieglijk veel. Vandaar zijn aanzienlijk kattenlijf. Ik krijg het niet langer ongehavend tot in haar wachtkamer, al zeker niet met dat nieuwe parkeergedoe in onze stede.

Een bekend fenomeen blijkbaar, dat wringende gevoel van nietsdoen, terwijl een ander zich in je buurt te pletter werkt. Onze dierenarts heeft het wanneer haar huishoudster bij haar thuis in de weer is. Meer bepaald over de middag. Want dan wil zij wel eens naar het Journaal kijken, terwijl die mevrouw haar werk verder zet. Het knagende schuldgevoel duurt slechts een paar minuten, vertrouwde ze me onlangs toe. “Van zodra ik er aan denk dat voor die mevrouw om 4 uur de klus is geklaard en ik dan nog tot diep in de avond door moet, geniet ik wél van dit TV-intermezzo!”

Ik doe al dagen bijna niets dan slapen. Als ik dan toch eens een boek ter hand neem, overstemt na een paar minuten mijn gesnurk elk ander omgevingsgeluid. Zelfs dat van de flink uit de kuiten gewassen grasmaaiers van de achterburen met gigantische tuinen. Het is mijn eega die het zegt. Maar het wordt zoetjesaan beter.

Ik had een creatieve periode, kort na de winter, waarin ik heel wat teksten voor monografieën schreef, maar het praten in ateliers, het lang staan kijken naar werken, het door de knieën gaan om een detail beter te observeren, het bezoeken van nogal wat tentoonstellingen, het lange zitten achter de PC én mijn perfectionisme hebben me uitgeput. Ik moet staan, stappen, zitten en liggen, adviseren mijn therapeuten, maar… gedoseerd. Gemakkelijker gezegd dan gedaan. Je schrijft wanneer je enigszins geïnspireerd bent en de pijn te harden is en je vergeet de tijd wanneer je creëert. En wanneer ze vlak in je buurt – de bouwwerken slepen al jaren aan – van ’s ochtends vroeg (zes uur! Mag dat wel?) lawaai aan het maken zijn, kom je ook amper aan schrijven toe.

Vanwege mijn langzame fysieke aftakeling heb ik de laatste jaren nogal wat tentoonstellingen niét gezien, waar ik graag naartoe zou zijn gegaan. L. verwittigde wel al tijden dat dit tempo niet vol te houden is en dat ik ook almaar vaker zeurde over tentoonstellingen die de verplaatsing absoluut niet waard waren.

Alsnog wil ik straks echter de Documenta (Kassel/D) voor geen geld missen. Een centraal gelegen hotelletje is maanden geleden al geboekt. Ik herinner me nog levendig (het ontmoedigde me zelfs) dat J., een onlangs op respectabele leeftijd overleden gerespecteerd criticus, me op zeker ogenblik zei dat de 5-jaarlijkse hoogmis van de beeldende kunst voor hem niet meer hoefde. Het greep me aan dit te vernemen van iemand die zijn hele leven met actuele beeldende kunst was begaan en die – small talk was niet bepaald J’s ding – er voor zijn leeftijd meer dan monter uitzag. Ik dacht: Kassel, daar ga je desnoods toch op krukken heen? Zoveel jaren later weet ik beter…

Ik probeer alvast nog een Documenta aan mijn lijstje toe te voegen. Over vijf jaar, bij de volgende editie, zou ik 68 zijn. Dit wordt de veertiende. En altijd in dat bizarre, behoorlijk banale Duitse, door een soort snelweg doormidden gereten stadje, waar kunstenaar-filosoof Arnold Bode vanaf 1955 liet zien wat door het naziregime als “Entartete Kunst” werd verketterd en verboden.

Als klap op de vuurpijl vangt, voor het eerst, de Documenta in een andere stad aan. In Athene met name. Maar wat de curator daar laat zien hoeft voor mij niet. De Documenta hoort in Kassel thuis! Ik heb de centen niet voor het rapen en voorts niet de minste zin om de Atheners in het gezicht te spuwen. Wat heeft de doorsnee-Griek aan een evenement waar wereldwijd dan wel zo’n 700.000 mensen verzot op zijn en een bom duiten kost?

De kunstwereld lijkt serieus op drift. Ook het me zo vertrouwde 2-jaarlijkse bezoek aan Venetië begint te vervelen. Ik ben al altijd dol geweest op Venetië – mooier en vooral authentieker dan Brugge, de stad waar ik geboren en getogen ben -, maar ik heb me altijd tot de Giardini en het Arsenale beperkt. Ik zou liegen, ik liep ook altijd eens langs bij Peggy Guggenheim (zoals zij haar honden een laatste rustplaats heeft gegeven, dit had ik met mijn katten moeten doen) en ook Museo Correr op de Plaza San Marco kon ik doorgaans moeilijk voorbij lopen.

De laatste edities van de biënnale voor actuele beeldende kunst in de Dogenstad zijn echter tot een circus verworden, met nevenactiviteiten die het kerngebeuren verdringen. Collectioneurs en mensen met poen huren nu tot de verbeelding sprekende huizen af en tonen daar kunst. En zeg daar als kunstenaar maar eens “nee” tegen… Macht, geld, invloed. Commercie en/of sensatie. Ik heb nu eens echt geen zin om het werk van Fabre in groen glas te zien. Ik denk trouwens dat de wereld vandaag andere kunst van doen heeft. Dat je in de winkels van Venetië nog amper door Venetianen wordt bediend of dat het glas dat er te koop wordt aangeboden niet eens meer in Murano wordt geblazen zal hun een zorg wezen. Nee, voor mij volstond het met de Giardini (de tuin waar de landen in hun eigen “paviljoen” hun ding doen) en vooral het Arsenale. Ik wil graag zien wat een door deskundigen aangesteld curator wil dat ik zie. Een thema vind ik ook belangrijk. Al zeker in deze tijden. Daarom vond ik de vorige Documenta zo onvergetelijk.

Mijn frustratie heeft deels met mijn verminderde actieradius te maken. Ik kan – zoals heel onlangs – op tentoonstellingen in Brugge en Poperinge nog alle registers opentrekken, maar vooral het blijven nakaarten kruipt danig in mijn botten. Kassel wordt straks dus ook fysiek een zware klus. Het wordt nu eens een week met schrikkeldagen. Een terugkeer via het idyllische Münster zit er ook niet in. Daar loopt de 10-jaarlijkse editie van “Sculptur Projecte” en na wat surfen op het net lijkt deze uitgave toch wel iets voor afgetrainde duatleten, zeker! Maar goed, in eigen land zijn er eerst nog o.m. “Het Afwezige Museum” in Wiels (Brussel), het vernieuwde M HKA (Antwerpen) en “The Beauty of the Beast” in het Kasteel van Hingene (Bornem).

Of ik straks toch nog naar Venetië ga? Ik twijfel. Wat ik nooit had durven dromen is dat Venetië mij aan mijn geboortestad, Brugge, waar ik een haatliefde-verhouding mee heb, zou doen herinneren. Het Italiaanse Venetië is veel mooier, maar ze zijn het wel om zeep aan het helpen. Dan heb ik het nog niet over de cruiseschepen die de lagune kapot varen. Het is vooral de veelte. Twee jaar geleden hadden we dagen aan een stuk regen en stond de stad onder water. Verkleumd stap je dan met een niet te overschouwen kudde over houten paletten, terwijl ook de kunst niet om over naar huis te schrijven was. De duiven hebben ze er dan wel weggejaagd, maar de winkels staan vandaag vol rotzooi, op die ene straat met peperdure merkkledij na.

Het troostte me in de meest recente editie van (H)ART dat mijn hoofdredacteur schrijft dat hij naar de Venetiaanse perspreview voor het eerst een jonge collega had afgevaardigd. Zie je wel, je zal ooit eens moeten stoppen, zei L. met een cynisch klinkende opgewektheid in haar stem. Je hebt al genoeg gedaan. We zien wel. (H)ART-kunstmagazine ligt me na aan het hart en er valt vast nog veel goeds te beleven. En wie weet geeft “De tolk van Java” (Alfred Birney) me nieuwe moed. De kanjer ligt te wachten.

Johan DEBRUYNE, eind mei 2017

 

Bo-mannen op ‘t Eilandje

       

Bo-mannen op het Eilandje

Het zal je maar overkomen. Een artiestenleven lang boetseer je bescheiden, maar met grote liefde, de wereld in het klein en plots worden 4 van je wezentjes protagonisten en krijgen ze – uitvergroot – een uitgelezen forum vlak bij het onvolprezen Antwerpse Museum Aan de Stroom. Dat voor de genialiteit en de megalomanie van een kunstenaar als Jan Fabre op dit ogenblik alleen de citadel van Namen amper hoog genoeg is, lag dan weer wel in de lijn der verwachtingen. Maar Daisy Boman is anders. Is stiller. Geen praatjes.

Ik heb een afspraak met haar. In Antwerpen. Daisy is ondermeer moeder, echtgenote, grootmoeder en kunstenares. We zullen met elkaar praten, daar waar een aantal van haar wezentjes volkomen onverwacht en eigenlijk ongewild letterlijk zo groot zijn geworden, de passant gaan benieuwen, amuseren, afstoten of doen nadenken. Samen rijden we naar het Eilandje, ook buiten de metropool almaar meer vermaard en gretig koketterend met het epitheton van “place to be”.

Al sinds 1992 volg ik louter het artistieke facet van haar persoonlijkheid. Met een beetje empathie is dit meer dan voldoende om ook de persoon te kunnen duiden. Een paar jaar geleden werd in de Kempen, in de buurt van een idyllisch meer, voor het eerst een groot exemplaar neergezet. Een monumentale “Boman”. Op het Eilandje gaat het om een uitvergroting van een close-up van haar oeuvre, van wat een van haar werken of een fragment ervan zou kunnen zijn.

Als kritisch en bezorgd burger heb ik oog voor veel dingen, volg ik zo nauwgezet mogelijk hoe de wereld evolueert, probeer ik te begrijpen wat mijn medemens bezielt en doe ik vergeefs pogingen om de immer moeilijker te vatten tijd bij te benen. Veel van wat ik zie en hoor, maakt me misselijk. Gelukkig is er kunst en blijf ik met regelmaat en graagte bij een detail dralen. Kleinigheden en wat voor velen redelijk waardeloos lijkt worden hoofdzaak. Onontbeerlijke rustpunten. Het is een beetje vluchten in kleine oases van schoonheid, of kunde, in biotopen waar je nog jezelf kan zijn en lucht mag geven aan wat je hart bezwaart. Plaatsen waar best nutteloze dingen het hoogste goed zijn.

Ik ben een Einzelgänger. Ik vermijd, als het even kan, samenscholingen,  recepties en vernissages, tenzij ik gevraagd ben om er wat zinnige dingen te zeggen.

In Brugge woon ik aan de rand van de toeristenfuik, waar ik af en toe, na zo’n artistiek moment, een persconferentie bijvoorbeeld, opnieuw met de realiteit word geconfronteerd, wanneer ik te voet huiswaarts keer. Ik wurm me dan doorheen het opgepoetste hart van de stad, zigzaggend vaak tussen een massa toeristen, stap verder door almaar stillere straten van een almaar meer duale maatschappij. Ik laveer doorheen een flard mensdom.

De bezige, ambitieuze mens, het kuddebeest. Niet altijd per se in de pejoratieve zin van het woord, dié vind ik alvast het vaakst terug in het oeuvre van Boman. Haar werk incarneert zowel schoonheid als realiteit. En dit laatste is doorgaans veel minder fraai. Nooit haalt het werk me uit een waas van melancholie en mededogen. Integendeel.

Dit hoeft ook niet. Het gaat om kunst die zich laaft aan het leven. Ik kan het hebben. Met tegenslag moeten we leren omgaan, toch? Het leven is geen feest. Sinds Dirk De Wachter, professor-psychiater, BV is geworden, raken we hier meer en meer van overtuigd. Ja, we mogen ongelukkig zijn! Tegenspoed hoort bij het leven. Geen vakantie zonder hard werken. Het is het oeuvre van Boman ten voeten uit.

Antwerpen, 27 mei 2015. De volgende dag is het bij de Belgische Spoorwegen, de NMBS, weer van dat. Een lange, lome dag Antwerpen zit er dus helaas niet in. De auto gebruik ik alleen om kunst te vinden op plekken waar je met het openbaar vervoer nauwelijks geraakt, maar voor Brussel, Antwerpen, Gent en Leuven neem ik de trein. Als ze rijden, dan hou ik van ze. En als ze stipt zijn nog wat meer. Ik hoef me niet echt te concentreren, ik kan wegdromen, sluimeren, luisteren, notities maken. Alleen lezen gaat niet. Lectuur verdraagt geen schokken. In stations wordt me rotzooi opgedrongen: op elkaar getaste krantjes in metalen containers. Ik lees dat de Persgroep nog wat tijdschriften heeft gekocht. Er staat ons, Vlamingen, dus nog meer shit te wachten. En bij de eerste koffie hoorde ik regisseur Van Looy warempel een reclamespot inspreken. Het ressorteert geen goed gevoel, dat iemand die tot zo veel meer en beters in staat is, zich hiertoe laat verleiden.

Toen ik het station van mijn geboortestad in stapte, zag ik iemand zijn roes uitslapen. Een andere strompelde ladderzat het gebouw uit. Op het perron zal de zon schijnen. Het is half tien in de ochtend. De meute haast zich naar de perrons. Ik ben op weg naar Daisy Boman en ik zie overal Bomannetjes. Gehaast zijn ze. Bijna allemaal. Vol ongeduld steken ze me voorbij. Ik zit nog wat op een bank te wachten. Ik geniet van een eenzame kraai op het leeg perron aan de overkant. Wat hou ik van die gitzwarte vogels. Ik heb ze lang met de dood geassocieerd. Ik zag ze immers altijd samentroepen op weg naar het ziekenhuis, waar mijn moeder heel lang voor het leven heeft gevochten. Nu vind ik het prachtdieren. Terwijl andere Bomannen nerveus op de trein naar Antwerpen staan te wachten, al ongeveer wetend in welke coupé ze plaats gaan nemen, in de startblokken voor een comfortabel zitje, toef ik halvelings elders met mijn gedachten. Bij de niet meer bij te houden hoeveelheid oorlogsherdenkingen. Doden herdenken? Het is commercie geworden. Terwijl je in journaals continu ziet hoe bloemen en bloemenkransen worden neergelegd, volgen steevast beelden van “verse” onthoofdingen, bombardementen, gekapseisde schepen, verdronken mensen, martelingen, corrupte voetbalbonzen. Dit is im grossen Ganzen de wereld vandaag. Dit is ook Bomans wereld. Klein en stil doen Bomannetjes ons nadenken. De kunstenares koppelt schoonheid aan gruwel. Voor wie goed wil kijken dan toch. En leren wij dan niets? In mijn aloude geboortestede ligt het vol kleine kasseitjes, door veel te grote autobussen continu kapot gereden en door… kinderhandjes gemaakt.

Eindelijk ben ik in Antwerpen. Ik wacht op het plein bij de dierentuin. Ik ben bij Daisy Boman aangeland, terwijl ik eigenlijk al de hele tijd bij haar was. Het mensdom, weet je? Astridplein. Ze pikt me op. Samen rijden we naar dit prachtig plekje: ’t Eilandje.

Ik ken Daisy Boman sinds zowat een kwarteeuw. Veel hebben we nooit gepraat. Hoeft ook niet. Haar oeuvre is het leven. We kijken en doen er het zwijgen toe. Woorden zijn soms overbodig. Het zou alleen maar mooi kunnen zijn. Maar helaas.

Boman is geen praatvaar. Ik zei het al: ze boetseert de wereld, het mensdom, op haar manier. Haar hele oeuvre is een metafoor voor wat zich in onze maatschappij afspeelt. Voor wat er misloopt. Haar allergrootste artistieke verdienste is dat ze een geheel eigen wezentje heeft gecreëerd. Ikzelf ben er weg van. Zijn kloeke beentjes, zijn poepje, maar het meest nog zijn zo typerend hoekig kopje. Een keikopje…

Velen onder ons, net zoals haar protagonisten en figuranten zijn niet eenduidig. We zijn  groepsdier én Einzelgänger. Soms het een, soms het ander. Soms tegelijk. Onze persoonlijkheid valt moeilijk te duiden. We zijn een samenraapsel van vaak tegenstrijdige eigenschappen.

In haar werk geeft Boman zichzelf dus meer dan een klein beetje bloot. Het lijkt immers of de meeste Bomannetjes nooit opgeven. Het moet een van haar parolen zijn. Voortdoen! En dat velen de eerste willen zijn, de grootste willen hebben, dat weet ze maar al te goed. Ze observeert, leeft haar leven, laaft zich aan het leven en schept. Bomannetjes. Wij, dus. Allemaal gelijk, maar de ene al wat gelijker dan de andere.

Die 27ste mei waren de 4 grote Bomannen nog niet af. Het gedoe eromheen was in volle voorbereiding. Ik zag het MAS en ik zag een sokkel. Een fluisteraar op een dak. En ik dacht. Oef, eens geen Jan die de wolken meet. Daisy, je bent in goed gezelschap. Vier van je geesteskinderen in zo’n prachtige setting. Ik weet, je houdt van drie en dit was genoeg geweest. Maar laat ons toosten op een mooie zomer, met af en toe een bui, zodat ze wat gaan patineren en minder glimmen, want van glitter moet je niets. Weet ik wel zeker.

     

JOHAN DEBRUYNE, juni 2015

 

 

 

Crisis, ook voor paarden…

Crisis, ook voor paarden…

Mijn te vroeg overleden, veel oudere broer ging zich in de jaren ‘60 relatief jong in een randgemeente settelen. Bij nader inzien zouden ongeveer al mijn broers en zussen die weg opgaan. En met hen talloze anderen. Al wat groen was werd toen al behoorlijk met bakstenen volgestouwd. Langs nieuwe straten in nieuwe wijken met banale kerkjes reden ze hun auto(’s) tot in de garage. Of garages. Niet zelden waren de opritten uit kasseien opgetrokken. Aangelegd in boogmotief. Toen waren  vakmannen die zo’n klus konden klaren nog dik gezaaid. Van zonnepanelen was gelukkig nog geen sprake.

Ze bouwden huizen die in hun eentje de natuurgrillen zouden trotseren. Leuk, die buren, maar liefst toch op een milde afstand. Nou, natuurgrillen. Van enige opwarming van de aarde had niemand nog gehoord. Omheen de villa/bungalow, want zo werden die bouwsels doorgaans genoemd, strekten zich groene stroken of strookjes uit. Wie er warmpjes in zat kon een imposante woonst neerzetten en daarenboven nog eens royaal groen “sparen”. Het beste van twee werelden. In het resterend groen werd al snel opnieuw gebouwd. Doorgaans met hout en iets minder solide: een tuinhuis. Waar moest je anders met het tuig om al dat groen te onderhouden heen? Buren en passanten zagen  je bakstenen pronkstuk dan wel niet helemaal (je wilde ook nog wat privacy en niet de hele tijd de buurvrouw over de vloer), maar hoe het groen eruit zag, dat verraadde veel. Het hele fenomeen verplaatste zich langzaam maar zeker naar verder gelegen gemeenten. Zo is Vlaanderen zo fraai geworden als we het vandaag kennen.

Opvallend vond ik dat er in regel op jonge leeftijd werd gebouwd. Het ene kind, aan wie al die luxe zou worden doorgegeven, later, mocht nog even op zich laten wachten. Dan werd het naar school gebracht. Met de auto. In die jaren trok mijn generatie te voet naar school. Voor en na schooltijd bleven we plakken in een park of op een plein. Niet in de eerste plaats om kattenkwaad uit te halen. Maar om te voetballen. Bijvoorbeeld. Later vonden we dan een stemmig café. Waar we in alle rust verliefd konden worden of het al waren. In “Ter Halle” bijvoorbeeld regeerde het Franse chanson. Ik hoorde net nog het  geklaag Jan De Smet op de radio: “Nooit nog hoor je Franse muziek op Vlaamse zenders.” De taal van Molière is hier taboe geworden. De opmars van het Engels daarentegen wordt wél gedoogd. Lees er maar eens de advertenties op na, voegde hij eraan toe. Tijd voor een nieuw soort taalstrijd. Nooit aan gedacht, Jan.

Maar goed. Ook de kinderen uit de rand werden ouder. En thuis was er de open haard. En de hond. Die moest het domein beschermen: “Hier waak ik”. En als het gezinnetje echt flink boerde werd nog wat verder nog een perceel groen gehuurd. Daar werd dan een… paard gedropt. Zoon- of dochterlief wilde perse een paard. Zo’n beest kan best een zege zijn voor een kind. Dat bewijzen tegenwoordig sommige therapieën. Maar dieren vragen aandacht. De hond werd wat ouder en kreeg het tuinhuis toebedeeld. Het paard was “in”. Maar…  Het winterde eens per jaar en ook hier maakte de liefde een einde aan het sporten. En de onvoorwaardelijk liefde voor het ros. Almaar vaker was het vader die moest opdraaien.

Ik moest eraan denken toen ze het in het radionieuws zeiden dat het opvallend was hoe veel paarden er vandaag in de wei staan. Meer dan runderen! Door de  crisis dit keer, jawel! Zelfs toppaarden ontspringen deze macabere dans niet. De slachthuizen zouden het amper kunnen bijhouden.

Zou het feit dat Jan Fabre onlangs katten de lucht in katapulteerde ook met de crisis te maken hebben? Nee. De kunstenaar wordt ruim gesubsidieerd voor zijn ingenieuze, dan weer vermaledijde ideeën. Zelfs ’s mans brein is verzekerd. Jan is een genie. Een god bijna. Katten…

Toen ik onlangs op het kerkhof chrysanten ging planten, zag ik een dikke rosse kat. Een kerkhofkat. Ze bestaan! Toen mijn lieve moeder pas gestorven was liep zo’n kat eens met me mee tot bij het graf van mijn moeder. Tijd heelt vele, zelfs diepe wonden. Dat is waar. Maar ik kampte toen met een onmetelijk verdriet. En ik smeekte de kat (ik praat altijd met katten) zowaar op het graf van mijn moeder te gaan zitten. Het was barkoud. Misschien dat moeder het dan wat warmer zou hebben. Stom. Weet ik nu.

Sinds jaren zorgen mijn vriend en ik voor elkaars katten. Wanneer we op reis zijn. Ik hield het bij 2 geadopteerde katers. “Les frères-ennemis” noemt hij ze. Ze kunnen elkaar niet missen, maar ook niet uitstaan. Mijn vriend, een brok linkser en groener dan ik haalde er 3 in huis. En in voor- en achtertuin is het bij tijd en wijle etenstijd voor nog rist “sans-papiers”, zoals hij ze noemt. Twee jaar geleden, begin zomer, ging het portier van een campingcar open en werd “Tàpies” tegen de muur van het zwembad gekeild. Dieren in crisistijden. Ik dacht er ook vanmorgen aan: 2 jonge moeders-met-bakfiets trotseerden regen en wind. Onder elk stuk plastic zat een peuter. Ik hoopte dat ze thuis geen dieren hadden…

JOHAN DEBRUYNE, bijna 1 november 2012