Tag: canada

Zinvol brons in Brugge (deel 2)

                      

 

 

 

 

 

 

 

 

HOMELESS JESUS (deel 2)

Sinds een week of iets meer word ik gebriefd omtrent een bronzen sculptuur bij de Magdalena-kerk (Astridpark/Botanieken Hof). Het beeld – zo las ik naderhand – was officieel ingehuldigd – maar opnieuw was ik niet uitgenodigd. Links voor en bijna tegen de kerk staat een bronzen zitbank waarop een bronzen figuur op zijn zijde ligt, de knieën opgetrokken: “Homeless Jesus”. Wanneer ik ga kijken sneeuwt het en op het beeld heeft zich een laag sneeuw gevormd. Het doet me wat. Maar of het een goed kunstwerk is, valt op dat moment niet uit te maken. Ik voel wel meteen dat het op die plaats functioneert.

Ik keer terug wanneer de sneeuw modder is geworden. Nu kan ik het beeld met aandacht monsteren. Ik zie dat het inderdaad om Jezus gaat: de wonde in elk van zijn voeten. Ik kan ook een glimp van zijn gezicht opvangen. De deken waarmee de dakloze zich tegen de kou beschermt laat een opening. Het is een vakkundig gemaakt beeld. De glooiingen zitten goed. Prima sculptuurwerk.

Er komen mensen rondom me staan. Weer denk ik: het functioneert. Of het nu Jezus moest zijn of een naamloze dakloze… Hoe dan ook, de man is dakloos. Het is bar koud en de man moet buiten slapen. Ik zal me later duidelijk laten maken dat er in Brugge vandaag zo’n 50 mensen dakloos zijn! Ik heb wat foto’s genomen. Rond het plein zijn winkels die bekend staan om hun exquise marchandise. Vooral een slagerij en een bakkerij genieten grote bekendheid om de kwaliteit van hun producten. Rijen dik schuiven er aan. Ik word bekeken. En maar vreten, terwijl anderen creperen van honger en kou! Mij bekruipt hetzelfde gevoel als wanneer ik van mijn huis in de Leopold I-laan naar de bushalte net voorbij de Carrefour stap: ook daar zitten en liggen mensen, in de kou, op vermolmde “tuinversierselen”, een bierblik in de verkleumde hand. Inderdaad, ook hier is het leven lang niet voor iedereen een feest. Het geeft me telkens een wrang gevoel, omdat ik bij elke veeleer schaarse uitstap naar het pretpark dat mijn geboortestad is geworden het nuttige aan het aangename paar. Doorgaans ga ik in een van de boekhandels lectuur halen en het kaft wordt gelezen terwijl ik in een van de vele koffiehuizen geniet van wat lekkers. Wat mis ik op die momenten nog steevast mijn jongste zus. Het zal straks twee jaar geleden zijn dat ik ze plots ben verloren, dat al haar organen, moe van een lange strijd tegen kanker, elke functie weigerden. Met haar kon ik over dit soort zaken praten en van mening verschillen.

Terug naar “Homeless Jesus”: geen zinloos brons, dus, tot spijt van wie het benijdt. De maker is een katholieke Canadees: Timothy Schmalz. Deze “Jesus” vind ik zijn beste werk. Er zijn tien exemplaren van. Onder meer het Vaticaan en de steden New York en Madrid bezitten er een. Een sponsor heeft het allemaal bekostigd. En YOT, een vereniging die mensen van alle strekkingen en gezindten, die zoeken naar zin, bij elkaar wil krijgen en dus doen nadenken waar we met deze snel veranderende wereld naar toe kunnen en welke nieuwe functies kerken op zich kunnen nemen (ooit zong een Nederlands duo “Vluchten kan niet meer”), heeft geijverd om het niet in Brussel, maar in Brugge te krijgen. In de Magdalena-kerk is meer kunstigs te zien. De bijzondere schommel voorbij een waterplas trok meteen mijn aandacht. Zelfs met mijn bijna 100 kilo zou ik er op mogen…

Het ware interessant indien ook jonge kunstenaars deze locatie ontdekten.

JOHAN DEBRUYNE, januari 2018

 

Serendipiteit

        

Omtrent de kunst van “Strook”

SERENDIPITEIT

Het moet zo’n jaar of twee geleden zijn. Van enige puur artistieke “aanwezigheid” ben ik niet op de hoogte gebracht. Ik ben uitgenodigd op een soort happening die plaatsvindt in een straat waar de leegstand schrijnend is. Een aantal gerenommeerde Brugse handelszaken heeft de handen in elkaar en aan de ploeg geslagen. Ze zouden er een wijle een leuke, levendige buurt van maken: een verrassend “eindje” straat aan de rand van het centrum waar hun kwaliteitsspullen jou in een geheel andere context kunnen verleiden.

Ik ga er naartoe, maar stap de nu met leven gevulde bakstenen kneusjes niet binnen. Ik ben een beetje aan het trottoir genageld. Ik toef een hele poos aan de overkant van de straat. Daar is niets te doen. Hoewel ik nu denk dat het zomer was of hooguit zachte aanlooptijd naar de herfst, krijg ik het koud. Aan de gevel van een heel oud huisje (of waren het er twee?) hangt iets wat ik nooit eerder heb gezien: twee monumentale, “huisjesgrote”  koppen. Twee bustes. Soorten portretten,  samengesteld uit stukken hout. Het werk intrigeert. Al zeker het onmiskenbaar vakmanschap.  De hoofden zijn gaaf en expressief tegelijk. Niet schreeuwerig. Ik voel zelfs een zekere melancholie. De creatieve geest die dit heeft gerealiseerd ken ik niet.

Ik denk enigszins verward – aan de overkant wordt ondertussen getoast, gekletst en uitbundig gedaan – aan kunstenaars die doorgaans (of een enkele keer) met hout aan de slag gaan. Balkenhol is de eerste die ik me voor de geest haal. Hoewel diens bas-reliëfs op de meest recente Documenta (in een kerk naast de Friedrichsplatz/Kassel) en zijn monumentale menselijke figuur vlak voor het CAC Malaga me in een nabij verleden hebben ontgoocheld, hou ik van zijn oeuvre.  Gewoonlijk tovert de man menselijke figuren uit boomstammen: verfijnd, vertederend, verstild.

Geheel anders dan de “Goden met geschonden gelaat” van Kader Attia. Die grijpen je bij de strot. Ik denk uiteraard ook aan Vic Gentils. Voor mij een van onze grootste kunstenaars ooit. Onnavolgbaar hoe die houten elementen op ingenieuze manier kon assembleren. Maar waar ik nu op straat naar sta te gapen, is geheel nieuw: geometrische vlakken (gerecupereerd) hout die koppen vormen. Er is amper reliëf.

Ik blijf de hele tijd met “houten kunst” in mijn kop zitten. Met werken van Lohaus, Penone en Brancusi. Allemaal zo anders. En van die Duitse kunstenaar, ik kan maar niet op zij naam komen, die met een kettingzaag en in luttele tijd figuren uit bomen zwoegt. Of zwoegde. Zou hij het nog doen? In de jaren ’90 stond ik oog in oog met wat van zijn bomen was overgebleven. Heel knap! Het was in de Brugse Galerie Hugieia.

Dit hier is weer volkomen anders. Ik zou in de late avond op zoek gaan naar meer van en over dit oeuvre. Wanneer ik dan uiteindelijk toch een deurtje binnenstap, laat ik me vertellen dat de maker amper dertig is en al heel wat op zijn artistieke actieradius heeft. “Strook” is zijn naam, pseudoniem voor Stefaan Decroock. Volgens de Amerikaanse nieuwswebsite “Hufftington Post” behoort zijn werk al tot de meest invloedrijke Street Art ter wereld!

De menselijke figuren die hij tegen muren aanbrengt zijn samengesteld uit verzaagde stukken wrakhout. Hout dat volgens de een of de ander voldoende tijd, leven en functie heeft gehad. Lui die vinden dat het goed is geweest met dit hout. Deze “opgegeven” materie brengt Strook op ideeën. Ze wakkert verhalen in hem op. Hij gaat op zoek naar oude, verpauperde panden en speurt er naar bruikbare houten elementen, stuk voor stuk veel ouder dan hemzelf. Hout dat levens heeft geleefd.

Hoe lang leeft hout überhaupt? Hoe lang gunnen wij een deur? Een raam? En wat hebben verf, mensen en tijd met het hout gedaan? Wat door velen aan de kant wordt gezet, is voor hem basismateriaal om mee te scheppen. In wat hij creëert zitten levens; hebben natuur en mens hun deel gehad.

Op een tentoonstelling in de Kortrijkse Buda-fabrieken (deze ervoor, in de leegstaande ruimtes van de voormalige Brugse drukkerij “Die Keure”, had ik gemist) waren velen in de ban van zijn werk. Het verrast. Het oude hout, de elementen en na enige tijd het vermoeden van een kunstenaar die ook erg goed kan tekenen.

Inderdaad: Strook is grafisch geschoold. Onderlegd. Bedreven. Hij herleidt zijn figuren tot (hoofd)lijnen. Lijnen die vlakken omvatten en dan een wezen vormen. De tentoonstelling laat ook abstract werk zien. Daarin laat hij her en de houten elementen weg en vervangt ze door beton dat hij schimmig figuratief beschildert.

Op de site van de kunstenaar kijk ik ook met verbazing naar zijn allereerste murale werken. Verf. Uit een spuitbus, vermoed ik. Een gigantisch, ingenieus werk, ergens in Antwerpen: een immense, verticale strook.

Van “Young Primitives” heeft hij nog gehoord. Dat was 2005, geloof ik, n.a.v. een Brugs stadsfestival. Graffiteurs van over de gehele wereld (ook acteur Matthias Schoenaerts was erbij) werden als het ware een wijle opgesloten in het Groeninge Museum. Daar dienden ze zich te laten inspireren door de werken van de Vlaamse Primitieven. Nadien maakten ze vaak gigantische werken die overal in de stad werden aangebracht. Dit knappe initiatief, dat jong én oud wist aan te spreken, kreeg helaas geen vervolg. Het leverde verbluffend werk op. Reveleerde ook talloze onvermoede manieren waarop kunstenaars met spuitbusverf omgaan. Een paar elementen zijn Brugse gevels blijven sieren. Zo hangen er vandaag nog drie in de Hof van Arents. Na de tentoonstelling werd het gros van de werken – onder grote belangstelling – in het voormalig Leerhuys per opbod aan de man gebracht. Ik was erbij. Was mijn huis maar groter geweest, heb ik toen vaak gevloekt. Stefaan herinnert zich iets van het evenement. Hij was toen een prille twintiger en had er wellicht net Sint-Lukas Gent op zitten, waar hij zich voor zijn eindwerk in de “écriture automatique” van Breton had verdiept.

Met stijgende verbazing kijk ik naar zijn tekeningen. De klasse van de vrije hand. Het gebaar.  De losse pols. De “poot”. Ik zie de kop van Eddy Merkcx. Bij nader toezien een onvoorstelbare kluwen van lijnen. In het hoofd zit de hele carrière van “de Kannibaal” vervat. Overwinningen, trofeeën… Je moet alleen verdomd goed kijken. De tijd nemen. Wonderbaarlijk is vooral dat de veelheid aan verwerkte gegevens geenszins het totaalbeeld stoort. Ik vermoed dat al zijn werken een lange weg hebben afgelegd. Soms mentaal en fysiek.

Hij gaat niet over één nacht ijs. Het speuren naar “intrinsiek artistiek” hout neemt heel veel tijd in beslag. Ook wanneer hij niet daadwerkelijk aan het zoeken is. Zijn leven is er vervuld van geraakt. Gestaag groeien de ideeën, terwijl ook het gedreven en bedreven droedelen tot beelden leidt die hij naderhand vereenvoudigt. Het is een uitdaging voor Strook, zegt hij zelf: met minder vlakverdeling toch expressie genereren. Kijken hoe vlakken en andere materialen met elkaar gaan communiceren. Het is zowat zijn leven geworden. Het zoeken naar wat lijn en materiaal met elkaar kunnen bereiken. Ik moet denken aan de term “serendipiteit”. Ik leerde het woord ooit van Jan Hoet: iets vinden zonder dat je eigenlijk concreet zoekt. Wat kort door de bocht. Er komt ook intelligentie bij kijken.

Strook sluit in de toekomst de pure abstractie niet uit. Ook de derde dimensie kriebelt in zijn onderbewuste. Er liggen al “toonmomenten” in de VS en in Canada in het verschiet.

          

 

JOHAN DEBRUYNE, begin januari 2016