Tag: brugge

Kater

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

KATER

 

We waren net een dag weer thuis, in Brugge, terwijl we ons pas na een kleine week in Parijs opnieuw thuis waren gaan voelen. Je wordt ouder en het gaat wat traagzamer. Er was onder meer (voldoende) tijd voor de Place des Vosges en wijde omgeving, voor het Musée d’orsay, dat we – de hitte trotserend – via het grote plein, de Tuileries en de fraaie houten boogbrug bereikten, het toch wel positief verrassend Hockney-overzicht in Beaubourg, de Fondation Vuitton, het pareltje van architect Gehry aan de rand van het Bois de Boulogne, met werk van Kentridge, Pascale Marthine Tayou en hun Afrikaanse kompanen… Tot meer waren onze voeten, enkels, heupen, knieën en de rest van onze lijven helaas niet in staat. Inbegrepen enkele gesprekken, zoals dat met de kokette en sportieve Nederlandse dame die schoenen aan… Jan Mulder verkoopt.

Een dag weer thuis, dus. Opnieuw stonden, dit keer aan de overkant van de laan – waar plaats was- , verkeersborden waarop met krijt iets stond gekrabbeld dat amper te lezen viel. Ik was moe en dacht: ik neem geen risico en parkeer de auto aan onze kant van de laan. Wel zo’n honderdvijftig meter van ons huis vandaan. Er was amper een parkeerplekje te vinden.

Het gebeurt eerder zelden dat je bij ons op het trottoir iemand tegen het lijf loopt met wie je een praatje slaat. Doorgaans blijft de passage verbaal tot een ‘goeiendag’ beperkt. Ooit voerde ik een vergeefse enquête tegen het alles verpletterende verkeer in de laan, maar het gedoe haalde amper iets uit. Nu, jaren later, suggereert een vriend iets met zwarte vlaggen, maar die plastic dingen in die andere straat, als protest tegen de 423 voorbij denderende autobussen per dag, vind ik absoluut onesthetisch. De laan waar ik woon vind ik eigenlijk een strook met nogal wat lafbekken. Waar de betonplaten de plafonds niét naar beneden laten donderden geeft men niet thuis en de helft van de buurt komt er zijn vleeswaren en bereide maaltijden halen in een slagerij waar vrachtwagens komen bevoorraden die onnoemlijk veel meer dan de 5 toegelaten ton wegen.

Dus sta ik even met Evy en haar hond te praten. Zij doet haar verhaal, een verhuisstory, ik mijn reisverhaal. In het kort. Maar over Parijs geraken we beiden moeilijk uitgepraat. Tot afscheid roept ze me nog na: “Wat lopen wij hier eigenlijk nog te doen?” Tja, ook een beetje laf, zeker? Ik heb al zo vaak met de idee van verkassen gespeeld. Maar goed, als zelfs een Van Dis naar de modder van zijn jeugd terugkeert.

Ik moet in mijn geboortestad (Brugge) een paar boodschappen doen. Willen of niet, dit keer moét ik de stad in. In een kleine nieuwe frisse boetiek (Sint-Jakobsstraat) heb ik een paar T-shirts kunnen laten bedrukken zoals ik het wilde (met dank aan Thomas), in een van onze horloges moet een nieuwe batterij (hiervoor moet ik in de Steenstraat zijn), ik wil altijd wel eens naar boeken kijken en de stad was naar verluidt een muraal kunstwerk van “Strook” rijker. Strook, of Stefaan Decroock, veelzijdig Brugs kunstenaar en blijkbaar beter bekend in verre streken dan in eigen land en stad, is een zogenaamd straatkunstenaar. Aangezien ik een paar keer met hem contact heb gehad en ondertussen ook zijn atelier (een hangar buiten de stad) bezocht, weet ik dat hij zo veel meer is en kan dan van een “straatartiest” wordt verondersteld.

Hij maakt in hoofdzaak portretten van afvalhout dat in se afkomstig is van de omgeving van de locatie waar zijn kunstwerk uiteindelijk wordt aangebracht. Het zijn monumentale werken en zitten knap in elkaar. Een buste, een persoonlijkheid in amper een paar geometrische vlakken: il faut le faire! Dus nu ook in Brugge. Ik sta te kijken vanop de hoek van het Zand waar… werken aan de gang zijn. Ik neem een paar foto’s. Ik vind het niet meteen Stefaans meest intrigerende werk, maar ik ben fan van wat hij doet. Bovendien heeft het werk iets wat ik moeilijk kan duiden, maar het abrupteert enigszins het softe van Brugges koekendozenimago. Naar verluidt maakt het werk deel uit van een reeks werken die, met de komst van een nieuwe Triënnale voor Actuele Beeldende Kunst en Architectuur, de stad zullen verrijken/opsmukken.

Ik ga ook eens naar dat andere werk kijken. Ook monumentaal, geschilderd/gespoten op een hoge strook muur, maar compleet weggestoken eigenlijk. De muur bevindt zich op het Beursplein, daar waar voorheen de politie huisde. Het is een “brave” schildering die Maria van Bourgondië voorstelt. Het werk barst van de verwijzingen naar de geschiedenis van de stad Brugge. Wilde de kunstenaar dit zo of is hem dit opgelegd? Ik vind het in elk geval een kunstwerk dat het zoete, schone Brugge in al zijn clichés bevestigt. Daarentegen straalt het werk van Strook kracht uit. Iets duisters. Die verwering alleen al.

Straks zou Stan Slabbinck aan de beurt zijn. Behalve Strook gaat het hier om twee volwassen kerels, die zeer onderlegd zijn, en die ondergetekende – toen nog leraar – als jong jonge snaken in de Brugse Middenschool aan de slag liet gaan op de muren van de trappengangen. Ik geloof dat ze van mij het verhaal van de Kleine Prins hadden meegekregen ter inspiratie. Ik vind het werk dat ze daar uitvoerden nog altijd heel erg sterk. Wat zat de directeur van toen met een ei: graffiteurs aan het werk in zijn school!!! Nadien was de man terecht fier.

Het is maandag. Ik was met behoorlijke goeie moed vertrokken. De Rode Duivels hadden in Griekenland gewonnen en zich als eerste Europees land geplaatst voor de wereldbeker in Rusland. Voor mij geen Putin, maar met die Oen in Noord-Korea en maffe Trump zou je beginnen twijfelen. En… Sint-Petersburg is een heel mooie stad, vertelde mijn zus nog. En, ik zou het meest heuglijke nieuws nog vergeten: politica Zuhal Demir had laten weten en zien dat ze zwanger was!

Finaal slenter ik almaar misselijker wordend terug naar de parking onder het Zilverpand. Evy had gelijk: wat doe ik hier eigenlijk nog?

 

Johan DEBRUYNE, begin september 2017

 

Hommage aan de schoonheid van het Nederlands

      

 

 

 

 

 

 

 

 

Hommage aan de schoonheid van het Nederlands

 

Mag ik eens opscheppen? Komaan, Johan, doe het, er zijn immers tal van getuigen. Wel, het komt met regelmaat voor dat wanneer ik een tentoonstelling heb toegelicht, mensen die me niet of alleen maar bij naam kennen me vragen vanwaar ik afkomstig ben. Als ik dan “Brugge” antwoord, geloven ze me amper.

Het ligt er aan dat ik bijna mijn leven lang aan mijn spreektaal heb geschaafd. Ik verwaarloos heus mijn Brugse dialect niet en kijk er ook niet op neer, maar hou zielsveel van het Algemeen Nederlands. In een vorig leven heb ik de taal ook onderwezen. Ik heb er boeiende, prettige en creatieve dingen mee gedaan en laten doen. Wat ik in en met de klas van plan was met taal uit te richten: ik oefende en las het altijd hardop. Bewust.

Of ik me dan erger telkens mijn burgemeester ergens het woord voert. Ik weet dat het bepaalde mensen nog steeds de gordijnen in jaagt. Ik lig er niet meer wakker van. Wellicht – en dat weet hij vermoedelijk – scoort hij met zijn verkrachting van het Algemeen Nederlands zelfs bij een bepaalde groep mensen. Het zou ”volks” overkomen, terwijl ik het gewoon een gebrek aan respect vind. En al zeker voor een burgemeester die tegelijk schepen van cultuur is.

Maar goed. Ik zou het over “mijn” gebruik van onze officiële omgangstaal hebben. Het begon al toen ik nog een puber was. Op zolder (tussen de kamer van mijn oudste broer en die van de bakkersknechten) speelde ik met een behoorlijk indrukwekkend peloton plastieken coureurtjes de “Tour de France” na, terwijl ik het verloop van de ritten van verbale commentaar voorzag. Ik was jong en argeloos en had het lef om niemand minder dan Jan Wauters te imiteren! Ooit een beetje idool van mij. Niet lang voor zijn dood stonden we samen te plassen in de toiletten van een bekend restaurant op de markt van Watou. We waren op hetzelfde moment op de Poëziezomer aanwezig. Ik had al lang een vermoeden dat de man ook van (actuele) beeldende kunst hield. Trouwens, zoals hij wielrenners, voetballers en atleten kon beschrijven. Ook al kende je ze niet, je zag ze voor je, terwijl je naar de… radio luisterde. Meesterlijk. Een fenomeen naar wie terecht een prijs is genoemd. Ik meen me ook te herinneren dat hij betrokken was bij de inhuldiging van een monumentaal werk van Bruggeling Benoît in het stadion van Club Brugge.

Wat later werden de mini-coureurs van Peugeot, Faema, Molteni en andere teams decorstukjes en nog wat later schonk ik ze aan een neefje.

Ik was toen ongeveer rijp voor het Franse chanson, terwijl ook de Nederlandstalige zogenaamde kleinkunst en het cabaret mij intrigeerden. Nederland was toen nog gidsland. Robert Long, Boudewijn de Groot en vele anderen, dus. Toon Hermans, die alleen al met zijn mimiek volle huiskamers liet huilen van het lachen. Met “niemendalletjes”, dus. Wim Sonneveld (“Zij kon het lonken niet laten”…) aapte ik dan weer gewoon na. Wat spelen met taal betreft ging deze er net over en dit vond ik plezant. Ook nogal wat van mijn leerlingen later. Maar deze oefenstof droeg wel een zeker gevaar in zich: ze nestelde zich kousvoetelings heel diep. Ooit was dus ik aan afkicken toe.

Ondertussen speelde ik jeugdtoneel (ooit nog met Marc Van Eeghem) en werd wat later de rechterhand van mevrouw Carmen Schepens-Maerten (waar zouden haar tientallen gele briefkaarten nu zitten?), ooit lerares aan het Brugse lyceum. Deze uitzonderlijk energieke dame had, toen ze net op pensioen was, “Jeugd en Toneel” opgericht. Ook zij hanteerde een aanstekelijk soort Nederlands. En nog later, op wat vroeger de “Normaalschool” heette, werd ik tot een elegant en correct Algemeen Nederlands geïnspireerd door licentiaat, professor, romancier en dichter Paul de Wispelaere (1928 – 2016).

Enkele maanden geleden was het. Ik had net een tentoonstelling in het Nederlandse Den Bosch toegelicht (meer bepaald in tot de verbeelding sprekende architectuur van de Mark Peet Visser Art Gallery) toen ik met een wat oudere Nederlandse man in gesprek kwam. En meteen weer: waar ik vandaan was? Tijdens ons gesprek (de galerie geeft je enerzijds een uniek uitzicht op de stad en anderzijds op een grote lap ongerepte natuur) vroeg ik hem of hij ooit Paul de Wispelaere gelezen had. We waren namelijk op literatuur uitgekomen. Helaas. Nog nooit van gehoord zelfs! Ik was even van mijn melk.

Daarom deed het me een dezer dagen goed te lezen dat De Arbeiderspers binnenkort de Wispelaeres “Het verkoolde alfabet” opnieuw uitgeeft en dat in Brugge “De Reyghere Boekhandel” straks een hommage aan Paul de Wispelaeres oeuvre wijdt.

In 1999 mocht ik hem twee keer interviewen. Eerst voor een vol auditorium (de Blauwe Zaal?) in het gebouw in de Sint-Jorisstraat waar ik ooit ademloos naar hem luisterde (het initiatief ging uit van Collega Dannie Welvaert); vervolgens in de bieb van de stad Blankenberge. 1999. Al bijna 20 jaar geleden. Of ik ook van hem de liefde voor katten heb geërfd, dat weet ik niet.

 

Johan DEBRUYNE, juni 2017

 

 

 

De Prijs “Ignace Bernolet”: die van het stil protest en de pijn?

       

 

 

 

 

 

 

 

 

De prijs “Ignace Bernolet”: die van het stil protest en de pijn?

 

Ik zou het afleren, het snel, enthousiast en haast zonder nadenken op een vraag ingaan. Maar het lijkt zo ontzettend moeilijk als die op een vriendelijke of gemoedelijke manier wordt gesteld of wanneer het over beeldende kunst gaat. Bovendien zit het positief antwoorden op een vraag er bij mij diep in gebakken. De schuld van mijn moeder. Zo ging het bijvoorbeeld toen Koen Scherpereel-zaliger (ik keer nu dertig jaar in de tijd terug) over de middag met zijn gekende nonchalance en schwung bij mijn ma thuis (ik ging er ’s middags eten) kwam vragen of ik morgen (!) in de Gentse Decascoop zijn tentoonstelling wilde toelichten. Zijn vraag was van het zuiverste retorische ras. Ik aarzelde, panikeerde net niet en vond dat zijn vraag op zijn minst heel erg laat kwam, maar mijn moeder zei: “Allez, jongen, doe dit voor Koen!” Dat ik meteen les moest gaan geven en ’s avonds toch nog voor de school te werken had, daar werd geen rekening mee gehouden. Zo was mijn moeder. Zoals ik zei: het zit er in gebakken. De oven was niet ver. Ik ben een bakkerszoon.

Onlangs had ik het weer, toen iemand me zei dat er een prijs in de maak was voor een (de meest beloftevolle?) laatstejaarsstudent van de Brugse Stedelijke Academie. Of ik dit evenement wilde toelichten, want ik had mijn veel te vroeg gestorven leeftijdsgenoot Ignace Bernolet toch goed gekend? Naar hem zou/zal die prijs genoemd worden.

De laatste dertig jaar hebben “Ibern”, zo tekende hij zijn schaarse werken, en ik vaak in de clinch gelegen met de Brugse overheid (waaronder de stedelijke academie ressorteert). Beiden vonden we dat de lokale overheid actuele beeldende kunst al decennia lang stiefmoederlijk behandelde. Brugge was voor ons een mooi dorp met een overdaad aan middelmaat geworden. Een toeristenfuik, alom geliefd om zijn fraaie uitzichten, zijn frieten, roomijs, chocolade en bier. Ben ik iets vergeten? Samen met gelijkgestemden werden we maar liefst 16 (!) jaar aan het lijntje gehouden (van 1995 tot 2011) in verband met het nissenproject dat we “Buitenissig Brugge” hadden genoemd. Je weet wel: nissen, die kleine uitsparingen in gevels waar doorgaans een heiligenbeeld in staat. Omdat men in de stede als de dood was en nog is voor permanente actuele beeldende kunst in de openbare ruimte, zou het in die kleine dingen misschien wél worden toegelaten. Hoopten we. Ignace en ik. Tevergeefs. Uiteindelijk hebben we er van de 100, ook de internationaal bekende kunstenares Berlinde De Bruyckere zou meewerken en de voormalige hoofdconservator, Manfred Sellink, was uitermate enthousiast en kondigde het evenement ooit met onverholen trots “en public” aan,… 2 verwezenlijkt. En dit na een hoop intriges, gemene tackles en een resem vergaderingen met BruggePlus, Musea Brugge en de Brugse Erfgoedcel! Eentje boven de deur van mijn voormalige huurwoning in de Carmersstraat en dan, de meest besproken nis van de stad, die in de Vazquez-gevel (Zilverstraat), waar de “Cafedraal” gevestigd is, op een boogscheut van de Sint-Salvatorkathedraal. Daar werd een oubollig en verloederd Sint-Jozefsbeeld zinvol vervangen door een hedendaagse Bernolet-creatie. De uitbater was in de wolken met het resultaat, maar tegenstanders van actuele beeldende kunst spanden uiteindelijk de eigenaar van het pand voor de kar en er werd zelfs met een proces gedreigd.

De stad Brugge heeft ons helaas niet geholpen en we hebben ondervonden dat paapse verenigingen (er bestaat in deze stad zowaar zoiets als “Het Mariacomité!) met de meest oubollige ideeën omtrent beeldende kunst en waarvan we het bestaan niet eens afwisten in de aloude stede nog veel invloed hebben. Nochtans werd Bernolet (1953-2016) door de stedelijke overheid met regelmaat gevraagd om restauraties uit te voeren. Hij was veelzijdig, beheerst en kritisch. Kunsthistoricus, kunstenaar, restaurateur en lesgever, was hij. De leeuwen van het gelijknamig Brugse brugje heeft hij nog feilloos hun oude glorie teruggegeven en op de Brugse centrale begraafplaats nam hij diverse verpauperde praalgraven met succes onder handen. Ook in de stadsschouwburg heeft hij een ruimte eigenzinnig-sober naar zijn hand gezet en zijn allerknapste ingreep was zijn in situ-installatie in het verloederde stadspaleis “d’Hanins de Moerkerke”. Ik herinner me nog levendig zijn “Zetel voor Mobutu”. Altijd sober, puur, minimaal. Grote fan ook van Yves Klein. Blauw en bladgoud waren zelden ver.

Ik herinner me zijn protest bij een grote solotentoonstelling met zijn werk in het belfort op de Grote Markt. Over al zijn werken had hij zwarte doeken gelegd. Uit protest tegen het Brugs cultureel beleid. En toen we in 2002 in Venetïë (op de biënnale) de kamer deelden, vernam ik meer over zijn frustraties. Ik herinner me ook zijn inbreng in “Brugge 2002”, in het zgn. “off”-programma, door “De Slang” georganiseerd: een gouden zebrapad. Voor de toeristen? Goud, dat met de tijd en onder duizenden voetstappen langzaam zou verdwijnen.

Maar goed, er zijn de twee nissen en ik heb ooit een tweeluik van hem gekocht.

Misschien is die prijs naar hem noemen nog niet zo’n slecht idee. Althans wanneer de studenten aan de academie de waarheid wordt verteld. Dan weten ze hoe moeilijk het alhier gaat om als hedendaags beeldend kunstenaar in je opzet te slagen.

Ik heb dus uiteindelijk “nee” gezegd. En ik dacht daarbij aan mijn vorig jaar overleden zus. Duizend keer assertiever dan ik. Flamboyanter ook. Het doet pijn wanneer ik foto’s zie van familiereünies waar ze bij had moeten zijn. Een zogenaamd moeilijke tante, van wie je altijd vuurwerk kon verwachten.

 

Johan DEBRUYNE, begin juni 2017

Hond

Hond

 

Meer dan tien dagen geleden zijn twee vaklui vakkundig ons hele achterhuis van stellages komen voorzien. Een installatie! Ik had meteen zin om op de diverse niveaus beeldende kunst te integreren. Het plastic afdak voor mijn bureau had er eerder moeten aan geloven, want er diende ook daar gebouwd, de hoogte in, tot bij een joekel van een schoorsteen. Weg dus – voor meer dan even – de geborgenheid voor de katten en het tikken van de regen. Daar konden de poezen – als ze buiten wilden slapen (zij beslissen; wij staan ten dienste) – lekker droog blijven mét zicht op tal van tuinen. Er stonden uiteraard mandjes, gevuld met dekentjes.

Ons oude huis slikte de laatste tijd her en der water. De schoorsteen moest dit absoluut te bestrijden euvel als eerste bekopen en een nieuw dak zou definitief soelaas (lees: droogte) brengen. Ondertussen stormt en regent het al van net toen de twee mannen de deur achter zich dicht hadden getrokken, en een ander (vriendelijk) duo met poten aan het lijf, vader en zoon, het werk zouden komen af maken. Tot op vandaag zijn we helaas een schoorsteen armer, de poezen hun droomplek kwijt en is het wachten op dat nieuwe dak.

En ondertussen hadden we plannen gemaakt. Eens het nieuwe dak er zou zijn, dan was het tijd voor een grondige beurt voor mijn bureau (ramen, deur, plafond…) en wat later zouden nog andere onderdelen van het huis – we wonen hier nu bijna 20 jaar – worden opgefrist. Helaas, na een paar dagen was het de… kelder die ons gemoed zowat de doodsteek gaf. Sinds de stad Brugge hier aan de openbare weg heeft laten prutsen moeten we met regelmaat laarzen aantrekken, willen we iets uit de kelder halen: grondwater. Het heeft volgens “kenners” (zowat alle buren) niets met regenval te maken.

Het is een merkwaardig fenomeen, dat water zo maar uit het beton te voorschijn komt. Hier zou een videast vast iets mee aan kunnen, denk ik. Telkens mijn vrouw en ik bij een waterstand van enkele centimeters een tweetal uur in en rond de kelder actief waren, keken we de ogen uit. Dit soort werk deprimeert, maakt ons moe en droef, maar tegelijk was er ook altijd die verwondering. L. stond steevast beneden (hoefde zich niet te bukken); ik hield boven de wacht. Enfin, ik tilde het sierijzer dat het keldergat afdekte even op, haalde een vieze en glibberige gele buis te voorschijn en legde die zo’n meter ver op het trottoir. Voorts liep ik er voor spek en bonen bij: ik hield in de gaten of het debiet niet minder werd. Af en toe verdwaalden steentjes of wat afgebladderde verf in het dompelpompje en diende L. het apparaatje te repareren of opnieuw aan de praat te krijgen. Doorgaans deed ze dat met zachte hand. Maar bleef het ding dienst weigeren, dan handelde ze – volkomen tegen haar natuur in – met geweld. Hoe je mekaar, na bijna 40 jaar, wroetend in de buurt van een kelder nog beter leert kennen…

Het feit dat tijdens het afvoeren van stenen van de afgebroken, werkloze schoorsteen, de kruiwagen het licht gehavend sierdeksel helemaal had verknald, gaf ons zowat de genadeslag: houdt het nu nooit op? En gaan wij alles kunnen blijven repareren? 67 en 63, maar vooral fysiek behoorlijk afgetakeld. Niets kunnen we nog zelf. Waar L. vroeger bijvoorbeeld met engelengeduld het houten terras lenteklaar maakte, moeten we ook dit werk straks door een ander laten opknappen. De relatief kleine tuin en een snoeischaar? Daar waag ik me al enkele jaren niet meer aan.

Omdat de stad waar ik geboren en getogen ben me al vaker in de steek heeft gelaten, begon ik op een avond naar sites met appartementen te koop te surfen. We hadden dan wel besloten in het huis te blijven, maar L. weet dat ik, eens ik iets in mijn hoofd heb gehaald… Ze had gesuggereerd: als je dan toch nog wil verkassen, het liefst zo dicht mogelijk bij het station, dan geraken we gemakkelijk uit de toeristenfuik weg. Vreemd? We zijn beiden in deze stad geboren en opgegroeid en hebben er alle twee een haat-liefde verhouding mee. Het volkomen ontbreken van actuele beeldende kunst en boeiende, gedurfde, nieuwe architectuur in de binnenstad, het bannen van de auto, het tot vervelens toe promoten van de fiets, terwijl fietsen ten onzent levensgevaarlijk blijft, zowel voor de fiets als voor de fietser, de nooit aflatende lof over een fraai kabouterdorp… Het ergert ons.

De rolluiken blijven nu al tien dagen naar beneden. Ik zit dus vaak in het donker en mis het daglicht. Maar die stellages inspireren me niet. Ik doe het nodige werk, maar aan schrijven – tenzij in opdracht, of brieven voor buren en korte berichtjes – kom ik amper toe. Ik lig vermoeid languit in de zetel en denk wat ik straks, mochten we voor een appartement opteren, zou moeten achterlaten. Er zijn kunstwerken en -werkjes die ik voor geen geld ter wereld zou willen missen. In de boeken (hoewel ik aan een ernstige vorm van bibliofilie lijd) kan ik aardig rommelen en al wat ik van de school heb bewaard, ligt me wel na aan het hart, maar de school draait ook zonder mij.

Ik ben wel wat verliefd geworden op het beeld van een hond dat zo’n honderd jaar oud moet zijn. Een schitterend kunstwerk, vind ik. Nu we gedwongen de eetkeuken aan de kou en de vakmannen laten en altijd in de woonkamer eten, kijk continu op zijn knappe kop. En passant aai ik hem (het is duidelijk een reu), ik hoef hem niet mee naar buiten te nemen, want eigenlijk ben ik geen mens (meer) voor zo’n krachtig dier. De artrose die zich koppig in mijn schoudergewrichten heeft genesteld alleen al zou een wandeling onmogelijk maken. Echt aaien, optillen en spelen met, dit kan ik nog altijd met Wieb, momenteel onze enige kater. Ook hij is door de werken – die al tien dagen zijn gestaakt – zijn draai helemaal kwijt. We hebben voor hem een en ander verhuisd, maar het is wennen voor ons harige en licht autistische warhoofd. Nooit denken ze toch aan de dieren wanneer ze zulke dingen doen?

Maar wat laat ik achter? Die talloze doorgaans kunstige dieren in huis? Onder het dak logeren wel honderd marmotten (het gevolg van een socio-cultureel project waarin dat Alpendier een centrale plek had), allemaal met een verhaal. Achter mijn computerscherm koester ik het pluchen beertje van Maria (mijn rechterhand tijdens datzelfde project, dat tien jaar duurde), een kitscherig, maar onweerstaanbaar tijgertje, een mini-buldog met aan zijn nek het plastic bandje dat ik om de pols kreeg toen het S.M.A.K. zijn deuren middels een flauwe boksmatch opende, twee hondjes van Sweetlove (eentje toeft hier tijdelijk) met een petfles op hun rug en schoentjes aan, de enige beer die L. ooit maakte, een kitscherig varkentje gekocht in de Katelijnestraat, de prachtig opgezette marmot die de bakkerin, mijn vroegere buurvrouw, meebracht uit een onooglijk bergdorpje, de al licht verweerde graffitimarmot (creatie van Pino I) op de tuinmuur…

Ja, als we verhuizen, maar dit zal voor iedereen gelden, wordt het moeilijk afscheid nemen. Ik had het dan nog eens niet over de ovenstukken uit de bakkerij van mijn vader-zaliger. Dat soort ovens wordt niet meer gemaakt.

Terwijl ik zit te schrijven denk ik eraan dat mijn jongste broer nu ongeveer in Leuven (Gasthuisberg) wordt geopereerd. Na nog een controle – morgen – en een wellicht lange weg naar genezing, voeren ze hem morgen al terug naar het AZ Sint-Lucas Brugge. Super dat dit allemaal kan, maar ik krijg bepaalde beelden van dierenvervoer maar niet uit mijn hoofd…

 

Johan DEBRUYNE, begin maar 2017

 

Blauwe Toren

Blauwe Toren 3

Blauwe Toren

Daar zaten we dan. Een paar minuten eerder hadden we een zogenaamde uitvaartaula verlaten. Daar waren foto’s geprojecteerd. Met betraande ogen hadden we een leven zien passeren. Een leven in momenten. Met verre sprongen die soms beangstigend dichtbij leken. Voor de kinderjaren, die van het puberen, de sinds lang verdwenen dancings en het verliefd worden hadden we mekaar te laat leren kennen. Deel één van haar bestaan was voor ons onbekend terrein. Nieuw, vermoed en enigszins verrassend, en tegelijk voorbij: bizar. Op de beelden getuigde M. van levensvreugde, eigenzinnigheid en zorgeloosheid. Een enkele keer poseerde ze gretig ondeugend. Deze eigenschappen verbaasden niet.

We hadden ook naar “passende” muziek geluisterd. En naar een synopsis van een meedogenloos abrupt gestopt leven. Een sterke vrouw van 65. De vrouw van een vriend. Een vriendin. In amper een jaar tijd helemaal door kanker leeg gevreten.

Ik ben behoorlijk “afwezig”. Altijd op dit soort momenten. In mezelf gekeerd mijd ik de meeste ons bekende aanwezigen. Mijn hoofd zit in een wolk. Mist. De dood went nooit. Af en toe kijk ik weg. Naar het groen buiten. Naar een waterplas. M. was almaar lichter en brozer geworden. Op het laatst leek ze breekbaar als porselein. Haar hoofdje kleiner. Naar wat zich daarbinnen afspeelde was ik benieuwd, maar durfde niets te vragen. Het korte grijze haar stond haar goed.

Amper een jaar geleden werd mijn jongste zus uit mijn dagelijks bestaan weggerukt. Eerst langzaam (een lijdensweg waarlangs ze vaak stil en eenzaam kreunde), maar uiteindelijk onverwacht abrupt. Een oncoloog had ook haar een grotere kans op genezing beloofd. Nog een portie gerekt leven voorgespiegeld. Noppes.

Het is niet de eerste keer dat ik op deze plek kom. Met het ouder worden, het afkalven van het traditionele “afscheid” in kerken of kapellen, en het drastisch toenemen van het aantal crematies, kom je hier vanzelf almaar vaker dan je lief is.

De Blauwe Toren. Zo heet deze site aan de rand van de stad. Een blauwe toren. Heb ik die blikvanger dan telkens gemist? Het dierenasiel, waar naar verluidt relatief snel naar een “verlossende” injectie wordt gegrepen, ook een locatie waar leven en dood tegen elkaar aan schurken, bevindt zich op wandelafstand en draagt ook het woord blauw in zijn naam. Daarna komt “kruis”… Hier komt het leed thuis.

Ik erger me niet meer aan de “kunstwerken” die het gebouw een meerwaarde zouden kunnen geven. Wat er hangt is een dilettantisch allegaartje. Je kan er van uitgaan dat mensen in deze omstandigheden geen boodschap aan kunst hebben. Toch weet ik van aanverwante, grotere en meer eigentijdse locaties, elders in Vlaanderen, dat er kunstenaars zijn die zo’n ruimte wél meer betekenis kunnen geven. Vertroosting. Schoonheid en creativiteit die het verdriet temperen.

Als een van de eersten stappen mijn vrouw en ik traag en nog enigszins verdwaasd naar de nabije, tot restauratie omgebouwde hoeve. Achter het alles insluitende glas staat een tweetal kitscherige clowns. Als die bedoeld zijn om passanten aan het lachen te brengen… Beschamend! Maar ik erger me nauwelijks. Het verdriet is te groot. Waar de rouwmaaltijd – gespreid over een lange tafel – wacht, wordt allengs al eens gelachen. Het leven gaat verder. Het was een ongewoon late dienst. Pal op de middag. De jaarwisseling is duidelijk ongenadig geweest.

Wordt M. straks uitgestrooid? Een half uur geleden hebben we nog rozenblaadjes op haar kist gelegd. Of neemt haar man de as in een urne mee naar huis? Er worden vragen gesteld. En we praten met de tafelgenoten die we kennen, en met vreemden. We ontwaken langzaam uit een soort verdoving. De jassen hangen in een kast. Familie, wat vrienden en buren. “Intieme kring” moet zoiets heten. L. wil niet verast worden. Een andere vriendin wil dat haar as op zee wordt uitgestrooid. En wanneer ze lang genoeg met een vragende blik naar mij kijken, uit ik de wens dat wat van mij over blijft in de Franse Alpen wordt uitgestrooid. Ik was er meermaals. Maar die ene keer, in volle zomer, in dat dorpje… Guillèstre. In mijn eentje zou ik er in de omgeving op zoek gaan naar marmotten. De natuur maakte toen een diepe indruk op me. Zou doodgaan daar dan minder ingrijpend zijn? Of is het andersom? Heeft daar, in het aanschijn van die imposante bergen met besneeuwde toppen, daar waar je je nietigheid zo sterk aanvoelt, het wegvallen van (menselijk) leven minder impact? Of net niet?

Nee, ik zal vermoedelijk niet verast worden. Ik blijf bij L. Nu al bijna 40 jaar. En ook nog na mijn dood. Begraven moeten ze ons – dit hebben we afgesproken – op het mooie Stedelijke Kerkhof. Onder een knap stuk natuursteen. En waarom niet uit de Alpen?

Er wordt gegeten en gedronken. Naarmate de middag vordert worden sommigen wat cynisch, ondeugend zoals M. kon zijn, en gauw gaat het over koetjes en kalfjes. Af en toe ook nog over M. Drie uur later vertrekken we – doodmoe – terug naar huis. We zullen uren slapen.

Tegen de volgende middag smeekt mijn hoofd om een portie verse lucht. Ik stap de Ezelpoort door, een enkele lange straat en twee bochten. Voor ik aan de Grote Markt kom, sla ik links af. Daar kan ik naar boeken en brillen kijken. Er is lekkere koffie in de buurt.

Wat gewoon is, komt me vreemd voor. Ik heb rotdagen achter de rug. Toen M. stierf, hadden we net onze oudste kater laten inslapen. En ook in Wallonië keek een jong familielid de dood in de ogen.

Plots komt mijn vechtlust terug. Ik word nog maar eens geconfronteerd met de wansmaak van onze lokale overheid. Waar ooit een schreeuwlelijke bushalte en bronzen beelden me irriteerden, staat nu iets wat een modern openbaar toilet moet voorstellen. Ik heb helemaal niets tegen het stevige lapidaire groene straatmeubilair vlak bij de bieb, maar mag het voor een gewezen Europese Culturele Hoofdstad een tikkeltje meer zijn? Vooral de kant met de drie urinoirs achter een doorschijnend stuk polyester. Terwijl je plast (je moet je plas nog even ophouden, want het ding is nog niet gebruiksklaar) kijk je op een witte strook. Kon daar nu niet iets artistieks op worden aangebracht? Iets ludieks eventueel? Desnoods een met het hoekige karakter van het ding confronterende poppenkastzicht van een flard Brugge. Zo van: zelfs als je in deze stad gaat plassen blijf je naar schoons kijken. Zelfs plassen in Brugge die Scone: een beleving!

Ik denk onwillekeurig aan Münster, waar ze (tijdens een 10-jaarlijks kunstenfestival) ooit eens hebben laten zien hoe sfeervol en mooi een openbaar toilet kan zijn, en aan creaties van kunstenaars als Matthieu Lobelle en Jonas Vansteenkiste. Onder anderen. Kon de verantwoordelijke schepen die “toiletspecialisten” niet samen aan tafel brengen met enkele kunstenaars? Zou dit geen natuurlijke reflex moeten zijn in een stad die zich een cultuurstad noemt?

Hoewel zelf gekroonde fietsstad, lijkt Brugge de pedalen kwijt. Er wordt uitzinnig gedaan wanneer bier ondergronds naar de tap stroomt en gepocht dat je in luttele minuten de geschiedenis van de stad beleeft wanneer je het “Historium” binnen stapt. Dat de rode gloed van een Kruidvat de Grote Markt bezoedelt lijkt de beleidsdames en -heren niet te deren. We heffen het glas op een Chocolade-, Friet-, Lampen- en Foltermuseum…

Ooit was ik zo naïef te pleiten voor een kwalitatieve invulling van “eerbiedwaardige” locaties…

JOHAN DEBRUYNE, januari 2017

 

 

Buitenbeelden…

Buitenbeelden…

Onlangs las ik in de krant een bijdrage over de “Rock Strangers”, de immense rode, soorten gedeukte (metalen) dozen van Arne Quinze op de dijk van Oostende, meer bepaald op het Zeeheldenplein. Het nieuws dat te rapen viel was dat er bij de rechtbank een klacht was ingediend tegen de stad Oostende, omdat die verantwoordelijk is voor het aankopen en inplanten van dit niet onbesproken kunstwerk.

De juridische stappen waren gezet door mensen die op de dijk een appartement bezitten en bewonen. Op de tweede verdieping weliswaar, maar zo hoog reiken de rode “dozen” wel. In het elftal “Rock Strangers” zit (ik heb nu even louter over het fysieke aspect) wel een enkele Lionel Messi, maar de groep amorfe blokken telt meerdere Piqués, om het maar eens in voetbaltermen uit te drukken.

De krantenfoto van een paar van Quinzes “Vreemdelingen” was hoogstwaarschijnlijk vanuit die mensen hun woonkamer genomen. De eigenaars zijn ervan overtuigd dat hun zicht op zee – ooit ongeremd – hun door deze “artistieke” inplanting brutaal is afgepakt. Mochten ze uiteindelijk het proces winnen, dan gaat het geld naar een nobel doel. Het bizarre aan het artikel was nu toch wel dat ik  Quinzes “Rock Strangers” (uiteraard) nog nooit vanuit dit oogpunt had gezien, maar vooral… dat ik ze nooit eerder mooier had gevonden!

Het artikel bracht me in gedachten terug naar de feestelijke inhuldiging ervan, een paar jaar geleden. Het kunstenmagazine waarvoor ik met regelmaat over beeldende kunst verslag uitbreng had me gevraagd een recensie te schrijven.

De officiële opening, hoewel er geen spatje vernis meer aan te pas komt (al zeker niet bij sculpturen) nog altijd “vernissage” genoemd in het wereldje van de beeldende kunst, vond plaats in de Koninklijke Gaanderijen. Zoals te verwachten (de onbescheiden artistieke ingreep van iemand die velen een zelfverklaard kunstenaar vinden, ging en gaat nogal over de tongen) barstte het er van het (schoon ) volk en ergens – een deel van de Gaanderijen was afgesloten – stonden tafels gedekt en een piano klaar. Het was koud, die vooravond. In 2011, denk ik. De wind ademde uitgelaten krachtig en gezien ik mijn huiswerk behoorlijk wilde maken, was ik meer dan tijdig op de afspraak.  De “Strangers” gaven geen krimp, maar mijn kleine blaas had het al snel begeven. Ik moest plassen. Voor het afgesloten deel van de Gaanderijen vroeg ik een bediende of naar het toilet mocht, waarna de deur probleemloos werd opengemaakt. Tussen rijen tafels en een glimmende piano-op-piëdestal baande ik me een weg naar het toilet. Een nerveuze Piet Godard, alias Ozark Henry, liep er blootsvoets te ijsberen. Hij lette niet op de indringer.

Na de verlossende plas liep ik door de tentoonstelling. Drie veel te smalle gangen en een enkele ruimte waar je toch enige afstand van het getoonde kon nemen. Ik vroeg me af waarom dit evenement niet in het Mu.Zee, het provinciaal museum, plaatsvond. Er waren vooral filmpjes, maquettes en portretten van de kunstenaar te zien. Quinzes ego was breed uitgesmeerd.  Toen ik het allemaal bekeken had, stapte ik maar eens op, honderden meter van de vernissageplek vandaan, naar de kunstwerken, want voor die Vreemde Rotsen was ik naar Oostende gekomen.

Het deel van de dijk dat ze inpalmden was nog een bouwwerf. Ik nam dus noodgedwongen foto’s tussen de rechthoekjes van de metalen afrastering die plooide, maar nog net aan de gure wind weerstond. Ik vond ze nu eens goed, gedurfd, dan weer minder. Ik vond ze eens mooi, maar dan weer niet. Toch moet zoiets kunnen, dacht ik. De plaats vanwaar je ze bekeek veranderde blijkbaar sterk je appreciatie. Samen met een Japanse toeriste zocht ik naar een plek voor de beste foto. Ondertussen ging de wind almaar meedogenlozer tekeer. Het was klote. Ik kon me ook niet echt een mening vormen, het werk was niet af en het weer was verschrikkelijk. Van het feest heb ik weinig gemerkt. Ik had alleen (te) veel bekende koppen de Gaanderijen zien binnenstappen. En allen feliciteerden ze de kunstenaar nog voor ze het werk hadden gezien.

Op weg naar huis vond ik dat het moest kunnen, dat het werk altijd fel besproken zou worden (ik had eerder termen als “hybris” en “protserig” opgevangen), maar dat de rode kanjers te respectloos dicht bij het herdenkingsmonument voor De Verdronken Zeelieden stonden. Voorts ook dat de rode binken wind, het zout van de zee, het zand, gocarts en speldende kinderen zouden moeten trotseren. Lang zullen ze er niet fraai uitzien. Is hieraan gedacht? Maar goed, toch beter dit de bronzen elftal dan de dilettantische krullen vlak voor het casino, naar verluidt een vergiftigd geschenk van een serviceclub aan de stad.

Terug naar Brugge. Op ‘t Zand rijd ik langsheen de beeldengroep van het duo Canestraro-Depuydt, die  straks – na 30 jaar – wordt ingepakt en wellicht voorgoed van het plein verdwijnt. Er komt meer groen, wat ik toejuich.

Ik word er vaak over aangesproken. De doorsnee-Bruggeling en de toerist smaken die beeldengroep wel. Pompeus en vakkundig. Maar origineel? Toch erg schatplichtig aan Zadkine. Ondermeer. Vreemd is dan weer dat ik gemakkelijk hun werk herken. Onlangs liep ik in gedachten verzonken langs een Kortrijks plantsoen. Er stonden twee bronzen beelden. Ik passeerde ze van langs achteren en had meteen door dat ze door het voormelde duo gecreëerd waren. Hoewel de titel van het werk aan “jeugd” appelleerde, vond ik het werk bombastisch. Absoluut niet jeugdig, dus.

Een Brugs kunstenaar heeft jaren de hel meegemaakt, omdat hij ooit eens rood-wit signalisatielint rond de Brugse beelden (en dat zijn er nogal wat) van het echtpaar had gespannen. Samen met de vzw “BruggePlus”, een en ander vond plaats in het kader van “Brugge, Europese cultuurstad 2002”, werd hij veroordeeld tot het betalen van een zware boete. Het proces genereerde lezingen, happenings en wat acties. Tot in Gent! Het haalde niets uit. De Brugse kunstenaar pleit al jaren voor een commissie voor wat betreft het plaatsen van kunst in de publieke ruimte. Dat mensen met kennis van zaken over deze dingen beslissen. Mensen die weten wat er wereldwijd bestaat op dat gebied.

Ik heb daar ook voor gepleit en besef nu pas hoe naïef ik was. Je blijft immers zitten met artistieke en politieke voorkeuren, met vriendjes, druk, macht en invloed. Met mensen, kortom. Het zal er altijd en overal zijn. Een zaak staat wel als een paal boven water: wil je (nog) meer mensen naar je stad lokken, dan kies je het best voor werk van iemand met naam en faam.

Met kennis van zaken, zei ik. Niet zo lang geleden kocht de stad Brugge, onder impuls van een ondertussen verkast conservator, een klassieke abstracte sculptuur van een Hongaars kunstenaar. De aankoop werd omschreven als “tuinversiersel” en staat vandaag eigenlijk behoorlijk in de weg wanneer je naar het Groeninge Museum wil. Met enige fantasie maak je de mensen wijs dat de vakkundig in plooien gekapte marmer een verwijzing is naar de kledij van de personages in de werken van de Vlaamse Primitieven.

Beelden voor buiten? Verwaarloosbare luxe in vergelijking met het vele leed in de wereld.

JOHAN DEBRUYNE, begin januari 2016

 

Geluk

GELUK
Het donkert verdomd snel dezer dagen en ik ben gauw moe. Is het de overvloed aan rotzooi in kranten, journaals en op nieuwssites die me afmat? Of ligt een nieuwe burn-out op de loer? Ik heb geen verklaring. Sinds ik jaren geleden figuurlijk tegen een muur aan liep, waak ik behoorlijk streng over mijn actieradius. Mijn eega is aan dezelfde slepende moeheid ten prooi gevallen. Maar bij haar maakte een scan onlangs duidelijk dat een van haar nieren het sinds enige tijd niet naar behoren doet. Zoiets vreet aan je vitaliteit. Maanden geleden zijn we voor “La Biennale” als bij wonder nog samen in een ondergelopen Venetië geraakt, maar sindsdien kwam ze amper de deur uit. Onlangs nog kreeg ze van de huisarts een reprimande: “Straks komt je vitamine D-voorraad in het gedrang!”

Die D zal ons een zorg zijn. Het is een geïnfecteerde nier die niet wil ontzwellen en voor extreme vermoeidheid zorgt. Misschien verstopt zich in haar waterkanalen ergens een steen, waardoor de medicijnen niet naar behoren kunnen bijdragen tot het helingsproces. Al twee keer deze week waren we voor dag en dauw in het ziekenhuis. Haar pijn is ook mijn zeer. Dat gaat zo als je bijna veertig jaar samen bent. Er samen eens op uit? Even maar. Zelfs dit lukt momenteel niet. Ook niet voor het goede doel. Mijn rode Barbato’s (“fatto a mano in Italia/maat 45), laarzen die ambachtelijke parels zijn en die ik ooit kreeg omdat ik een exquise schoenenzaak van een kunstliefhebber – ze heropende na ingrijpende verbouwingen –  met een artistieke tekst nieuw leven had willen in blazen, blijven in de kast. Een enkele keer gedragen. Mijn voeten, kampend met kraakbeentekort, verteren de hoge hak niet. Ik kan me de Antwerpse “Empty Shop” (waar je tegenwoordig met merkspullen het goede doel kan dienen) dus ook niet voorstellen. Heb dan eens een paar peperdure schoenen waarmee je iemand zou kunnen plezieren!

Ik betrap me er op dat ik mezelf af en toe wat troost koop. Meer boeken dan gewoonlijk, bijvoorbeeld. Maar ik lees ze niet. Een paar hoofdstukjes “Pointl”. Pareltjes. Na een tiental bladzijden lig ik zo te snurken dat onze katten zich nog vreemder gaan gedragen. Onze viervoeters zijn uit zichzelf al niet bijster rustig en sociaal. En ook de beeldende kunsten onttrekken me niet aan een vorm van zwaarmoedigheid, wat ze gewoonlijk wel doen. In de stad, tussen boodschappen in, proef ik wel eens wat lekkers.

Net toen die heerlijke Javanais (een hoofdletter uit respect!) op mijn tong aan het smelten was, vloog Mourinho bij Chelsea de laan uit. Zoiets vergeet een voetbalfreak nooit meer… Ik was amper thuis en de I-phone lag klaar voor eventueel nieuws van het Urologisch Hoofdkwartier. Maar wat een getwitter over “The Special One”! Het is ook de dag dat oud-leerling Rob, die al heel jong begonnen is met het opsporen en verzamelen van zeldzame… tegels en nu een heuse antiekzaak runt, dertig is geworden. De moeder van de bazin van mijn nichtje vloog me rond de hals en verkocht me voor een paar euro een klein poppetje voor het kinderkankerfonds. “In Peru gemaakt”, tierde ze tot drie keer toe in mijn oor. Omdat ik van dieren hou, koos ik een elandje. Ik kan het eventueel op mijn jas spelden.

Het was ook de dag dat een mevrouw – in haar eentje aan een tavernetafel de krant aan het lezen – opkeek en vroeg: “Jij bent toch Johan Debruyne?”  Nadat ik bevestigend had geantwoord, zei ze dat ze de schoondochter was van Etienne (Dickx)-zaliger. “Je hebt mijn schoonvader heel gelukkig gemaakt!”

Een mooier compliment is nauwelijks mogelijk: ik heb een mens gelukkig gemaakt! Ik dacht meteen aan Daan, de vriend die altijd voor onze katers zorgt als we op reis zijn. Ooit stond op een van zijn kattenbellen: “Ik ben een tevreden mens. In mijn hele leven heb ik minstens al zes katten gelukkig gemaakt. Een bilan dat vele wereldleiders niet kunnen voorleggen.”

Wie is Etienne? Toen ik voor het evenement “Brugge, Europese cultuurstad 2002” besloot om mijn krachten en creativiteit op de Brugse wijk Sint-Jozef los te laten, ben ik met talloze mensen uit de wijk gaan praten. Dat was in 2001. Bij Etienne en zijn vrouw, zeldzaam goeie mensen, bleef ik “plakken”.  Ik mocht er meteen royaal plaats nemen in zijn Jori (zetel) en was er meteen thuis. Etienne was een gepensioneerd arbeider die met klei boetseerde. Hun vier kinderen hadden ongeveer mijn leeftijd en waren lang het huis uit.

Het koppel woonde in de… Sint-Jozefstraat. Op de vensterbanken van de kleine woning stonden altijd een paar van zijn creaties. Figuren. Voor de glasgordijnen. Sober. Ingetogen. Langs de trappen: tekeningen van de kleinkinderen. Achterin was er een veranda, net voor een kleine tuin. Daar zag ik meteen het betonnen beeld van iemand die in heel de stad Brugge bekend was geweest: de kleine Georges (Van Tieghem). Zijn vermaardheid had hij te danken aan zijn kleine gestalte, zijn lef, zijn radde tong en zijn positieve ingesteldheid. Hij liep wat moeilijk, moet ongetwijfeld veel pijn hebben geleden, maar klagen deed hij nooit. Hij was graag onder de mensen, was een moppentapper en dronk pintjes. Meteen groeide bij mij de idee om van dit betonnen beeld een mal te laten maken en het levenswerk van Etienne vervolgens in brons te laten gieten. Dan zouden de Brugse culturele feesten op de wijk kunnen starten met het onthullen van een bronzen beeld van de kleinste, maar ongetwijfeld meest prominente inwoner van de wijk, de stad. Het beeld, op een hoge marmeren sokkel – droomde ik – zou op het Kerkplein komen, want daar vlak bij had Georges altijd gewoond. Bij zijn ouders. Later bij zijn moeder.

De al dan niet gelogen verhalen over Georges zijn legio. Naar een “normale” school mocht hij niet, dus verbleef hij in een pensionaat aan de kust. Bij de nonnen. Later leerde hij paternosters maken en nog later zouden zijn bekendheid en populariteit ongekende hoogten bereiken toen hij als een soort bode én curiositeit functioneerde bij de ingang van “De Gilde”. De Gilde was de volksschouwburg. In Brugge had je in die tijd een stadsschouwburg en een volksschouwburg. Als uk kende ik vooral deze laatste. Ze lag in de nabijheid van mijn school, ik ging er al vroeg kijken naar “den boks” en de revue “Stiene en Stance”. Naar de optredens van die twee als vrouw vermomde mannen ging ik met mijn moeder.

Ook de diensten van de katholieke ziekenkas waren daar gevestigd. Voor die paapse dames en heren en hun ruime clientèle lette Georges op de fietsen en de kinderwagens. Hij deed  boodschappen en regelde een en ander, want hij was een kleine, lepe lefgozer die overal de weg kende… Alleen kinderen hadden het soms niet zo op Georges begrepen. Dit lag deels aan zijn wat bizarre, zware stem, zijn volwassen hoofd op dat kleine lijf, én aan de ouders die hun kroost wijs maakten dat ze, indien ze hun bord niet leeg aten, ze zo klein als Georges zouden blijven. Dat was dus 1 meter en 20 centimeter. Op de duur kwam Georges met regelmaat op televisie en ooit speelde hij mee in een film. Hij zou 76 jaar worden.

Georges was fier. Niet in het minst op zijn weelderige haardos. Meer dan eens trouwens had hij Etienne gevraagd om een beeld van hem te maken.

Samen met Etienne (ook een broer van me heeft nog geholpen) en na vele tegenkantingen uit katholieke hoek, ben ik naar een bronsgieterij in Merelbeke gereden. De zware, in beton gegoten G. op de achterbank. Daar, in Oost-Vlaanderen, is bronzen Georges geboren. Omdat ik voor het brons en een knappe sokkel centen van doen had, deed ik een beroep op een serviceclub en een steenhouwerij. Veel had de stad Brugge voor zijn meest populaire inwoner niet over…

Vandaag staat de kleine volksmens op “zijn” Kerkplein, in een hem erg typerende houding. Geflankeerd door twee zitbanken. Hij staat er sinds februari 2002. Een enig mooi moment beleefde ik toen ik eens kaarten met nieuwjaarswensen uit de brievenbus haalde. Ertussen deze foto: Etienne en zijn lieve Lieve, poserend bij het bronzen beeld op het Kerkplein!

 

JOHAN DEBRUYNE, eind december 2015

 

 

 

Territoriumpissers…

         

 

 

Territoriumpissers…

 

Na de middag wandelde ik aarzelend de tuin van Guido Gezelle binnen. Ik had het niet gepland, was gewoon in de buurt en het hek dat toegang geeft tot de tuin stond open. Ik stond al een wijle in het licht hellend groen naar de dichter zijn kleine borstbeeld te kijken, toen een toeristenpaar behoedzaam naderde. Ze hadden het moeilijk om de toegang tot het museum te vinden. Ze hadden al een paar musea in de behoorlijk bejaarde kuiten, vertelde de man, en waren doodmoe. Met een vermoedelijk duur apparaat nam hij meteen wat foto’s van de tuin. De vrouw vlijde zich gefaseerd en hoekig in het gras neer. “Je zat goed”, zei ik. “Tegenwoordig kom je dit museum via de tuin binnen. Gezelle en groen”, weet je. En daar is het echte toegangsdeurtje.” Ik wees in de richting. Hoewel ik op die plek bij de molens en de vesten erg van de stilte kan genieten, dacht ik bij mezelf: het lijkt alsof ze hier helemaal geen bezoek willen. Op een verre stenen bank zat een jonge meid onverstoorbaar een boek te lezen.

Ik dacht aan het glimmende beeld van Jan Fabre dat nu al zo’n zeventien jaar in deze tuin moest staan. Ik zou er tegen het Nederlandse koppel ook wel over zijn begonnen, maar ik deed er het zwijgen toe. Immers, van waar we ons bevonden (even voorbij de ingang, met zowel links als rechts zicht op de hele tuin) zie je het beeld niet eens. Het is goudkleurig, glimt en stelt Jan zelf voor. Het zit echter compleet verborgen achter een gebogen en gevlochten takkenstructuur waarbinnen blijkbaar gewassen worden gekweekt. Een poespas.

Fabre is over een tweetal maanden curator van “December Dance”, het succesvol jaarlijks dansfestival in het Brugs Concertgebouw. Zelf ben ik wel tot bij het beeld geslenterd en heb wat foto’s genomen. Fabre heeft zijn sobere (maar wel gouden) schoenen uitgedaan en ze keurig op een sokkel geplaatst. Deemoedig is hij, tegen de oude tuinmuur, een sigaret gaan aansteken. Dit dacht ik, maar bij nader toezien doet Jan dit niet. (Zal het straks nog mogen, er in de tuin eentje opsteken?) Met zijn jas beschermt Jan het vuur (uit een aansteker) dat hij doorgeeft. Ik was het verhaal achter de creatie even kwijt. Het gaat hier om het vuur van de poëzie. Helaas, niemand kan het zien, en het vuur lijkt bovendien al lang gedoofd.

Als je een Fabre in huis hebt, of in je tuin, dan zorg je er toch voor dat hij… enigszins zichtbaar is. De Gezelle-tuin geeft je hiertoe talloze mogelijkheden.

Nu ik met het Concertgebouw en “December Dance” in mijn hoofd zit, denk ik aan de Brugse auteur Peter Verhelst. Niet zo lang geleden noemde hij burgemeester Landuyt een “territoriumpisser”.  Diezelfde Landuyt had immers een mooi beeldend initiatief van hem afgeblazen. Of zijn uithaal terecht was, weet ik niet. Het kunstenwereldje is er eentje van ons kent ons en daar behoort ook Peter toe. En hebben ze het “Brugge 2002”- gedicht van Peter niet over alle zitjes van het Concertgebouw verspreid?

Onlangs – ik zag een fotootje in een lokale krant – heeft zijn eega, letterkapster Maud Bekaert, een fraaie zin (op een lange en smalle stenen strook wellicht) aan een binnenmuur van het gebouw bevestigd. Wel, Maud, je straal had veel heviger gemogen. Gemoeten. Je tekst had in het beton moeten bijten. Nu heeft het iets van willen, maar niet echt durven of mogen. En sinds die lelijke glazen parkeergevaarten ‘t Zand ontsieren kan in die omgeving toch nog maar weinig ergs meer gebeuren? Een streepje taal, Maud…

Fabre zonder vuur; Bekaert zonder straal… Het beeld van Fabre. Brugge heeft wel meer waarmee het hoge ogen kon hebben gegooid tijdens de nog lopende “Brugge Triënnale”. Ik denk maar aan het sobere werk van Giuseppe Penone op de Oud Sint-Jan-site. En ik hoop dat, eens het Baron Ruzette-park helemaal is opgefrist, de aldaar liggende minimale structuur in cortenstaal eindelijk enige duiding meekrijgt.

J.D., 3 oktober 2015

 

 

“Picnic at Hanssenspark” by DDV

“Picnic at Hanssenspark” by DDV

In een kamertje op de eerste verdieping, aan het eind van de trap, lagen twee gevulde reiskoffers open. Er was nog wat plaats voor enig badkamergerei dat we de volgende ochtend nog van doen hadden. Morgen, tegen de middag, zouden ze de twee dan geritst worden, met een hangslotje tijdelijk verzegeld,  en voorzichtig tot bij de voordeur gesjouwd. Helaas. We waren helemaal klaar om te vertrekken, maar het heeft niet mogen zijn. Geen Valencia. Alsnog. Geen Calatrava. In de ochtendstond geen spek-met-eieren noch ongelimiteerd lekkers waarop je bijna een volle dag kan teren.

Na de middag immers kon L., terwijl ze in de badkamer bezig is, ternauwernood nog naar adem happen. Ze had de douche verlaten en stond er als versteend. Amper in staat om te bewegen. Enkele weken geleden had een injectie Meneer Ischias klein gekregen. Maar nu had hij weer genadeloos toegeslagen!

In de ochtend waren we – hand in hand – samen naar school geweest. Dat  was lang geleden! Dat we naar school geweest waren. Nee, niet om les te geven, deze keer. Voor de “Moeder der Verkiezingen” gingen we in het schooltje naast de kerk onze stem uitbrengen. Vaak zie je ons niet samen in de stad waar we geboren zijn. Noch in de wijk waar we wonen. Ik ken nogal wat mensen, groet zelfs honden met een hoed op, terwijl L. het liefst zo weinig mogelijk zichtbaar is. Met regelmaat wou ze zelfs dat ze onzichtbaar was. Schaf je je toch eens een bourka aan? We lachen er wel eens om. Samen naar het stemlokaal. Het uitzicht op een verblijf in Valencia had haar vooral moed gegeven. Het zou haar een week van een groot dorp, bekende gezichten en smalltalk bevrijden.

Verre buur Jan had ons nog terug naar huis zien stappen. Steeds hand in hand. Verliefd en speels. Na zo veel jaren. Hij zei het me gisteren. Hij was een tikkeltje  jaloers. Maar kijk, een paar uur later viel – voor de derde keer al in korte tijd – een reis door fysieke mankementen in het water. We hadden zo naar dit weekje  uitgekeken. Ik was diep ontgoocheld. Maar liet het amper blijken. Gezondheid koop je niet. En zo’n rugkramp kan elkeen overkomen. Vooral L. diende getroost.

Wat later op de dag zou in Brugge een gloednieuw park worden geopend. Ik had niet de kracht noch de moed om meteen mijn plannen te wijzigen, om L. alleen achter te laten en naar de vernissage te gaan. Ik ben pas vandaag, vrijdag, een wandeling door het artistieke park gaan maken. Het bevindt zich in een soort bunker. “De Bond”, heet het ding, en is de locatie waar in Brugge actuele kunst hoort te gedijen. Lang voor mijn tijd was men er met wol en katoen in de weer. Later werden daar de kostuums voor de Brugse stoeten bewaard. Het is Danny Devos (°1959), Antwerps kunstenaar, die er met “Picnic at Hanssenspark” uitpakt. Een installatie die refereert aan een park uit zijn jeugd in Vilvoorde.

Hij verrast me, DDV. Ja, ook en vooral onder deze initialen staat Danny Devos bekend in het wereldje der kunsten. Ik ken de zwijgzame vijftiger een beetje, maar dan vooral van volkomen andere exploten. Zo maakte hij ooit met regelmaat ophef met wat men  “body art” noemt. In zijn geval behoorlijk zelfdestructieve performances. Ik (en vele anderen) weet ook van zijn jarenlange correspondentie met seriemoordenaars. Dat hij (niet zo lang geleden) in China voor ene Wim Delvoye varkens tatoeëerde. Dat hij geijverd heeft voor het sociaal statuut van de kunstenaar is ook een bekend gegeven. En waar ik al helemaal zeker van ben, want ik zag het met eigen ogen, is dat DDV ontzettend handig is. Voorts kan ik hem niet verder doorgronden. Dit wil hij wellicht ook niet.

Rond de jaren ‘80 liet hij zich ergens in het Antwerpse opsluiten. Het was de ondertussen internationaal gerenommeerde kunstenares Anne-Mie van Kerckhoven, net zo goed bekend als AMVK, die hem uiteindelijk zou bevrijden. Ze werden een koppel en samen hielden ze “Club Moral” boven de doopvont. Een band, waar later ook Mauro Pawlowski zou toetreden, die bizarre geluiden produceert. Een noiseband, lees ik. Niet mijn ding. Maar, elk zijn meug. Ik denk dat ze het mij vergeven.

Een huzarenstukje, dat tijdelijke park van DDV vlak bij de Smedenpoort, net buiten het stadscentrum. Stel dat ze mij zouden vragen ergens in een Antwerpse ruimte, pakweg “de Botanieken Hof” op schaal 1/10 te bouwen… Ik zou het niet weten. Of het stukje vestingen tussen de twee molens, waar ik als kwajongen uren en dagen heb gevoetbald en geravot. Nu, die locaties zitten in mijn geest verankerd, veranderden in de loop der vele jaren nauwelijks van aanblik en bovendien vraagt men mij dit soort dingen niet.

In “De Bond” ging DDV aan de slag met 45 kubieke meter tuinaarde, een 100-tal kilogram zaden, grassen, kruiden, netels, zo’n 200 bloembollen en voorts wat vaste planten. Triviale “ingrediënten”, dus. Maar typerend voor DDV vind ik hoe hij de rest van het park evoceert: meer dan een rist afgedankte kantoormeubelen, stoelen, burelen en klasseerladen heeft hij niet nodig. Toch roept hij wellicht de exacte sfeer op.

De ruimte binnenstappen geeft je een bevreemdend gevoel. Het lijkt valavond of zelfs een beetje nacht. Er is weinig licht (’s nachts is het hier nu dag, klapte een suppoost uit de biecht). Aan de muren hangen wazige grovekorrelportretten van seriemoordenaars en ingepaste afdrukken van foto’s uit het persoonlijk archief. Voorts veel data: DDV’s “Birth, Fact & Death-calendar”.

Nadat ik het park vanuit alle hoeken en van op een brug heb geobserveerd, dringt het stilaan tot me door dat de kunstenaar meer doet dan alleen maar een parksfeer uit zijn jeugd oproepen. Ik knijp mijn ogen en lees kalenderfeiten. Ik zoek en vind het jaar 1953, mijn geboortejaar. Twee keer. Iemand is geboren en een rechtszaak tegen een seriemoordenaar neemt een aanvang. Op een van de muren en op een groot scherm wordt geprojecteerd. Ik zie een kop rollen. Een guillotine. Heel wat beelden zitten genesteld in wat men het collectief geheugen noemt. Er raast van alles door je hoofd, maar het is te veel om te bevatten. Het park is donker en lijkt doods, maar je voelt: hier leeft van alles. Her en der zijn laden en kasten op elkaar getast, van groen voorzien. Ook verticaal. Tegendraads. Ruig en kitscherig, het krijgt allemaal zijn stek. Het mag duidelijk zijn: DDV brengt een hommage aan Donald Judd.

Op de grond liggen dan weer ergens een onaangeroerd brood, een brok kaas – denk ik – en radijzen. Ik ben een (te) keurige jongen en eet niet van de grond. Geen picknick voor mij in het park van Hanssens. Ik blijf er wel lang. Er valt veel te lezen, te zien en te horen. Je wil begrijpen. Ik hou wel van groen. Vooral van de rust, maar er is het frenetieke geluid van houten machientjes. Stilte is, net als water, een zeldzaam goed aan het worden. Wil DDV dit duidelijk maken?

Uiteindelijk verlaat ik de bizarre park. Ik blader nog even in een dik boek. Daarin zie ik op welke manieren DVV zijn tengere, maar weerbare lijf heeft gekastijd.

Ik herinner me nog levendig hoe AMVK destijds (in het kader van een kunstproject dat zich in Brugse huizen afspeelde) iets had bedacht voor onze kelder. Samen met DDV creëerde ze er in een soort wijncompartiment iets wat L. en ik nooit nog zullen vergeten: een lichtgevende wereldbol, een spiegel, een zin. Meer niet. Danny had ervoor gezorgd dat wie de trappen naar beneden nam, groenig licht kreeg en dat het geheel begon te draaien. Ik heb er uren, zittend op een trap, zitten turen!

Terwijl ik in het boek zijn exploten bekijk, zijn pijn een beetje voel, zie ik ook nog hoe hij machinaal een handzaag heeft aangezet om beetje bij beetje een boomstam doormidden te zagen. Doorgaan! Ik verlaat De Bond, het Hanssenspark, een park van en voor de nacht, en stap over de voetgangersbrug die zich rond de Smedenpoort wentelt. Met het zonlicht op mijn rug kijk ik naar het mooiste stukje Brugse natuur. Dat niemand kent. Alleen, de passanten storen. Ze komen van de stad terug. Of van de kermis. Ze zijn luid.

Het Hanssenspark heeft me geïntrigeerd. Een ruimte waar nauwelijks te controleren groen zich vermengt met de gekte van onze beeldcultuur. Onwezenlijk. Ik waag me toch nog even in het Hanssenspark. Tot in het hoekje waar ik nog niet geweest was. Lynn Andersson zingt: “I never promised you a rose garden”. Ik ken mijn evergreens. Nee, zelfs voor een Hazes deins ik niet terug. Ik verlaat de ruimte en lees van de muur nog een tekst (had ik misschien eerder moeten doen, maar ook in boeken blader ik van achter naar voor en eten met een vork heb ik nooit willen leren), een intervie(u)w met DDV. Tekst en taal van lang geleden.

                

 

 

 

 

 

 

 

Johan DEBRUYNE, vrijdag 30 mei 2014

 

 

Dromen bij het licht van bomen…

Dromen bij het licht van bomen…

Het was maandagavond. “Breng ik jou?” vroeg ze. Ik kamp al dagen met hevige nekpijn. Bij momenten is het nauwelijks te harden. Als ik met quasi dagelijkse regelmaat mensen ontmoet, met ze aan tafel zit, met ze praat, van opzij kijk naar wat hun laptop aan moois laat oplichten, of ik wil thuis een vakman een handje toesteken… dan heeft mijn wervelkolom het zitten. Of zijn het de spieren eromheen? De spiertjes? De pezen? Ik bezit ondertussen een gigantische collectie röntgenfoto’s van die graat van mij. Maar geen van ze heeft tot blijvend soelaas kunnen leiden. “Slijtage, meneer.” Er is vast ook psychosomatiek mee gemoeid: ik erger me (te) vaak. Aan kunstigheden die lieden met enig politiek gezag in mijn stad neerpoten. Bijvoorbeeld.

Ik rijd alleen naar Oostende. Op het einde van de snelweg bocht ik al mijn halve leven naar links. Een manoeuvre dat ondermeer naar het centrum en het Mu.Zee leidt. Ook naar het atheneum in Stene, waar ik een wijle lesgaf. Leuke tijd. Jonge tijd. In het havengebied, rechts, verwijlde ik sporadisch. Ik zocht er naar kunst en verdwaalde er steevast.

Dit keer zoek ik een gloednieuw ziekenhuis: AZ Damiaan. Fusie van Sint-Jozef en het Heilig Hart. Een vervlechting die ook kunstwerken baarde. De “1%-regel”, weet je wel. Ik wil vooral “Walking to Magdalena” zien, werk van Luk Van Soom, beeldhouwer uit Rijkevorsel.

Op kille, heuvelende en amper verlichte rotondes raak ik in de war. En plots ben  ik er. Dat bevestigt de vrouwenstem aan mijn voorruit, maar ik zie het ook meteen. En  voel het. Paars licht. Voor me staat een rij van 5 bomen. En het is zoals ik dacht: langsheen deze korte dreef kan je wegdromen. Het zijn geen echte. Niet van hout. Geen sappen, geen wortels, geen bladeren. Ze zijn ontsprongen aan de fantasie van Luk Van Soom. De man is  beeldhouwer. Hij koestert het kind in zich en boetseert zijn dromen. Zijn bomen geven licht. Enfin, de knoppen aan het einde van de takken doen dat. Ze roepen een blijvende lente op.

Bij nader toezien zijn ze van staal, maar ze zijn zo sierlijk in hun eenvoud, dat ik me niet erger aan de koele materie. Buitenwerk moet immers tegen een stootje kunnen. De weg (nu nog parking) verlichten ze functioneel. Gewoon wit licht. Maar de takken die aan de kant van het plein voor de lapidaire ziekenboeg naar de hemel reiken lopen uit in ovalen die van kleur veranderen.

Nog voor het ziekenhuis: een rechthoekige plas. Op de rand van het water: een bonkige kerel met gestrekte armen. Deze duwen twee bollen van zich af. Een rode en een groene. Twee sferen. “Tussen waken en slapen” heet deze bronzen narcissus.

Ik kom uit Brugge. Daar ligt op een boogscheut van het centrum het Park Sebrechts. Met aan elke kant een mooie poort. Van smeedijzer.  Je kan het park openen. En je kan het sluiten. Als het donkert bijvoorbeeld. Ooit werden er jaarlijks sculpturen geplaatst. Een zomer lang. “Aspekten” heette het initiatief.  Criticus Fontier selecteerde de kunstenaars. Laat Van Sooms fantasie daar eens de teugels vieren! Het stadspark een zomer lang voor hem alleen.

In het ziekenhuis is werk te zien van nog drie andere kunstenaars. Ik woon de “vernissage” bij: kunstige hapjes. En na verloop van tijd doet de wijn zijn werk. Kwatongen fluisteren dat de commissie die kunstenaars hoorde te kiezen buitenspel is gezet. Men heeft toen “Black Willy” (zo noemen insiders de immer in het zwart gehulde oud-conservator van het P.M.M.K.) aan boord gehaald om de klus te klaren… Naast Van Soom, opteerde hij voor Nick Ervinck, Johan Tahon en Kamagurka.

Tahon trok zich terug in een stilteplek. Witte tegels waarin kwarts is verwerkt. Twee bas-reliëfs. De universele Adam en Eva, zal ik later lezen in een brochure. Damiaan, Heilig Hart, Sint-Jozef, Adam en Eva… De namen voeren me even weg van de kunst. Maar het is mooi. Het werk van Tahon. Het is broos, wat stuntelig en het bevreemdt in al zijn witheid. Ook de steen uit Istanbul op het glanzend wit taboeretje. Het “werkt”. Hier kan je, als je dat wil, even weg uit de drukte.

Terwijl Van Soom zijn dromen heel vakkundig naar zijn hand zet, bouwt en “gipst” Tahon langzaam zijn twijfels weg. Tot wezens tussen “zijn” en “niet-zijn”. Van Soom, de man van wolken en sterren, zegt daarentegen gedecideerd: “Kom mee op die wolk van mij!” Dromen en twijfel.

Als tegenpolen fungeren de “Spiegelei beelden” van Kamagurka. Grote, gele sculpturen. Hij doet lachen in deze “fabriek” van kommer en kwel. Zijn beelden relativeren de pijn, zonder dat ze kwetsen. De naam van “collega”-kunstenaar Sweetlove is niet van de lucht op het inauguratiemoment. Zelfde materie. Zelfde kleur.  Humor.

Nick Ervinck zette dan weer een volledige wachtruimte naar zijn hand. De jonge kunstenaar, die met zijn computer “tekent”, creëerde met zijn “Yaropra” een sculptuur die tegelijk meubel is. Her en der priemen er organische vormen uit. Ze roepen het werk van Hans Arp op.

Op de donkere weg naar huis, mijmer ik. Ik mis een beetje Hans Op de Beeck. Wat had die zijn inbreng kunnen zijn? En David Claerbout. Ik ben op weg naar mijn geboortestad. Mijn slaapstad vol overtollig brons en flauwe anekdotiek. Waar ik Munoz mis. En Schütte. En een luisterende figuur tegen een historisch gebouw. Zoals 10 jaar geleden in Kassel, tegen de muur van de Neue Galerie. Ik denk aan de pagode in de hof van Arents.  Munoz is veel te vroeg gestorven. Net als Menno Meewis (conservator Middelheim Antwerpen). Die had ik in Brugge aan het hoofd van een commissie gewild.

JOHAN DEBRUYNE