Tag: broer

Vloeibare tijden

 

 

 

 

 

 

 

 

Vloeibare tijden

Kou verdraag ik amper – bij een skivakantie, niet het gebergte, kan ik me zelfs amper iets voorstellen – en ik kijk niet uit naar de dagen rond Kerst en Nieuwjaar. Voor zo ver ik mij herinner is dat altijd zo geweest. En sinds de jaren ‘90 is deze afkeer exponentieel toegenomen. Hij heeft relatief weinig met de opgefokte sfeer in straten en winkels te maken, evenmin met het ongebreideld koopgedrag van mijn soortgenoten noch met de doorgaans banale versiering in straten, op pleinen, in en aan woningen, maar met een familiedrama dat in het geheugen gegrift zal blijven.

Een kwarteeuw later ongeveer parkeer ik de auto in een straat die naar de naam “’t Bilkske” luistert. De hele (kleine) parochie heet er zo. Het is een gekromde zijstraat van een van grote de Brugse poortstraten. Als puber draaide ik er wel eens op een… bakfiets binnen. Aan het eind van de straat immers, tegen de vestingen en een speelplein aan, was een houthandel. Daar moest ik van mijn vader al eens houtkrullen gaan halen waarmee de bakkersoven werd aangestoken.

De parochiekerk bestaat niet meer. Enfin, ze functioneert niet meer als kerk. Van het ouderlijk huis komende ligt ze links. Ik liet ze ook links liggen. Hoewel we meer dan eens ruzie maakten – hij was drie jaar ouder en de kleine ik wilde met alles meedoen – speelden mijn jongste broer en ik op lang vervlogen zondagen onder één hoedje. Van moeder – welhaast katholieker dan de Paus – moésten we op zondag naar de mis. Tegen beter weten in wellicht nam ze echter aan dat we dat ook daadwerkelijk hadden gedaan wanneer we de kleur van de kazuifel van de pastoor konden duiden. Moeder was lief, goedhartig en goedgelovig.

Terwijl de ene in “de patronage” (zo werd het oude gebouw genoemd waar jongeren zich onledig konden houden) – een drietal straten bij de kerk vandaan – ongestoord verder biljartte, vervulde de andere zijn broederlijke plicht. Ik herinner me nog de brede trappen van het ontspanningsoord én het piepen van de niet eens zo oude kerkdeur. De blikken van kerkgangers ook. Nooit durfde ik meteen na het constateren van de kazuifelkleur de kerk opnieuw verlaten, net omwille van dat gepiep. Een paar minuten speelde ik dus kleine vrome kerkganger. Deze vorm van dilettantentheater ging me behoorlijk af. “Shakespeare” was te hoog gegrepen, zou veel later blijken.

Waar ik vroeger, dicht bij mijn geboortehuis, met regelmaat mijn zus opzocht – ze had op zeker ogenblik de boerenbuiten opnieuw voor de stad ingeruild -, ging dat de laatste tijd moeilijker. Vandaag is mijn zus er zelfs niet meer. Ze is dood. Te jong gestorven. Haar enige dochter houdt er tijdelijk de herinneringen warm. En voorts kun je dezer dagen in de buurt nog nauwelijks je wagen kwijt. Overal staan gloednieuwe automaten waar je je nummerplaat moet intikken. Ik heb die dus na al die jaren van buiten moeten leren! Automaten… Overal. Nu dus ook in de kleine Brugse straten. Het is wennen. Maar wie weet worden zij nog een vorm van houvast in deze vloeibare tijden. Ik ben “Vloeibare Tijden” aan het lezen. Het is een boek van Zygmunt Bauman (1925-2017), een Pools-Britse socioloog en filosoof van joodse afkomst, die in de jaren ’80 bekend is geworden met zijn boeken over moderniteit. Ik ben pas aan het boek begonnen. Het gaat over leven in een eeuw vol onzekerheden.

Ik parkeer halverwege ’t Bilkske en sla een zijstraatje in. Net om de hoek loop ik een oud-student tegen het lijf. Ondertussen ook al oud-directeur. Hij woont in de buurt en is op stap met zijn dochtertje. Op de korte weg van de parkeerautomaat naar het huis van mijn petekind-van-veertig had ik al een man ontmoet die ik sporadisch tegen het lijf ben gelopen in het kleine wereldje van de beeldende kunsten. Mijn wereldje, dus. Ook familiebezoek. We deelden wat nuttige info en onvergetelijke ervaringen.

Ik ben er. Bel aan. Twee keer kort na elkaar. Oude gewoonte. Misschien was ik wel blij met dat dubbel oponthoud. Sinds mijn zus er niet meer is… Ik kijk door het raam en zie dat het goed is. Niet de licht overdadige Kerstversiering waar mijn zus heel gedreven en goed in was (zoals ze ook heel lekker kon koken), maar een lamp van Stark geeft het huis een warme gloed. De tuin is kortgeknipt. In de woonkamer werden designelementen geïntegreerd. Er loopt een mooie, schuwe poes rond. Het huis is geen schrijn geworden. Er wordt geleefd.

Manlief is naar de slager: er is visite op til. Er wordt heftig over en weer ge-sms’t, want bij de slager is iets misgelopen. De slagerij ligt bij een pleintje naast een stadspark, ook al bij een in onbruik geraakte kerk. In de laan waar ik woon, is een slagerij met dezelfde naam ook een succesnummer. Mensen wachten er in rijen die vaak zowaar het verkeer belemmeren! GAIA krijgt hier geen poot aan de grond. Wanneer hij uiteindelijk met het vlees en de kroketten thuis is geraakt, vraag ik hem of hij ook “Lost Jesus” (een nieuwe bronzen sculptuur vlakbij de Magdalena-kerk) heeft zien liggen. Nee, dus. Ik had het kunnen weten: zijn nochtans vlijmscherpe blik reserveert hij in hoofdzaak voor elegante vrouwen, oogstrelende auto’s (uit de tijd dat auto’s nog niet allemaal ongeveer kopieën van elkaar waren) en indrukwekkende moto’s.

 

JOHAN DEBRUYNE

eind december 2017

(lokale) Verkiezingen: spoeling beangstigend dun

(lokale) Verkiezingen: spoeling beangstigend dun

Over een paar weken komen de verkiezingen eraan. Twee dagen voor mijn verjaardag moet ik naar het buurtschooltje naast de kerk. De koepelkerk. Een wandelingetje van niets, maar het valt me moeilijker dan het ongeveer even korte tripje naar de bakker. Op zondag. Daar houdt iedereen de kiezen stevig op elkaar. Of staart (’t zijn haast allemaal mannen) half versteend in een gratis krantje. De Zondag… Er wordt niets gezegd. De bestelling gemurmeld. Niet dat ik zo vroeg al om lawaai vraag. Dat kregen we als bewoners van de laan ’s nachts al te verduren: loodzwaar vervoer dat volkomen ongecontroleerd veel te hard gaat. Ik laat bewust mijn bril op het nachtkastje. Dat maakt de ochtendlijke taferelen waziger. Ik ervaar de klootjeswereld minder scherp.

Ik zei het al. Om de zoveel tijd, in dat schooltje, voel ik me zo mogelijk nog ongemakkelijker. Een school op zondag! Dit alleen al. Geen bel, maar ik ruik bijvoorbeeld de scouts. Groepsrituelen. Bedenk lange rijen. Ik heb het altijd verafschuwd. En waarover moet je praten? Heb je voor de goeie gestemd? vraagt steevast iemand. Die wil het ijs breken. Ik neem het hem/haar niet kwalijk.

Bijna overal bestaan “voorakkoorden”. Grote Klep Schouppe bond deze kat de bel aan. Dus lijkt het me meer dan ooit nuttig om ook nu weer deze kelk tot op de bodem te ledigen. Op de valreep van mijn 59ste dacht ik voor het eerst een wijle dat het er echt niet toe deed. Ik zou passen. Ik blijk bovendien toch altijd al verkeerd te hebben gestemd en als werklieden de straat omkeren en je huis verkloten, dan tekent het soort volk voor wie je gaat stemmen toch niet thuis. Voorts is mijn grootste passie eigentijdse beeldende kunst. Ten onzent heb ik in dit verband decennia lang zowat alles geprobeerd. Tegenkanting was mijn deel. Het is me in dit oerconservatieve nest nooit gelukt.

En toch. Zelfs op zondag, te voet op weg naar een verre warme bakker, houdt het me bezig. Her en der een kleine affiche achter een raam. In een erg rustige kronkel waar lelijke villa’s in stilte lijken verzonken, ontsieren grote(re) borden de voortuinen. Brugge, Paaps bastion. Maar in deze enclave op weg naar de bakker passeren vooral katten. En die stemmen niet. En het afgemeten en kort gehouden groen beperkt het zicht. Nee, Jan Hoet, hier geen eigenzinnige, nauwelijks te leiden bamboe!

Op de terugweg, langs de laan met de lelijkste voetpaden (een lappendeken) van de hele wereld: Sammy, eenzame groene jongen. “Hoog Sammy, kijk omhoog, Sammy, want daar is de blauwe lucht!” Shaffy komt ter hulp. Ik zing vanbinnen. Frisse verschijning, die Sammy. Eerlijk, maar wellicht te groen voor deze wereld. Voor deze stad van achterkamertjes en kontlikkers. Voorts nog wat roods en geels. En op de hoek van de laan, bij de verkeerslichten, 2 immense borden. In het verloederd voortuintje van een voormalige bakkerij. Het pand staat al 2 jaar te verpauperen. Werken aan de gang. En dus is Mercedes, zo heet een van de vrouwelijke kandidaat-burgemeesters, er niet onwelkom. Ze ziet er goed uit. Liberaal. Flamboyant. Een onverlaat heeft haar 2 keer een snor aangestift. Gitzwart. Geen Hitler-dubbele-vinger-strook. Nee, een sierlijk krullend geval. Wie weet ressorteert de heimelijke ingreep een averechts effect: Ik kan mijn mannetje staan! Dat kan ze ongetwijfeld. Ze is zowat de enige die als eens met Brugges Zonnekoning botste. Die van cultuur kan daar een punt aan zuigen. Liever lakei. Ik blijf het aardig vinden: M. met snor.

Mijn oudste broer – tevens mijn peter (gegadigden waren na 6 kinderen wellicht uitgeput) – heeft minder geluk. Waar hij dagelijks bijna de bus neemt staart hij noodgedwongen op een kandidaat-burgervader. De partij van de man vervult hem met frisse walg en bovendien kijken wij, lange wappers, al eens neer op klein grut. Foei! Het uiterlijke zou niet mogen spelen.

Die broer, taalpurist en jazzfreak, is halverwege de 70 en ergert zich buitensporig aan bordensmoelen. Hun doorgaans imbeciele slogans. De gebakjes die ik bij de beste Brugse patissier ben gaan halen slagen er amper in zijn gemoed te milderen. Hij blijft even frenetiek. En volgt alles op de voet.

Hij mijdt de meute niet – dit doe ik van langsom meer – en gaat bijvoorbeeld naar voordrachten. Zet ook zijn bril nooit af. En zo benieuwt het hem zelfs hoe het met de kanalen in de regio zit. Blinker/Stinker. Gezien zijn leeftijd is hij ook prostaat-geïnteresseerd. In de lokale schouwburg was hij dan ook present op een plasprobleemuiteenzetting. Interessant, geeft hij toe. Maar dan, nadat hij het eerste gebak in amper drie nerveuze happen naar binnen heeft gevorkt, veert hij van zijn stoel op. Voor die uiteenzetting begon was er immers een portie gezwam van de… burgemeester. En nadien sketches die hem met plaatsvervangende schaamte vervulden.

Meer nog dan zijn jongste broer is hij taalgevoelig. Al bij het binnenkomen. “Solang” is fout, had hij aangemerkt. “Solange” moet het zijn. Maar voorts kreeg de Duitse zin omtrent mens en dier aan mijn raam zijn goedkeuring. Hij ergert zich continu aan het belabberd taalgebruik van zij die leiding horen te geven. Dus al helemaal ook dat van lokale politici. Van de 4 kandidaten die de ambitie koesteren om Eerste Burger van de stad te worden is de (spreek)taal niet om over naar huis te schrijven. En ergens had hij ook een vrouwelijke schepen aan het woord gehoord. Het mensje kampte met een rode kop en las vervolgens stuntelig van een blaadje waarachter ze zich leek te verstoppen. Begeesterend is het allemaal niet. Beschamend eerder. Hij foetert dan ook dat het een aard heeft. Het kussen dat de zitting van zijn stoel bedekt, ligt ondertussen meters van hem verwijderd op de parketvloer. Een furie. Ik benijd zijn drive.

Ik denk aan de folder die ik vanmorgen even heb doorgenomen. Van een enkele partij. Hij daarentegen vogelt alle partijprogramma’s uit. Na een 3-tal zinnen heb ik kotsneigingen. Zijn volharding lijkt onbegrensd. Maar deze morgen nam ik toch eens de moeite. Bekeek de koppen. De beroepen. De kort geformuleerde beloften. Ik hoop vooreerst dat ze allemaal weten dat ze op een lijst staan… De spoeling lijkt me heel dun! Die dag heb ik mijn bril nog amper opgezet. Moet dit amalgaam deze stad gaan leiden?

In de gym troepen de ouderen samen. De politiek is het thema. Jawel. En allemaal hebben ze weet van dichtbij-schandaaltjes. Boudewijn gaat voor M., want het is een knap ding, zegt hij. Voor de gelen? Nee, mijn vader zou zich omkeren in het graf. Het is een argument. Rahid, heel wat jonger nog, wil die dag niet verkloten. Denkt ook aan passen.

Op mijn zeldzame korte tocht door een paar straten van het centrum, ben ik een pak oud-studenten tegen het lijf gelopen. Het slijmerig cultuurblad Exit liet ik naar gebruik links liggen. Meiden. Nathalie, Lies… Allemaal meiden op mijn weg. Ik omhelsde met plezier en voelde niets dan uitstraling, persoonlijkheid, warmte, creativiteit. Maar nee, zij gaan niet in de politiek. Het kan ons zuur opbreken, dringt het tot me door. Si tous les dégoutés s’en vont, il n’y a que les dégoutants qui restent.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

JOHAN DEBRUYNE, eind september 2012