Tag: bolt

Bolt…

 

 

 

 

 

 

Bolt…

 

Het is een verrassende vaststelling, maar sinds ook in ons land serieus gesnoeid wordt in het subsidiëren van het culturele leven, ontvang ik meer dan ooit uitnodigingen om vernissages bij te wonen. Ik heb na enig gemijmer vastgesteld dat het bloed kruipt waar het niet gaan kan. Dat bepaalde kunstenaars het anders aanpakken (er worden al dan niet eenmalige samenwerkingsverbanden gesmeed en heel wat interessante panden worden plots intrigerende locaties om beeldend werk te tonen) en zodoende toch de nodige aandacht weten te trekken en uiteraard heeft het er alle schijn van dat ook hier de middenklasse is weg gewalst. Wie er warm in zit, kan uitpakken. We gaan ons van voorbeelden onthouden.

Aan kwaliteit is niets ingeboet. Ook niet wat de invitaties betreft. Ik vis met zorg en respect de mooiste uitnodigingen uit mijn brievenbus en ook op het net lijkt de creativiteit amper te stoppen.

Alleen, een paar weken geleden kreeg een virus me te pakken en nog een week later brachten een paar buisjes deskundig afgetapt bloed (wat kan dokter Jan dat goed!) en een kleine flacon met wat urine aan het licht dat de verhoudingen binnen mijn bloedhuishouding helemaal niet meer klopten, terwijl het virus nog eens mijn waterkanaalstelsel had aangetast ook. Rustig aan, luidde dokter Jans advies. Ik ben verdomme nog sneller moe dan ik al was sinds ik 8 jaar geleden met iets soortgelijks werd geconfronteerd. Toen kwam er een ziekenhuisopname bij te pas. Ik mocht die verrekte fabriek pas verlaten wanneer de koorts uit mijn lijf was verdreven. Het heeft een volle week geduurd. Het kan natuurlijk ook dat ik ondertussen nog trager ben geworden en nog langzamer het leven (en de kunst) absorbeer.

Zo ben ik de voorbije dagen twee keer naar het Brugs Sint-Janshospitaal getrokken – ik laat me brengen, omdat de kasseien in mijn geboortestad voor mij een ware kastijding zijn – om me te verdiepen in het werk van de Zuid-Afrikaanse kunstenaar William Kentridge. ’s Mans oeuvre had al twee keer een onuitwisbare indruk op me nagelaten: op Documenta X en in… Watou. Op dit plekje aan de Schreve meer bepaald in het jaar 2003, toen daar nog iets georganiseerd werd dat naar de naam “Poëziezomer” luisterde.

“Smoke, Ashes, Fable”. Ik kan de tentoonstelling in het oude ziekenhuis in Brugge ten zeerste aanbevelen. Ik twijfel of er in mijn geboortestede ooit iets straffers te zien is geweest.

Ik ben de voorbije weken dus wel enigszins actief gebleven. Zo ben ik gaan lunchen met een oud-student. Die had daar zo’n slordige 200 kilometer retour voor over. Een onvergetelijke, gemoedelijke ontmoeting. Als het een beetje gaat, dan zeg ik niet neen tegen unieke momenten.

Op een zaterdag ben ik dan een TANK binnengestapt. “De” TANK. Die bevindt zich op de Burg. Het is de naam van de zielloze achterkant van het gouvernementsgebouw. Het ding staat leeg en een 60-tal creatieve medeburgers, jong en wat ouder, hebben er tijdelijk een atelier. Tot de eigenaar beslist dat het over en uit is en er wellicht appartementen komen. Voor de happy few. Misschien kunnen ze in die omgeving ondertussen nog wat misbaksels tegen de grond leggen. Ik tuurde naar de overkant en zag het zielloze Crown Plaza Hotel. Met heimwee dacht ik terug aan “St. Georges” dat er voordien zijn plaats had. Precies omwille van die miskleunen (de stad staat er vol van, maar Brugge kan blijkbaar veel hebben) gelijkt mijn geboortestad absoluut niet meer op Venetië. Ik had het er onlangs op Facebook nog over met regisseuse Hilde Van Mieghem.

Wel, in aanloop naar de tweede Brugse triënnale nieuwe stijl (die van Renaat Landuyt, dus) was er een panelgesprek voorzien. Een aantal mensen die een organisatie omtrent actuele beeldende kunst leiden zou er uit de doeken komen doen hoe ze jonge beeldende kunstenaars kansen geven en begeleiden. In deze tijden. De meesten hadden een organigram gemaakt en behielpen zich met een powerpoint, zodat het relatief makkelijk volgen was, hoewel twee en een half uur luisteren toch wat lang leek. Er was nauwelijks publiek opgekomen. Als ik maar mijn werkstek heb, zullen de meesten wel gedacht hebben. Kunstenaars? Einzelgängers! Performer en internationaal gelauwerd kunstenaar William Kentridge had even ervoor het concertgebouw vol laten lopen voor iets wat vijftig minuten duurde. Klasbak, natuurlijk.

Michel Dewilde deed uit de doeken wat het Brugs cultuurcentrum met weinig middelen had gepresteerd sinds hij zo’n kwarteeuw geleden in functie was getreden. Het is aanzienlijk, maar doorgaans komt geen kat kijken naar wat er in “De Bond” gebeurt. Voorts een dame uit Schotland, iemand uit Den Haag en een jonge kerel die zei hoe het Brugs Entrepot functioneert. Frank Maes liet verstaan hoe “Emergent” (Veurne) zo’n succes is geworden. Terecht, want daar zag ik de laatste jaren niets dan knappe, intrigerende tentoonstellingen. Er werden ook beelden getoond.

Het meest opvallende – voorts was hij naar zijn doen kort van stof – kwam van Stef Van Bellingen, de man van WARP uit Sint-Niklaas. Hij liet een beeld zien van een 100 metersprint. Niet verwonderlijk dit uitje naar de sport, want Stef was ooit tienkamper. Hij riep – wellicht voorbereid – de jongen die voor de techniek instond bij zich en die moest het getoonde beeld even corrigeren. Tja, Bolt, Usain Bolt, stond er immers niet op. Die lag aan de finish zo’n drie meter voor. Van Bellingen toonde dus net wat de kranten niét hadden getoond. Die hadden alleen het beeld van Bolt gepubliceerd met wellicht als commentaar dat de anderen niet eens op de foto waren geraakt. Hij vroeg de luttele aanwezigen ook of ze een enkele naam konden noemen van een atleet uit het groepje dat zo ver achter Bolt finishte. Niemand! Wel, zei hij, die hadden nochtans ook allemaal de 100 meter in minder dan 10 seconden gelopen! WARP gaat voor die groep, net onder de absolute top. Mooie, duidelijke metafoor. En ik kan me er in vinden. Niet Kentridge en niet Bolt, maar die vele anderen er net onder. Velen. Hoe je daar dan in selecteert? Ook dit had ik nog graag van hem gehoord. Helaas.

 

Terwijl ik hoopte dat we na het gesprek naar de tijdelijke ateliers zouden worden geleid en er ruimte zou zijn voor een babbel, liep het gedoe met een sisser af. Jammer. Waarom al die moeite? Eigenlijk een behoorlijk triestige bedoening de manier waarop het Brugs cultuurcentrum zaken rond actuele beeldende kunst organiseert. Ik weet dat het budget minimaal is en dat er in theater en dans zo veel meer geïnvesteerd wordt. Ook voor de laatste “In/out” (nationale wedstrijd voor jong talent) zouden de inzendingen van een erg matig niveau zijn geweest. Wel, het Brugse CC zou zich dan beter alleen op theater focussen.

Kijk, ook dat muurschilderinggedoe met Mieke Teirlinck en Marec is een mager beestje, om nog maar te zwijgen van het piepkleine pleintje achter het CC dat sinds kort elk jaar naar een Bruggeling wordt genoemd. Onnozel, dit laatste. Teirlinck had nog de moeite gedaan om op een verrassende manier een actueel thema (vluchtelingen) in de kijker te plaatsen (de respons erop van kunstenaars was wel quasi nihil), maar wat Marec op de muur neerzette is louter clichébevestigend: boogbruggetjes en zwanen. Jammer. We houden nochtans van zijn cartoons. Wat actuele beeldende kunst betreft is het bij het CC Brugge momenteel meer dan ooit huilen met de pet op. Naar verluidt gaan ze de exporuime De Bond” kwijtspelen en het Algemeen Nederlands – ik was getuige de laatste keren dat ik er voor een evenement kwam – wordt er schaamteloos verneukt. In die buurt frequenteer ik – als ik er al passeren moet – alleen nog dingen als “Fresh”, “Leeloo” en een koffiehuis.

 

JOHAN DEBRUYNE, november 2017

 

 

 

 

 

 

Als Poesjkin opstaat…

Als Poesjkin opstaat…

L. en ik zijn beiden weg van dieren. Vreemd: onze vrienden delen dezelfde passie. Het huis(houden) is dan ook grotendeels georganiseerd in functie van onze katers. Hoewel we ze met regelmaat vervloeken, spelen we toch achteloos butler voor de harige viervoeters. Twee geadopteerde zonen. Twee fel behaarde kinderen a.h.w. Probeer maar eens rustig en geconcentreerd een boek te lezen met kadees die nu eens hun zinnen op maffen hebben gezet, maar dan heel onverwacht dingen… buiten willen gaan doen. Een nietige mug die de aandacht trekt, of een veel te grote vogel die ze bezighoudt. Buiten zullen ze!

Moeten wij iets goedmaken? Hebben wij een schuld te vereffenen? Aan een psychiater ben ik net niet toe. Was het zo, dan vroeg ik het hem wellicht.

Als we al eens hardop zuren, krijgen we tips in overvloed. Kattenpoortje? Nee, meneer, hebben we niet. Dat zoiets makkelijk is? Zal wel. Maar alle deuren bij ons, daar zit glas in. Zelfs dat zou geen bezwaar zijn? Steevast hebben we een excuus klaar.

Vooral ’s ochtends, wanneer we aan ontbijten en lezen toe willen komen, verdommen we ze met regelmaat. Het zit namelijk zo.

Altijd ben ik als eerste het bed uit. Door mijn kaduke rug en enkels gebeurt dit vaak bijna rollenderwijs. Nee, zelfs een schijntje van een Fosbury-flop zit er niet meer in… Hoewel Poesjkin – tenzij hij diep in dromenland is verzonken – doorgaans al lang heeft laten voelen dat het tijd is om op te staan (hij weet op talloze manieren de aandacht te trekken), laat ik ze even wachten. In de badkamer was ik mijn handen, verfris ik mijn gezicht, probeer ik snel mijn haar te fatsoeneren en poets ik mijn tanden. De douche is voor later op de ochtend.

’s Winters heb ik het liefst dat ze in huis slapen. Tegen middernacht, net voor wij ons bed opzoeken, doen we indien nodig om beurten een poging om ze alsnog binnen te lokken. Vreemd: half fluisterend roepen we hun namen. Waar hangen ze uit? We moeten dus gehoord worden over alle tuinmuren van de buren heen. Ze horen ons vreemd geluid, maar haast hebben ze niet. In regel komen ze dan na zo’n kwartier parmantig het terras opgestapt. Of het zou sterke Wieb zijn die er finaal toch nog een Bolt-spurtje uitperst. Imponeren? Zijn oudere broer heeft een hartsgrondige hekel aan diens volkomen onvoorspelbaarheid.

Wanneer ze binnen zijn en gegeten hebben, bekruipt L. de goesting langharige Poesjkin nog eens grondig te kammen. En of hij dit haat! Maar L. kan het niet laten. Al altijd wilde ze verpleegster worden in plaats van gevangenisbewaarder. Dit laatste was ze in een school ergens aan de Vlaamse kust. En als L. kamt, dan kamt ze door. Met vlooien kan je die beesten toch niet laten rondlopen? Het is haar excuus. Het beest krabt zich soms te pletter, zegt ze.

Halfzeven in de ochtend. Beneden houden twee deuren “les frères-ennemies” stevig gescheiden. Twee kattenbakken, twee kommen met water en twee bordjes droogvoer. Langs weerszijden van de kattengrens. Nadat ik een tweede deur heb geopend, komen ze samen. Voor het eerst na een lange nacht. Er wordt gesnuffeld, gelikt, gebeten en er worden… jabs uitgedeeld.

Soms moet ik tussenbeide komen. Sussen of mijn stem  verheffen? Dan begint het spelletje pas. Ik ga het niet allemaal uit de doeken doen, ook zij hebben recht op privacy, maar mijn krant, die lees ik noodgedwongen met net iets te veel onderbrekingen.

Als ik de fysieke gazet eindelijk zo ongeveer voor mekaar heb en het ontbijt achter de kiezen, dan wil het wel eens meevallen en slaag ik erin om nog een half uurtje in een boek of een tijdschrift te bladeren.

Maar wanneer L. naar beneden komt, begint hun spelletje helemaal overnieuw. Dan zijn ze zo’n anderhalf uur “op draai” geweest en leest L. ondertussen de krant. Ook in brokken en stukken. Haar tucht is al helemaal een lachertje. Tot de middag duurt het eer ze de krant uit heeft! Continu weten de twee de aandacht op te eisen.

Nu moet je met dieren niet overdrijven, dat weet ik wel. Zo’n klein hondje bijvoorbeeld moet je niet belachelijk maken door het in een pakje te steken. Maar overdrijven wij ook niet, vraag ik me wel eens af. Helemaal niet, zegt D., een goeie vriend. Ook hij heeft katten.

“Wij maken op zijn minst katten gelukkig. Er zijn zogenaamde wereldverbeteraars die minder op hun palmares zullen kunnen zetten”.

We hebben het en passant over de escorte van de twee panda’s voor Pairi Daiza. Er toch wat over, vindt L. Nee, zeg ik. Net leuk. Er zijn corrupte klootzakken die een veel grotere escorte krijgen. En had Antwerpen ze binnengehaald, dan had zelfs een fysiek fel verzwakte BDW op het vliegveld en in de Zoo wellicht de kou getrotseerd.

Brood en spelen. Ik besef het. Er is geen terugweg. Velen vinden – terecht – dat het wat ver gaat. We hadden kort na de middag samen hard in het huis gewerkt. In een huis valt steevast van alles te doen. Van de bakker had ik ’s middags twee Braziliaanse schuimpunten meegebracht. Koffie gezet.

“Ik ga straks strijken”, zegt L. terloops. “Als Poesjkin opstaat.”

Poesjkin doet de laatste tijd een namiddagdutje onder haar bureau in de kamer waar ze ondermeer ook de strijk doet. Daar wacht ze nu dus mee. Niet tot de kat er weg is, maar tot het hem behaagt om op te staan… Ten onzent staan katten op. Pas dan gaat ons leven zijn gewone gangetje.

JOHAN DEBRUYNE, begin maart 2014