Tag: de bruyckere

De Prijs “Ignace Bernolet”: die van het stil protest en de pijn?

       

 

 

 

 

 

 

 

 

De prijs “Ignace Bernolet”: die van het stil protest en de pijn?

 

Ik zou het afleren, het snel, enthousiast en haast zonder nadenken op een vraag ingaan. Maar het lijkt zo ontzettend moeilijk als die op een vriendelijke of gemoedelijke manier wordt gesteld of wanneer het over beeldende kunst gaat. Bovendien zit het positief antwoorden op een vraag er bij mij diep in gebakken. De schuld van mijn moeder. Zo ging het bijvoorbeeld toen Koen Scherpereel-zaliger (ik keer nu dertig jaar in de tijd terug) over de middag met zijn gekende nonchalance en schwung bij mijn ma thuis (ik ging er ’s middags eten) kwam vragen of ik morgen (!) in de Gentse Decascoop zijn tentoonstelling wilde toelichten. Zijn vraag was van het zuiverste retorische ras. Ik aarzelde, panikeerde net niet en vond dat zijn vraag op zijn minst heel erg laat kwam, maar mijn moeder zei: “Allez, jongen, doe dit voor Koen!” Dat ik meteen les moest gaan geven en ’s avonds toch nog voor de school te werken had, daar werd geen rekening mee gehouden. Zo was mijn moeder. Zoals ik zei: het zit er in gebakken. De oven was niet ver. Ik ben een bakkerszoon.

Onlangs had ik het weer, toen iemand me zei dat er een prijs in de maak was voor een (de meest beloftevolle?) laatstejaarsstudent van de Brugse Stedelijke Academie. Of ik dit evenement wilde toelichten, want ik had mijn veel te vroeg gestorven leeftijdsgenoot Ignace Bernolet toch goed gekend? Naar hem zou/zal die prijs genoemd worden.

De laatste dertig jaar hebben “Ibern”, zo tekende hij zijn schaarse werken, en ik vaak in de clinch gelegen met de Brugse overheid (waaronder de stedelijke academie ressorteert). Beiden vonden we dat de lokale overheid actuele beeldende kunst al decennia lang stiefmoederlijk behandelde. Brugge was voor ons een mooi dorp met een overdaad aan middelmaat geworden. Een toeristenfuik, alom geliefd om zijn fraaie uitzichten, zijn frieten, roomijs, chocolade en bier. Ben ik iets vergeten? Samen met gelijkgestemden werden we maar liefst 16 (!) jaar aan het lijntje gehouden (van 1995 tot 2011) in verband met het nissenproject dat we “Buitenissig Brugge” hadden genoemd. Je weet wel: nissen, die kleine uitsparingen in gevels waar doorgaans een heiligenbeeld in staat. Omdat men in de stede als de dood was en nog is voor permanente actuele beeldende kunst in de openbare ruimte, zou het in die kleine dingen misschien wél worden toegelaten. Hoopten we. Ignace en ik. Tevergeefs. Uiteindelijk hebben we er van de 100, ook de internationaal bekende kunstenares Berlinde De Bruyckere zou meewerken en de voormalige hoofdconservator, Manfred Sellink, was uitermate enthousiast en kondigde het evenement ooit met onverholen trots “en public” aan,… 2 verwezenlijkt. En dit na een hoop intriges, gemene tackles en een resem vergaderingen met BruggePlus, Musea Brugge en de Brugse Erfgoedcel! Eentje boven de deur van mijn voormalige huurwoning in de Carmersstraat en dan, de meest besproken nis van de stad, die in de Vazquez-gevel (Zilverstraat), waar de “Cafedraal” gevestigd is, op een boogscheut van de Sint-Salvatorkathedraal. Daar werd een oubollig en verloederd Sint-Jozefsbeeld zinvol vervangen door een hedendaagse Bernolet-creatie. De uitbater was in de wolken met het resultaat, maar tegenstanders van actuele beeldende kunst spanden uiteindelijk de eigenaar van het pand voor de kar en er werd zelfs met een proces gedreigd.

De stad Brugge heeft ons helaas niet geholpen en we hebben ondervonden dat paapse verenigingen (er bestaat in deze stad zowaar zoiets als “Het Mariacomité!) met de meest oubollige ideeën omtrent beeldende kunst en waarvan we het bestaan niet eens afwisten in de aloude stede nog veel invloed hebben. Nochtans werd Bernolet (1953-2016) door de stedelijke overheid met regelmaat gevraagd om restauraties uit te voeren. Hij was veelzijdig, beheerst en kritisch. Kunsthistoricus, kunstenaar, restaurateur en lesgever, was hij. De leeuwen van het gelijknamig Brugse brugje heeft hij nog feilloos hun oude glorie teruggegeven en op de Brugse centrale begraafplaats nam hij diverse verpauperde praalgraven met succes onder handen. Ook in de stadsschouwburg heeft hij een ruimte eigenzinnig-sober naar zijn hand gezet en zijn allerknapste ingreep was zijn in situ-installatie in het verloederde stadspaleis “d’Hanins de Moerkerke”. Ik herinner me nog levendig zijn “Zetel voor Mobutu”. Altijd sober, puur, minimaal. Grote fan ook van Yves Klein. Blauw en bladgoud waren zelden ver.

Ik herinner me zijn protest bij een grote solotentoonstelling met zijn werk in het belfort op de Grote Markt. Over al zijn werken had hij zwarte doeken gelegd. Uit protest tegen het Brugs cultureel beleid. En toen we in 2002 in Venetïë (op de biënnale) de kamer deelden, vernam ik meer over zijn frustraties. Ik herinner me ook zijn inbreng in “Brugge 2002”, in het zgn. “off”-programma, door “De Slang” georganiseerd: een gouden zebrapad. Voor de toeristen? Goud, dat met de tijd en onder duizenden voetstappen langzaam zou verdwijnen.

Maar goed, er zijn de twee nissen en ik heb ooit een tweeluik van hem gekocht.

Misschien is die prijs naar hem noemen nog niet zo’n slecht idee. Althans wanneer de studenten aan de academie de waarheid wordt verteld. Dan weten ze hoe moeilijk het alhier gaat om als hedendaags beeldend kunstenaar in je opzet te slagen.

Ik heb dus uiteindelijk “nee” gezegd. En ik dacht daarbij aan mijn vorig jaar overleden zus. Duizend keer assertiever dan ik. Flamboyanter ook. Het doet pijn wanneer ik foto’s zie van familiereünies waar ze bij had moeten zijn. Een zogenaamd moeilijke tante, van wie je altijd vuurwerk kon verwachten.

 

Johan DEBRUYNE, begin juni 2017

Fallout

FALLOUT, naar aanleiding van de tentoonstelling met beeldend werk van Thierry Buysse in de Bogardenkapel (Brugge)

*Meer dan een kwarteeuw geleden hebben in Chernobyl/Pripyat overmoedige idioten de klok voorgoed stilgezet. Nadat de overheden zich dan 3 dagen lang in misdadig stilzwijgen hulden, werden 50.000 inwoners er als schurftige honden weggedreven. “Geëvacueerd”, heet dat met een mooier woord.

U bent hier omringd door beelden van het resultaat van zoveel technische betweterigheid of onvermogen en veel wat we nooit zullen achterhalen. De moordende leugen wordt mijns inziens het krachtigst verbeeld in het bijna abstracte beeld “Bridge of Death”, de brug waar mensen samenstroomden om ’s nachts naar het vuur te kijken. Helaas. De wind zat verkeerd…

Mag ik het, in het aanschijn van zoveel gruwel en dood, hier dan nog hebben over het wereldje van de actuele beeldende kunst? Over de artistieke biotoop vol ego’s, die het voorts zelden met elkaar eens zijn? Over een bronzen buste die ik bij momenten liever de Groene rei zou in kieperen? Het is heel, heel relatief. Maar toch.

Het doet pijn aan het kunstige hart dat de tijd verleden en voltooid is dat Brugge een 15-tal kunstgaleries telde. Als criticus kon je nauwelijks alle vernissages volgen, om daar dan steevast collega’s aan te treffen met wie je ter plekke de tentoonstelling kon analyseren. Discussie. Debat. Boeiende tijd. Idem voor toneel. Maar sinds tijden worden recensies VOOR het spelen geschreven. VOOR het tentoonstellen. En vaak bepalen macht, centen en vriendschappen de aard van het relaas.

In een cultuurstad als Brugge, waar nu al decennia lang lui die zich in OUDE KUNST hebben verdiept en/of mensen met INVLOED bepalen wat aan zogenaamde hedendaagse beeldende kunst de stede mag aandikken, is het weinig hoopgevend dat ook “Raaklijn” het 50 jaar geleden amper 7 jaar heeft uitgezongen.

Dat in 2005 een immens zeildoek voor even van het Belfort diende geschraapt, omdat de Bloedprocessie er zou passeren, vind ik vandaag nog beschamend. Op het doek stond de titel van de daar lopende tentoonstelling “Tussen Huid & Orgasme”. Over mijn eigen project met gevelnissen wil ik het zelfs niet meer hebben. Kunstenares Berlinde De Bruyckere, die daarin een hoofdrol zou spelen, gaat dit jaar ons land vertegenwoordigen op de Biënnale van Venetië. Maar hier vond cultuurschepen Moenaert Kamagurka interessanter…  Leuker in elk geval.

*Hoewel ik de regionale berichtgeving mede wegens de royale vergoeding (ik ben nu even ironisch) na 26 jaar vaarwel heb gezegd, worden me nog met regelmaat zaken gesignaleerd. Ik lees het blad nooit meer, maar iemand belde me vorige week op omtrent een roze EXIT, wat Brugges cultuurmagazine zou moeten zijn, maar bij nader inzien niet meer is dan een cultureel reclameblad. Interessant voor de programma’s van de cultuurhuizen, krijg ik vaak als tegenwind. Maar toch doodjammer voor een stad die ook vaart en allure schijnt te willen. Schijnt te willen… Een paar jaar geleden al had EXIT de lezer om suggesties voor vernieuwing gevraagd. Behulpzaam als ik ben deed ik mijn duit in het zakje. Ik suggereerde zachter papier. Vooral omdat zoiets beter zou rijmen met het ontbreken aan enige kritische reflectie. Een blad als EXIT bevordert in grote mate het vaak misplaatste Brugse euforisch sfeertje. Het maakte mede de tenen van de bewindslieden langer en langer.

FALLOUT

*Men heeft me gevraagd om mijn toelichting op dit verhoog te houden. Het is knap gemaakt en het heeft iets van een preekstoel zonder franje. U mag er straks allemaal ook even op. Een voor een wel te verstaan. Van hieruit heb je zicht op een gedicht dat ik in weinig tijd heb neergepend. En op deze piëdestal sta je voorts verder van het graf, maar dichter bij de dood. Een creatieve, gekooide suggestie ervan.

Het doet iets met je:  een publiek toepreken van op een hoogte. Niet meteen mijn katholiek verleden. Maar toch: herinneringen. Schoolse. Als jonge leerkracht moest ik wel eens – steevast met verse walg – studie houden. Eind jaren ‘70 vond zoiets nog wel eens plaats in een immense zaal. Een massale, luidruchtige invasie was dan je deel , lawaai, gestommel, en dan uiteindelijk: stilte. Dat was de bedoeling. Als “surveillant” zat je op een trappenverhoog. En daar hoorde je streng te kijken. Ik bevocht mijn binnenpretjes  en keek met vernietigende blik in het rond. Een mens heeft iets dierlijks. Ook dàt was immers over-leven. Want al deed je het in je broek,  het hoorde stil te zijn. Een minimale toegift of een summier moment van zwakte konden een sneeuwbaleffect ressorteren. En dat was uit den boze. Daar werd je mondjesmaat gek van. Voorbeelden legio van murw gepeste collega’s. Je speelde dus het spel. Als ik nu stilte wil, dan is het omdat ik ernaar snak. Op dat schools verhoog  was het een kwellende stilte. Een geregisseerde. Een valse. Een laffe stilte. Een smeerlapje was boswachter geworden.

Wat heeft dit allemaal met Buysse te maken? Alles. Het leven. Het leven zoals het is. Ik ben ongeveer dubbel zo oud, maar toch delen Thierry en ik  vaak een mening, stappen we kritisch door het leven, houden we van een uitdaging en blikken we net zo graag in de toekomst als in het verleden.

Deze Buysse is een amper 30-jarige Bruggeling. Ooit en al heel vroeg was hij in de ban van fotografie. Met “ooit” wil ik zeggen en vermoed ik: meer dan vandaag. Hij was in de ban geraakt van verloederde gebouwen en van plaatsen waar nooit nog iemand komt.  In wat verrot, geroest of met mos is begroeid , volkomen verlaten, opgegeven en vergeten, zag en ziet hij schoonheid.

Hij werd Urban Explorer. Zijn foto’s tonen wat WAAR is. Het verval dat in het leven kadert. Hoe het soms wordt afgebakend, opdat niemand nog getuige zou zijn van zoveel gebrek aan respect voor het leven, dat zo al kreunt en lijdt onder de pijn van de vergankelijkheid en onder de wanhopige strijd eraan te ontsnappen, zoals Buysse het zelf ooit raak formuleerde.

Hij trekt op avontuur. Zwaar beladen. Riskeert lijf en leden, tart wilde honden, hongerige ratten en verschalkt uit de kluiten gewassen veiligheidsagenten. Hij gaat “illegaal”. “Werkt” in de marge. Er is volk dat liever heeft dat je daar wegblijft.

De fotografische resultaten van zijn escapades worden geprezen. Zijn verschroeid Chernobyl-theater (met piano en nadrukkelijke lichtinval)wordt stilaan een iconisch beeld. Het meest treffende compliment kwam van een kompaan, want zo’n “shooting” is te gevaarlijk om in je eentje te doen. Die zei: “Thierry, ik zie je nooit fotograferen!”  Buysse voelt en ziet en reageert bijzonder alert.

Twee keer zou hij naar Chernobyl trekken. Zijn jongensdroom.  En zo ver van hier is dat niet. Het is huiveringwekkend dichtbij. Tot in de puntjes voorbereid, maar op het gevaar af tot een Siberische “vakantie” te worden veroordeeld en zijn gezondheid in die “Verboden Zone” om zeep te helpen, trok hij er heen. Hij maakte er unieke foto’s. Beelden uit de krochten van een hel.

Maar Buysse heeft meer in zijn mars. De fotografie zal belangrijk blijven, maar hij kickt op uitdagingen. Omdat vandaag busjes met ramptoeristen Pripyat doorkruisen, zette hij er een punt achter. Omdat iedereen kraakpanden fascinerend begint te vinden, ze infiltreert en fotografeert, hield hij het voor bekeken. Urban Photographer. Dat is, maar vooral: dat WAS hij. Feit is dat hij nog steeds schoonheid ziet in zaken waar menigeen een afkeer van heeft.

Onlangs kwam ik erachter dat hij op zijn 12de – de sfeer in vader-zaligers atelier moet indruk hebben gemaakt – al een schaakspel had gemaakt met bronzen olifantjes van zijn hand. Wat later liet hij de grote beesten in het klein copuleren… Soms valt met die jongen geen land te bezeilen, moet zijn moeder wel eens vaker gezucht hebben.

Nooit kennen zijn creatieve kop en kritische geest rust. Buysse is bijvoorbeeld van poppen gaan houden. Hij kan ze manipuleren en er dingen mee vertellen. Zonder woorden. Buysse houdt ook van dieren. Bij leven en bij dood. Hij koestert skeletten. Het karkas van wat ooit leefde fascineert hem. Niets wordt weggemoffeld. En nooit neemt hij afscheid, denk ik wel eens. “Morbide” is een woord dat wel eens valt wanneer men het over zijn oeuvre heeft. In zijn fantasie blijft het allemaal leven. De dood hoort bij het leven. Veel tijd is ons niet gegund. De dingen mogen dus best snel gaan. Buysse laat zien wat een jonge gast drijft. Niet zozeer de waan van de dag. Maar onrecht.

Hij adoreert het oeuvre van de Amerikaanse tekenaar, filmregisseur en producent, Tim Burton (°1958). Buysses momenten van tederheid verrassen nog het meest.  Zoals de foto waarop hij zijn petekind tegen de borst aandrukt. Tegen zijn hart als het ware. De stilte is oorverdovend. Ze verraadt alleen het zachte bonken.  Het bloed dat pompt. De broosheid. Het leven zelf. Die foto hangt hier niet. Maar ook in de gruwel die er wel is, moet u straks maar tederheid zoeken!

Kinderen. Daar blijf je met je fikken af. Ook dat schreeuwt deze tederheid uit.  Daarom gruwt hij van mannen in habijten of met mijters en hun nimmer te vertrouwen woorden. “Het was maar…”

Populisme, fundamentalisme, racisme, voyeurisme… Het langzaam wurgen van elk kritisch geluid. Het zijn uitdijende kankers.

Je neemt Buysse zoals hij is. Wat hij vastlegt met zijn camera, wat hij assembleert, in elkaar doktert, koestert… en hier laat zien heeft met aanleg, kunde en vooral passie te maken. Met authenticiteit, met drift, met woede, met aversie. Het gaat om liefde en tederheid voor wat vergankelijk is en nog amper leeft of al dood is.

Kunst kan de wereld niet redden. Ook in de kunstwereld is het te veel “ons kent ons”. Ook in de kunst leidt macht tot corruptie.

JOHAN DEBRUYNE

Venetië

Venetië

Eergisteren, in de herfstzon;  gisteren, in de gietende regen: in onze tuin samen een perceeltje varens opgeruimd. Jaren brachten ze schoonheid en was het er voor de katers heerlijk toeven en stoeien. De nukken van de voorbije zomer hebben ze danig verziekt. Al meteen waren ze bruinig, slap en misten ze hun gebruikelijke frisse buigbaarheid. We hebben er nu siergras aangeplant. Het moet nog struiken en op zijn beurt een avontuurlijk terrein worden voor de beesten. Ik bekijk het vanuit het bureau terwijl ik aan het schrijven ben.

Omdat haar rug minder aankan dan de mijne, ben ik vanmorgen om boodschappen gereden. Ook eens het te lang opgespaarde glazen leeggoed meegenomen. Door de ronde gaten laat ik het glas de containers in kletteren. Ik leef me uit als een kwajongen. Hoe harder het galmt hoe leuker. Als hier maar geen GAS-boetes van komen…

Nadien, in het warenhuis, pluk ik wat kranten uit het rek. In DS zie ik een vensterraam met kanten gordijnen. Ervoor: een houten kantwerkstertje. Dit moet Brugge zijn! Ook deze krant “bevraagt” in verkiezingstijden. Het beeld, dat het oubollig cliché van mijn geboortestad bevestigt, prijkt prominent aan het begin van een bijdrage over de politieke toestand in de provincie West-Vlaanderen.

Wat zouden Anne en Mercedes, beiden kandidaat-burgemeester, hiervan denken? De voorbije legislaturen werd weinig ondernomen om dat bestofte  imago weg te werken. Dagjespolitiek. Toevalstreffers, zoals “De Treurenden”. Nee, meneer de burgemeester, ook jouw “Kamarama” kon het imago niet opfrissen. Pure poenschepperij, suggereerden velen. Vriendjespolitiek. Zei u zelf. Evenmin de door u aangezogen Gwij Mandelinck. Beeldend culturele willekeur was het en het heeft helemaal niet gewerkt. Het fonteintje op  het Stationsplein? Plassertjes. Meer niet! Zelfs niet het nieuwe concertgebouw met enkele topwerken tegen de binnenmuren. En al zeker niet de nieuwe glazen koterijen op ’t Zand. Het verloederde Ito-paviljoen hou ik nog buiten beschouwing. Er is een potje van gemaakt. Maar, ik zei het vaker: Brugge kan heel wat hebben!

Met mijn vrouw spreek ik af op het terras van “De Middenstand” (’t Zand). En kijk, net nu ik me na 10 jaar met het concertgebouw heb verzoend, staat zo’n joekel van een parkeertickethok in de weg. Ik zie amper nog de helft van wat vele Bruggelingen ongenuanceerd “De Bunker” noemen. De terrassen er vlak achter gapen van leegte: daar geen straaltje eindejaarszon!

Omdat ze wat langer wegblijft dan verwacht, stap ik maar eens tot bij de beeldengroep in het midden van het plein. Het water dat het geheel feeëriek moet maken is even het zwijgen opgelegd. Brons en water? Da’s om problemen vragen, zei me ooit een vakman. Van achter werfhekkens kan ik het werk van dichtbij observeren. Ik kom tot het besluit dat vooral de dieren meevallen: vogels en een enkele hond. Ik ga naar het terras terug, verlangend naar de klasse van iets als “Les bourgeois de Calais“ van Rodin.

Zoals wel vaker gebeurt neem ik plaats naast een Bruggeling die ik ken. Of ik weet wie België volgend jaar op de “Biënnale van Venetië” zal vertegenwoordigen. Berlinde De Bruyckere! De wereldvermaarde kunstenares uit Gent die zich bereid had verklaard een centrale rol te spelen in het nissenproject dat ondergetekende hier uit de grond wilde stampen. Helaas, al wat Brugs en paaps is werkte tegen. Bij gebrek aan respect haakte de kunstenares na diverse bezoeken aan Brugge af. Einde verhaal.

Wie weet had de stad zich hiermee wel op de kaart van de actuele beeldende kunst kunnen zetten. Met chocolade – hoe lekker ook – is het niet gelukt. En koken en lekker eten terwijl elders mensen creperen van de honger… Als Christenmens zou ik me schamen. Ik blijf er weg.

Ik ben maar een Bruggeling. Ik moet aan Geeraerts denken. Het voelt voor mij vaak een beetje aan als: Ik ben maar een neger. Toen in “2002” de Langestraat in zicht kwam, mijn geboortestraat notabene, waar ik elk huis en zijn geschiedenis ken, werd doodgemoedereerd niet aan deze jongen gedacht. Nee, daar waren… Gentenaars voor. Het mocht wat kosten. En waarom is die schreeuwlelijke buste van zoon V.A. nu nog niet in de Groene Rei gesukkeld? En waarom is dat marmeren tuinversiersel in Groeninge er alsnog bijgekomen? Willekeur!!! Het zal wel nooit veranderen. Elk doet hier zijn zin en iedereen houdt zijn mond. Mobiliteit is prioritair!

Vreemd, dacht ik vanmiddag. Altijd wanneer er lokale verkiezingen zijn, hangt aan verre buur J.-P. zijn raam een affiche met Moenaert op, “zijn” burgemeester. Nu is het er zoeken naar diens gedoodverfde opvolger…

Soit, onze tickets voor Venetë zijn er. Het hotel is geboekt. In juni trekken we een wijle naar het echte Venetië.

JOHAN DEBRUYNE, oktober 2012

 

“Homeless cat”

“Homeless Cat”

We nemen de trein naar Tilburg. Brugge, Antwerpen, Roosendaal, Breda, Tilburg. We gaan iets eten in het centrum. De natte zomer speelt met druppels op de ruiten. De regen went. Ze deert me niet. In Vrij Nederland lees ik over Komrij. Net overleden. Ook in Portugal kan het des zomers nat zijn. Komrij? De machtigste, zegt een kenner. Een bizar adjectief in deze. Bijna alles draait om macht. Soms terecht. In regel niet, vrees ik.

Na het eten een binnenweg, hoewel ik uit ervaring weet dat dit niet altijd verstandig is. In mijn geval. En ik had een plannetje bij me! Zelfs het nummer van de bus die ik aan het station kon nemen. Ik neem zelden de bus. Een gedoe, vind ik. Als je stapt zie je meer. Het is een behoorlijk eind. De zon schijnt nu. Ik blijf al snel haperen aan een banaal bronsje. “Het schrijvertje”. Het doet zijn werk  naast een protestantse kerk. Iemand liet een spoor van kauwgom op zijn glimmend kopje achter. In de verte hou ik een naar Lage Landen-normen immens flatgebouw in de gaten. Die richting moet ik uit. Maar ik verlies me in huizen en huisjes. In vensterbanken en wat ze laten zien. Ik ben de weg kwijt en verdwaal in straatjes. Ik moet opnieuw het station vinden. Wanneer dat gelukt is, weet ik: links, rechts, onder de spoorweg door, langs het Wilhelminapark.

In De Pont, “Kunst van nu” staat op de donkere muur, wil ik zien hoe Berlinde De Bruyckere en Philippe Vandenberg mekaar hebben gevonden. De Pont is een knap museum. Het mooiste vind ik de tuin: wild en toch in toom gehouden. Dag na dag, verklapt een suppoost.

Vandenberg (°Gent, 1952) stapte in 2009 uit het leven. De Bruyckere (°Gent, 1964) werkt de laatste jaren in hoofdzaak in was. Monumentaal was. In beider werk zijn de connotaties naar het Christendom, het lijden en de dood legio. Mijn vrouw bleef in het centrum van de stad. Zij kan het werk van De Bruyckere niet aan. Telkens weer brengt het haar compleet van haar stuk. Grote brokken ellende. De kleur van huid. Van vel over been. Huid, been, bot. Uiteengereten en weer aan elkaar gesmolten lijven. Littekens. Versleten, moeë, verkrampte, vervormde en toch vertederende voeten. Her en der een blauwe schijn die me herinnert aan meanderende aders. Op oude handen. Tenen. Een hiel. Een gewei. Een doornenkroon onder een stolp. Ik ben behoorlijk vertrouwd met het werk.

In de grote hal liggen drie grote werken. Als lijken opgebaard. Aan de muur een paar grote schilderijen van Vandenberg. Kleurrijk. In de verte “Planet Circle” van Richard Long. Een planeet verplaats je zomaar niet. Links, in kleine soorten cellen, voor en voorbij het verraderlijke donker van Anish Kapoor: tekeningen van beide kunstenaars. De Vandenberg’s  blijven hangen. Ze zijn zo expliciet. Ook doeken met alleen maar woorden. Of zinnen. Een kreet. “Honte”. “Il me faut tout oublier”. “Kill them all and dance.” Een jonge fotografe krijgt er niet genoeg van.  Ik denk aan Berlindes gesneuvelde paarden. In Flanders Field. Lang geleden.

Ik pik nog wat “collectie” mee, maar weer geraak ik niet ver. Een kat! Een scherm aan de muur. Een video: “Homeless Cat” van David Claerbout. Het dier brengt me meteen bij onze oudste, eigenzinnige kater. We “adopteerden” Poesjkin, nadat hij een jaar lang thuisloos was geweest.

Een zinken goot. In de achtergrond daken van hoge huizen. De kat mag noch kan er in. Wolken glijden voorbij. De tijd verstrijkt. Geruisloos. Het dier staart naar binnen. Niets. Zoekt een weg. Speelt even met iets wat ik niet kan zien. Meer “kat” kan niet! Subliem! Ik hoor niets meer. Onwezenlijk mooi, maar ook kwellend voor een kattenmens. Aarzelend hou ik het bekeken. Om de hoek leunt een berooide man op zijn fiets. Hij houdt zich amper staande. Immense foto. “The Cylist” (Jeff Wall). Wie zou ik eerst binnenlaten? Hem? Of de kat? Die werken horen eigenlijk dichter bij elkaar, zegt iemand me. Dan wordt kiezen nog moeilijker. Ik ben te moe om goed te kijken. Kat en man zetten me op weg. De rest is fantasie. Ik droom mijn weg terug. Langs het park en het station.

    

 

JOHAN DEBRUYNE, juli 2012