Tag: chanson

Hommage aan de schoonheid van het Nederlands

      

 

 

 

 

 

 

 

 

Hommage aan de schoonheid van het Nederlands

 

Mag ik eens opscheppen? Komaan, Johan, doe het, er zijn immers tal van getuigen. Wel, het komt met regelmaat voor dat wanneer ik een tentoonstelling heb toegelicht, mensen die me niet of alleen maar bij naam kennen me vragen vanwaar ik afkomstig ben. Als ik dan “Brugge” antwoord, geloven ze me amper.

Het ligt er aan dat ik bijna mijn leven lang aan mijn spreektaal heb geschaafd. Ik verwaarloos heus mijn Brugse dialect niet en kijk er ook niet op neer, maar hou zielsveel van het Algemeen Nederlands. In een vorig leven heb ik de taal ook onderwezen. Ik heb er boeiende, prettige en creatieve dingen mee gedaan en laten doen. Wat ik in en met de klas van plan was met taal uit te richten: ik oefende en las het altijd hardop. Bewust.

Of ik me dan erger telkens mijn burgemeester ergens het woord voert. Ik weet dat het bepaalde mensen nog steeds de gordijnen in jaagt. Ik lig er niet meer wakker van. Wellicht – en dat weet hij vermoedelijk – scoort hij met zijn verkrachting van het Algemeen Nederlands zelfs bij een bepaalde groep mensen. Het zou ”volks” overkomen, terwijl ik het gewoon een gebrek aan respect vind. En al zeker voor een burgemeester die tegelijk schepen van cultuur is.

Maar goed. Ik zou het over “mijn” gebruik van onze officiële omgangstaal hebben. Het begon al toen ik nog een puber was. Op zolder (tussen de kamer van mijn oudste broer en die van de bakkersknechten) speelde ik met een behoorlijk indrukwekkend peloton plastieken coureurtjes de “Tour de France” na, terwijl ik het verloop van de ritten van verbale commentaar voorzag. Ik was jong en argeloos en had het lef om niemand minder dan Jan Wauters te imiteren! Ooit een beetje idool van mij. Niet lang voor zijn dood stonden we samen te plassen in de toiletten van een bekend restaurant op de markt van Watou. We waren op hetzelfde moment op de Poëziezomer aanwezig. Ik had al lang een vermoeden dat de man ook van (actuele) beeldende kunst hield. Trouwens, zoals hij wielrenners, voetballers en atleten kon beschrijven. Ook al kende je ze niet, je zag ze voor je, terwijl je naar de… radio luisterde. Meesterlijk. Een fenomeen naar wie terecht een prijs is genoemd. Ik meen me ook te herinneren dat hij betrokken was bij de inhuldiging van een monumentaal werk van Bruggeling Benoît in het stadion van Club Brugge.

Wat later werden de mini-coureurs van Peugeot, Faema, Molteni en andere teams decorstukjes en nog wat later schonk ik ze aan een neefje.

Ik was toen ongeveer rijp voor het Franse chanson, terwijl ook de Nederlandstalige zogenaamde kleinkunst en het cabaret mij intrigeerden. Nederland was toen nog gidsland. Robert Long, Boudewijn de Groot en vele anderen, dus. Toon Hermans, die alleen al met zijn mimiek volle huiskamers liet huilen van het lachen. Met “niemendalletjes”, dus. Wim Sonneveld (“Zij kon het lonken niet laten”…) aapte ik dan weer gewoon na. Wat spelen met taal betreft ging deze er net over en dit vond ik plezant. Ook nogal wat van mijn leerlingen later. Maar deze oefenstof droeg wel een zeker gevaar in zich: ze nestelde zich kousvoetelings heel diep. Ooit was dus ik aan afkicken toe.

Ondertussen speelde ik jeugdtoneel (ooit nog met Marc Van Eeghem) en werd wat later de rechterhand van mevrouw Carmen Schepens-Maerten (waar zouden haar tientallen gele briefkaarten nu zitten?), ooit lerares aan het Brugse lyceum. Deze uitzonderlijk energieke dame had, toen ze net op pensioen was, “Jeugd en Toneel” opgericht. Ook zij hanteerde een aanstekelijk soort Nederlands. En nog later, op wat vroeger de “Normaalschool” heette, werd ik tot een elegant en correct Algemeen Nederlands geïnspireerd door licentiaat, professor, romancier en dichter Paul de Wispelaere (1928 – 2016).

Enkele maanden geleden was het. Ik had net een tentoonstelling in het Nederlandse Den Bosch toegelicht (meer bepaald in tot de verbeelding sprekende architectuur van de Mark Peet Visser Art Gallery) toen ik met een wat oudere Nederlandse man in gesprek kwam. En meteen weer: waar ik vandaan was? Tijdens ons gesprek (de galerie geeft je enerzijds een uniek uitzicht op de stad en anderzijds op een grote lap ongerepte natuur) vroeg ik hem of hij ooit Paul de Wispelaere gelezen had. We waren namelijk op literatuur uitgekomen. Helaas. Nog nooit van gehoord zelfs! Ik was even van mijn melk.

Daarom deed het me een dezer dagen goed te lezen dat De Arbeiderspers binnenkort de Wispelaeres “Het verkoolde alfabet” opnieuw uitgeeft en dat in Brugge “De Reyghere Boekhandel” straks een hommage aan Paul de Wispelaeres oeuvre wijdt.

In 1999 mocht ik hem twee keer interviewen. Eerst voor een vol auditorium (de Blauwe Zaal?) in het gebouw in de Sint-Jorisstraat waar ik ooit ademloos naar hem luisterde (het initiatief ging uit van Collega Dannie Welvaert); vervolgens in de bieb van de stad Blankenberge. 1999. Al bijna 20 jaar geleden. Of ik ook van hem de liefde voor katten heb geërfd, dat weet ik niet.

 

Johan DEBRUYNE, juni 2017

 

 

 

Bij de dood van een zus

 

 

Uit een rist van zeven kinderen ben ik de laatste. Het kakkernest. En kijk, vandaag sta ik weer helemaal onderaan het rouwbericht. Zo gaat dat. Alles wordt keurig opgelijst. We proberen, zeker in deze momenten van beproeving en verdriet, bijna krampachtig een foutloos parcours te rijden, niemand voor het hoofd te stoten.

Zeven. Ik was altijd fier op dat getal. Ik zal het blijven, denk ik. Hoewel Ghislaine nu volslagen onverwacht is weggerukt uit ons en mijn bestaan en we vandaag tot vier zijn uitgedund, blijf ik de jongste van… 7.

Ook 16 dicht ik een bijzondere betekenis toe. Mijn moeder en ik zijn op die dag geboren. Er zat wel ongeveer een halve eeuw tussen. Maar die 7. Het zal zowaar een heilig getal zijn. Een van de weinige zaken die ik nog geloof, dan. Bovendien moest ik willens nillens naar een katholieke school. Al mijn broers en zussen was trouwens het identieke lot beschoren. Een aantal onder ons zou er revolteren. Belangrijker dan de paapse volgzaamheid van mijn lieve moeder speelden mercantiele redenen een doorslaggevende rol. Vader zweeg doorgaans, spuwde en vloekte als een kermisattractie, maar bakte brood. En dat brood werd in grote mate aan die twee scholen geleverd. Twee katholieke instellingen. Zogenaamd “vrije scholen”. Ik heb dat lang niet begrepen, want bepaald vrij was je daar toch niet? Al zeker niet in wat je dacht.

Ach ja, behalve in brood, was vader ook heel goed in appelflappen. Als ’t braderie was kwamen ze die van heinde en verre kopen. Toen vader de lange lijdensweg tot zijn dood moest gaan, was Ghislaine er vaak om zijn leed te verzachten. En je gaat nooit raden wat ze me vorige week vroeg mee te brengen naar het ziekenhuis, net voor ze die twee fatale hartstilstanden kreeg? Een appelfap!De cirkel dus toch een beetje rond.

Soit. Vier jongens en drie meisjes. Voor de jongens was ik doorgaans een pestkop (7 kan veel zijn wanneer er te eten valt/ik had altijd trek), zodat er al eens wraak werd genomen zonder dat ik het meteen in de gaten had. Voor de zussen was ik het kleine broertje, met wie geparadeerd kon worden. Ik ben het gebleven.

Mijn tweede oudste broer, Robert, stierf op z’n 60ste. Zijn (groot) hart begaf het. Eensklaps. Tijdens een voetbalwedstrijd. Ik schreef op dat moment behoorlijk kritische recensies voor een regionaal blad en hij was in Brugge en omstreken bekend als een slechte kluute. Hij heeft eigenlijk nog geluk gehad, want had men toentertijd ook al dronken fietsers beboet… Hij was mijn grootste fan. Een enkele keer ben ik ook met hem op reis geweest. Tante Wies was mee. En hun dochter, Isabelle. Echt ver wilden we niet echt geraken, maar toch was het een onvergetelijke trip. We dolden vaak en het feit dat mijn broer erg economisch was ingesteld, leidde ertoe dat de maaltijden wel eens op zich lieten wachten: de menukaarten werden grondig geanalyseerd…

Mijn oudste zus, Thérèse,  stierf toen ze 62 was. Ontgoocheld in het leven was ze op de sukkel geraakt, maar ik was ervan overtuigd dat haar vier schitterende kinderen en haar al even aanstekelijke kleinkinderen, die zware dip ooit wel zouden keren. Helaas.

Met haar, haar man en de 4 kinderen ben ik behoorlijk vaak op vakantie geweest. Frankrijk en Spanje. In België leerde ik de glooiingen en de warmte van het Walenland appreciëren en in Spanje – Franco had net het onderspit gedolven –  leerde ik paella eten.

Vorige week heeft Ghislaine totaal onverwacht – ook voor de haar begeleidende dokter-specialist, het tijdelijke voor het eeuwige ingeruild. Van de eersten die ons  verweesd achterlieten had je er geen 13 in een dozijn. En Ghislaine was al helemaal een geval apart.

Over haar zou ik het hier moeten hebben. Wat herinner ik mij van haar? Flarden. Ze komen uit een hoofd dat nog in de war is. Uiteraard de talloze keren dat ze op kerstavond de perfecte gastvrouw was voor een deel van de familie. Ik herinner hoe ze gretig en graag de familie van haar zus uit Wallonië ontving. Maar laat me eens heel ver terugkeren. Kleine broer ving met regelmaat geruchten op. Ik weet dat vriendschap voor haar erg belangrijk was. Ik zie nog levendig het knappe buurmeisje Ann voor me. In een vouwzetel, dicht bij de serres van haar vader. Veel te jong gestorven. Geruchten deden de ronde dat mijn jongste zus flink kon uitgaan, zowaar uit de kluiten gewassen mannen onder tafel dronk, een gen dat ze blijkbaar aan haar twee kinderen heeft doorgegeven. Niet dat ze aan de drank zijn, maar af en toe eens loos gaan. En of ze dat kunnen! Een Bourgondisch gen zeg maar. Een gen van de goede smaak in tal van betekenissen. Ghislaine is koket gebleven tot de allerlaatste dag. Ook toen nog deelde ze bevelen uit en ging ze andere zieken een hart onder riem steken.  Ze was een fiere vrouw: zo koket en gulzig naar het leven, naar wat nieuw is, dat haar dood na drie jaar kanker toch nog een absolute verrassing was.

Dat ze uitmuntende kokkin was, een uitgelezen gastvrouw, met geduld en smaak gigantische kerststukken in mekaar toverde, dat ze tal van kwaliteiten had en dat niet altijd door iedereen werd geapprecieerd. Je kan zo goed zijn in bepaalde dingen dat je frustraties opwekt. De mortuis nil nisi bene. Voor mij geldt dit niet. We maken allemaal fouten. Laat me een keer klinken als een pastoor: we zijn allemaal zondaars.

Die kokette vrouw, toen nog met lang, sluik haar, lokte een Brasschaatse architect-urbanist via Finland en Breda naar Brugge. Ik zie Marc nog in zijn outfit van toen. Er is veel veranderd sindsdien. Luisteren naar de muziek van Cat Stevens doen we al lang niet meer. In Zwevegem zongen we zijn liedjes mee. Daar, te midden de velden, heb ik Antwerps geleerd. Een schitterende plaat van Wannes Van de Velde was daar uiteraard niet vreemd aan. Muziek en poëzie. Dit raapte ik zowat overal op. En dat deed zij ook. In Wallonië leerden we het chanson appreciëren. En toen ik voor het eerst serieus aan mijn Nederlands ging schaven leerde ik met plezier de platen van Wim Sonnevelt van buiten. Ghislaine deed mee. De laatste tijd was samen koffie drinken kijken hoe veel we nog van de teksten afwisten. Het waren leuke momenten. Hoewel het ook gebeurde dat je naast haar zat en dat ze eerst doodgemoedereerd de krant doorbladerde. En toen de kelner een glas cola bracht met te veel ijs, vroeg ze alsof het de gewoonste zaak van de wereld was ze om een… flesje. Zo zat ze in elkaar. Rechttoe rechtaan. Te nemen of te laten. En zo hield ik van haar.

Ik zie de kinderen, Bram en Charlotte, nog spelen, op den buiten in Desselgem, een talud, een koe voor het raam, een rode alaamkast en een Mariëtte op de loer. Ik zie Bram nog op de piano tokkelen, een jongen die je toch eerder in de nabijheid van andere instrumenten verwacht. Ook hij heeft vandaag eigenzinnig zijn weg gekozen. Ghislaine droomde nog van een paar verre reizen en geloofde dat haar ziel aan de vloedlijn van de Eufraat lag. Misschien was het wel de fantasie die ons bond. Ik kon er wel eens mee lachen. Hoe hadden ze mij niet uitgelachen toen ik niet op school was gearriveerd, omdat ik met een roodborstje aan de klap was geraakt? Ik vertelde het met volle overtuiging. En Zuid-Afrika? Daar wilde ze naar verluidt met Gilles en Julie nog naartoe.

Net nadat ze had vernomen dat ze kanker had, deden we samen een paar dagen Londen. Ze was ziek, je wordt niet voor de lol aan de afdeling oncologie afgezet, maar volgen kon ik haar niet. In Regent Street stapte ze doodgemoedereerd en vooral gedecideerd een kledingzaak binnen en paste er gedurende wel een halfuur van alles en nog wat. Ik stond bij een spiegel en speelde voor kapstok. Nummer 7… Nu, misschien was dit een wederdienst voor een lang vervlogen dagje Antwerpen waarin ze mij een dure sjerp van Walter Van Beirendonck cadeau had gedaan.

Laat me besluiten met het allerbelangrijkste: voor alles was Ghislaine een warme, bezorgde, uitstekende moeder en grootmoeder.

Johan Debruyne, midden januari 2016

 

 

 

 

List. Het leven raast voort

List. Het leven raast voort

List in Capitole Gent. Om 20u. begint ze er aan. Iets over zessen verlaat ik Brugge. Eerst nog een koffie, “acclimatiseren”, daar in de buurt van het Wilson-plein en Galerie De Buck. Ik ben een traagzame. Associeer veel en vaak met actuele beeldende kunst. Vandaar: De Buck. Ik neem eigenlijk alleen nog maar de tijd voor wat literatuur. Meestal dan nog in functie van die beeldende kunst. Mijn passie. Ik slaag er de laatste tijd niet meer in meer tijd te nemen. Het zij zo. Es gibt soviel.

Sporadisch pik ik een concert mee. Bregovic. Bijvoorbeeld. Maar zoiets wordt het dit keer niet. Vanavond is het List. Liesbeth List. Voor het eerst en meteen ook voor het laatst. Ik ben opgegroeid met wat ze Kleinkunst noemen. En ook met het Franse chanson. Tal van  teksten ken ik nog uit het hoofd. Het is nostalgie die me naar Gent voert. Ik ben op weg naar schoonheid. “Mijn” dichtste plek  waar ze haar lange carrière afsluit is Gent. Ik kan het amper geloven, maar List werd 70.

De gedoofde lichten langs de snelwegen maken het rijden er niet makkelijker op. Het donkert al en rustig op de (snel)weg is het sinds tijden niet meer. Nooit meer. Een hectisch gedoe, tot alles dichtslibt. Telkens weer. En alles wordt volgebouwd. Ramptoeristen hoeven nimmer ver. Alleen die geluidsdempende muur en een paar verdwaasde vossen voorbij. Een kasteel in Wingene staat nu op  één…

Maar List wacht. En kijk, ook “Witse” houdt van haar. Acteur Hubert Daemen wil haar nog eens zien. Ook hij. Of horen. Een zaal vol fans. Ja, meneer, er is een pauze. Na het “rozig” gedeelte, zou later blijken. Cola light. In de hal. Een plastic beker. Het is februari. Na een memorabele winterprik haalt het kwik plots 10 graden. We zitten op elkaar gepakt. Het is er snikheet. Over de verwarming scheerde hier nog geen kaasschaaf…

Na het optreden, rond tienen: tijd voor commercie. List signeert. Ik vang alleen een glimp op, verdrongen als ze wordt door een horde souvenirjagers. Ze is kleiner dan ik dacht. Haar voorlaatste signeersessie in Vlaanderen. Ze laat niet in haar hart kijken. Ze is de verkeersdrukte beu. De files. In Vlaanderen en Nederland. Branden daar überhaupt nog de lichten? Wordt die klaarte daar nog gedoogd?

Die hoge “toestanden” haalt ze niet meer, fluistert mijn buurvrouw. Ze heeft gelijk. Vooral bij de Shaffy-gekte blijft ze bewust, maar genoodzaakt op een zekere hoogte steken. Mij deert het niet. Daarom stopt ze wellicht ook,  fluister ik terug. Ze stopt me een compacte verrekijker toe. Een beetje gênant. Toch kom ik zo heel even dichter bij List. Rij 19 valt overigens mee. Maar zo’n kijkding? Ik haal ze twee keer tot heel dicht bij me. Gaaf gezicht. Groot hoofd. Klein lijf. Maar eigenlijk hoeft dat “verdichten” niet. Ze zingt en praat. En ik geniet. Van haar stem, haar uitstraling, haar wondermooie Nederlands. Ook haar Frans is prima. En dat voor een Nederlandse. Hier zit Brel voor veel tussen.

Voor de pauze is het allemaal wat stoerder. Maar enige empathie is genoeg. Je voelt de breekbaarheid. List in broekpak. Met behoorlijk wat franje waarmee ze af en toe fladdert. Vlindert. Doet alsof. List speelt. Hoe droevig de inhoud van de liederen ook, ze fladdert vanbinnen. Geen probleem voor mij.

Na de pauze draagt ze een kleed. Tot net boven de knieën. Blauw. Er zit alleen nog franje aan de polsen. Het scherm boven de scène verraadt dat “beelden” List gaan vervoegen. Dat wordt gegarandeerd Ramses Shaffy. Veel te vroeg, die hoge rechthoek.

Niemand die Brel zou mogen zingen. Of Piaf. List is dé uitzondering. De enige. Wat een présence! Het is allemaal wat onwezenlijk. Vooral dat blauwe kleed, die verrassend dunne benen. Die diepe stem daarboven. Ik denk aan een speeldoos. Dekseltje open, poppetje danst. Op haar best als ze Boeyen doet. “Heb me lief!” Boeyen was er toen ze een dipje had. Het frêle lijf laat heel wat dipjes vermoeden. En demonen. Ze heeft ze allemaal getemd.

Ik kijk naar een icoon. List stopt net op tijd. Indertijd ook Amalia Rodriguez net op tijd meegemaakt. Ook de eerste en meteen de laatste keer. “Heb me lief!” Het verhaal van Liesbeths moeder. Het Jappenkamp. Op haar 29ste uit het leven gestapt. “Ik ben ouder dan mijn moeder…” Suriname. Verhalen tussen het zingen in. Een mix  van branie en bescheidenheid. Een kleine meid in Vlieland, die niet wist wat een hoer was. Die dacht dat er in Vlieland helemaal geen hoeren waren. Hoeren zijn overal. Net als gieren. En gekken.

Zin voor humor. Shaffy. Hij wist het snel. Je zou het haar niet toegeven. Een raadsel, die List. Ik zou haar graag eens spreken. Onder 4 ogen. Naar Nederland rijden. Op weg naar List. Wie en hoe is de echte List? Hoeveel List blijft er thuis nog over?

Dezelfde dag had ik een mail ontvangen. Morgen wordt een oud-leerling van me begraven. Ik vermoed iets. Eruit gestapt. De dip zal een diepe kloof zijn geweest. Ik denk aan K., terwijl List zingt. Maar ik ben moe. Morgen een vernissage in Oostende. “Je moet aan jezelf denken”, zei ze van de week. Angèle, de 82-jarige weduwe van een kunstenaar. Samen keken we naar het meer. We zagen de Krabben van Panamarenko. Kranig. Maar wuiven deden ze niet. De storm hadden ze maar net overleefd.

Twee jaar geleden heeft het drukke sociale leven mij even helemaal geveld. Nou, even. Sindsdien mijd ik massa’s. Ben graag alleen. Een vernissage is een uitzondering. Maar de kunstenares logeerde nog bij ons. Nee, morgenochtend niet nog meer treurnis. Ook geen ramptoerisme, sus ik mezelf. Met K. ben ik nog niet in het reine.  We zien wel. Mu.Zee na List. “De Meesteres van de zee”. Net terug uit Chicago. Beklijvend werk. De vrouw centraal. Leed en lusten. Het leven.  Hoe in weinig tijd schoonheid, geluk, droefnis en melancholie zich met elkaar vermengen. Ik zit in de auto, maar start nog niet. Het regent fors nu. Ik pieker achter een natte ruit.

Thuis wil ik meteen meer weten over K. Ik zoek. Met muisklikken. Tussen heel wat flauwigheid, op Facebook ondermeer. Ik haal onderweg Hugo Camps binnen. Hij pakt “Tsjeef” Van Acker aan. Op z’n Camps. Subliem. Wederom.

 

JOHAN DEBRUYNE