De Prijs “Ignace Bernolet”: die van het stil protest en de pijn?

       

 

 

 

 

 

 

 

 

De prijs “Ignace Bernolet”: die van het stil protest en de pijn?

 

Ik zou het afleren, het snel, enthousiast en haast zonder nadenken op een vraag ingaan. Maar het lijkt zo ontzettend moeilijk als die op een vriendelijke of gemoedelijke manier wordt gesteld of wanneer het over beeldende kunst gaat. Bovendien zit het positief antwoorden op een vraag er bij mij diep in gebakken. De schuld van mijn moeder. Zo ging het bijvoorbeeld toen Koen Scherpereel-zaliger (ik keer nu dertig jaar in de tijd terug) over de middag met zijn gekende nonchalance en schwung bij mijn ma thuis (ik ging er ’s middags eten) kwam vragen of ik morgen (!) in de Gentse Decascoop zijn tentoonstelling wilde toelichten. Zijn vraag was van het zuiverste retorische ras. Ik aarzelde, panikeerde net niet en vond dat zijn vraag op zijn minst heel erg laat kwam, maar mijn moeder zei: “Allez, jongen, doe dit voor Koen!” Dat ik meteen les moest gaan geven en ’s avonds toch nog voor de school te werken had, daar werd geen rekening mee gehouden. Zo was mijn moeder. Zoals ik zei: het zit er in gebakken. De oven was niet ver. Ik ben een bakkerszoon.

Onlangs had ik het weer, toen iemand me zei dat er een prijs in de maak was voor een (de meest beloftevolle?) laatstejaarsstudent van de Brugse Stedelijke Academie. Of ik dit evenement wilde toelichten, want ik had mijn veel te vroeg gestorven leeftijdsgenoot Ignace Bernolet toch goed gekend? Naar hem zou/zal die prijs genoemd worden.

De laatste dertig jaar hebben “Ibern”, zo tekende hij zijn schaarse werken, en ik vaak in de clinch gelegen met de Brugse overheid (waaronder de stedelijke academie ressorteert). Beiden vonden we dat de lokale overheid actuele beeldende kunst al decennia lang stiefmoederlijk behandelde. Brugge was voor ons een mooi dorp met een overdaad aan middelmaat geworden. Een toeristenfuik, alom geliefd om zijn fraaie uitzichten, zijn frieten, roomijs, chocolade en bier. Ben ik iets vergeten? Samen met gelijkgestemden werden we maar liefst 16 (!) jaar aan het lijntje gehouden (van 1995 tot 2011) in verband met het nissenproject dat we “Buitenissig Brugge” hadden genoemd. Je weet wel: nissen, die kleine uitsparingen in gevels waar doorgaans een heiligenbeeld in staat. Omdat men in de stede als de dood was en nog is voor permanente actuele beeldende kunst in de openbare ruimte, zou het in die kleine dingen misschien wél worden toegelaten. Hoopten we. Ignace en ik. Tevergeefs. Uiteindelijk hebben we er van de 100, ook de internationaal bekende kunstenares Berlinde De Bruyckere zou meewerken en de voormalige hoofdconservator, Manfred Sellink, was uitermate enthousiast en kondigde het evenement ooit met onverholen trots “en public” aan,… 2 verwezenlijkt. En dit na een hoop intriges, gemene tackles en een resem vergaderingen met BruggePlus, Musea Brugge en de Brugse Erfgoedcel! Eentje boven de deur van mijn voormalige huurwoning in de Carmersstraat en dan, de meest besproken nis van de stad, die in de Vazquez-gevel (Zilverstraat), waar de “Cafedraal” gevestigd is, op een boogscheut van de Sint-Salvatorkathedraal. Daar werd een oubollig en verloederd Sint-Jozefsbeeld zinvol vervangen door een hedendaagse Bernolet-creatie. De uitbater was in de wolken met het resultaat, maar tegenstanders van actuele beeldende kunst spanden uiteindelijk de eigenaar van het pand voor de kar en er werd zelfs met een proces gedreigd.

De stad Brugge heeft ons helaas niet geholpen en we hebben ondervonden dat paapse verenigingen (er bestaat in deze stad zowaar zoiets als “Het Mariacomité!) met de meest oubollige ideeën omtrent beeldende kunst en waarvan we het bestaan niet eens afwisten in de aloude stede nog veel invloed hebben. Nochtans werd Bernolet (1953-2016) door de stedelijke overheid met regelmaat gevraagd om restauraties uit te voeren. Hij was veelzijdig, beheerst en kritisch. Kunsthistoricus, kunstenaar, restaurateur en lesgever, was hij. De leeuwen van het gelijknamig Brugse brugje heeft hij nog feilloos hun oude glorie teruggegeven en op de Brugse centrale begraafplaats nam hij diverse verpauperde praalgraven met succes onder handen. Ook in de stadsschouwburg heeft hij een ruimte eigenzinnig-sober naar zijn hand gezet en zijn allerknapste ingreep was zijn in situ-installatie in het verloederde stadspaleis “d’Hanins de Moerkerke”. Ik herinner me nog levendig zijn “Zetel voor Mobutu”. Altijd sober, puur, minimaal. Grote fan ook van Yves Klein. Blauw en bladgoud waren zelden ver.

Ik herinner me zijn protest bij een grote solotentoonstelling met zijn werk in het belfort op de Grote Markt. Over al zijn werken had hij zwarte doeken gelegd. Uit protest tegen het Brugs cultureel beleid. En toen we in 2002 in Venetïë (op de biënnale) de kamer deelden, vernam ik meer over zijn frustraties. Ik herinner me ook zijn inbreng in “Brugge 2002”, in het zgn. “off”-programma, door “De Slang” georganiseerd: een gouden zebrapad. Voor de toeristen? Goud, dat met de tijd en onder duizenden voetstappen langzaam zou verdwijnen.

Maar goed, er zijn de twee nissen en ik heb ooit een tweeluik van hem gekocht.

Misschien is die prijs naar hem noemen nog niet zo’n slecht idee. Althans wanneer de studenten aan de academie de waarheid wordt verteld. Dan weten ze hoe moeilijk het alhier gaat om als hedendaags beeldend kunstenaar in je opzet te slagen.

Ik heb dus uiteindelijk “nee” gezegd. En ik dacht daarbij aan mijn vorig jaar overleden zus. Duizend keer assertiever dan ik. Flamboyanter ook. Het doet pijn wanneer ik foto’s zie van familiereünies waar ze bij had moeten zijn. Een zogenaamd moeilijke tante, van wie je altijd vuurwerk kon verwachten.

 

Johan DEBRUYNE, begin juni 2017

Loslaten, een beetje…

 

 

 

 

 

 

 

Loslaten, een beetje…

Ons nieuwe dak was geen luxe en een kelder, waar nu en dan ambtenaren van de gemeenschap je energieverbruik komen notuleren, heb je liever droog dan dat er dan met laarzen moet gesukkeld. Dus… Een dikke maand (het regende vaak en toen lagen de werken aan het dak uiteraard stil) hebben we dus mannen in, op en rond het huis gehad. Onvervaarde, sterke en (v)aardige gasten. Terwijl ze bezig waren, probeerde ik in de woonkamer – op alle andere plekken in het huis voelde ik me volslagen waardeloos – al eens de krant of een boek te lezen. Maar na luttele minuten legde ik het leesvoer steevast aan de kant. Het ging niet. Niet zozeer vanwege het lawaai dat vooral het afbreken genereerde (het storende en lang aanhoudende geluid van de files bij de voordeur was al die tijd zowaar tot achtergrondgeluid gedegradeerd), maar mijn gedwongen fysieke apathie zadelde me op met iets wat naar schuldgevoel rook.

Ik heb niet echt een zittend gat, dus verliet ik wel af en toe mijn cocon en sloeg een praatje. Ik zette ook al eens koffie (vers is toch beter dan wat in die thermos warm wordt gehouden?) en zorgde voor wat zoets, en vooral: ik stak bijwijlen zowaar de handen uit de mouwen! Maar wàt ik deed kun je bij nader inzien catalogeren bij “onnodig/overbodig gepruts”. Het waren “handelingen” waarvan ik dacht: dit kan mijn rug nog net aan. Of: dit houden mijn enkels wel. Of nog: zo erg zal dit nu ook wel niet zijn voor mijn almaar strammer wordende linkerknie. Ik raapte dus wat steengruis op of veegde het bijeen, rommelde wat in de tuin en ’s avonds hielp ik het huis fatsoeneren: stofzuigen en oppervlakkig dweilen van voor- tot achterdeur, de strakke strook die overdag het terrein was van de mannen met enkellaarzen.

Vanochtend vertelde me de dierenarts dat ze vaak met ditzelfde soort schuldgevoel kampt. Ze komt de laatste tijd aan huis voor onze voorlopige enige kater. Wieb eet goed en slaapt ontieglijk veel. Vandaar zijn aanzienlijk kattenlijf. Ik krijg het niet langer ongehavend tot in haar wachtkamer, al zeker niet met dat nieuwe parkeergedoe in onze stede.

Een bekend fenomeen blijkbaar, dat wringende gevoel van nietsdoen, terwijl een ander zich in je buurt te pletter werkt. Onze dierenarts heeft het wanneer haar huishoudster bij haar thuis in de weer is. Meer bepaald over de middag. Want dan wil zij wel eens naar het Journaal kijken, terwijl die mevrouw haar werk verder zet. Het knagende schuldgevoel duurt slechts een paar minuten, vertrouwde ze me onlangs toe. “Van zodra ik er aan denk dat voor die mevrouw om 4 uur de klus is geklaard en ik dan nog tot diep in de avond door moet, geniet ik wél van dit TV-intermezzo!”

Ik doe al dagen bijna niets dan slapen. Als ik dan toch eens een boek ter hand neem, overstemt na een paar minuten mijn gesnurk elk ander omgevingsgeluid. Zelfs dat van de flink uit de kuiten gewassen grasmaaiers van de achterburen met gigantische tuinen. Het is mijn eega die het zegt. Maar het wordt zoetjesaan beter.

Ik had een creatieve periode, kort na de winter, waarin ik heel wat teksten voor monografieën schreef, maar het praten in ateliers, het lang staan kijken naar werken, het door de knieën gaan om een detail beter te observeren, het bezoeken van nogal wat tentoonstellingen, het lange zitten achter de PC én mijn perfectionisme hebben me uitgeput. Ik moet staan, stappen, zitten en liggen, adviseren mijn therapeuten, maar… gedoseerd. Gemakkelijker gezegd dan gedaan. Je schrijft wanneer je enigszins geïnspireerd bent en de pijn te harden is en je vergeet de tijd wanneer je creëert. En wanneer ze vlak in je buurt – de bouwwerken slepen al jaren aan – van ’s ochtends vroeg (zes uur! Mag dat wel?) lawaai aan het maken zijn, kom je ook amper aan schrijven toe.

Vanwege mijn langzame fysieke aftakeling heb ik de laatste jaren nogal wat tentoonstellingen niét gezien, waar ik graag naartoe zou zijn gegaan. L. verwittigde wel al tijden dat dit tempo niet vol te houden is en dat ik ook almaar vaker zeurde over tentoonstellingen die de verplaatsing absoluut niet waard waren.

Alsnog wil ik straks echter de Documenta (Kassel/D) voor geen geld missen. Een centraal gelegen hotelletje is maanden geleden al geboekt. Ik herinner me nog levendig (het ontmoedigde me zelfs) dat J., een onlangs op respectabele leeftijd overleden gerespecteerd criticus, me op zeker ogenblik zei dat de 5-jaarlijkse hoogmis van de beeldende kunst voor hem niet meer hoefde. Het greep me aan dit te vernemen van iemand die zijn hele leven met actuele beeldende kunst was begaan en die – small talk was niet bepaald J’s ding – er voor zijn leeftijd meer dan monter uitzag. Ik dacht: Kassel, daar ga je desnoods toch op krukken heen? Zoveel jaren later weet ik beter…

Ik probeer alvast nog een Documenta aan mijn lijstje toe te voegen. Over vijf jaar, bij de volgende editie, zou ik 68 zijn. Dit wordt de veertiende. En altijd in dat bizarre, behoorlijk banale Duitse, door een soort snelweg doormidden gereten stadje, waar kunstenaar-filosoof Arnold Bode vanaf 1955 liet zien wat door het naziregime als “Entartete Kunst” werd verketterd en verboden.

Als klap op de vuurpijl vangt, voor het eerst, de Documenta in een andere stad aan. In Athene met name. Maar wat de curator daar laat zien hoeft voor mij niet. De Documenta hoort in Kassel thuis! Ik heb de centen niet voor het rapen en voorts niet de minste zin om de Atheners in het gezicht te spuwen. Wat heeft de doorsnee-Griek aan een evenement waar wereldwijd dan wel zo’n 700.000 mensen verzot op zijn en een bom duiten kost?

De kunstwereld lijkt serieus op drift. Ook het me zo vertrouwde 2-jaarlijkse bezoek aan Venetië begint te vervelen. Ik ben al altijd dol geweest op Venetië – mooier en vooral authentieker dan Brugge, de stad waar ik geboren en getogen ben -, maar ik heb me altijd tot de Giardini en het Arsenale beperkt. Ik zou liegen, ik liep ook altijd eens langs bij Peggy Guggenheim (zoals zij haar honden een laatste rustplaats heeft gegeven, dit had ik met mijn katten moeten doen) en ook Museo Correr op de Plaza San Marco kon ik doorgaans moeilijk voorbij lopen.

De laatste edities van de biënnale voor actuele beeldende kunst in de Dogenstad zijn echter tot een circus verworden, met nevenactiviteiten die het kerngebeuren verdringen. Collectioneurs en mensen met poen huren nu tot de verbeelding sprekende huizen af en tonen daar kunst. En zeg daar als kunstenaar maar eens “nee” tegen… Macht, geld, invloed. Commercie en/of sensatie. Ik heb nu eens echt geen zin om het werk van Fabre in groen glas te zien. Ik denk trouwens dat de wereld vandaag andere kunst van doen heeft. Dat je in de winkels van Venetië nog amper door Venetianen wordt bediend of dat het glas dat er te koop wordt aangeboden niet eens meer in Murano wordt geblazen zal hun een zorg wezen. Nee, voor mij volstond het met de Giardini (de tuin waar de landen in hun eigen “paviljoen” hun ding doen) en vooral het Arsenale. Ik wil graag zien wat een door deskundigen aangesteld curator wil dat ik zie. Een thema vind ik ook belangrijk. Al zeker in deze tijden. Daarom vond ik de vorige Documenta zo onvergetelijk.

Mijn frustratie heeft deels met mijn verminderde actieradius te maken. Ik kan – zoals heel onlangs – op tentoonstellingen in Brugge en Poperinge nog alle registers opentrekken, maar vooral het blijven nakaarten kruipt danig in mijn botten. Kassel wordt straks dus ook fysiek een zware klus. Het wordt nu eens een week met schrikkeldagen. Een terugkeer via het idyllische Münster zit er ook niet in. Daar loopt de 10-jaarlijkse editie van “Sculptur Projecte” en na wat surfen op het net lijkt deze uitgave toch wel iets voor afgetrainde duatleten, zeker! Maar goed, in eigen land zijn er eerst nog o.m. “Het Afwezige Museum” in Wiels (Brussel), het vernieuwde M HKA (Antwerpen) en “The Beauty of the Beast” in het Kasteel van Hingene (Bornem).

Of ik straks toch nog naar Venetië ga? Ik twijfel. Wat ik nooit had durven dromen is dat Venetië mij aan mijn geboortestad, Brugge, waar ik een haatliefde-verhouding mee heb, zou doen herinneren. Het Italiaanse Venetië is veel mooier, maar ze zijn het wel om zeep aan het helpen. Dan heb ik het nog niet over de cruiseschepen die de lagune kapot varen. Het is vooral de veelte. Twee jaar geleden hadden we dagen aan een stuk regen en stond de stad onder water. Verkleumd stap je dan met een niet te overschouwen kudde over houten paletten, terwijl ook de kunst niet om over naar huis te schrijven was. De duiven hebben ze er dan wel weggejaagd, maar de winkels staan vandaag vol rotzooi, op die ene straat met peperdure merkkledij na.

Het troostte me in de meest recente editie van (H)ART dat mijn hoofdredacteur schrijft dat hij naar de Venetiaanse perspreview voor het eerst een jonge collega had afgevaardigd. Zie je wel, je zal ooit eens moeten stoppen, zei L. met een cynisch klinkende opgewektheid in haar stem. Je hebt al genoeg gedaan. We zien wel. (H)ART-kunstmagazine ligt me na aan het hart en er valt vast nog veel goeds te beleven. En wie weet geeft “De tolk van Java” (Alfred Birney) me nieuwe moed. De kanjer ligt te wachten.

Johan DEBRUYNE, eind mei 2017

 

De veranda van de kanunnik

 

 

 

 

 

 

 

De veranda van de kanunnik

Ik denk hier en vooral in deze omstandigheden aan Luk Berghe, kunstenaar met wie ik vorig jaar een allereerste contact had. In “Watou”. We keken samen naar een monumentaal doek van hem. Achter ons stond de jonge Hitler (sculptuur), toen nog op de dool en haveloos, afgewezen aan de academie van Wenen, dacht ik, en lang nog niet de volksmenner en massamoordenaar die hij zou worden. Het was een lang, zinvol, diepgaand gesprek met een gedreven man. Amper 62 en net uit het leven weggerukt. Het was schrikken.

Wordt het niet cynisch wanneer beelden van bombardementen en van honger stervende en gedode kinderen je minder vaak uit je slaap houden dan de niet te stuiten aanwas van een rist dictators, populisten en extremisten? Het piekeren en de onmacht om deze realiteit een halt toe te roepen hebben op mij in elk geval een deprimerende invloed. Enig soelaas mag ik gelukkig onder meer in kunst vinden. Maar hoe horen kunst en kunstenaars (in deze, beeldende kunstenaars) zich tot deze toch beangstigende evolutie te verhouden? Deze vraag komt met regelmaat terug. Ik weet het niet. Ik ben blij dat ik hier ben. Te midden van mensen die van kunst houden. Minder blij ben ik dan weer wanneer ik lees en hoor hoe moeilijk de meeste kunstenaars het vandaag hebben.

De aanleiding tot het feit dat ik hier vandaag een en ander vertel is mijn nog net beheersbare Facebookverslaving. Maanden geleden ben ik aan het scrollen – u ziet: ik beheers al enige PC-terminologie – en stuit op iets markants: een bericht van Frank Demarest, de man die enkele jaren geleden in aanstekelijk Gistels groen het PAK inplantte. Platform voor Actuele Kunst. Een fraaie locatie waar je van kunst kan genieten. Vaak jonge kunst. Maar wat hij post (kijk, weer zo’n PC-term die ik onder knie heb) is niet echt een kunstwerk. En evenmin is het een afbeelding van mogelijks aanstootgevend vrouwelijk naakt, waar hij – volgens kwatongen? – een zwak voor zou hebben. Ik maakte mij meteen de bedenking: misschien heeft hij eindelijk genoeg van al die FB-schorsingen die hem voor dit soort “heiligschennissen” al te beurt zijn gevallen.

Wat hij wel laat zien is een licht verpauperd, tot de verbeelding sprekend groot pand. Maar ik ken het gebouw. Ik heb het altijd gekend, het zogenaamd stadspaleis, een woning met een geschiedenis bijna even lang als die van de stad Brugge zelf. Een journalist is het speuren naar bronnen gewend. Dus bel ik een hartsvriendin op. Haar biotoop is immers “erfgoed”, terwijl ik me doorgaans met nieuwe fenomenen onledig houd. Maar we vullen mekaar wonderwel aan. We zitten meteen in de dertiende eeuw en meer bepaald op de aloude baan tussen Oudenburg en Aardenburg. De “baan” is tot “straat” gemuteerd, tot “Langestraat” meer bepaald, wellicht omdat onze taal “banen” onder meer naar velodrooms en zwembaden heeft verbannen.

Voor de sloophamer er eventueel onheil gaat aanrichten – er zal verbouwd worden – heeft Demarest er een aantal foto’s van laten nemen. Later lees ik op datzelfde digitale gezichtenboek dat hij betrokken partij is en van de bouwheer de toelating heeft gekregen om er voor dat de werken aanvangen een impressionante tentoonstelling te houden.

Het beeld van “De Lombard” op Facebook gooide mij persoonlijk decennia in de tijd terug, naar de Langestraat zoals ik die door en door kende, de straat waar ik geboren en getogen ben. Een inderdaad lange straat met enkele grote en opvallende panden en tijdens mijn puberjaren ook 54 cafés. Ik wist dus zelden met zekerheid waar mijn vader en oudere broers (de zussen deden niet onder), soms in de vroege ochtend, nog wat pittigs stonden te hijsen of hun ondeugendheid botvierden.

Naar de mis ging ik toen al niet meer. Mijn vrome moeder interpelleerde bij de jongste telg alleen nog naar de kleur van de kazuifel van de pastoor. Ik kon kiezen tussen twee kerken en twee missen: ’t Bilkske en Sint-Anna. De zondag en de kerk hebben me dus mede leren liegen. Mijn naïveteit hield behoorlijk stand, maar mijn onschuld vloeide kabbelend weg in “Ter Halle”, waar ik het Franse chanson adoreerde. Ik was adolescent en deed mijn uiterste best om Reggiani te begrijpen. Die man klonk zo intrigerend. Naïveteit en fantasie zouden van pas komen wanneer ik wat later mijn pen mocht laten vloeien over wat kunstenaars deden.

“Ter Halle” was trouwens niet ver van de Langestraat en ik weet nu nog waar tal van generaties hun kostuums lieten maken, waar je je hemd voor je communie ging kopen, waar ze de beste frieten hadden en ik herinner me de braderieën die samenvielen (en dat vandaag nog doen) met Sint-Kruis Kermis.

Zoals “De Lombard” al dat ordinaire rumoer met stille trots heeft doorstaan, zo stoïcijns bleef Demarest dit keer. Hij liet dan wel de foto zien, maar zei niet waar het pand gevestigd was. Ik herkende echter meteen het immense, sobere huis (classicistische stijl, zei mijn hartsvriendin) waar ik als jongeling dag na dag vier keer voorbij passeerde op weg van en naar de school. Vooral de glazen veranda op de verdieping viel me telkens op. De school was uit rond vieren, maar ik bleef “plakken”. Er waren op de weg naar huis nog de Hof van Arents, de Dijver, de Vismarkt en de Botanieken Hof, vier plaatsen waar we eerst wat voetbalden of andere dingen deden eer we huiswaarts tjokten. De boekentas was een zorg voor de volgende ochtend.

Ik kwam bezweet van achter de hoek waar Roger Danneels accordeons aan de man bracht en keek meteen de hoogte in. Die veranda! Ik stak de straat over, vaak net toen kannunik Janssens de Bisthoven het pand binnenstapte. Via een onopvallend deurtje. Wijze man, dacht ik. Maar… grijze muis. Grijze regenjas. Grijs haar. Alles grijs, sober en voornaam. En nooit zwaaide de poort gracieus open. Geen vertoon. Op weg naar huis stapte ik met blijvende verwondering voorbij de andere mastodonten: Meubelen Cools, Elektronica Huyghe (die winkel had Guillaume Bijl ooit moeten zien!), de Vauxhall-garage en recht tegenover ons huis bevond zich de kazerne, vandaag het gerechtsgebouw.

Ik ben blij dat ik nu, een halve eeuw later, “De Lombard” van binnen heb leren kennen. Nooit gedacht dat de illustere bewoners in hun ongetwijfeld schoonste kamer omringd waren door zo veel monumentale schilderijen van Bruggeling Jan Garemijn, de eerste directeur van de Brugse Academie ooit, man naar wie trouwens een van de vier zalen in het Belfort is genoemd. Op die ooit eerbiedwaardige locatie wordt vandaag gekaart, bier en kaas geproefd, heel af en toe tentoon gesteld en gevogelpikt. De 18de-eeuwse schilderijen zouden afkomstig zijn van het huis “Dijver 7”, zei mijn hartsvriendin. In de buurt dus van het Groeninge Museum, dat nogal wat tekeningen van Garemijn bezit.

Pas vanaf 1643 werd het pand door Brugse notabelen bewoond en “De Lombard” werd als huisnaam gebruikt tot in 1561. Het werd omschreven als “Den Lombaert” met een plaetse van een lande, een tuin, dus. De naam “lombard” verwijst naar “woekeraars”, vandaag gewoon” bankiers”. In dit verband verwees mijn erfgoedvriendin ook nog naar iets dat “De Woeker” heette en zich langs de Langerei bevond. In de ME werden Italianen wel vaker Lombarden genoemd, omdat velen betrokken waren bij de internationale geldhandel. En “woekeren”, zoals u ongetwijfeld weet, betekent oncontroleerbaar groeien… Dat het gebouw er uitziet zoals vandaag zou te danken zijn aan een meester-metselaar en bouwpromotor, Eugenius Goddyn, die het in 1767 had gekocht.

En vandaag zijn we hier samen voor een tentoonstelling met werken van 40 kunstenaars. Aangezien het om een hommage aan Willy Van den Bussche gaat terecht veel kunst dus, want onze helaas te vroeg ontvallen conservator was genereus en pakte altijd uit met een overvol museum. Het was een van zijn handelsmerken.

Het belang van de man, door intimi wel eens “Black Willy” genoemd, naar zijn compleet zwarte outfits waarin hij zich steevast hulde, was dat hij in een periode waarin concept en minimalisme aan zet waren, het opnam voor de schilderkunst en zodoende, vooral in België, een soort revival ervan inluidde. In 1992 maakte zijn statement “Mondernism in Painting” school. Hij zou bewijzen dat schilderkunst altijd belangrijk en vernieuwend zou zijn. Zijn verdiensten zijn heel aanzienlijk. Denken we maar aan zijn spraakmakende tentoonstellingen zoals “Van Ensor tot Delvaux”, “Beaufort”, met beelden in de publieke ruimte van de Belgische badsteden, zijn inbreng in de Brugse Triënnales, waar toen nog onbekende kunstenaars als Raveel, Panamarenko, De Keyser, Lohaus, Van Severen, Verstockt en Roobjee aan bod kwamen.

Daar is helaas te vroeg een eind aan gekomen. Botsende karakters. Zei “Black Willy” niet dat hij met kunst bezig was en Jan Hoet vooral met zichzelf? Het waren pittige tijden. De conservatoren, een beetje keizer of paus op hun domein, hadden dan ook lang en stevig moeten knokken eer ze nog maar een museum voor hun verzameling (actuele) kunst ter beschikking kregen. Voor Willy werd dat dan nog een, zij het heel bijzonder, voormalig… warenhuis. Naïef als ik ben gebleven, heb ik lange tijd gehoopt dat Koningin Paola de twee kunsttenoren wel door één (brede) paleisdeur zou krijgen. Helaas. Van beiden heeft ze ongetwijfeld heel wat opgestoken. Meer alvast dan van haar leerkracht Nederlands.

Nu we toch over fenomenen uit de kunstwereld praten, wil ik nog wel eens de verdiensten van ene Roland Patteeuw onder de aandacht brengen, de van actuele kunst bezeten heremiet die zich in Loppem-bij-Brugge vestigde en daar jaren lang een spraakmakende Kunsthalle runde, want ik moet toegeven dat ik vandaag werken als die van Netzhammer, Hybert, Geys en Airo wel mis. Zijn incubatieproject… En wat gezegd van Frank Demarest? Voormelde heren hadden personeel en werden – zei het ondermaats – gesubsidieerd, maar al zeker iemand als Frank Demarest moet het in zijn eentje rooien. Dit keer gelukkig gesteund door Sofie Van den Bussche, dochter van Willy.

De verwijzingen naar de kunstgeschiedenis zijn legio, er wordt volop “geparafraseerd” en eigenlijk is het best heerlijk om zien wat Willy Van den Bussche had voorspeld: het zich laven aan de geschiedenis van de beeldende kunst, het oeverloos putten uit de rijkdom van vroeger.

Musea, weet u. Meer dan twintig jaar geleden heb ik Willy meegetroond naar de “Weylerkazerne” in de Hugo Losschaertstraat. Ook hij vond het niet kunnen dat Brugge tot op die dag (en tot op vandaag) niet eens een museum voor hedendaagse kunst had. De stad leek niet geïnteresseerd in een immens gebouw – een juweel – dat voor amper € 50.000 van de hand werd gedaan. Een antiquair ging ermee lopen en het gebouw werd meteen doorverkocht.

“Between Earth & Heaven I”. Waarom niet tussen “Aarde en Hemel I” vroeg in die tijd een collega zich af. Wat later liep in de aloude stede een tentoonstelling die “Tussen Huid & Orgasme” heette. De titel werd op een immens spandoek geprint en aan het Belfort bevestigd. Helaas moest daar toen nog de Heilig Bloedprocessie passeren. U kent wellicht het vervolg. Ook in deze is amper iets veranderd.

Om geen enkele participerende kunstenaar voor het hoofd te stoten ga ik geen namen noemen. Ik heb stille werken gezien die veel zeggen, wezens die van je wegkijken en toch om aandacht vragen, er zijn monumentale, enigszins pompeuze werken waar je de essentie in een detail moet zoeken. Een van de kunstenaars geeft aanwijzingen voor hoe je je op het strand hoort te gedragen. Op een erg klassieke manier steekt hij de draak met het actuele thema van de regelneverij. Een ander laat dan weer met guitige beelden zien hoe erg het met de wereld is gesteld. Er zijn ingetogen werken en er zijn exuberante. De enen verkiezen licht; anderen een enigszins decadent donker. Hoe ga je met deze wereld om? Hoe overleef je ze? Er is werk dat oud en nieuw versmelt. Er zijn verstilling, er is leven en dood, er zijn ambacht en droom. Er is een lange tafel waar je niet aan mag zitten. Ga niet argeloos aan het kleinere werk voorbij. De meeste werken roepen vragen op. Zo hoort het. En kunstenaar schrijft: “Eyes open and dream on”. Deze zin heeft mij het diepst geraakt.

Al wat me rest is de beide curatoren en de kunstenaars feliciteren en veel succes toe wensen, de bezoekers een intrigerende beleving. Voor een betere wereld lijkt de kunst niet te kunnen zorgen. Laat ons bescheiden blijven. Of raakt u – zoals Lawrence Weiner vindt dat het hoort – toch “fucked up” van wat hier allemaal te zien is?

 

Johan DEBRUYNE, 23 april 2017

(toespraak n.a.v. de tentoonstelling “Between Earth and Heaven II” (hommage aan conservator Willy Van den Bussche) in “De Lombard” (Langestraat, Brugge)

 

Twee keer louter essentie en toch volkomen anders

  

 

 

 

 

 

 

 

 

Twee keer louter essentie en toch volkomen anders

Zondag werd voor de middag langs de dijk van Knokke-Zoute een monografie van Willy De Sauter voorgesteld. Meer bepaald in Galerie Ronny Van de Velde, hoek Golvenstraat. Voor de genodigden was er heel wat lekkers voorzien: er stond een brunch geprogrammeerd. Het evenement ving aan om 11u. en omdat je rond die tijd – bij mooi weer – in de buurt wellicht nauwelijks nog een parkeerplaats vindt, ben ik vroeg vertrokken. Zijn wij vroeg vertrokken. L. bracht me. Als een verwend kind word ik in de buurt van de kleine, fijne galerie afgezet. Ondanks de vroegte, laveer ik er doorheen schoon volk. Ik herken zowaar een baron, praat met wat mensen die ik lang niet heb gezien, krijg als criticus spontaan een monografie aangeboden, praat met een adjunct-conservator van de Brugse Musea (want daar loopt nu eigenlijk de echte tentoonstelling met werk van Willy De Sauter) en ik schud kunstschilder Marcase de hand. Een paar dagen tevoren hadden we mekaar ontmoet bij het afscheid van criticus Jaak Fontier.

Thuis had ik – ondanks het uur dat ons die nacht werd ontnomen – voor een royaal ontbijt gezorgd, dus laat ik de exquise broodjes en lepeltjes, de champagne, het fruitsap en de koffie aan me voorbijgaan. Het is nog net niet te druk om te genieten van het eigengereid minimalisme van De Sauter. Merkwaardig hoe ze er bij Van de Velde altijd in slagen op zo’n kleine locatie toch behoorlijk wat werk te laten zien, zonder dat het overladen wordt. Ook dit is kunst. Ik had lang naar de twee etalages in de naar de dijk klimmende Golvenstraat staan kijken, omdat daar twee gekleurde werken hingen. Ik herinnerde me vooral niets dan De Sauter-wit. Ik hou van het met dierlijke lijm gemengde krijt van De Sauter, de lichte nuances in de oppervlakte van zijn werk, maar vandaag heb ik wat kleur van doen. Met de kunstenaar spreek ik af dat we mekaar binnenkort in de Brugse Musea ontmoeten. Willy De Sauter. De absolute essentie, het minimale. Twee en drie dimensies. Hangend, staand en liggend monnikenwerk. Ik zal lezen over “het ontbreken van spektakel en het spel met grenzen van de visuele leegte”. Tanguy Eeckhout. Mooi.

De dag ervoor zat ik alleen in de auto. Op weg naar Gent. Een vrouwenstem brengt me moeiteloos tot bij de Begijnhofkerk, waar ik nog een enkel parkeerplekje vind. Terwijl ik mijn ondertussen in het hoofd geprente nummerplaat heb ingetikt en geld in de gloednieuwe parkeerautomaat glijd, vraag ik de weg naar de Provenierstersstraat. Ik loop de kerk voorbij en zoek kasseien op. Aan het eind, in het huis met nummer 51, bevindt zich een galerie. Je belt aan en je stapt doorheen – dit veronderstel ik toch – een begijnentuin. Op de deur, in witgeschilderde letters: “St. Bonaventura”. Een mevrouw, Christine Adam leer ik later, komt me tegemoet en binnen de kortste keren zit ik in de woonkamer met een kop koffie en chocoladen paaseitjes voor mijn neus. Die dag ben ik de allereerste gast. Het is drieën en pas dan gaat de tentoonstelling open. Ik geniet van het zicht op de tuin en van de gastvrijheid. Ik kan het niet laten, verlaat de zetel en ga staren en speuren naar en op twee muren. Daar hangen talloze kleine kunstwerken. Er zitten pareltjes tussen. Ik herken meteen een sublieme, “zwarte” De Sauter. Heerlijk. Morgen meer, weet ik. Een kleine omwikkelde “Beddeleem” en aan de overkant een wonderlijke “Gees”. Een magnifieke collectie! Van elke tentoonstelling een enkel souvenir, vertrouwt de gastvrouw me toe.

Op een tafel boeken over Marnix Hoys. Hij is de man die er tentoon stelt. Ik ken zijn werk. Ik leef thuis met drie van zijn (oer)wezens. Wat staan ze hier prachtig op een rij, op een lange blankhouten piëdestal. Twee kleven er tegen de muur. Soorten foetussen die lijken te luisteren naar wat er zich achter de muur afspeelt. (Ik moet even aan Munoz’ “Listening Figures” denken). En allemaal zijn ze gitzwart. Her en der wat Japans rode stof. Hoys heeft iets met Japan. Zijn wezens hebben doorgaans maar een arm, hun lijven zijn gehavend en toch hebben ze alles wat ze horen te hebben. De essentie houdt me gezelschap. Het is ook de allereerste keer dat deze bijzondere galerie figuratief werk toont! In deze bevreemdt het me niet dat de keuze op Hoys is gevallen. Hoys, net zoals De Sauter, “herhaalt” zichzelf al een halve eeuw. Maar toch telkens weer anders. Of ook dit monnikenwerk is, weet ik niet. Hoys lijkt me eerder een wat zorgeloze schepper. De Sauter meer een monnik. Zoals voor De Sauter de materie wellicht nog nauwelijks geheimen kent, lijkt Hoys me in België de absolute kenner van aarde en klei. Op de vernissage, ik stel het vast in het openliggende fotoboek, was Borremans aanwezig. Uit een soort dankbaarheid. Door Hoys was die ooit plastische kunsten gaan volgen.

De dag nadien vraag ik me af waarom ik in Knokke een baron ontmoet en nogal wat lieden die ik eerder al in exquise en/of gerenommeerde galerieën tegen het lijf ben gelopen, maar niet in dit brokje Gentse Begijnhof. Het gaat nochtans twee keer om absoluut vakmanschap en pure eenvoud. Ik herken hun beider werken uit de duizend. Het oeuvre van De Sauter zal meer sérieux incarneren. Leunt wellicht nog dichter tegen het niets aan. En wie met het zogenaamde niets kan pronken, kan laten zien dat hij het allemaal begrepen heeft. Denk ik. Dat de prijzen van de oeuvres wellicht ook drastisch verschillen is een gevolg. Ik weet dat Hoys nog altijd wil dat iedereen zijn werk kan kopen. Het heeft met zijn filosofie te maken. Voor mij zijn ze evenwaardig. Niet echter voor het gros van het kunstenvolk.

Voorts zijn Marnix en Willy twee bijzonder aimabele mensen. West-Vlamingen. Groot-Bruggelingen zowaar. Maar goed, ik geniet en laat de twee grote Gentse Musea links liggen. Voorlopig. Alleen Kader Attilia, in het Gents Designmuseum, jent me een klein beetje. Het werk van deze kunstenaar heeft op de vorige Documenta (Kassel) een onuitwisbare indruk op me gemaakt.

Voor ik naar huis terugkeer, zal ik op de hoek bij de kapel nog een koffie drinken. De dochter des huizes woont in Charleroi en pleit voor een bezoek aan de tentoonstelling met werk van Marthe Wéry. Ik doe nog eens de ellenlange Brugstraat en belandt in het Gentse stadscentrum. Massa! En ik moet nog naar… Brugge. Het lijkt alsof Gent op dat vlak Brugge naar de kroon steekt. Ik doe een beroep op mijn resterende souplesse en wring me langsheen lieden die selfies nemen. Niet zelden is het apparaat op een lange stick vastgepind.

Mensen… Hoys toont de mens zoals hij is. Met al zijn kwetsuren. Terwijl de kunstenaar aan een bezoeker uitleg verschafte over de technieken die hij toepast, luisterde ik even mee. Wonderbaarlijk wat ijzer, hout en andere materialen ressorteren in het eindproces. Maar mij gaat kunst altijd om emotie. Kunst moet me raken. Hoys laat zien hoe mooi lelijk kan zijn. De Sauter zal laten zien hoe mooi het bijna niets is. Bij beiden zie je nog sporen van het ontstaansproces. Nog een parallel.

Johan DEBRUYNE, eind maart 2017

“Het licht om te verdwalen…”

 

 

 

 

 

 

 

 

“Het licht om te verdwalen…”

 

Een zondag in maart. Sinds dagen regent het niet meer. Eindelijk. Alles is doorweekt. De nattigheid sijpelde ook ons huis binnen. Maar de tuin is niet langer een modderpoel en vader en zoon die het dak vernieuwen zijn al een poos aan de slag. Gisteren laat nog een telefoon gehad die me de adem afsneed. Ik voel me rot en krachteloos. Mijn mentale weerstand heeft een dieptepunt bereikt. Het is een van die momenten.

Rond elven ga ik slapen. Vroeger dan gewoonlijk. Werklieden in je huis, deuren open van voor tot achter, lawaai, geen privacy, een kil huis waar we in de woonkamer “logeren” (alleen daar is het nog warm en enigszins rustig), gebeurtenissen die je raken… Ondanks de droogte zinkt mijn gemoed dieper en dieper.

Rond halftwee word ik wakker, ga plassen en kruip het bed weer in. Ik kom echter niet meer aan slapen toe. Ik ben rusteloos. Uren lang loer ik met regelmaat en een zeker verlangen naar de wekkerradio op het nachtkastje. De tijd, die altijd lijkt te vliegen, schrijdt deze wakkere nacht tergend traag. Om kwart voor zeven – gewone prik – start vanzelf en zacht de radio. Drie gewoon mooie liedjes na mekaar. Geen woord ertussen. Geen gedwongen gezwets. Ik verzoen me met de ochtend. Dan volgt het journaal.

De voetbalclub uit Antwerpen verlaat na dertien jaar het vagevuur. Promoveert naar de hoogste afdeling. Vroeger: Eerste Klasse; nu “Jupiler League”. Alles draait om geld. Maar goed, een team met stamnummer 1 hoort er thuis, vind ik. Ik denk met plezier aan Cisse, Ratko en die snedige Duitser. Tegelijk staat er uiteraard ook een zgn. nieuwe “risicowedstrijd” op de voetbalkalender. “Den Antwerp” heeft immers een heftige “supporterskern” zoals dat heet. Maar dé winnaar heet bij nader inzien Ghelamco, een firma die voetbalstadions bouwt.

Het is hommeles tussen Turkije en Nederland. Erdogan. Vallen nog andere Europese lidstaten voor populisten? Ik maak me hieromtrent wel vaker zorgen. Rutte, de Nederlandse premier, geeft geen krimp. Wellicht principieel, maar er staan ook Nederlandse verkiezingen voor de deur. “Nederland Naziland!” roept Erdogan. Kan die man überhaupt gewoon praten? Ik verwacht enige Belgische solidariteit, maar die komt niet. Vrijheid van meningsuiting, heet dat! Ook als het om dictators gaat? Ik hoop dat alle Europeanen die centen hebben om te reizen en graag in de zon liggen bakken reizen naar Turkije links laten liggen. Of is dit te veel gevraagd voor liefhebbers van “all-in”-hotels? Voor al wie graag zorgeloos en oeverloos zuipt en vreet?

Waarom moeten Turkse politici hier campagne komen voeren? Ah, wat hoor ik? Er is een wet in de maak! Net zoals voor dat Gentse kraakpand.

Na het Journaal is er het opgefokte “Bar du Martin”. Ik kan er niet tegen. En wat zou Vermeersch denken van Holslag’s voorwoord in het boek van de voorzitter van het Vlaams Belang? En in Brugge hebben ze eindelijk nog eens een “schepen des volks”. Een poetsvrouw die schepen wordt. Op zich lijkt dit goed nieuws, maar ik kan me niet voorstellen dat zo iemand kan meedraaien in het kluwen van de politiek. Ze is wel rad van tong, Dolores. Ik ken haar. Maar je zal zien: ze zal braafjes worden. Schepen van de Stad Brugge: wat een eer! En burgemeester Landuyt lijkt al aan het schuiven met bevoegdheden. Nu op een bevoegdheid minder of meer zal het voor hem niet aankomen. Maar hij zal in dit verband wellicht toch denken wat ik denk: wat is de spoeling dun geworden. Terwijl ik me klaar maak voor een brokje kunst, vraag ik me nog af: Wat doen kunstenaars tegen Graaiers en Verkavelaars?

Rond halfelf rijd ik naar Oostende. Ik wil graag een parkeerplaats in de buurt van de Geuzetorre. Ik ga er kijken naar plastisch werk van Ginette Myle en luisteren naar Leo Madelein. Ik zie meteen dat het gebouw van de vrijzinnigen compleet ongeschikt is om beeldend werk tot zijn recht te laten komen. Ik ben op tijd. Madelein improviseert en freewheelt. Bijwijlen komt hij in de buurt van het werk van Ginette Myle. Ze kan wat.

Ik was in de ban van iets wat ze met inkt had gemaakt. Een stilleven: een vaas met wat bloemen. Het werk deed me aan Morandi denken en capteerde tegelijk heel sterk de sfeer van Spilliaert. Dit haalde ook Madelein aan. En voorts staketsels en strakke patronen, gegenereerd door licht. Haar eenvoud zit ook in haar werk. Het mooiste wat Madelein zei, was: “Het is het licht dat nodig is om te verdwalen in de kunst.”

Ik vertelde dit aan een zekere Monique. De vrouw zat in de gelagzaal naast de ruimte waar de expo plaatsvindt. “Dit gaat mijn petje te boven”, zei de vrouw. Inderdaad, moeilijk voor niet-ingewijden: licht zou je moeten helpen zien. Toen ik het verhaal in de exporuimte vertelde, kwam Monique plots naar ons toe en zei dat ze het toch begrepen had. Haar euro was gevallen. Een uniek moment! En voorts, zoals altijd op vernissages: mensen die blijven kijken en anderen die vrienden, drank en hapjes zoeken.

Mocht u de komende weekends toevallig in de buurt van het Geuzetorre zijn, vlak bij het dierenasiel, een plas en een vuurtoren. Loop eens langs en geniet. De zon zal wel een wijle wachten. Ginette is er elke zondag van 12 tot halfdrie.

 

Johan DEBRUYNE, maart 2017

 

Hond

Hond

 

Meer dan tien dagen geleden zijn twee vaklui vakkundig ons hele achterhuis van stellages komen voorzien. Een installatie! Ik had meteen zin om op de diverse niveaus beeldende kunst te integreren. Het plastic afdak voor mijn bureau had er eerder moeten aan geloven, want er diende ook daar gebouwd, de hoogte in, tot bij een joekel van een schoorsteen. Weg dus – voor meer dan even – de geborgenheid voor de katten en het tikken van de regen. Daar konden de poezen – als ze buiten wilden slapen (zij beslissen; wij staan ten dienste) – lekker droog blijven mét zicht op tal van tuinen. Er stonden uiteraard mandjes, gevuld met dekentjes.

Ons oude huis slikte de laatste tijd her en der water. De schoorsteen moest dit absoluut te bestrijden euvel als eerste bekopen en een nieuw dak zou definitief soelaas (lees: droogte) brengen. Ondertussen stormt en regent het al van net toen de twee mannen de deur achter zich dicht hadden getrokken, en een ander (vriendelijk) duo met poten aan het lijf, vader en zoon, het werk zouden komen af maken. Tot op vandaag zijn we helaas een schoorsteen armer, de poezen hun droomplek kwijt en is het wachten op dat nieuwe dak.

En ondertussen hadden we plannen gemaakt. Eens het nieuwe dak er zou zijn, dan was het tijd voor een grondige beurt voor mijn bureau (ramen, deur, plafond…) en wat later zouden nog andere onderdelen van het huis – we wonen hier nu bijna 20 jaar – worden opgefrist. Helaas, na een paar dagen was het de… kelder die ons gemoed zowat de doodsteek gaf. Sinds de stad Brugge hier aan de openbare weg heeft laten prutsen moeten we met regelmaat laarzen aantrekken, willen we iets uit de kelder halen: grondwater. Het heeft volgens “kenners” (zowat alle buren) niets met regenval te maken.

Het is een merkwaardig fenomeen, dat water zo maar uit het beton te voorschijn komt. Hier zou een videast vast iets mee aan kunnen, denk ik. Telkens mijn vrouw en ik bij een waterstand van enkele centimeters een tweetal uur in en rond de kelder actief waren, keken we de ogen uit. Dit soort werk deprimeert, maakt ons moe en droef, maar tegelijk was er ook altijd die verwondering. L. stond steevast beneden (hoefde zich niet te bukken); ik hield boven de wacht. Enfin, ik tilde het sierijzer dat het keldergat afdekte even op, haalde een vieze en glibberige gele buis te voorschijn en legde die zo’n meter ver op het trottoir. Voorts liep ik er voor spek en bonen bij: ik hield in de gaten of het debiet niet minder werd. Af en toe verdwaalden steentjes of wat afgebladderde verf in het dompelpompje en diende L. het apparaatje te repareren of opnieuw aan de praat te krijgen. Doorgaans deed ze dat met zachte hand. Maar bleef het ding dienst weigeren, dan handelde ze – volkomen tegen haar natuur in – met geweld. Hoe je mekaar, na bijna 40 jaar, wroetend in de buurt van een kelder nog beter leert kennen…

Het feit dat tijdens het afvoeren van stenen van de afgebroken, werkloze schoorsteen, de kruiwagen het licht gehavend sierdeksel helemaal had verknald, gaf ons zowat de genadeslag: houdt het nu nooit op? En gaan wij alles kunnen blijven repareren? 67 en 63, maar vooral fysiek behoorlijk afgetakeld. Niets kunnen we nog zelf. Waar L. vroeger bijvoorbeeld met engelengeduld het houten terras lenteklaar maakte, moeten we ook dit werk straks door een ander laten opknappen. De relatief kleine tuin en een snoeischaar? Daar waag ik me al enkele jaren niet meer aan.

Omdat de stad waar ik geboren en getogen ben me al vaker in de steek heeft gelaten, begon ik op een avond naar sites met appartementen te koop te surfen. We hadden dan wel besloten in het huis te blijven, maar L. weet dat ik, eens ik iets in mijn hoofd heb gehaald… Ze had gesuggereerd: als je dan toch nog wil verkassen, het liefst zo dicht mogelijk bij het station, dan geraken we gemakkelijk uit de toeristenfuik weg. Vreemd? We zijn beiden in deze stad geboren en opgegroeid en hebben er alle twee een haat-liefde verhouding mee. Het volkomen ontbreken van actuele beeldende kunst en boeiende, gedurfde, nieuwe architectuur in de binnenstad, het bannen van de auto, het tot vervelens toe promoten van de fiets, terwijl fietsen ten onzent levensgevaarlijk blijft, zowel voor de fiets als voor de fietser, de nooit aflatende lof over een fraai kabouterdorp… Het ergert ons.

De rolluiken blijven nu al tien dagen naar beneden. Ik zit dus vaak in het donker en mis het daglicht. Maar die stellages inspireren me niet. Ik doe het nodige werk, maar aan schrijven – tenzij in opdracht, of brieven voor buren en korte berichtjes – kom ik amper toe. Ik lig vermoeid languit in de zetel en denk wat ik straks, mochten we voor een appartement opteren, zou moeten achterlaten. Er zijn kunstwerken en -werkjes die ik voor geen geld ter wereld zou willen missen. In de boeken (hoewel ik aan een ernstige vorm van bibliofilie lijd) kan ik aardig rommelen en al wat ik van de school heb bewaard, ligt me wel na aan het hart, maar de school draait ook zonder mij.

Ik ben wel wat verliefd geworden op het beeld van een hond dat zo’n honderd jaar oud moet zijn. Een schitterend kunstwerk, vind ik. Nu we gedwongen de eetkeuken aan de kou en de vakmannen laten en altijd in de woonkamer eten, kijk continu op zijn knappe kop. En passant aai ik hem (het is duidelijk een reu), ik hoef hem niet mee naar buiten te nemen, want eigenlijk ben ik geen mens (meer) voor zo’n krachtig dier. De artrose die zich koppig in mijn schoudergewrichten heeft genesteld alleen al zou een wandeling onmogelijk maken. Echt aaien, optillen en spelen met, dit kan ik nog altijd met Wieb, momenteel onze enige kater. Ook hij is door de werken – die al tien dagen zijn gestaakt – zijn draai helemaal kwijt. We hebben voor hem een en ander verhuisd, maar het is wennen voor ons harige en licht autistische warhoofd. Nooit denken ze toch aan de dieren wanneer ze zulke dingen doen?

Maar wat laat ik achter? Die talloze doorgaans kunstige dieren in huis? Onder het dak logeren wel honderd marmotten (het gevolg van een socio-cultureel project waarin dat Alpendier een centrale plek had), allemaal met een verhaal. Achter mijn computerscherm koester ik het pluchen beertje van Maria (mijn rechterhand tijdens datzelfde project, dat tien jaar duurde), een kitscherig, maar onweerstaanbaar tijgertje, een mini-buldog met aan zijn nek het plastic bandje dat ik om de pols kreeg toen het S.M.A.K. zijn deuren middels een flauwe boksmatch opende, twee hondjes van Sweetlove (eentje toeft hier tijdelijk) met een petfles op hun rug en schoentjes aan, de enige beer die L. ooit maakte, een kitscherig varkentje gekocht in de Katelijnestraat, de prachtig opgezette marmot die de bakkerin, mijn vroegere buurvrouw, meebracht uit een onooglijk bergdorpje, de al licht verweerde graffitimarmot (creatie van Pino I) op de tuinmuur…

Ja, als we verhuizen, maar dit zal voor iedereen gelden, wordt het moeilijk afscheid nemen. Ik had het dan nog eens niet over de ovenstukken uit de bakkerij van mijn vader-zaliger. Dat soort ovens wordt niet meer gemaakt.

Terwijl ik zit te schrijven denk ik eraan dat mijn jongste broer nu ongeveer in Leuven (Gasthuisberg) wordt geopereerd. Na nog een controle – morgen – en een wellicht lange weg naar genezing, voeren ze hem morgen al terug naar het AZ Sint-Lucas Brugge. Super dat dit allemaal kan, maar ik krijg bepaalde beelden van dierenvervoer maar niet uit mijn hoofd…

 

Johan DEBRUYNE, begin maar 2017

 

Almaar een beetje meer alleen

Almaar een beetje meer alleen

 

Ik heb me zelden zo ellendig gevoeld als gisteren. Zelfs het banale dagelijkse ritme leek tot stilstand gekomen. Ik had met moeë ogen wat krantenbijlagen gelezen, maar de paar boeken op ontdekking binnen handbereik bleven weer onaangeroerd. Ook “De Bekeerlinge” van Hertmans. Heerlijk boek, zei Maen net nog aan de telefoon. Het maakt me moedeloos dat het zorgvuldig en met mate aangevoerde boekenvoer me niet aanzet tot lezen. Vlucht ik dan weer naar het bureau om wat me dwars zit vorm te geven? Zelfs hiervoor ontbreken me moed en kracht. Mijn computer (een recent exemplaar), samen met de auto het enige technische ding waarop ik zorgeloos een beroep wens te doen, speelt me ook parten. De laatste dagen aanvaardt het ding zelfs lettergrootte “14” niet. Ik heb een relatief groot scherm en om zonder bril te werken gebruik ik dat cijfer al tijden! Kleiner gaat niet. Wanneer ik erin slaag de infobalk bovenaan toch voor even zichtbaar te maken, druk ik dan maar op zestien. En hier zit ik nu dus, joekels van letters te typen. Het stoort me, want zo belangrijk zijn de woorden niet.

Ik weet wel: ik hoor nu even niet te lezen, noch zelf dingen in taal om te zetten. Ondanks een meer dan tijdige vaccinatie tegen griep werden L. en ik geveld. Samen. Ik ben gedoemd tot dutten en slapen. Vanmorgen voerde Lotje een aantal broden aan – ik eet steevast speltbrood van een welbepaalde bakker – en een jonge oud-collega is in een warenhuis een winkelkar gaan vullen. Ik mag niet buiten. Het zou ook niet lukken. Ik heb alle afspraken afgemeld en hoop over een week weer wat aan de slag te kunnen. Ik heb wel leren nietsdoen, maar het mag niet te lang duren. Een stratenloper met huisarrest…

L. is ontieglijk harder geveld dan ik. Zij kan amper op haar benen staan, krijgt geen hap binnen, braakt meteen weer uit wat ze toch door haar keel probeert te krijgen en haar tanden klapperen als castagnetten. Van meters ver hoor ik haar nu naar me toe schuifelen. Haar hele lijf huivert in haar wollige kamerjas. Voor haar had ik de dokter gebeld. Correctie: dokteres. Wanneer het er op aankomt opteert L. toch nog altijd voor vrouwelijke kunde en kennis. Mij maakt dat niets uit. Het is zoals met beeldende kunst. Of het werk nu van een man of een vrouw is. Het speelt geen rol. Ik zie het doorgaans niet. Voel het niet.

Op een ochtend had ik met een paar jongere, sportieve en handige kerels nog een zwaar “familiestuk” vervoerd, maar ik voelde de bui al hangen. Ik had het zweten. Ook letterlijk. Ik heb dus goed naar de dokteres geluisterd. Zes weken zal het duren, zei ze. Bijna wanhopig keek ik de andere kant uit.

Voor L. zit er niets anders op dan het bed. Platte rust, wat medicijnen, een fles water op het nachtkastje, uitzieken zoals dat heet, en tegelijk zorgen voor voldoende vocht en suiker. Mijn bed en ik? Geen beste maatjes. Ik zal het bij de zetel houden. De kat op schoot.

Een paar weken geleden hebben we onze oudste kater laten inslapen. Poesjkin was deels zijn zicht kwijt en lang niet meer de jager die hij altijd was geweest. Omdat zijn eveneens geadopteerde broer de eerste weken zijn draai niet vond en leek te treuren en te zoeken, hadden we zowat overal kartonnen dozen en mandjes gezet. Overal handdoeken in. Het was wennen voor Wieb. Hij was dan wel fysiek veruit de sterkste, maar Poesjkin was sluwer. Onze zorg zou niet worden beloond. Niet dat Wieb nu niet relatief snel en met onloochenbare fierheid wél op tafel zat – wat voorheen Poesjkins (licht, vinnig en razendsnel) domein was -, maar omdat L. echt het bed nauwelijks uit raakte, nam ik het huishouden helemaal over, het ophalen van de rolluiken aan de straatkant incluis. Het feit dat een van de slaapplekjes net onder een rol was geplaatst waarmee je een luik op- en neerlaat, leidde tot een valpartij die ik zelfs niet meer kan navertellen. Al wat ik nog weet is dat ik tollend enkele keramieken sculpturen heb vermeden, dat ik uit mijn wenkbrauw bloedde als een rund en dat doodzieke L. plots naast me stond. Even werd overwogen om een zogenaamde wachtdokter op te bellen, maar daar heb ik niet zulke goeie herinneringen aan, en de moed om op een of andere manier op de spoedgevallen te geraken was er ook niet. Gelukkig duurde het felle bloeden niet zo erg lang.

Ondertussen zijn we enkele dagen verder en is mijn lijf her en der verkleurd. Mijn oog spant de kroon. Het is herfst op mijn lijf: de kleuren veranderen elke dag.

Gebroken en nog steeds slapjes lig ik in mijn zetel. Telefoonnummers die ik niet ken beantwoord ik niet. Nooit. Na de zoveelste slaapsessie zie ik dat mijn zus heeft gebeld. Mijn enige zus nog. Ik had er ooit drie die er altijd voor het kakkersnest waren. Meestal belt Roos wanneer ze iets kunstigs in de zin heeft of ergens wil geraken (ze rijdt geen auto) waar haar man absoluut geen zin in heeft. Ze heeft ze het over de familie. Onlangs was er in het ouderlijk huis, nu een restaurant, een reünie. Amper een jaar geleden ben ik een zus aan kanker verloren. Een diep gemis. We zagen mekaar geregeld en hadden veel gemeen. Het overvalt me de laatste tijd vaker, niet een vorm van eenzaamheid, maar een gevoel van tergend sluimerend alleen-zijn. Ooit waren we met zeven. Een warm nest. Vandaag nog met vier. De gedachte om er ooit helemaal in mijn eentje voor te staan, schrikt me wel eens af. Maakt me al eens neerslachtig.

Er zijn ook de werken aan het huis. Het is een al oude, gezellige stek, maar ze heeft klappen (lees: schokken) gekregen toen in de buurt grote infrastructuurwerken hun beloop kenden. Nogal wat zelfstandigen in de buurt werden wanhopig en hielden de zaken voor bekeken.

Ondertussen heeft vocht de rolluikkast van mijn werkkamer bereikt. De gordijnen zijn node weggenomen, mijn werktafel staat nu verder van het raam, het afdakje voor de katten werd uitgebroken en de foto’s van mijn vader en die van mijn twee neefjes staan tegen de muur. Te wachten. Net zoals wij op het nieuwe dak en de schilderwerken. De twee lege plekken doen pijn. Ik wacht ook op tekeningen van Sara. Ze tekent heel bijzonder. Ik wil er graag een paar voor bij mijn verhalen van dagelijks zeer. Ik denk dat ze voor een glimlach kunnen zorgen.

 

Johan DEBRUYNE, februari 2017

 

Spel(l)ing

Spel(l)ing

 

Na het leegmaken van de brievenbus, een oogopslag voor een schimmig contact met het leven buiten, het ten dele voorspelbare gedoe met kater Wieb, het ontbijt en het lezen van een enkele tastbare krant, slof ik richting slaapkamer. De tred waarmee ik de slaapruimte nader zegt wellicht alles over hoe ik me voel. Het wintert nog steeds, maar voor het eerst is het minder koud. Het vriest niet langer. De badkamerdeur blijft dicht. Ik wilde even “hermetisch dicht” schrijven, maar in ons gezellige oude huis, is dit adjectief niet op zijn plaats. Voor de douche is het nog zo’n kwartier te vroeg.

Omdat de kleerkast zo immens groot is (het enige meubel dat we in al die jaren zijn blijven gedogen), hebben we 20 jaar geleden – toen we hier onze intrek namen – van de oude slaapkamerdeur een schuifding gemaakt. Een handige schrijnwerker had dit bedacht. Als we niets om handen hebben geraken we comfortabel binnen. Met een stofzuiger in het kielzog wordt het al mikken. Ik vraag me af hoe L. dat met de wasmand doet.

Het is een winters ritueel: ik schuif het ding dicht (’s nachts blijft het open om de kamer te verluchten) en zet de verwarming aan. L. slaapt nog. Van bij de kast gooi ik – (vrijwel altijd) speels – een verse onderbroek op het bed, waarna ik op een opgerold rubberen matje af stap om het ding aan het voeteneinde te ontrollen. Het is frenetiek, maar bepaald kunstig gehavend: ooit zette Poesjkin er met regelmaat en nijd zijn scherpe nageltjes in (de gedachte aan Lucio Fontana is nooit ver). Onze sluwe, mooie kater ging onbewust artistiek te keer wanneer hij vond dat zijn baasje te lang zijn horizontale positie aanhield en geen aanstalten leek te maken om naar beneden te gaan…

Op het matje probeer ik mijn bekken zo soepel mogelijk houden. Het bovenste gedeelte van mijn rug is broos geworden. Een bron van continue kwelling. Lumbaal – dat lieten röntgenfoto’s al altijd constateren – zit er nog voldoende speling tussen de wervelschijven. Ik streef een status-quo na. Reumatologen, orthopedisten, kinesisten en sportfanaten hebben me de voorbijgaande jaren duidelijk gemaakt welke oefeningen ik nog wél kan doen. Ook wat ik in mijn fysieke toestand maar niét meer moet proberen. Mijn ochtendlijke gymnastieksessie duurt zo’n kwartier. Bewegen, tellen, naar het plafond staren, plannen maken, wegdromen en alweer vergeten wat ik had gepland. Vervelende, maar noodzakelijke routine.

Nadat de souplesse is gevoederd, ben ik klaar voor de dag. Wanneer ik even later uit de douchecel stap, besluit ik of ik die dag al of niet mijn bril opzet. Blijf ik de hele dag binnen of staan er “verre” boodschappen op het programma? Word ik ergens verwacht? Ga ik naar kunst kijken? Is er een opdracht? Thuis red ik het zonder bril, maar eens de voordeur achter me dicht – zeker als ik de auto vandoen heb – moet het zicht scherper. Ik vind het echter verleidelijk om de wereld enigszins omfloerst waar te nemen.

Ondertussen is ook L. het bed uit en in de krant wat opgeschoten. Het gebeurt zelden, maar plots schuift het slaapkamerhout zachtjes open. Ze steekt haar hoofd binnen, kijkt naar haar liggende echtgenoot in zijn nauwe fitnessstrook en vraagt met verontwaardiging in haar stem: “Ook gelezen? Spelling en luisteren zijn op school niet meer belangrijk!” “En of”, antwoordde ik. Maar ik was klaar met dit (nieuws)item. Over het onderwijs zijn al zo vaak ballonnetjes opgelaten en de bevoegde minister blijft er maar op los ratelen. Tettertrien. L., ooit wetenschappelijk opgeleid, weet dat spelling en zogenaamde “luisteroefeningen” indertijd tot mijn dada’s behoorden.

Na tal van onderwijsjaren wist ik hoe je een en ander aantrekkelijk, zinvol en nuttig kon maken. Ik had uiteindelijk ook wel een beetje toegegeven aan de druk tot opleuken. Dictees waren vervangen door korte artikels uit de krant. Een 5-tal zinnen. Meestal vond ik die al op de voorpagina. Ik las het stukje voor en we hadden een gesprek, de leerlingen en ik. Hun mening en hoe ze die verwoord kregen waren leerrijk. Op het einde van de les dicteerde ik de zinnen. Als toemaatje bleef dan nog het zoeken naar een taalfout. De kranten staat er bol van. De taalkennis kalft danig af en fouten zijn schering en inslag. Op wat “eindredactie” wordt genoemd werd bij de kranten het eerst bespaard.

Ook luisteren stond hoog op de agenda. Teksten van Boudewijn, van Zjef, de zingende architect, Herman Van Veen, Robert Long… Mocht ik vandaag nog voor de klas staan, dan zou ik ze zelfs met “Ploegsteert” en Frank Vandenbroucke hebben kunnen ontroeren… Het was telkens stil om zo veel (talige) schoonheid. Nadien werd gezongen. Ik denk nog vaak aan de video over het leven van Julien Schoenaerts, theaterlegende en vader van. Het sprak ze aan, van 13 tot 19. En ouder.

Maar spelling… Een paar jaar geleden werd ik met koorts het ziekenhuis in gereden. Ik gaf les in meerdere scholen, schreef voor diverse kranten en tijdschriften en was geobsedeerd-ambitieus bezig met socio-cultureel werk. Te veel van het goede. Ik was met mijn kop tegen de muur gelopen. Een paar maanden later en eindelijk aan de beterhand had iemand het over een “bore-out”. Ik wist er niet eens het bestaan van. “Je verveelde je”, zei hij. Ik herinner me dat ik tijdens de examens tussen de banken laveerde om te kijken of er niet werd gespiekt. Verplicht nummer. Bij een examen Nederlands was de spelling van de studenten verteerbaar. Maar soms moest ik “bijzitten” op een examen geschiedenis of aardrijkskunde. Wat er dan te lezen viel! Een paar keer wees ik een examinandus op het feit dat aan deze of gene werkwoordsvorm iets scheelde. De onverschillige blik in mijn richting deed me op de duur denken: wat doe ik hier al meer dan dertig jaar?

Ik zei L. nog dat het allemaal “naar de wuppe” is (“Het Zesde Metaal” is onmiskenbaar de eerste in het dialect zingende groep die mijn hart weet te veroveren) en dat ik niet meer dan een passant was geweest.

Enfin. Dinsdag komen ze aan ons huis werken. Het heeft water geslikt. Een van de gevolgen is dat de rolluiken van mijn bureau muurvast zitten. Ik maak me zorgen nu om het huis. Met het onderwijs ben ik klaar. Ik maal niet langer om het nieuws van de zoveelste directeur die alweer een politieke benoeming blijkt te zijn. Ik heb het meer dan dertig jaar meegemaakt. Beslissingen (al dan niet aanvaarden) en oekazes (liefst niet uitvoeren) van luitjes die al jaren niet meer voor de klas stonden, maar wel een partijkaart bezaten.

Terug in de woonkamer haalde ik de rolluiken omhoog, opdat Wieb vanop de vensterbank boven de radiator, opnieuw zijn domein de gaten kon houden.

 

Johan Debruyne, eind januari 2016

 

Blauwe Toren

Blauwe Toren 3

Blauwe Toren

Daar zaten we dan. Een paar minuten eerder hadden we een zogenaamde uitvaartaula verlaten. Daar waren foto’s geprojecteerd. Met betraande ogen hadden we een leven zien passeren. Een leven in momenten. Met verre sprongen die soms beangstigend dichtbij leken. Voor de kinderjaren, die van het puberen, de sinds lang verdwenen dancings en het verliefd worden hadden we mekaar te laat leren kennen. Deel één van haar bestaan was voor ons onbekend terrein. Nieuw, vermoed en enigszins verrassend, en tegelijk voorbij: bizar. Op de beelden getuigde M. van levensvreugde, eigenzinnigheid en zorgeloosheid. Een enkele keer poseerde ze gretig ondeugend. Deze eigenschappen verbaasden niet.

We hadden ook naar “passende” muziek geluisterd. En naar een synopsis van een meedogenloos abrupt gestopt leven. Een sterke vrouw van 65. De vrouw van een vriend. Een vriendin. In amper een jaar tijd helemaal door kanker leeg gevreten.

Ik ben behoorlijk “afwezig”. Altijd op dit soort momenten. In mezelf gekeerd mijd ik de meeste ons bekende aanwezigen. Mijn hoofd zit in een wolk. Mist. De dood went nooit. Af en toe kijk ik weg. Naar het groen buiten. Naar een waterplas. M. was almaar lichter en brozer geworden. Op het laatst leek ze breekbaar als porselein. Haar hoofdje kleiner. Naar wat zich daarbinnen afspeelde was ik benieuwd, maar durfde niets te vragen. Het korte grijze haar stond haar goed.

Amper een jaar geleden werd mijn jongste zus uit mijn dagelijks bestaan weggerukt. Eerst langzaam (een lijdensweg waarlangs ze vaak stil en eenzaam kreunde), maar uiteindelijk onverwacht abrupt. Een oncoloog had ook haar een grotere kans op genezing beloofd. Nog een portie gerekt leven voorgespiegeld. Noppes.

Het is niet de eerste keer dat ik op deze plek kom. Met het ouder worden, het afkalven van het traditionele “afscheid” in kerken of kapellen, en het drastisch toenemen van het aantal crematies, kom je hier vanzelf almaar vaker dan je lief is.

De Blauwe Toren. Zo heet deze site aan de rand van de stad. Een blauwe toren. Heb ik die blikvanger dan telkens gemist? Het dierenasiel, waar naar verluidt relatief snel naar een “verlossende” injectie wordt gegrepen, ook een locatie waar leven en dood tegen elkaar aan schurken, bevindt zich op wandelafstand en draagt ook het woord blauw in zijn naam. Daarna komt “kruis”… Hier komt het leed thuis.

Ik erger me niet meer aan de “kunstwerken” die het gebouw een meerwaarde zouden kunnen geven. Wat er hangt is een dilettantisch allegaartje. Je kan er van uitgaan dat mensen in deze omstandigheden geen boodschap aan kunst hebben. Toch weet ik van aanverwante, grotere en meer eigentijdse locaties, elders in Vlaanderen, dat er kunstenaars zijn die zo’n ruimte wél meer betekenis kunnen geven. Vertroosting. Schoonheid en creativiteit die het verdriet temperen.

Als een van de eersten stappen mijn vrouw en ik traag en nog enigszins verdwaasd naar de nabije, tot restauratie omgebouwde hoeve. Achter het alles insluitende glas staat een tweetal kitscherige clowns. Als die bedoeld zijn om passanten aan het lachen te brengen… Beschamend! Maar ik erger me nauwelijks. Het verdriet is te groot. Waar de rouwmaaltijd – gespreid over een lange tafel – wacht, wordt allengs al eens gelachen. Het leven gaat verder. Het was een ongewoon late dienst. Pal op de middag. De jaarwisseling is duidelijk ongenadig geweest.

Wordt M. straks uitgestrooid? Een half uur geleden hebben we nog rozenblaadjes op haar kist gelegd. Of neemt haar man de as in een urne mee naar huis? Er worden vragen gesteld. En we praten met de tafelgenoten die we kennen, en met vreemden. We ontwaken langzaam uit een soort verdoving. De jassen hangen in een kast. Familie, wat vrienden en buren. “Intieme kring” moet zoiets heten. L. wil niet verast worden. Een andere vriendin wil dat haar as op zee wordt uitgestrooid. En wanneer ze lang genoeg met een vragende blik naar mij kijken, uit ik de wens dat wat van mij over blijft in de Franse Alpen wordt uitgestrooid. Ik was er meermaals. Maar die ene keer, in volle zomer, in dat dorpje… Guillèstre. In mijn eentje zou ik er in de omgeving op zoek gaan naar marmotten. De natuur maakte toen een diepe indruk op me. Zou doodgaan daar dan minder ingrijpend zijn? Of is het andersom? Heeft daar, in het aanschijn van die imposante bergen met besneeuwde toppen, daar waar je je nietigheid zo sterk aanvoelt, het wegvallen van (menselijk) leven minder impact? Of net niet?

Nee, ik zal vermoedelijk niet verast worden. Ik blijf bij L. Nu al bijna 40 jaar. En ook nog na mijn dood. Begraven moeten ze ons – dit hebben we afgesproken – op het mooie Stedelijke Kerkhof. Onder een knap stuk natuursteen. En waarom niet uit de Alpen?

Er wordt gegeten en gedronken. Naarmate de middag vordert worden sommigen wat cynisch, ondeugend zoals M. kon zijn, en gauw gaat het over koetjes en kalfjes. Af en toe ook nog over M. Drie uur later vertrekken we – doodmoe – terug naar huis. We zullen uren slapen.

Tegen de volgende middag smeekt mijn hoofd om een portie verse lucht. Ik stap de Ezelpoort door, een enkele lange straat en twee bochten. Voor ik aan de Grote Markt kom, sla ik links af. Daar kan ik naar boeken en brillen kijken. Er is lekkere koffie in de buurt.

Wat gewoon is, komt me vreemd voor. Ik heb rotdagen achter de rug. Toen M. stierf, hadden we net onze oudste kater laten inslapen. En ook in Wallonië keek een jong familielid de dood in de ogen.

Plots komt mijn vechtlust terug. Ik word nog maar eens geconfronteerd met de wansmaak van onze lokale overheid. Waar ooit een schreeuwlelijke bushalte en bronzen beelden me irriteerden, staat nu iets wat een modern openbaar toilet moet voorstellen. Ik heb helemaal niets tegen het stevige lapidaire groene straatmeubilair vlak bij de bieb, maar mag het voor een gewezen Europese Culturele Hoofdstad een tikkeltje meer zijn? Vooral de kant met de drie urinoirs achter een doorschijnend stuk polyester. Terwijl je plast (je moet je plas nog even ophouden, want het ding is nog niet gebruiksklaar) kijk je op een witte strook. Kon daar nu niet iets artistieks op worden aangebracht? Iets ludieks eventueel? Desnoods een met het hoekige karakter van het ding confronterende poppenkastzicht van een flard Brugge. Zo van: zelfs als je in deze stad gaat plassen blijf je naar schoons kijken. Zelfs plassen in Brugge die Scone: een beleving!

Ik denk onwillekeurig aan Münster, waar ze (tijdens een 10-jaarlijks kunstenfestival) ooit eens hebben laten zien hoe sfeervol en mooi een openbaar toilet kan zijn, en aan creaties van kunstenaars als Matthieu Lobelle en Jonas Vansteenkiste. Onder anderen. Kon de verantwoordelijke schepen die “toiletspecialisten” niet samen aan tafel brengen met enkele kunstenaars? Zou dit geen natuurlijke reflex moeten zijn in een stad die zich een cultuurstad noemt?

Hoewel zelf gekroonde fietsstad, lijkt Brugge de pedalen kwijt. Er wordt uitzinnig gedaan wanneer bier ondergronds naar de tap stroomt en gepocht dat je in luttele minuten de geschiedenis van de stad beleeft wanneer je het “Historium” binnen stapt. Dat de rode gloed van een Kruidvat de Grote Markt bezoedelt lijkt de beleidsdames en -heren niet te deren. We heffen het glas op een Chocolade-, Friet-, Lampen- en Foltermuseum…

Ooit was ik zo naïef te pleiten voor een kwalitatieve invulling van “eerbiedwaardige” locaties…

JOHAN DEBRUYNE, januari 2017

 

 

Wensen

WENSEN

 

“Wensen zijn alleen maar mooi wanneer ze onvervulbaar zijn.” Het zou ooit door Herman Van Veen geciteerd zijn.

Het was Sabine die me dit schreef. Als een soort reactie op mijn wenskaart voor 2017. Veel te wensen had ik overigens niet. Hopend dat het nog niet allemaal naar de wup(pe) is, had ik voor een indringend beeld van de hand van Maen Florin gekozen met daarrond een citaat van Epicurus. Een vingerwijzing voor zij die nooit genoeg hebben of schandalig veel verdienen, terwijl ik voor de buis zit te janken wanneer twee broers, fans van “mijn” Club Brugge, tijdens “De Warmste Week” met een slordige 2000 euro (opgehaald tijdens de begrafenis) naar De Schorre in Boom trekken, nadat hun oudste broer zich van het leven had beroofd. Ik slaag er almaar moeilijker in de vrolijke Jan uit te hangen. Ik woon nochtans heel dicht bij een kleine stede die ze wel eens een pretpark noemen…

Ik heb enige tijd met de idee gespeeld om voor het eerst in jaren geen wenskaart in mekaar te (laten) knutselen. Ik doe mijn stinkende best om er elk jaar opnieuw iets bijzonders van te maken. Ik veranderde pas van gedacht toen ik het dunne boekje van de Franse schrijver Daniel Klein las: “De wijsheid van een tandeloze glimlach”. Het komt er op neer dat de auteur op zijn 72ste te horen krijgt dat zijn niet meer zo frisse gebit aan een implantaat toe is. Dit “bijschaven” van lijf en leden wordt van dan af een gespreksthema onder vrienden en vriendinnen, waarbij het Klein opvalt dat nogal wat vrienden en vriendinnen al (veel) eerder hun lichaam hebben laten verbouwen en dit bovendien de normaalste zaak van de wereld vinden. Klein verwijlt op zeker ogenblik op het Griekse eiland Hydra, waar zeventigers samen linzen eten, het leven onnoemlijk eenvoudiger lijkt, niet van implantaten wordt gesproken en monden waarin nogal wat tanden ontbreken heel wijze dingen zeggen.

Sinds nieuwsberichten en journaals me meer dan ooit deprimeren, volg ik ze minder rigoureus. Eufemismen zijn leugens geworden. Ik lees nog wat kranten, blijf me vermeien in beeldende kunst en literatuur, maar vooral ’s avonds prefereer ik de absolute stilte. Ik wil niet langer ononderbroken naar mensen kijken die lijden, gebombardeerd worden, verdrinken, achter hekkens worden gedreven en als beesten behandeld. Ik wil geen liegende politici meer horen. En ik voel – mede door de toenemende artrose waaraan ik onderhevig ben – niet veel zin meer om (al was het maar) even het hele zootje te ontvluchten. Om op een trein of in een vliegtuig te gaan zitten. Ik heb de moed niet.

Er is almaar minder comfort en alles om je heen wordt hectischer. Ik zie opnieuw beelden van vliegtuigen die neerstorten, van drukke Japanse straten die bezwijken onder het gewicht van overhand toenemend verkeer, ik ben op mijn hoede voor zogenaamde “lone wolves” die niet in hun dooie eentje naar het Paradijs willen, nooit zie ik nog het eindeloos perspectief van treinsporen waar géén mensen op lopen, en zelfs wanneer ik de trein naar pakweg een stad als Antwerpen neem, twijfel ik continu of het ding er ooit wel zal arriveren. De auto, dat gaat nog, maar je staat vaker stil dan je rijdt.

Hoe kommerloos anders was het niet toen ik op de trein naar Marseille zat? In 2003. Mijn weinig ontwikkeld oriënteringsvermogen had me nog maar eens in de steek gelaten, net als de nonchalante Fransen achter hun balies, want ik moest eigenlijk talloze kilometers noordoostwaarts terugkeren om marmotten te gaan spotten. Die rakkers vind je trouwens niet beneden de 1500 meter. Maar ik was niet nerveus, hoewel ik er pas tegen middernacht zou aankomen. Ik had me gezellig geïnstalleerd, schreef af en toe wat en genoot van het landschap.

Spelen mijn 63 lentes en het feit dat ik in de vroege ochtend amper op een aanvaardbare manier in mijn kleren geraak een rol? Deels wellicht. Voorts – dit heb ik leren aanvaarden – neemt de routine het stilaan over, net zoals de ongemakken. En bovendien gaat de tijd almaar sneller. Zo lijkt het toch.

Dus, wat kan ik mijn schaarse vrienden en talloze kennissen nog wensen? Iets van Epicurus. Een soort late journalistieke reflex. Ik geef toe: dat belerende krijg ik er moeilijk uit. En nu schrijft Sabine dit. Dus toch maar weer wensen volgend jaar. Bij leven en welzijn. En het liefst zo onhaalbaar mogelijk!

Over mijn lang geleden overleden vader schrijf ik aan een wat langer verhaal. Een soort novelle. In brokken en stukken, met horten en stoten. Een beetje gelijkend op de Langestraat, waar ik ben opgegroeid en bijna alles van het leven heb geleerd. Ook die is met horten en stoten verrassend indringend veranderd. Alleen de structuur is gebleven. De ruime bochten. Ook nog wat gevels. Sterrenrestaurants hebben zich naast volkse kroegen geïnstalleerd. Polarisering is men zoiets geen noemen. Een mooi, wreed woord.

JOHAN DEBRUYNE, eind december 2016